Nederlands3
Start Omhoog

                 


Gabriël Smit  


DE STEEN  

Alles krijgt klaarder stem. De bomen zeggen:

wij groeien op naar de nieuwe aarde,

naar onze schaduw over het Lam.

 

De vogels zeggen: wij trekken wiekend de winter

voorbij naar een eeuwige voorjaar,

naar ons hooglied in Sion.

 

De velden zeggen: wij zijn geboorte,

voren van pijn, ploegsneden van het

ontzaglijke baren der schepping.

 

De mensen zeggen: wij zijn overal onderweg,

overal voorgevoel over stervensdorst heen

naar het levende water.

 

Mijn hart zegt: kom in mijn hart,

mijn ogen zeggen: spring in mijn licht,

mijn handen zeggen: maak mij los, ik wil bidden.

 

En God zegt: nog staat mijn kruis op de berg,

nog is mijn graf gesloten, wentel in Gods naam

je steen van mij weg.


Advent 

De aarde maakt zich langzaam

aandachtig klaar voor uw aankomst,

schikt de velden, het licht van de maan,

en nevel waar straks de engel stort

 

naar de herders. Ik denk: in de weide aan

de overkant. Vanmiddag al stond

het paard er doodstil gebogen naar 

de grote donkere ogen van de grond.

 

Steeds weerlozer gaan die nu open, -

dieper de oorsprong die Gij ontsluit

waar Gij in het uwe Uzelf wordt,

 

bijna een ik, haast uit Uzelf geboren,

een woord, maar nog niet in ons uit-

gesproken, nog een grens van adem tekort.

 


KV 595  

Geluk om een uitzicht dat bleef, hoe

ook bedreigd, meer kan er niet zijn,

nooit, leven is hopen ten einde toe,

ochtend als het nauwelijks avond schijnt.

 

De violen leggen een vragende lijn

uit, de piano antwoordt: zo is het goed,-

maar wees voorzichtig met zekerheid,

verlangen kan nooit tegen overmoed.

 

Heeft Mozart dit willen zeggen, kort

voor zijn hart niet meer zingen kon?

Hij zal het zelf niet hebben geweten.

 

Hij zag misschien een verte waarin licht

volkomen klank werd en deed zijn ogen dicht

om het nooit meer te kunnen vergeten.


ADVENT  

Bijna gaat het misten: de mensen bewegen snel

en onrustig in zichzelf verdiept; het licht

is traag, het houdt de stemmen tegen, de wind

hangt willoos in het grauw verschiet.

 

Wij raken langzaam los van alle dingen, niets is er,

dat ons nog verbergen kan, wij zoeken

overal herinneringen, maar weten er de vruchteloosheid van,

 

tot alles uit ons hart is weggeslagen en er

niets ver is, dat ons nog kent,- dan, plotseling,

begint een helder vragen, voorzichtig eerst,

wij zijn het licht ontwend, maar

onweerstaanbaar groeiend door de dagen,

zingend en stralend, - want het is Advent.


Dichterbij  

Er moet een andere wereld

zijn, veel dichterbij. Leven

van kleine bloemen in helder

gras, twee witte vlinders,

hoge bomen van groen zilver

en over een langzame, stille

weg een man en een vrouw in

nadenkend ademen. Het is

al wat ik zie, het begint

wakker te worden van liefde, slaat

overal verwonderde ogen

van samen op. Statig komen

twee paarden over een weide

van geluk, kinderen blijven

onschuldig staan en kijken,

alles is dankbaar van licht,

heimwee, ingetogen herinnering

aan wat komt. In de verte

een grote stad. Een engel

nadert langs een smal, helder

water, lissen, sidderend riet.

Het is veel dichterbij, ik ben

er zeker van, ik zie de weg

langs een hartelijk huis, ik moet

over een ronde brug, vogels doen

mij vleugels aan. Nee, nee, ik wil

niet anders dan ik ben, ik

wil mijn eigen bange handen,

ik ben blind van verlangen

en eigendom, het is wat ik zie,

ik wil niet voorbijvliegen,

ik wil zijn. Hier, nu. Ik heb

ogen van geluk, liefde, ik ben.

 

Ik zie hoe de engel langzaam

langs het zwijgende water gaat,

ernstig werpt hij er woorden

in, denken begint en dromen,

mijmeren van doorzichtig bewegen,

schichtige vissen, er springt leven

van spreken uit, een andere wereld,

veel dichterbij. Hij is moe, hij

leunt tegen een oude wilg, zijn

hand aan zijn voorhoofd. Hij is

de eerste engel die ik zie.

