|
|
Gerrit Achterberg
Dit is het
blinkend lopen tussen het
weten en het hopen van nergens en
naar niets. Dit is de tijd
gestenigd met iederen
voetstap en allenig het lopen,
blinkend en omniet onder de wolken
van den hemel, op de wegen,
met een eeuwig geluk dat zich herkennen liet. Zo staat de
regen als een raam over de bloemen,
mond en maan leggen er groot
en rond zich aan, liggen er groot
en rond om dicht, o
teug, waaraan
ik lig; met mijn
gezicht in maan en water staan bloemen
in mijn ogenwater gespiegeld, sta
ik spiegelend in waterramen en
maanbloemen. Ik zie haar
klein geworden schreden in de verte; nog een
kwartier en zij is aan de wateren; ik kan het nu
niet meer beletten. Dwalende zal ik
haar nagaan als de verten haar hebben
ingeademd uit mijn ogen; de weg ligt van
een heengaan overtogen; wij zagen het
onzichtbaar wenken. De engelen
hebben zich aan u gehecht en gij zijt
bijna onvindbaar meer. De grote
perspectieven van weleer staan in mijn
ogen, leeg en recht. Blauwe
zoeklichten van de ziel bij nacht schuiven hun
cirkel het geheugen door: vleugels
bewegen in het witte spoor; overal is het vol van uw gezicht. De wereld is
vergaan, haar naam spelde een nieuw getal, het licht viel
van de sterren af: verdwaald. Eenzaam lag de
goede aarde te wenen over zoveel
wederkeer van liefde en haar weelde
sloeg in lentebloemen neer. En de vogelen
vervolgden het lied dat lang
geleden was gestaakt zo ongemerkt, dat wij
vergaten hoe het tot zwijgen was geraakt. Vrienden
verbitteren het vuur; ze zeggen God -
en maken rook tussen mij en
de muur; wij knielen
neder in de smook, zondaren van
natuur. Maar als zij
weer verdwenen zijn, herbid ik om
het helder uur, waarin die
allerlaatste strook opnieuw tot
tuin ontlook, den duur der woorden die
mij vlam doen zijn, en van de
liefde puur. Vanuit een
lente achter glas verdwalen
bloemen in mijn bloed, geluiden van
het hese gras doven uw
laatste groet. nachtvlinders
breken door de muur en blinken in
mijn ogen; ik zeg; het is
gelogen, ik ben alleen
nog duur voor woorden
die vermogen te reiken tot
het uur, waarin zij voor
mij is verborgen; ik kan voor
geen heelal meer zorgen: ik ben het
verste vuur. O ruiten mijner
eenzaamheid waarlangs de
avondstromen nemen hun beddingen,
water en licht vermengen zich
voor mijn gezicht geruisloos tot
een glanzenvolle schemer; alles in alles
vloeit terneder ik nog alleen
blijf opgericht: een in zichzelf
versomberd teken. De lente en de
dood gaan saam, een vriendschap
zonder vorm of teken. wie aan de ene
is bezweken, zal aan den
ander ondergaan. Wie háár
ontmoette, voor de ziel afstand gedaan
had van het bloeien, zal zij met
zoveel licht vermoeien als aan geen
bloem geviel. Wie hém vergat
voordat het laatst uur zich
voltrok in donkere nood, heeft zich van
roos tot roos vergeefs
gehaast. De lente en de
dood gaan saam een vriendschap
zonder vorm of teken, wie aan de ene
is bezweken, zal aan den
ander ondergaan. De torens
hadden een stilheid bereikt die niet was
uit te spreken. Ergens oneindig
ver in mij werd deze
toestand vergeleken met wat daar
groeit en niet weerkeert: een liefde in
zijn eigen staat bloeiend en
ongemoeid gebleven, en die der
wereld niet meer raakt en waarvan
woorden niet meer weten. Jezus schreef
met Zijn vinger in het zand. Hij bukte Zich
en schreef in 't zand, wij weten niet wat Hij
schreef, Hij was het zelf vergeten, verzonken in de
woorden van Zijn hand. De
schriftgeleerden, die Hem aan de tand hadden gevoeld
over een vrouw van hete hartstochten
naar een andere man bezeten, de
schriftgeleerden stonden aan de kant. Zondig niet
meer, zei Hij, ik oordeel niet. Ga heen en
luister, luister naar het lied. En Hij stond
recht. De woorden lieten los van hun figuur
en brandden in de blos waarmee zij
heenging, als een kind zo licht. Zo geestelijk
schreef Jezus Zijn gedicht. Terwijl we het
niet laten blijken dat werelden in
ons bezwijken, kijkt het kind
ons aan. Hij weet er
alles van en vindt
vanzelf een naam, bewaard binnen
zijn koninkrijken, en vangt met
ons het spelen aan als
zijnsgelijke. Een gans heelal
is eeuwig voor zolang. De mens is voor
een tijd een plaats van God. Houdt geen
gelijkteken nog iets bijeen, dan wordt hij
afgeschreven op een steen. De overeenkomst
lijkt te lopen tot deze
voleinding, dit abrupte slot. Want God gaat
verder, zwenkend van hem heen in zijn
millioenen. God is nooit alleen. Voor gene kwam
een ander weer aan bod. Wij zijn voor
hem een vol benzinevat, dat hij leeg
achterlaat. Hij moet het kwijt, al de afval,
met zijn wezen in strijd. Sinds hij zich
van de schepping onderscheidt, gingen wij dood
en liggen langs het pad, wanneer niet
Christus, koopman in oudroest, ons juist in
zo'n conditie vinden moest; alsof hij met
de Vader had gesmoesd.
|
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 31-01-2007 18:35:55 |