Nederlands1
Start Omhoog

                 


 


 

Het lied van het morgenlicht  

Ik groet het morgenlicht maar of

het zich laat groeten

de voeten der voorbijgangers laten

zich beter groeten

wij moeten zeggen zij ondanks het

morgenlicht

ik knik ze toe houd moed zeg ik het

licht maakt je toch blij

ze knikken terug maar ze geloven

niet ze gaan voorbij.

 

Het morgenlicht houdt zich nu

bezig met de dingen

de pasgewassen trams de rails het

draad erboven

de fietssturen de ramen en de

raamkozijnen

de dingen kunnen in het

morgenlicht geloven

het water van een gracht wordt

zonder kleren aan

zo heilig als de heilige Sebastiaan.

 

En ook de kar de man ernaast de

haring op de kar

zij roepen eensgezind en zonder dat

zij opzien baren

het morgenlicht nabij en ook ikzelf

ik groet

het morgenlicht maar of het zich

laat groeten

wij moeten zeggen wij dit is het

morgenlicht

wij moeten zeggen wij het licht is

ons gezicht

wij moeten zeggen wij het licht gaat

eenmaal dicht.  

H. Andreus


Wanneer ik morgen doodga  

Wanneer ik morgen doodga,

vertel dan aan de bomen

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan de wind,

die in de bomen klimt

of uit de takken valt,

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan je kind,

dat jong genoeg is om het te begrijpen.

Vertel het aan een dier,

misschien alleen door het aan te kijken.

Vertel het aan de huizen van steen,

vertel het aan de stad,

hoe lief ik je had.

 

Maar zeg het aan geen mens.

Ze zouden je niet geloven.

Ze zouden niet willen geloven dat

alleen maar een man alleen maar een vrouw,

dat een mens een mens zo liefhad

als ik jou.  

Hans Andreus


* Liefde * 

Je praat

nuchter

over de liefde.

Terecht.

 

Er is al

zoveel

over gepraat

en gezegd,

 

terwijl de

stilte

 

staat te

wachten

 

of er nog

wat van komt.  

Hans Andreus


LIGGEN IN DE ZON  

Ik hoor het licht het zonlicht

pizzicato

de warmte spreekt weer tegen mijn

gezicht

ik lig weer dat gaat zo maar niet dat

gaat zo

ik lig weer monomaan weer

monodwaas van licht

 

Ik lig languit lig in mijn huid te

zingen

lig zacht te zingen antwoord op het

licht

lig dwaas zo dwaas niet buiten

mensen dingen

te zingen van het licht dat om en op

mij ligt.

 

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk

lig zonder

te weten hoe of wat ik lig alleen

maat stil

ik weet alleen het licht van wonder

boven wonder

ik weet alleen maar alles wat ik

weten wil.  

H. Andreus  


Roep het begin op  

Roep het begin op,

trage hand die schrijft,

want ikzelf kan haast niet meer denken

aan het eerste ogenblik,

het eerste uur en aan de tekenen

van geluk, zoals er

waren: bomen, bruggen,

een rivier, stilte en een toevallig

bed later, - tekens van

vreugde in de stad waar ik

kwam - een vreemdeling - en werd

ontvangen: een dier

van liefde, een mens van geluk.  

Hans Andreus  


September  

Blond lief, de laatste gouden dagen

wuiven ten afscheid en wij achten 't niet,

de bomen en de struiken dragen

hun laatste tooi en in het riet

schuilen de vissen en hun trage

vinslag verraadt hen niet.

 

Het wordt nu tijd ons te bezinnen,

de bossen kleuren dieper bruin

en lila herfstasters beginnen

hun ijle bloemen in mijn tuin.

 

Het wordt nu tijd om te bedenken:

de zomer houdt niet eeuwig stand;

hij schonk ons al wat hij kon schenken -

de laatste gouden dagen wenken

en herfst komt reeds in feller kleuren drenken

de bloemen van dit dierbaar land.  