Hij heeft een gewoon gezicht,

ik dank God dat hij er niet

anders uitziet dan ik wist.

Buurman, vriend, maar moe

van leven hier, van veel doen

dat anders ongeboren blijft:

niemand iets schuldig zijn,

moeder bezoeken, aandacht hebben,

denken aan moeilijke grenzen,

buigen over een graf, bloemen

meebrengen, luisteren, doen en

laten als een eerlijk mens.

Hij is moe, zelfs de hemel

is het dikwijls te veel. Leven

wil altijd meer, wij komen

handen te kort, onze ogen

tranen van ongeduld en angst.

Misschien heeft hij gedacht:

hoogstens een paar maanden.

Het werden ontelbare jaren,

en nog, en nog. Maar

nu is alles over, de wind

ging liggen, tegen de grijze wilg

leunt hij en tuurt zwijgend

over het water. Kijken, kijken

als een mens, wat mooi. Niet

meer van boven af, veel dichterbij:

klaver en boterbloem, kevertjes,

een vlieg, in een wak van licht

roerloos een wachtende vis.

 

Ogen hebben, de wereld erin,

het innigste lied van de tijd

in de liefste, de andere twee,

en daarbinnen een morgenzee

van geluk. Maar dat weet

hij nog niet. Nu ziet hij breed

een reiger vallen in zijn vleugels,

de hemel wordt er even

hoger van, de weiden strekken

verder hun heldere deemoed

uit, dienen met klaar groen

rustige dieren en zeggen aan

de horizon: achter ons staat

een huis voor leven, een toren

voor de verrijzenis. De engel

weet, maar kan het niet zeggen,

de wereld is dichterbij dan hij

dacht, anders ook, bij

de dingen horen andere namen

dan de eerste, er waren

scherpe wolkflarden pijn

overheen, ook troebel grijs,

hij wist er geen raad mee.

Gelukkig, het is niet meer.

Eindelijk rust, alles is goed,

niemand hoeft over te doen

wat mislukte, ook hij niet.

 

De man en de vrouw zien

hem staan, zeggen twee, drie

korte woorden tegen elkaar

en gaan licht verder. Hij slaat

zijn arm om haar schouder.

Spreken wordt overbodig, woorden

zijn nu voorbij, de dingen

teruggebloeid in hun voorbeeld,

oorsprong en einde ineen. De

dichter, in zijn heldere huis,

kijkt lang en vreedzaam uit

over dit eerste land, herkent,

knikt, en legt zijn pen

neer, eindelijk onbezorgd,

want tussen oog en hart

is geen afstand meer, de

dingen zijn samengevallen

met hun woord. Van de verre

stad glanzen de daken, de dom

het allerhoogst. Er komt

een brede rivier vandaan, water

van parelmoer. Langzaam varen

stille, donkere schepen erheen,

naar de oever glijdt een streep

golvend paars, niet te weer-

houden. De visser in de kleine

groene roeiboot laat zich drijven,

wiegelt even, het vierkante

schepnet in zijn zekere handen.

Hij kent het water, de vissen,

hij eet brood, hij herinnert

zich zijn laatste maaltijd,

de rechte rooklijn uit het vuur bij

het meer. Hoe lang geleden?

Duizend jaar, gisteren, even

vast kan het morgen zijn.

Al wat volgt is voorbij.

Eens had hij een duif

op zijn hoofd, een kruis

op zijn rug, een dood

in zijn borst, levensgroot.

Maar dat is gebeurd, ook

de laatste oorlog, ziekte,

haat, domheid, verdriet en

geloof, middag en avond.

Hij kijkt in zijn genezen handen

en haalt het net op met

de laatste flitsende vis.

Langs de dijk komen de man

en de vrouw, zij blijven

even wachten en kijken,

tevreden dat de visser

één voor één de vissen

teruggooit in het water,

springend kristal, snelle kringen

die uitglijden in stil, wit

licht. Onder aan de dijk

ligt een kerkhof, klein

veilig binnen een vierkant

ernstige populieren. Vaderland,

het laatste graf een halve

eeuw oud, bemoste stenen

scheefgezakt, buigend naar

blauwe kelkjes in het gras.

