Nederlands2
Start Omhoog

                 

 


Feest  

Schijnwerpers        lichttorens        vuurwerk

                            het laatst kwam de akrobaat

                                    Wielrijder

                                mensen O-monden

 

Medalje-keerzijde

                             over middernacht heen rillen soldaten

                             (van de ruiterij                    kanariegeel)

                              en bruine paarden

Het is zeer moeilijk in de nacht bruin te zijn

 

Wachten

                een vergeten kommando

Niemand zet een punt

Paul van Ostaijen


Aan P.B. Baeyens  

Heel licht is het geluk: niet saam te dringen. Een woord

is nooit zo licht als 't wel behoort;

vleugels die wijd opengespreid zijn, trillen in de lucht,

maar afstandsloos van de huizen,

waaieren open, in breder vlucht

en verdwijnen zonder spoor. Maar het geluk blijft daar

aanwezig, al is geen spoor ook merkbaar.

Geluk is als water niet in je hand te nemen

dat heel even zou lopen in die droge hand

en ze maken tot een wonderfrisse kuil,

en eveneens niet te vatten als de lippen van de vrouw

die neerstrijken, veren van je-weet-niet-waar, op je oogleden,

als kind heb ik me vaak amechtig gelopen, om de veren in de

lucht te sturen.

Het is nergens te plaatsen, maar het wezen van de dingen zelf.

Een leeuwerik, hij is wel ergens,

wat hij echter is, heel wezenlik: de metallieke druppels

vallen nergens.

En toch lijkt alles bevrucht

door dit ontastbaar coïtus in de lucht.

Dat deel van het dak waar de zon op ligt,

rijst herdoopt en gelukkig in het licht; 

 

dat waar echter de schaduw rust niet minder.

Nergens saamgedrongen, niet waar de zon is, niet waar de

schaduw.

Je kunt niet naar een huis gaan om er geluk te vergaren,

je moet het geluk voelen als een bad;

je bent zelf een deel van het geluk

en door de andere delen gaat je loop, als door jou de andere

delen,

om deze beweging juist niet vatbaar of niet te meten:

de vonk van een kortsluiting, nog overtroffen.

Paul van Ostaijen 


Zomerregenlied  

Regen, reiniging buiten mij,

reiniging van de straten, alle dezelfde,

minnaars die lang gewacht hebben naar dit overvloedig zoenen,

maar nu hun lichaam golven, bevrijd van dit zomerzwaar

verlangen,

in de lange omhelzing van de knallende zoenen

 

Wit gewassen wegen,

straten na de omhelzing, in vreugde en berusting neergelegen,

bomen der boulevards, herauten van de levende zege,

klare klaroenen, roes van herlevend leven,

rein van reiniging.

Mensen die zich spoeden om de reine regen te ontvluchten

en toch zelfs binnen de koffiehuizen, deel

zijn van dit groots geheel

der reiniging.

 

Een handelsreiziger die ras

een koffiehuis binnen gevlucht was, voelt nu pas

de frisse damp, die stijgt uit zijn regenjas,

hem doordringen.

 

Als een poedel die uit het water rijst,

voorzichtig het riet ter zijde schuift,

rond zich een waaier van waterkorrels wuift,

duikt de trem op. Het snikkende sienjaal viert feest,

als onder zijn hijgen, zó betuigt het blije blaffen van het beest.

 

Rustig zware adem, ligt het land, onder de omarming.

een grijs kleed van een koningsdochter, zo is de slierende smoor,

maar de gordijn van de verre regen verbergt niets.

Damp van het land, lied van de aarde,

levend als geboren gaat de klaarte

uit de gulden gorgel van de leeuwerik. Land dat zich strelen laat

door de lange, slappe vingers van de geliefde.

Ritmus van de fijne regen,

stappen van een pygmeeën‑leger, dat draaft naar zege;

stortregen, marsj van het heir der schone nederlagen,

 

opflakkerend leven. Losbrekend patos,

geweldig, overstelpend; moederzoenen voor het éne kind.

Dorpen omstrengeld in het begeren van de wind,

vergeten neergesmeten na het genot;

losse, zachtgestreelde korenhaardos

van de beminde. Eeuwig land, nooit genoeg bemind

en nooit genoeg genomen, voel hoe de wind uw lijf rein maakt

van verlangen.