Koos schuur


Langzaam  

Winter, jij bent een slechtaard

in de huizen verstop je je

als een kind zie ik je alle scholen

binnen hollen met je lichaam

in een tas o winter jij bent

een slechte meester

 

een klein beetje vuurwerk daarmee

ben ik tevreden o winter geef mij

wat vrolijkheid knip een stuk

van deze middag af gooi een sprookje

in het water van de nacht

o slechte meester

 

dag slechte winter, scharenslijper,

met geschramde knieën hol je

over de speelplaats als knikkers

uit de wolken van een hemel naar het blauwe

hemd waar het witte krijtje rijdt van

een slechte meester.  

Hans Lodeizen  


Hérault.  

Avond in de Hérault. Thymgeuren

dobberen zwaar

op de lucht, moeten nergens zijn

en blijven hangen, zoals wij in dit

domein.

Zoals je zou willen zwerven, 't doet

er niet toe waar,

 

als het hier maar is. Nevel gaat

net niet over het land

zoals je een slapend kind

niet niet aanraakt, erover ademend.

 

En je weet: ik heb niet wat ik heb.

De branding van de wind

waait een zee van tijd zacht heen

en weer, Het is eb.  

H. de Coninck  


Scheepje varen  

Aan beide oevers zit een vrouw:

de ene laat een scheepje gaan,

verheugd en fris, hoog op het water;

de andere pakt het peinzend aan,

zwart, scheef, een uitgebrande

krater.

Soms kijken zij elkander aan,

dan moet een blinkend schip

vergaan,

halverwege.

De een weent, de andere lacht,

niet triomfantelijk, maar zacht,

 

bijna verlegen.  

M. Vasalis  


In de trein  

In de trein

vraagt een kind

wat is een koe

en wat is een paard

wat is water en vuur

wat is de lucht

de zon

de dauw en de mist

 

duizend vragen zijn er

en tienduizend antwoorden

 

in de trein

denk ik

wat is een kind

 

één vraag is er

en één antwoord

WONDER  

Jos Vandeloo


NIETS  

Het leven

je zou het je moeten kunnen

herinneren

als een buitenlandse reis

 

en er met vrienden of vriendinnen

over na moeten praten

en zeggen

 

het was toch wel aardig,

het leven,

en flarden zien van vrouwen,

geheimen

en landschappen

 

en dan tevreden achteroverleunen

maar doden kunnen niet

achteroverleunen.

 

En ook verder kunnen ze niets.  

Cees Nooteboom


HET BERKJE  

In het grote stille woud

staat het kleine witte berkje

als een handenarbeidwerkje,

tussen bomen, zwaar en oud.

Zilver tussen brons en goud.

 

In de warmte van de zon,

in de koelte van de regen,

in de schaduw van verlegen

hoge bomen in de wind.

Als een vroeg verlaten kind.

 

Als het nachtblauw pakpapier

het bos tot in de verste takken

schier onmerkbaar in gaat pakken,

trilt het kleine berkje even,

zie je flauw zijn takken beven.

 

En het houdt de adem in.

Alle struiken, alle bomen

weten wat er dan gaat komen,

't hele bos weet dan allang:

onze berk is stervensbang.

 

Het staat stokstijf in de nacht

wit en spichtig spook te wezen;

dodelijk bleek zichzelf te vrezen.

Angst en vrees hebben de macht.

Angst en vrees houden de wacht.

 

En de bomen in het rond

zouden 't doodbevreesde berkje

in hun takken willen bergen.

Maar zij weten, dat hun troost

slechts de angst en vrees vergroot.

 

Vastgenageld aan de grond

zien de machteloze bomen

't onafwendbare einde komen.

Angst roept angst op en weerkaatst

oorverdovend op het laatst.

 

Toen in een novembernacht

is de berk van angst gestorven.

Is het berkje doodgegaan.

En de bomen hieven zacht -

ruisende hun treurzang aan.  