Tussen de stammen het land,

overal open, onbevreesd. Grote

witte wolken komen aangeschoven

en houden in. Nu is alles

voltooid. De man en de vrouw

zien elkander, gaan liggen

in hoog pluimgras en beginnen

te zwijgen, een sneeuwwitte

storm van tederheid, duizeling,

zielsdiep ademen, dan stilte,

ogen gesloten, borst aan borst.

Op de rivier nog de kleine boot

de visser roeit langzaam

terug naar de stad met de dom,

om zijn mond een glimlach

van aankomst. De riemen druipen

van vrede, waterlelies, fluisterend

overriet. Rond de man

en de vrouw begint het gras

te glanzen, ze leggen hun handen

open tegen elkaar. De engel wendt

zijn hoofd af en gaat, bijna

bedroefd. Zo dichtbij zijn dingen

die ook engelen verblinden.


OCHTEND  

Vroegte, De kamer

slaat langzaam zijn ogen

op en ziet zijn eigen namen.

De dingen komen

 

weer naar ons

toe, elk met hun taak. De bloemen

in de vaas heten nog

bloem genoeg en

 

anders: geur

van vergaan, vergeefse begeerte

vroeger en straks ineens nu

te leven.

 

Toch kan het. Zon, spring hoger, sla vuur, longen

van licht, een tong

van vonken,

 

een mond geluk.

Hemelse lichthand, schrijf aan de grijze

optrekkend wand een

vrijgeleide,

 

zeg: de dag

is liefde, een liefde een nieuwe

aarde, een landschap

van vrienden,

 

getogen voortgaan

over een akkerpad. Blauwe

korenbelden wuiven beraad,

vertrouwen

 

ons vrij

de aarde toe, de hemel

zegt dankbaar: samenzijn

is leven.

 

O vroegte, - de zon

is nog licht, de kamer

spelt zichzelf en geeft ons

noze namen,

 

de zelfde

van gisteren, maar toch nieuw,

een ander afkomst, een andere verte.

een misschien van graniet.


STADSGEZICHT  

Snel gesneden profiel

Mannenkracht over de stad:

beton houdt glaswanden kaarsrecht

in evenwicht met

meeuwen.

 

Het groeit van staal en handen,

modder beneden, boven

een scherpgepunt perspectief:

dunne, strakke zwiepdraden

reiken naar een zilveren overkant

van wriemelend leven.

 

Mijn hand op de muur, - ik haal

dieper adem. Ook hier, ook hier.

Blad en bloem zijn niet

uw enige, eerste stem. Ik praat

tot in flats U na,

rode tegels, luchtkokers,

tv, tv, ik sta

overal tussen woorden.

 

Soms dichterbij, soms plotseling

verder, het hart moet een omweg maken,

en waarom niet? Het vindt

waar het zoekt, genade

is altijd begin.

 

Ook hier, -cement. Zijn schelpen

U minder dan zee? Is mijn hand

op de ijzeren leuning nu verder

van U vandaan?

 

Ik zing een nieuw lied

voor U:

beton houdt glaswanden hemelrecht

in evenwicht met leven.  


Toch weer  

Toch weer praten, praten met de nacht, met

mijzelf, ik, mij, alle woorden omkeren,

uitsturen, terughalen, bang voor vreemde

andere die ze ontmoeten onderweg,

 

meebrengen, loslaten vlak voor mijn pen,

die ik niet schrijven kan, niet durf weten

omdat alles zo anders is en nergens vrede,

nergens zoals ik het heb neergelegd.

 

Praten, waarheen? Buiten langzame regen,

lang, grijs water, geen vast land meer en

niets dat ik nog een naam kan geven.

 

Even wat onverstaanbaar geritsel tegen

het raam, terugkeer, doodmoe maar ik herken

het niet, het is te ver weg gebleven.


Waarheen dan?  

Waarheen dan? Het waren toch woorden

die ik al jaren spreek: hart, ziel, bloed,

liefste, maar ook andere, kleine die horen

bij de dingen van alle dag: tafel, stoel,

 

raam, bloemen, altijd heb ik ze genomen

voor wat ze deden: de wereld opendoen,

iets in mijn handen leggen, binnen mijn ogen

ontmoeting zijn, leven met anderen, groet.

 

Ik verstond ze, ik deed wat ze vroegen,

schreef ze achterna, wist wat ze bedoelden,

had genoeg aan hun vluchtigste wenk.

