|
|
Gabriël Smit
Alles krijgt
klaarder stem. De bomen zeggen: wij groeien op
naar de nieuwe aarde, naar onze
schaduw over het Lam. De vogels
zeggen: wij trekken wiekend de winter voorbij naar
een eeuwige voorjaar, naar ons
hooglied in Sion. De velden
zeggen: wij zijn geboorte, voren van pijn,
ploegsneden van het ontzaglijke
baren der schepping. De mensen
zeggen: wij zijn overal onderweg, overal
voorgevoel over stervensdorst heen naar het
levende water. Mijn hart zegt:
kom in mijn hart, mijn ogen
zeggen: spring in mijn licht, mijn handen
zeggen: maak mij los, ik wil bidden. En God zegt:
nog staat mijn kruis op de berg, nog is mijn
graf gesloten, wentel in Gods naam je steen van
mij weg. De aarde maakt zich langzaam aandachtig klaar voor uw aankomst, schikt de velden, het licht van de maan, en nevel waar straks de engel stort
naar de herders. Ik denk: in de weide aan de overkant. Vanmiddag al stond het paard er doodstil gebogen naar de grote donkere ogen van de grond.
Steeds weerlozer gaan die nu open, - dieper de oorsprong die Gij ontsluit waar Gij in het uwe Uzelf wordt,
bijna een ik, haast uit Uzelf geboren, een woord, maar nog niet in ons uit- gesproken, nog een grens van adem tekort.
Geluk om een
uitzicht dat bleef, hoe ook bedreigd,
meer kan er niet zijn, nooit, leven is
hopen ten einde toe, ochtend als het
nauwelijks avond schijnt. De violen
leggen een vragende lijn uit, de piano
antwoordt: zo is het goed,- maar wees
voorzichtig met zekerheid, verlangen kan
nooit tegen overmoed. Heeft Mozart
dit willen zeggen, kort voor zijn hart
niet meer zingen kon? Hij zal het
zelf niet hebben geweten. Hij zag
misschien een verte waarin licht volkomen klank
werd en deed zijn ogen dicht om het nooit
meer te kunnen vergeten. ADVENT Bijna gaat het
misten: de mensen bewegen snel en onrustig in
zichzelf verdiept; het licht is
traag, het
houdt de stemmen tegen, de wind hangt willoos
in het grauw verschiet. Wij raken
langzaam los van alle dingen, niets is er, dat ons nog
verbergen kan, wij zoeken overal
herinneringen, maar weten er de vruchteloosheid van, tot alles uit
ons hart is weggeslagen en er niets ver is,
dat ons nog kent,- dan, plotseling, begint een
helder vragen, voorzichtig eerst, wij zijn het
licht ontwend, maar onweerstaanbaar
groeiend door de dagen, zingend en
stralend, - want het is Advent. Er moet een
andere wereld zijn, veel
dichterbij. Leven van kleine
bloemen in helder gras, twee
witte vlinders, hoge bomen van
groen zilver en over een
langzame, stille weg een man en
een vrouw in nadenkend
ademen. Het is al wat ik zie,
het begint wakker te
worden van liefde, slaat overal
verwonderde ogen van samen op.
Statig komen twee paarden
over een weide van
geluk,
kinderen blijven onschuldig
staan en kijken, alles is
dankbaar van licht, heimwee,
ingetogen herinnering aan wat komt.
In de verte een grote stad.
Een engel nadert langs
een smal, helder water,
lissen,
sidderend riet. Het is veel
dichterbij, ik ben er zeker van,
ik zie de weg langs een
hartelijk huis, ik moet over een ronde
brug, vogels doen mij vleugels
aan. Nee, nee, ik wil niet anders dan
ik ben, ik wil mijn eigen
bange handen, ik ben blind
van verlangen en
eigendom,
het is wat ik zie, ik wil niet
voorbijvliegen, ik wil zijn.
Hier, nu. Ik heb ogen van geluk,
liefde, ik ben. Ik zie hoe de
engel langzaam langs het
zwijgende water gaat, ernstig werpt
hij er woorden in, denken
begint en dromen, mijmeren van
doorzichtig bewegen, schichtige
vissen, er springt leven van spreken uit,
een andere wereld, veel dichterbij.