Vreedzaam-voldane volmaaktheid van de slagzoenen,

 

                   regenomhelzing,

 

rustig neergeleide berusting

onder het jonge, bange branden van de zon.

 

Regen: reiniging.

Wit gewassen straten, klaterende tremsporen,

witte wegen, lijnen van het spelend licht,

onbevlekt herboren.

Licht dat de koffiehuizen en de winkels binnenspoelt:

verwachte Heiland.

Over het land ging de regen, de godsgezant:

Johannes die de zielen zuiver zingen zou.

 

Zó regen: opperste reiniging in mij.

Als klederen pas gekomen uit een nieuw‑wasserij

zie ik de mensen gaan over de straat; want geen doel

heeft de regen dan dit: de wereld voor te bereiden,

te reinigen voor de zonnekomst.

Ik die weet, - heilig weten van Gods genade, -

stap levend blij door regen, door de straten

en langs de huizen, die zich baden laten

als ik in het heilige bad der reiniging.

Grootse wandeling: bewuste, uiterlike ritmus

der stille handeling van het innerlike denken.

Ritmus van mijn Ik, opgelost in het alomvattende ritmus van de

elementen.

Wandeling, rit door regen,

regen, zelf rit door der getijden zegen.

Lust van te gaan en de regensruppels sterven te voelen

in het koele van mijn regenjas.

Nieuwe werkelikheid: zachte regen die mij omvat;

stortvlaag, die mij opneemt, verder draagt in zich;

frisheid van mijn handen en van mijn gelaat;

onwerkelike werkelikheid, zó onverwacht,

maar zelf wachtend op wat zij voorbereidt. Loutering.

 

Want zoals de waters van de regen wegspoelen,

na de reiniging, hun taak volbracht,

zo lopen de straten, slechts met het éne doel,

op en naar een groot plein,

dat onbewust van wat voorbij is,

en blank reeds, onbewust ook van zijn huidige schoonheid,

te midden zongeplas

te rusten lig.

 

Zware adem. Rust. Bevrediging.

Ik sta midden van het plein,

zó als het plein te midden van der straten kruising ademt,

en ben dit alles nu. Rust.

Denken dat zich een ogenblik vergenoegt te zijn

de gedachteloosheid van 't enige genieten.

 

Over zó'n strijd onthutst, ligt de zon enkel te kijken

te midden van het verslagen leger der wolken.

15 september 1917

P. van Ostayen


HULDEGEDICHT  AAN SINGER

Singer

      Singer

              naaimasjien

 

Hoort

      Hoort

              Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien

gekocht

 

Wat

      Wat

jawel

  Jespers Singer naaimasjien

hoe zo

  jawel

      ik zeg het u

      Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien gekocht

Waarom

      waardoor

          wat wil hij

Jawel

  hij zal

      hoe zo

          Circulez

              want

  SINGERS NAAIMASJIEN IS DE BESTE

 

de beste

  waarom

      hoe kan dat

          wie weet

              alles is schijn

Singer en Sint Augustinus

Genoveva van Brabant

                  bezit ook een Singer

                      die Jungfrau van Orleans

Een Singer?

jawel

jawel jawel jawel ik het het u een Singer

versta-je geen nederlands mijheer

Circulez

  Bitte auf Garderobe selbst zu achten

ik wil een naaimasjien

iedereen heeft recht op een naaimasjien

ik wil een Singer

iederen heeft een Singer

Singer

      zanger

          meesterszangers

                  Hans Sachs

heeft Hans Sachs geen Singermasjien

waarom heeft Hans Sachs geen Singer

Hans Sachs heeft recht op een Singer

Hans Sachs moet een Singer hebben

Jawel

      dat is zijn recht

          Recht door zee

              Leve Hans Sachs

                  Hans Sachs heeft gelijk

hij heeft recht op

 

SINGERS NAAIMASJIEN IS DE BESTE

 

alle mensen zijn gelijk voor Singer

Circulez

een Singer

Panem et Singerem

 

Panem et Singerem Panem et Singerem Panem et Singerem

 

          et Singerem et Singerem

 

Ik wil een Singer

wijwillen een Singer

wij eisen een Singer

wat wij willen is ons recht

                  ein fester Burg is unser Gott

 

Panem et Singerem Panem et Singerem Panem et Singerem

 

          et Singerem et Singerem

 

Waarom

      hoe zo

          wat wil hij

                  wat zal hij

Salvation army

Bananas atque Panama

          de man heeft gelijk

          hij heeft gelijk

gelijk heeft hij jawel

              jawel

                  jawel

                      waarom

                      wie zegt dat

                      waar ishet bewijs

          jawel hij heeft gelijk


Panem et Singerem Panem et Singerem Panem et Singerem

 

          et Singerem et Singerem

 

  SINGERS NAAIMASJIEN IS DE BESTE 

 

Paul van Ostayen


Vincent van Gogh

I.