 

Maar zelfs de grootste, sterkste durven

niet meer te blijven, niet meer uit te rusten.

Ze willen niet dat ik zeg wat ik denk.


Woorden  

Woorden, vreemd als de hand die schrijft

wat hier staat: een soort wezen van leven,

tastend naar huid, naar vragend bewegen

buiten, naar mijn omtrek, verstaanbaarheid.

 

Het steekt uit, naar voren, het vergrijpt

zich aan wat ik eindelijk zou moeten weten:

dat ik nooit kan samenvallen, nooit een teken

kan geven dat alles in mij openspreidt.

 

Toch volhouden. Van voren af beginnen,

al het gesprokene anders rangschikken,

vergeten wat het wist en waar het stond,

 

zeggen: ik moet hier minstens nog blijven

tot ik mij uit mijzelf kan bevrijden

door zelf te spreken met mijn eigen mond.


Aangekomen midden in de nacht  

Aangekomen midden in de nacht, muziek

van gisteren verregend, morgen achter donker,

alleen aan mijn tafel, moet ik al wat verborgen

bleef open woorden geven, stemmen die niet

 

overslaan om vroeger, tekens van hier,

uitspraak van oorsprong, kreet om verwonderd

opzien naar in vrijheid geboren worden,

uitzetten van een eindeloos grensgebied.

 

Toch weer woorden. 'Eindeloos', schrijf ik,

ik bedoel: overal mogelijkheid, nergens

gehinderd, toch taal, maar ogenblikkelijk,

adem die ademt, vrij, maar gebonden gehoord

in hartslag van klank en zin, scheppend

wat onbegrensd binnen is buiten: woord.


Voorzichtig beginnen  

Voorzichtig beginnen, aandachtig kijken,

pen opnemen, hand vastbesloten, overal

oor zijn, aan muren, ramen, tafelblad,

in mijn nek, mijn borst, ragdunne lijnen

 

spannen om alles op te vangen, te peilen,

weten: dit is niet een kamer in een huis dat

aan een weg in Laren staat, maar dit is al

wat is en in mij zichzelf wil begrijpen.

 

Wat ik hier zie en zeg roept om leven,

wil groeien als een boom aan een rivier,

een toren in een stad, een ontembaar teken,

 

wil zijn wat het is, wil met mij en allen

en alles wereld zijn, geluk nu en hier,

stem waarop alle stemmen invallen.


Boom, langzaam uitspreken  

Boom, -langzaam uitspreken, maar nog niets

in mijn dorre denkhoofd, achter mijn raamogen

nog geen reikende long van groen, geen stromen

van blad, geen geheim van licht vogelvertier.

 

Denken, denken, naar binnen kijken, uitzien

over herinnering, gierig op dromen,

de eerste keer volkomen willen terughoren

maar nergens antwoord, geen leven te zien.

 

Sla takken door mijn ogen, word knoppen

in mijn vingers, ga open, groei een bos

in mijn borst dat nooit zal verdorren,

 

een hemelzee levend groen voor al wie

sterft van overal steen, sla lover los

opdat ik kan geloven wat ik zie.


Terug, niet liegen  

Terug, niet liegen. Ik lieg niet. Wat dan?

Genoeg hebben aan de boom die buiten

in de regen staat, kale takken die druipen,

nachtzwart een leeg, weggeveegd landschap.

 

Geen genade, toekomst ondenkbaar, een hart

steenkoud, leven onverschillig verschuiven

maar later, ooit, naar een onmogelijke ruimte,

verstard afwachten, stom, koud, nat.

 

Toch weer te veel. Niets dan tekens ontdekken,

proberen een achterkant te zien, steeds op zoek

naar ander leven dan is, hardnekkig verder

 

grijpen dan hier, alles verronselen voor ik,

besmetten met heimwee, volsmeren met bloed,

niet gunnen aan zijn ogen, andere ogenblik.


Kan een woord werkelijk vrij zijn  

Kan een woord werkelijk, vrij zijn? Kan ik

het spreken zonder bezit, vanzelfsprekend,

niet overweldigen wat ik ermee beelden

wil? Kan ik het noemen zoals het zelf is?

 

Als ik zeg: liefste, zeg ik dan: liefste van mij?

Benoem ik haar niet in mijn eigen wereld,

zijn mijn handen de hare, kies ik geen wegen

dan in mijzelf, hoe dicht haar ook dichtbij?