Ad Booijen  


WACHTEN IN DE OCHTEND  

Ik zat te wachten in een groot en leeg café

in bont gedoken, rillend in mijn eigen vuur

en alle bleke kelners wachtten mee...

zij spraken weinig, met gedempte stem:

ze wacht op hem, ze wacht op hem, op hem...

Er was geen klok, geen tijd, alleen maar duur.

 

Toen was ik niets meer dan maar ‚‚n tentakel

die blindelings strekte, ‚‚n blind oog voorop

en ‚‚n doof oor, ‚‚n sprakeloze open mond,

gestrekt en zoekend tussen duizend mensen

en afgeleid door geen - één dringend wensen

totdat hij enkel maar die ene vond,

die 't oog kon zien, het oor kon horen

en die de mond had uitverkoren

en die de roep daaruit verstond.

 

Tot hij daar was, tot hij daar stond

en ik, nog ganselijk verloren

hem nauw kon zien, hem nauw kon horen.  

M. Vasalis  


Is het vandaag of gisteren  

Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,

bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.

Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag

en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?

Wat later: kindje ik word veel te oud.

Ik troost haar, dierbare witte astronaut

zo ver al van de aarde weggedreven,

zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend

zonder bestek en her en der.

Zij zoekt -het is een s.o.s.-

haar herkomst en haar zijn als kind

en niemand niemand, die haar vindt

zoals zij was. Haar Franse les

herhaalt zij: van haar 8e jaar:

`bijou, chou, croup, trou, clou, pou, o,

die eerste juffrouw, weet je wel

die valse ouwe mademoiselle

hoe heet ze nou. Ik ben zo moe'.

 

Had ik je maar als kind gekend,

die nu mijn kind en moeder bent.  

M. Vasalis  


Het 'tijdje' -steeds te kort of te breed  

Stilte is...

'de Tijd' in plaats van 'het tijdje'.

Kairos in plaats van Kronos.

 

...Het 'tijdje'

-steeds te kort of te breed -

heeft z'n bladspiegel altijd vol

met belangrijke baan

met afgesproken afspraken

met geagendeerde agendassen.

En daar bovenop

interessante interessante...

 

Alles samen

een indrukwekkende ballon:

planbord, treingids, wekker,

verveling, de klok,

eindeloze beplichtingen.

En time is natuurljk monnie:

monnie voor bonnie.

 

Na een 'tijdje'

doet de pijnstiller het

een tijdje.  

*  

De Tijd daarentegen

heeft al den tijd

avan komen en van gaan.

Zij groeit - ongemerkt -

de grassen

dwarsdoor het grind.

 

Zij zet luisterpunten

achter heur zinsneden

om te wachten

of iemand wat zeggen wil.

 

Want de Tijd

is bidden, bad, gebeden,

dat zich niet

van leven onderscheidt.

Duizend psalmen van monialen

van gregoriaanse pissebedden

onder vochtige plavuizen.

 

De Tijd:

Vinger in je mond.

Een slok water.

Leunen over het hek van de wei,

-je neusgedrukt

tegen het oneindig uitstalraam.

 

Voor haar intimi

houdt zij ruggelings

een besloten vernissage

van de stillevens

der scheuren in 't plafond.

 

De Tijd heeft het eeuwige leven.

Haar ogenblikken zijn zachte billen

zonder begin en zonder einde.

 

De Tijd heeft al den tijd.

Zij hangt met heur ellebogen

over de reling van de open brug.

En na 't sterven van de dag

bewaart zij geliefden

in elkanders schoot.

Zij is het rustig asemen

van dingen die bestaan  

B.P. de Roeck


Maak ons stil dan als het suizen van de nachtwind  

Maak ons stil dan als het suizen van de nachtwind

in het donker gras,

een verre zomernacht -

een man lag wezend in het gras

en hij verstond uw komen -

maak ons stil

als het suizen der geheimen in ons bloed.

 

Maak ons stil als het trillen,

licht en sterk,

van een kabel die gaat breken.

zo trilt een dolk in hout.

Zo trilt ons hart

wanneer Gij nadert.