Profeet van Paturâges en zuiderzonminnaar,

maar meer dan dit: diepbewogen dichter

die de zware dingen van buiten licht schiep,

herschiep als de kompleet blauwe lucht, -

herder die het onvruchtbare gebeuren

van buiten, naar het grote centrum dreef, de oasis, de keure

van frisheid... In ons zelve hebben wij de Jordaan;

allen die nog Godsvreemd en belâan

met de erfzonde zijn, -

de dubbele machteloosheid van het naar buiten kijken

en de loutering, dit is de permanente zege in ons:

patos en tragiek,

dit het innerlike, daarom het heilige 'veni, vidi, vici', -

al die machteloze vreemdelingen van buiten,

al de gebeurtenissen

zullen wij godskinderen verfrissen

door het heiligmakende water van onze Jordaan.

Kunst is de alles overstelpende liefde

en de alomvattende.

Als de zoon van tobias die ter genezing van zijn vader

uittoog naar een ver land, en daar de vis

haalde met de kieuwen uit het water:

de ogen van zijn vader het licht schonk.

 

Kunst is de liefde in elke daad.

 

Kwintessens. En het volledige liefde zijn.

En dit is liefde als Vincent deed:

de talenten die hij kreeg, tot de waanzin, tot het leed

dat vreugde wordt, levend maken.

 

Niet het zijn of niet te zijn is de levensopgaaf,

maar het misterie van het zijn vult alles.

Het eigen zijn. Dat over alles te leggen.

Wordt eigen zijn van de omgeving.

Alles te vervormen, te martelen, te doden

tot schoonheid.

Je zelf dood rekenen voor de wet, om de wet van je zelf te

verbreden.

Abstraksie van je zelf, want deze kosmiese liefde vult gans je

zelf:

Bron van den aardbal.

Vincent. Zo is hij.

Hij is niets en hij is alles.

Als de priester: meester en dienaar.

En de wijn die eenvoudig perelt in de kelk

is plots onder de adem van liefde, bloed geworden.

Levende drank.

II

Meer dan uw werk. Dit is het grote,

het oneindige. Het venster

op de ganse wereld.

Ook alles wat in de verte schijnt

strekt zich daarbinnen deinend uit.

Een venster is alles.

De ganse wereld ligt binnen éeeen venster.

Men zal dan van uw werk houden,

wanneer het beurtelings met de geslachten

bloem, steen of eik zal geweest zijn.

 

Heel jong, - nauwliks had ik je herkend, - heb ik gevraagd:

'Vader, die kiezel is zo schoon,

hoor je zijn schoonheid onder de trage tred van mijn laarzen?

Maar zie deze ronde schijf in de zon.'

 

Door wouden gaan. Pijnboomnaalden vallen

als vingers van de bomen.

Vingers zijn verlangen van lange, lome

lust. In de boomgaard hangen kersen,

aan lange, stramme takken,

vruchten die zich saampersen

als kinderlippen. Niet tastbare gloed

waarin zij bloeden als een zinnelike boetedoening.

 

'Maar alle schoonheid, mijn zoon, is in de brand

van je ogen. Ogen zijn steeds blauw als de zeestrandrand.

III 

Leed als de golven van de oceaan

die baren witte blaân

van bloesems. Leed als van blaren aan

de bomen. Bomen die kruinen worden,

kruinen: der bergen wit gehelmde horden.

 

Het arme leed wanneer het wordt ontzaggelik

in het dragen aller leed,

wordt scheppend leven weer.

Wie al de noodbaren in zich stort,

tot een fontein van helder water wordt hij weer.

Wie leed als landen torst

draagt in zijn flank de vruchtbarheid

van honderdduizend zielen.

IV 

De stem van Vincent

 

Laat ons de blaren

van alle leed vergaren.

De aarde, ook vermoeid,

heeft nooit dode

blaren gedragen.

De aarde wondt

om, in de driedagestond,