|
|
Ik groet het
morgenlicht maar of het zich laat
groeten de voeten der
voorbijgangers laten zich beter
groeten wij moeten
zeggen zij ondanks het morgenlicht ik knik ze toe
houd moed zeg ik het licht maakt je
toch blij ze knikken
terug maar ze geloven niet ze gaan
voorbij. Het morgenlicht
houdt zich nu bezig met de
dingen de pasgewassen
trams de rails het draad erboven de fietssturen
de ramen en de raamkozijnen de dingen
kunnen in het morgenlicht
geloven het water van
een gracht wordt zonder kleren
aan zo heilig als
de heilige Sebastiaan. En ook de kar
de man ernaast de haring op de
kar zij roepen
eensgezind en zonder dat zij opzien
baren het morgenlicht
nabij en ook ikzelf ik groet het morgenlicht
maar of het zich laat groeten wij moeten
zeggen wij dit is het morgenlicht wij moeten
zeggen wij het licht is ons gezicht wij moeten
zeggen wij het licht gaat eenmaal dicht. H.
Andreus Wanneer ik
morgen doodga, vertel dan aan
de bomen hoeveel ik van
je hield. Vertel het aan
de wind, die in de bomen
klimt of uit de
takken valt, hoeveel ik van
je hield. Vertel het aan
je kind, dat jong genoeg
is om het te begrijpen. Vertel het aan
een dier, misschien
alleen door het aan te kijken. Vertel het aan
de huizen van steen, vertel het aan
de stad, hoe lief ik je
had. Maar zeg het
aan geen mens. Ze zouden je
niet geloven. Ze zouden niet
willen geloven dat alleen maar een
man alleen maar een vrouw, dat een mens
een mens zo liefhad als ik jou. Hans Andreus Je praat nuchter over de
liefde. Terecht. Er is al zoveel over gepraat en
gezegd, terwijl de stilte staat te wachten of er nog wat van komt. Hans Andreus Ik hoor het
licht het zonlicht pizzicato de warmte
spreekt weer tegen mijn gezicht ik lig weer dat
gaat zo maar niet dat gaat zo ik lig weer
monomaan weer monodwaas van
licht Ik lig languit
lig in mijn huid te zingen lig zacht te
zingen antwoord op het licht lig dwaas zo
dwaas niet buiten mensen dingen te zingen van
het licht dat om en op mij
ligt. Ik lig hier
duidelijk zeer zuidelijk lig zonder te weten hoe of
wat ik lig alleen maat stil ik weet alleen
het licht van wonder boven wonder ik weet alleen
maar alles wat ik weten wil. H. Andreus Roep het begin
op, trage hand die
schrijft, want ikzelf kan
haast niet meer denken aan het eerste
ogenblik, het eerste uur
en aan de tekenen van
geluk,
zoals er waren: bomen,
bruggen, een rivier,
stilte en een toevallig bed later, -
tekens van vreugde in de
stad waar ik kwam - een
vreemdeling - en werd ontvangen: een
dier van liefde, een
mens van geluk. Hans Andreus Blond lief, de
laatste gouden dagen wuiven ten
afscheid en wij achten 't niet, de bomen en de
struiken dragen hun laatste
tooi en in het riet schuilen de
vissen en hun trage vinslag
verraadt hen niet. Het wordt nu
tijd ons te bezinnen, de bossen
kleuren dieper bruin en lila
herfstasters beginnen hun ijle
bloemen in mijn tuin. Het wordt nu
tijd om te bedenken: de zomer houdt
niet eeuwig stand; hij schonk ons
al wat hij kon schenken - de laatste
gouden dagen wenken en herfst komt
reeds in feller kleuren drenken de bloemen van
dit dierbaar land. Koos schuur Winter, jij
bent een slechtaard in de huizen
verstop je je als een kind
zie ik je alle scholen binnen hollen
met je lichaam in een tas o
winter jij bent een slechte
meester een klein
beetje vuurwerk daarmee ben ik tevreden
o winter geef mij wat vrolijkheid
knip een stuk van deze middag
af gooi een sprookje in het water
van de nacht o slechte
meester dag slechte
winter, scharenslijper, met geschramde
knieën hol je over de
speelplaats als knikkers uit de wolken
van een hemel naar het blauwe hemd waar het
witte krijtje rijdt van een slechte
meester. Hans Lodeizen Avond in de Hérault.
Thymgeuren dobberen zwaar op de lucht,
moeten nergens zijn en blijven
hangen, zoals wij in dit domein. Zoals je zou
willen zwerven, 't doet er niet toe
waar, als het hier
maar is. Nevel gaat net niet over
het land zoals je een
slapend kind niet niet
aanraakt, erover ademend. En je weet: ik
heb niet wat ik heb. De branding van
de wind waait een zee
van tijd zacht heen en weer, Het is
eb. H. de Coninck Aan beide
oevers zit een vrouw: de ene laat een
scheepje gaan, verheugd en
fris, hoog op het water; de andere pakt
het peinzend aan, zwart, scheef,
een uitgebrande krater. Soms kijken zij
elkander aan, dan moet een
blinkend schip vergaan, halverwege. De een weent,
de andere lacht, niet
triomfantelijk, maar zacht, bijna verlegen. M.