Hij is moe, hij leunt tegen een
oude wilg, zijn hand aan zijn
voorhoofd. Hij is de eerste engel
die ik zie. Hij heeft een
gewoon gezicht, ik dank God dat
hij er niet anders uitziet
dan ik wist. Buurman, vriend,
maar moe van leven hier,
van veel doen dat anders
ongeboren blijft: niemand iets
schuldig zijn, moeder bezoeken,
aandacht hebben, denken aan
moeilijke grenzen, buigen over een
graf, bloemen meebrengen,
luisteren, doen en laten als een
eerlijk mens. Hij is moe,
zelfs de hemel is het dikwijls
te veel. Leven wil altijd meer,
wij komen handen te kort,
onze ogen tranen van
ongeduld en angst. Misschien heeft
hij gedacht: hoogstens een
paar maanden. Het werden
ontelbare jaren, en
nog, en nog.
Maar nu is alles
over, de wind ging liggen,
tegen de grijze wilg leunt hij en
tuurt zwijgend over het water.
Kijken, kijken als een mens,
wat mooi. Niet meer van boven
af, veel dichterbij: klaver en
boterbloem, kevertjes, een vlieg, in
een wak van licht roerloos een
wachtende vis. Ogen hebben, de
wereld erin, het innigste
lied van de tijd in de liefste,
de andere twee, en daarbinnen
een morgenzee van
geluk. Maar
dat weet hij nog niet.
Nu ziet hij breed een reiger
vallen in zijn vleugels, de hemel wordt
er even hoger van, de
weiden strekken verder hun
heldere deemoed uit, dienen met
klaar groen rustige dieren
en zeggen aan de horizon:
achter ons staat een huis voor
leven, een toren voor de
verrijzenis. De engel weet, maar kan
het niet zeggen, de wereld is
dichterbij dan hij dacht, anders
ook, bij de dingen horen
andere namen dan de eerste,
er waren scherpe
wolkflarden pijn overheen, ook
troebel grijs, hij wist er
geen raad mee. Gelukkig, het
is niet meer. Eindelijk rust,
alles is goed, niemand hoeft
over te doen wat mislukte,
ook hij niet. De man en de
vrouw zien hem
staan,
zeggen twee, drie korte woorden
tegen elkaar en gaan licht
verder. Hij slaat zijn arm om
haar schouder. Spreken wordt
overbodig, woorden zijn nu voorbij,
de dingen teruggebloeid
in hun voorbeeld, oorsprong en
einde ineen. De dichter, in
zijn heldere huis, kijkt lang en
vreedzaam uit over dit eerste
land, herkent, knikt, en legt
zijn pen neer, eindelijk
onbezorgd, want tussen oog
en hart is geen afstand
meer, de dingen zijn
samengevallen met hun woord.
Van de verre stad glanzen de
daken, de dom het allerhoogst.
Er komt een brede
rivier vandaan, water van
parelmoer.
Langzaam varen stille, donkere
schepen erheen, naar de oever
glijdt een streep golvend paars,
niet te weer- houden. De
visser in de kleine groene roeiboot
laat zich drijven, wiegelt even,
het vierkante schepnet in
zijn zekere handen. Hij kent het
water, de vissen, hij eet brood,
hij herinnert zich zijn
laatste maaltijd, de rechte
rooklijn uit het vuur bij het meer. Hoe
lang geleden? Duizend jaar,
gisteren, even vast kan het
morgen zijn. Al wat volgt is
voorbij. Eens had hij
een duif op zijn hoofd,
een kruis op zijn rug,
een dood in zijn borst,
levensgroot. Maar dat is
gebeurd, ook de laatste
oorlog, ziekte, haat, domheid,
verdriet en geloof, middag
en avond. Hij kijkt in
zijn genezen handen en haalt het
net op met de laatste
flitsende vis. Langs de dijk
komen de man en de vrouw,
zij blijven even wachten en
kijken, tevreden dat de
visser één voor één
de vissen teruggooit in
het water, springend
kristal, snelle kringen die uitglijden
in stil, wit licht. Onder
aan de dijk ligt een
kerkhof, klein veilig binnen
een vierkant ernstige
populieren. Vaderland, het laatste
graf een halve eeuw oud,
bemoste stenen scheefgezakt,
buigend naar blauwe kelkjes
in het gras. Tussen de
stammen het land, overal open,
onbevreesd. Grote witte wolken
komen aangeschoven en houden in.