 

Wat zegt dan: liefste? Zegt het: op ‚‚n na?

Kan ik ooit alles loslaten? Durf ik ooit zeggen:

ik wil niet anders dan in jou bestaan?

 

En wilde ik, zou ik dan toch niet denken:

wie alles verliest zal alles vinden? Toch haar

leven aanhoudend met het mijne krenken?


Zo kan ik niet verder  

Zo kan ik niet verder. Ik moet weten

dat ik schuldig ben. Al kan ik het niet

helpen, ik help het toch. Onnoemelijk diep

in mij verscholen, even open uit te spreken,

 

weet ik mijzelf gesloten voor een leven

dat sterft omdat ik het niet durf zien.

Zeg ik alle woorden, noem ik de namen die

ook door mijn schande zijn uitgevreten:

 

Auschwitz, Dachau, Alabama, Vietnam,

en hier, verrekkend voor mijn eigen ogen,

Surinamers, Ambonnezen in hun kamp,

 

ik noem namen van anders en anderen, leg

ze buiten mij om er omheen te lopen,

om toch niet zelf te leven wat ik zeg.


Ik ben ergens anders heengeschreven  

Ik ben ergens anders heengeschreven dan

ik wilde, onhoudbaar sprong het onder

mijn handen uit, heeft het mij vastgebonden,

radeloos, waar ik niet meer vluchten kan,

 

waar mijn zachte, welwillende glimlach

alles bevuilt, waar ik met duizend monden

wil spreken, mijzelf vroom zuchtend tot morgen

wil uitstellen, ik zal het wel merken overdag.

 

Maar het is nacht, stil en de stilte schreeuwt,

een holte vol gehuil, ver boven het reiken

van mijn gehoor, maar martelend door mijn lichaam heen

 

moordende pijn, ziek bloed, niet te schrijven,

geen woorden om het in terug te drijven,

in geen enkele taal, geen woord, geen hart.

 


Ochtend, opgestaan  

Ochtend, opgestaan, het niet meer geloven.

Wat is mijn woord dan, wat is wat ik zeg?

Wat hart, bloed, wereld, doodsnood, wanhopen?

Heb ik weer geschreven wat ik niet ben?

 

De dag in de kamer is nog voorzichtig,

leert mij lopen naar vroegere dingen heen,

maar het blijft pijn doen, want er liggen

doden in mij die niet willen dat ik leef.

 

Gebroken ogen, gebroken licht, de regen

van vannacht nu korter, weifelende wind,

mijn adem bang, van zichzelf niet zeker.

 

Met lange tanden begin ik te eten.

Leven moet ik, en de doden niet vergeten

die ik zwijgend aan mijn tafel vind.


Ze gaan niet weg vandaag  

Ze gaan niet weg vandaag, en morgen niet,

en nooit meer, maar ze zijn niet lastig.

Ik zie het aan hun lange, dunne handen

die geduldig wachten tot ik ze wat bied.

 

Ze vragen niet, ze kijken voor zich uit,

ik weet niet of ze mij zien, hun smalle hoofden

rechtop, hun matte schouders onbewogen,

niet een die zich naar mij voorover buigt.

 

Als in mijn hoofd. Weten ze dat ik nu ook

voor hen zit te leven, zit te sterven,

dat ik wil zeggen: straks ben ook ik dood?

 

Schuw kijk ik op, ze zijn weggegaan,

maar ik hoor een jongen de krant brengen

waarin weer ontelbare andere staan.


Leeg de kamer.  

Leeg de kamer. Weer zit ik voor mijn papier

de levende die ik wantrouwig ben gebleven,

zuchtend om hulp, om troost van een teken

uit een overkant die mijn oog niet ziet.

 

Laat de doden hun doden begraven, ik

moet zijn wie ik ben, veroordeeld te leven

of ik wil of niet, ik moet terugkeren,

opstaan en beginnen bij het begin.

 

Maar waar? Ik zie op het doodstille wit

onder mijn ogen reddende woorden komen,

onhoorbaar spreken dat zich aarzelend wil

 

voegen in een nieuw verband, een nieuwe taal:

de stem van de aarde waar ik ben geboren,

van de hemel waarin ik ademhaal.


Denk niet, liefste dat ik je vergeet  

Denk niet, liefste, dat ik je vergeet, maar zelf

heb je gezegd: wij leven niet alleen, wij mogen

ons niet verschuilen, niet doen of we niets