Vasalis In de trein vraagt een kind wat is een koe en wat is een
paard wat is water en
vuur wat is de lucht de zon de dauw en de
mist duizend vragen
zijn er en tienduizend
antwoorden in de trein denk ik wat is een kind één vraag is
er en één
antwoord WONDER Jos Vandeloo Het leven je zou het je
moeten kunnen herinneren als een
buitenlandse reis en er met
vrienden of vriendinnen over na moeten
praten en zeggen het was toch
wel aardig, het leven, en flarden zien
van vrouwen, geheimen en landschappen en dan tevreden
achteroverleunen maar doden
kunnen niet achteroverleunen. En ook verder
kunnen ze niets. Cees Nooteboom In het grote
stille woud staat het
kleine witte berkje als een
handenarbeidwerkje, tussen bomen,
zwaar en oud. Zilver tussen
brons en goud. In de warmte
van de zon, in de koelte
van de regen, in de schaduw
van verlegen hoge bomen in
de wind. Als een vroeg
verlaten kind. Als het
nachtblauw pakpapier het bos tot in
de verste takken schier
onmerkbaar in gaat pakken, trilt het
kleine berkje even, zie je flauw
zijn takken beven. En het houdt de
adem in. Alle struiken,
alle bomen weten wat er
dan gaat komen, 't hele bos
weet dan allang: onze berk is
stervensbang. Het staat
stokstijf in de nacht wit en spichtig
spook te wezen; dodelijk bleek
zichzelf te vrezen. Angst en vrees
hebben de macht. Angst en vrees
houden de wacht. En de bomen in
het rond zouden 't
doodbevreesde berkje in hun takken
willen bergen. Maar zij weten,
dat hun troost slechts de
angst en vrees vergroot. Vastgenageld
aan de grond zien de
machteloze bomen 't onafwendbare
einde komen. Angst roept
angst op en weerkaatst oorverdovend op
het laatst. Toen in een
novembernacht is de berk van
angst gestorven. Is het berkje
doodgegaan. En de bomen
hieven zacht - ruisende hun
treurzang aan. Ad Booijen Ik zat te
wachten in een groot en leeg café in bont
gedoken, rillend in mijn eigen vuur en alle bleke
kelners wachtten mee... zij spraken
weinig, met gedempte stem: ze wacht op
hem, ze wacht op hem, op hem... Er was geen
klok, geen tijd, alleen maar duur. Toen was ik
niets meer dan maar ‚‚n tentakel die blindelings
strekte, ‚‚n blind oog voorop en ‚‚n doof
oor, ‚‚n sprakeloze open mond, gestrekt en
zoekend tussen duizend mensen en afgeleid
door geen - één dringend wensen totdat hij
enkel maar die ene vond, die 't oog kon
zien, het oor kon horen en die de mond
had uitverkoren en die de roep
daaruit verstond. Tot hij daar
was, tot hij daar stond en ik, nog
ganselijk verloren hem nauw kon
zien, hem nauw kon horen. M.
Vasalis Is het vandaag
of gisteren, vraagt mijn moeder, bladstil,
gewichtloos drijvend op haar witte bed. Altijd vandaag,
zeg ik. Ze glimlacht vaag en zegt: zijn
we in Roden of Den Haag? Wat later:
kindje ik word veel te oud. Ik troost haar,
dierbare witte astronaut zo ver al van
de aarde weggedreven, zo moedig
uitgestapt en in de ruimte zwevend zonder bestek
en her en der. Zij zoekt -het
is een s.o.s.- haar herkomst
en haar zijn als kind en niemand
niemand, die haar vindt zoals zij was.
Haar Franse les herhaalt zij:
van haar 8e jaar: `bijou, chou, croup, trou, clou, pou, o, die eerste
juffrouw, weet je wel die valse ouwe
mademoiselle hoe heet ze
nou. Ik ben zo moe'. Had ik je maar
als kind gekend, die nu mijn
kind en moeder bent. M.