 

Maak ons stil dan

als het sterke dringen

van het goed verdriet,

dat door ons leven trekt

in fijne nerven,

maak ons stil

als het branden van tranen,

dat zwak maakt en wankel,

van geluk.

 

Maak ons stil dan

als het sidderend rechtstandig zweven

van een vlam -

zuiver staat zij,

bloem van pijn,

verslonden in het hoge feest der vernietiging -

wij allen wachten in het donker,

Vreemdeling,

tot Gij ons terugneemt in Uw branden,

U alleen behoort ons hart.  

J. van Schagen  


In de tram  

-zonnekind-

zij lacht de dag open

op vleugels van haar ongeduld

 

twee ogen durven nog geloven

dat de tram h  r wereld kent

 

wij rijden van hier naar ginder

van mamma naar straks plezier

 

met dit kleurstift teken ik opa

wacht! nee hier

 

zij praat de morgen wakker

 

een vrouw lacht in haar jas

 

om het hondje dat in een tas

geen plaats innam maar nú plots

blaft

 

naar het meisje dat als een

lichte vlinder snel heel deze nieuwe

dag innam  

Lia Barbiers


Waarover zal ik zingen  

Waarover zal ik zingen

over regenjassen

over het lover van geboomte

of zal ik van de liefde zingen

 

Waarover zal ik zingen

over vliegmachines blinkend aluminium

in de zon en blauwe lucht

of zal ik zingen over de liefde

 

Over auto's

over steden en historie

of zal ik zingen over de liefde

 

Over vele vreemde dingen

over de gewone

of zal ik zingen over de liefde

 

Over bloemen

over water

over mooie dingen

of wat droevig is

of zal ik zingen over de liefde

 

Over tabak en vriendschap

over geur en wijn

over schepen zeilen meeuwen

over ellende

over de ouderdom

over de jeugd

of zal ik zingen over de liefde  

Jan Hanlo  


VREEMDELINGEN IN JERUZALEM  

Nu ben je veel verder van huis.

Veel verder dan ik ooit gezworven. Je had het ook

mooi verkorven, bij die het wisten,

 

die met de rechte gezichten –

en bij het volk uit de stad en de dorpen dat huishield

onder het kruis waaraan je nu bent gestorven

 

en als zwakkeling, Verder gezworven,

zei ik? Een ding ben je nu geworden, een

dood ding, ergens door iemand

 

opgehangen en vergeten.

Van jou kom ik niets meer te weten en zelfs de

herinnering zal eerder komisch zijn want

 

mens, waar is je God gebleven die je was,

maar toch stervend aanriep als een hond

zijn meester?

 

Stomme dood. Maar waarom blijf ik dan –

denken: Ik dacht waarachtig dat ik daar

hing?  

Hans Andreus


Bijna alles, bijna niets

Er is veel verloren bijna alles

er is weinig gewonnen bijna niets

behalve het wennen aan de wanhoop

behalve het weten dat het doorgaat

behalve de onrust die ons voortjaagt

en de verzoening

met het spiegelbeeld.  

E. Warmond


Ster

Ik zag vanavond voor het eerst een ster.
Hij stond alleen, hij trilde niet.
Ik was ineens van hem doordrongen,
ik zag een ster, hij stond alleen,
hij was van licht, hij leek zo jong en
van vóór verdriet.
Vasalis


VOOR WIE DIT LEEST

 

Gedrukte letters laat ik U hier kijken. k

maar met mijn wanne mond kan ik niet spreken.

 

mijn hete hand uit dit papier; niet steken;

wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

 

0. als ik troosten kon. dan kon ik wenen.

Kom. leg Uw hand op dit papier; mijn huid;

verzacht het vreemde door de druk verstenen

van het geschreven woord. of spreek het uit

 

Menige verzen heb ik al geschreven.

ben menigen een vreemdeling gebleven

en wien ik griefde weet ik niets te geven;

liefde is het enige.

 

Liefde is het meestal ook geweest