Nu is alles voltooid. De
man en de vrouw zien elkander,
gaan liggen in hoog
pluimgras en beginnen te zwijgen, een
sneeuwwitte storm van
tederheid, duizeling, zielsdiep
ademen, dan stilte, ogen gesloten,
borst aan borst. Op de rivier
nog de kleine boot de visser roeit
langzaam terug naar de
stad met de dom, om zijn mond
een glimlach van aankomst.
De riemen druipen van vrede,
waterlelies, fluisterend overriet. Rond
de man en de vrouw
begint het gras te glanzen, ze
leggen hun handen open tegen
elkaar. De engel wendt zijn hoofd af
en gaat, bijna bedroefd. Zo
dichtbij zijn dingen die ook engelen
verblinden. Vroegte, De
kamer slaat langzaam
zijn ogen op en ziet zijn
eigen namen. De dingen komen weer naar ons toe, elk met
hun taak. De bloemen in de vaas
heten nog bloem genoeg en anders: geur van vergaan,
vergeefse begeerte vroeger en
straks ineens nu te leven. Toch kan het.
Zon, spring hoger, sla vuur, longen van licht, een
tong van vonken, een mond geluk. Hemelse
lichthand, schrijf aan de grijze optrekkend wand
een vrijgeleide, zeg: de dag is liefde, een
liefde een nieuwe aarde, een
landschap van vrienden, getogen
voortgaan over een
akkerpad. Blauwe korenbelden
wuiven beraad, vertrouwen ons vrij de aarde toe,
de hemel zegt dankbaar:
samenzijn is leven. O vroegte, - de
zon is nog licht,
de kamer spelt zichzelf
en geeft ons noze namen, de zelfde van gisteren,
maar toch nieuw, een ander
afkomst, een andere verte. een misschien
van graniet. Snel gesneden
profiel Mannenkracht
over de stad: beton houdt
glaswanden kaarsrecht in evenwicht
met meeuwen. Het groeit van
staal en handen, modder beneden,
boven een
scherpgepunt perspectief: dunne, strakke
zwiepdraden reiken naar een
zilveren overkant van wriemelend
leven. Mijn hand op de
muur, - ik haal dieper adem.
Ook hier, ook hier. Blad en bloem
zijn niet uw enige,
eerste stem. Ik praat tot in flats U
na, rode tegels,
luchtkokers, tv, tv, ik sta overal tussen
woorden. Soms dichterbij,
soms plotseling verder, het
hart moet een omweg maken, en waarom niet?
Het vindt waar het zoekt,
genade is altijd
begin. Ook hier,
-cement. Zijn schelpen U minder dan
zee? Is mijn hand op de ijzeren
leuning nu verder van U vandaan? Ik zing een
nieuw lied voor U: beton houdt
glaswanden hemelrecht in evenwicht
met leven. Toch weer
praten, praten met de nacht, met mijzelf, ik,
mij, alle woorden omkeren, uitsturen,
terughalen, bang voor vreemde andere die ze
ontmoeten onderweg, meebrengen,
loslaten vlak voor mijn pen, die ik niet
schrijven kan, niet durf weten omdat alles zo
anders is en nergens vrede, nergens zoals
ik het heb neergelegd. Praten,
waarheen? Buiten langzame regen, lang, grijs
water, geen vast land meer en niets dat ik
nog een naam kan geven. Even wat
onverstaanbaar geritsel tegen het raam,
terugkeer, doodmoe maar ik herken het niet, het
is te ver weg gebleven. Waarheen dan?