Vasalis Het
'tijdje' -steeds te kort of te breed Stilte is... 'de Tijd' in
plaats van 'het tijdje'. Kairos in
plaats van Kronos. ...Het 'tijdje' -steeds te kort
of te breed - heeft z'n
bladspiegel altijd vol met belangrijke
baan met afgesproken
afspraken met
geagendeerde agendassen. En daar bovenop interessante
interessante... Alles samen een
indrukwekkende ballon: planbord,
treingids, wekker, verveling, de
klok, eindeloze
beplichtingen. En time is
natuurljk monnie: monnie voor bonnie. Na een 'tijdje' doet de
pijnstiller het een tijdje. * De Tijd
daarentegen heeft al den
tijd avan komen en
van gaan. Zij groeit -
ongemerkt - de grassen dwarsdoor het
grind. Zij zet
luisterpunten achter heur
zinsneden om te wachten of iemand wat
zeggen wil. Want de Tijd is bidden, bad,
gebeden, dat zich niet van leven
onderscheidt. Duizend psalmen
van monialen van
gregoriaanse pissebedden onder vochtige
plavuizen. De Tijd: Vinger in je
mond. Een slok water. Leunen over het
hek van de wei, -je neusgedrukt tegen het
oneindig uitstalraam. Voor haar
intimi houdt zij
ruggelings een besloten
vernissage van de
stillevens der scheuren in
't plafond. De Tijd heeft
het eeuwige leven. Haar
ogenblikken zijn zachte billen zonder begin en
zonder einde. De Tijd heeft
al den tijd. Zij hangt met
heur ellebogen over de reling
van de open brug. En na 't
sterven van de dag bewaart zij
geliefden in elkanders
schoot. Zij is het
rustig asemen van dingen die
bestaan B.P.
de Roeck Maak
ons stil dan als het suizen van de nachtwind Maak ons stil
dan als het suizen van de nachtwind in het donker
gras, een verre
zomernacht - een man lag
wezend in het gras en hij verstond
uw komen - maak ons stil als het suizen
der geheimen in ons bloed. Maak ons stil
als het trillen, licht en sterk, van een kabel
die gaat breken. zo trilt een
dolk in hout. Zo trilt ons
hart wanneer Gij
nadert. Maak ons stil
dan als het sterke
dringen van het goed
verdriet, dat door ons
leven trekt in fijne
nerven, maak ons stil als het branden
van tranen, dat zwak maakt
en wankel, van geluk. Maak ons stil
dan als het
sidderend rechtstandig zweven van een vlam - zuiver staat
zij, bloem van pijn, verslonden in
het hoge feest der vernietiging - wij allen
wachten in het donker, Vreemdeling, tot Gij ons
terugneemt in Uw branden, U alleen
behoort ons hart. J. van Schagen -zonnekind- zij lacht de
dag open op vleugels van
haar ongeduld twee ogen
durven nog geloven dat de tram h r
wereld kent wij rijden van
hier naar ginder van mamma naar
straks plezier met dit
kleurstift teken ik opa wacht! nee hier zij praat de
morgen wakker een vrouw lacht
in haar jas om het hondje
dat in een tas geen plaats
innam maar nú plots blaft naar het meisje
dat als een lichte vlinder
snel heel deze nieuwe dag innam Lia Barbiers Waarover zal ik
zingen over
regenjassen over het lover
van geboomte of zal ik van
de liefde zingen Waarover zal ik
zingen over
vliegmachines blinkend aluminium in de zon en
blauwe lucht of zal ik
zingen over de liefde Over auto's over steden en
historie of zal ik
zingen over de liefde Over vele
vreemde dingen over de gewone of zal ik
zingen over de liefde Over bloemen over water over mooie
dingen of wat droevig
is of zal ik
zingen over de liefde Over tabak en
vriendschap over geur en
wijn over schepen
zeilen meeuwen over ellende over de
ouderdom over de jeugd of zal ik
zingen over de liefde Jan Hanlo Nu ben je veel
verder van huis. Veel verder dan
ik ooit gezworven. Je had het ook mooi verkorven,
bij die het wisten, die met de
rechte gezichten – en bij het volk
uit de stad en de dorpen dat huishield onder het kruis
waaraan je nu bent gestorven en als
zwakkeling, Verder gezworven, zei ik? Een
ding ben je nu geworden, een dood ding,
ergens door iemand opgehangen en
vergeten. Van jou kom ik
niets meer te weten en zelfs de herinnering zal
eerder komisch zijn want mens, waar is
je God gebleven die je was, maar toch
stervend aanriep als een hond zijn meester? Stomme dood.
Maar waarom blijf ik dan – denken: Ik
dacht waarachtig dat ik daar hing? Hans
Andreus Er is veel
verloren bijna alles er is weinig
gewonnen bijna niets behalve het
wennen aan de wanhoop behalve het
weten dat het doorgaat behalve de
onrust die ons voortjaagt en de
verzoening met het
spiegelbeeld. E. Warmond Ster Gedrukte
letters laat ik U hier kijken. k maar met mijn
wanne mond kan ik niet spreken. mijn hete hand
uit dit papier; niet steken; wat kan ik
doen? Ik kan U niet bereiken. 0. als ik
troosten kon. dan kon ik wenen. Kom. leg Uw
hand op dit papier; mijn huid; verzacht het
vreemde door de druk verstenen van het
geschreven woord. of spreek het uit Menige verzen
heb ik al geschreven. ben menigen een
vreemdeling gebleven en wien ik
griefde weet ik niets te geven; liefde is het
enige. Liefde is het
meestal ook geweest |