Het waren toch woorden die ik al jaren
spreek: hart, ziel, bloed, liefste, maar
ook andere, kleine die horen bij de dingen
van alle dag: tafel, stoel, raam, bloemen,
altijd heb ik ze genomen voor wat ze
deden: de wereld opendoen, iets in mijn
handen leggen, binnen mijn ogen ontmoeting zijn,
leven met anderen, groet. Ik verstond ze,
ik deed wat ze vroegen, schreef ze
achterna, wist wat ze bedoelden, had genoeg aan
hun vluchtigste wenk. Maar zelfs de
grootste, sterkste durven niet meer te
blijven, niet meer uit te rusten. Ze willen niet
dat ik zeg wat ik denk. Woorden, vreemd
als de hand die schrijft wat hier staat:
een soort wezen van leven, tastend naar
huid, naar vragend bewegen buiten, naar
mijn omtrek, verstaanbaarheid. Het steekt uit,
naar voren, het vergrijpt zich aan wat ik
eindelijk zou moeten weten: dat ik nooit
kan samenvallen, nooit een teken kan geven dat
alles in mij openspreidt. Toch volhouden.
Van voren af beginnen, al het
gesprokene anders rangschikken, vergeten wat
het wist en waar het stond, zeggen: ik moet
hier minstens nog blijven tot ik mij uit
mijzelf kan bevrijden door zelf te
spreken met mijn eigen mond. Aangekomen
midden in de nacht, muziek van gisteren
verregend, morgen achter donker, alleen aan mijn
tafel, moet ik al wat verborgen bleef open
woorden geven, stemmen die niet overslaan om
vroeger, tekens van hier, uitspraak van
oorsprong, kreet om verwonderd opzien naar in
vrijheid geboren worden, uitzetten van
een eindeloos grensgebied. Toch weer
woorden. 'Eindeloos', schrijf ik, ik bedoel:
overal mogelijkheid, nergens gehinderd, toch
taal, maar ogenblikkelijk, adem die ademt,
vrij, maar gebonden gehoord in hartslag van
klank en zin, scheppend wat onbegrensd
binnen is buiten: woord. Voorzichtig
beginnen, aandachtig kijken, pen opnemen,
hand vastbesloten, overal oor zijn, aan
muren, ramen, tafelblad, in mijn nek,
mijn borst, ragdunne lijnen spannen om
alles op te vangen, te peilen, weten: dit is
niet een kamer in een huis dat aan een weg in
Laren staat, maar dit is al wat is en in
mij zichzelf wil begrijpen. Wat ik hier zie
en zeg roept om leven, wil groeien als
een boom aan een rivier, een toren in
een stad, een ontembaar teken, wil zijn wat
het is, wil met mij en allen en alles wereld
zijn, geluk nu en hier, stem waarop
alle stemmen invallen. Boom, -langzaam
uitspreken, maar nog niets in mijn dorre
denkhoofd, achter mijn raamogen nog geen
reikende long van groen, geen stromen van blad, geen
geheim van licht vogelvertier. Denken, denken,
naar binnen kijken, uitzien over
herinnering, gierig op dromen, de eerste keer
volkomen willen terughoren maar nergens
antwoord, geen leven te zien. Sla takken door
mijn ogen, word knoppen in mijn vingers,
ga open, groei een bos in mijn borst
dat nooit zal verdorren, een hemelzee
levend groen voor al wie sterft van
overal steen, sla lover los opdat ik kan
geloven wat ik zie. Terug, niet
liegen. Ik lieg niet. Wat dan? Genoeg hebben
aan de boom die buiten in de regen
staat, kale takken die druipen, nachtzwart een
leeg, weggeveegd landschap. Geen genade,
toekomst ondenkbaar, een hart steenkoud,
leven onverschillig verschuiven maar later,
ooit, naar een onmogelijke ruimte, verstard
afwachten, stom, koud, nat. Toch weer te
veel. Niets dan tekens ontdekken, proberen een
achterkant te zien, steeds op zoek naar ander
leven dan is, hardnekkig verder grijpen dan
hier, alles verronselen voor ik, besmetten met
heimwee, volsmeren met bloed, niet gunnen aan
zijn ogen, andere ogenblik. Kan
een woord werkelijk vrij zijn Kan een woord
werkelijk, vrij zijn? Kan ik het spreken
zonder bezit, vanzelfsprekend, niet
overweldigen wat ik ermee beelden wil? Kan ik het
noemen zoals het zelf is? Als ik zeg:
liefste, zeg ik dan: liefste van mij? Benoem ik haar
niet in mijn eigen wereld, zijn mijn
handen de hare, kies ik geen wegen dan in mijzelf,
hoe dicht haar ook dichtbij? Wat zegt dan:
liefste? Zegt het: op ‚‚n na? Kan ik ooit
alles loslaten? Durf ik ooit zeggen: ik wil niet
anders dan in jou bestaan? En wilde ik,
zou ik dan toch niet denken: wie alles
verliest zal alles vinden? Toch haar leven
aanhoudend met het mijne krenken? Zo kan ik niet
verder. Ik moet weten dat ik schuldig
ben. Al kan ik het niet helpen, ik help
het toch. Onnoemelijk diep in mij
verscholen, even open uit te spreken, weet ik mijzelf
gesloten voor een leven dat sterft
omdat ik het niet durf zien. Zeg ik alle
woorden, noem ik de namen die ook door mijn
schande zijn uitgevreten: Auschwitz, Dachau, Alabama, Vietnam, en hier,
verrekkend voor mijn eigen ogen, Surinamers,
Ambonnezen in hun kamp, ik noem namen
van anders en anderen, leg ze buiten mij
om er omheen te lopen, om toch niet
zelf te leven wat ik zeg. Ik
ben ergens anders heengeschreven Ik ben ergens
anders heengeschreven dan ik wilde,
onhoudbaar sprong het onder mijn handen uit,
heeft het mij vastgebonden, radeloos, waar
ik niet meer vluchten kan, waar mijn
zachte, welwillende glimlach alles bevuilt,
waar ik met duizend monden wil spreken,
mijzelf vroom zuchtend tot morgen wil uitstellen,
ik zal het wel merken overdag. Maar het is
nacht, stil en de stilte schreeuwt, een holte vol
gehuil, ver boven het reiken van mijn gehoor,
maar martelend door mijn lichaam heen moordende pijn,
ziek bloed, niet te schrijven, geen woorden om
het in terug te drijven, in geen enkele
taal, geen woord, geen hart. Ochtend,
opgestaan, het niet meer geloven. Wat is mijn
woord dan, wat is wat ik zeg? Wat hart, bloed,
wereld, doodsnood, wanhopen? Heb ik weer
geschreven wat ik niet ben? De dag in de
kamer is nog voorzichtig, leert mij lopen
naar vroegere dingen heen, maar het blijft
pijn doen, want er liggen doden in mij
die niet willen dat ik leef. Gebroken ogen,
gebroken licht, de regen van vannacht nu
korter, weifelende wind, mijn adem bang,
van zichzelf niet zeker. Met lange
tanden begin ik te eten. Leven moet ik,
en de doden niet vergeten die ik zwijgend
aan mijn tafel vind. Ze gaan niet
weg vandaag, en morgen niet, en nooit meer,
maar ze zijn niet lastig. Ik zie het aan
hun lange, dunne handen die geduldig
wachten tot ik ze wat bied. Ze vragen niet,
ze kijken voor zich uit, ik weet niet of
ze mij zien, hun smalle hoofden rechtop, hun
matte schouders onbewogen, niet een die
zich naar mij voorover buigt. Als in mijn
hoofd. Weten ze dat ik nu ook voor hen zit te
leven, zit te sterven, dat ik wil
zeggen: straks ben ook ik dood? Schuw kijk ik
op, ze zijn weggegaan, maar ik hoor
een jongen de krant brengen waarin weer
ontelbare andere staan. Leeg de kamer.
Weer zit ik voor mijn papier de levende die
ik wantrouwig ben gebleven, zuchtend om
hulp, om troost van een teken uit een
overkant die mijn oog niet ziet. Laat de doden
hun doden begraven, ik moet zijn wie
ik ben, veroordeeld te leven of ik wil of
niet, ik moet terugkeren, opstaan en
beginnen bij het begin. Maar waar? Ik
zie op het doodstille wit onder mijn ogen
reddende woorden komen, onhoorbaar
spreken dat zich aarzelend wil voegen in een
nieuw verband, een nieuwe taal: de stem van de
aarde waar ik ben geboren, van de hemel
waarin ik ademhaal. Denk
niet, liefste dat ik je vergeet Denk niet,
liefste, dat ik je vergeet, maar zelf heb je gezegd:
wij leven niet alleen, wij mogen ons niet verschuilen, niet doen of we niets |