boomgedicht
Start Omhoog

                 


Plant een boom in de vruchtbare aarde van je bloed. Ook de ziel heeft schaduw nodig. “ zei hij.

“Welk aandeel aan verantwoordelijkheid heb ik tegenover anderen? - Dat deel dat een boom tegenover het bos zou kunnen hebben. We zijn geplant.",  zei hij.

Edmond Jabčs


Motto:

 

El día abre la mano
Tres nubes
Y estas pocas palabras
 
De dag opent zijn hand
Drie wolken
En deze paar woorden
 

O. Paz


 

 

 

dedellenepe2.jpg (35 Kb)

 

Het mysterie der dingen, waar is dat?

Waar is het, dat het zich niet laat zien

Althans om te tonen dat het mysterie is?

Wat weet de rivier hiervan en wat de boom?

En ik, die niet meer ben dan zij, wat weet ik ervan?

Telkens als ik naar de dingen kijk en denk aan wat de mensen ervan denken,

Lach ik zoals een koele bergbeek klatert over stenen.

 

Want de enige verborgen zin der dingen

Is dat ze geen enkele verborgen zin hebben.

Het is vreemder dan alles wat vreemd is,

Vreemder dan de dromen van alle dichters

En de gedachten van alle filosofen,

Dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn

En dat er niets te begrijpen valt.

 

Ja, dat hebben mijn zintuigen helemaal alleen geleerd:

De dingen hebben geen betekenis: ze bestaan.

De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen.

 

F. Pessoa

 

Spreken en zwijgen

'Boom - daad van warme gronden,

jouw stam verheft zich stijl,

lucht-splijtend, en is toch rond,

een teken Gods.

en boven jou de heilige bladerkroon,

uit de diepte opgehoopt.

Hij wiegt zachtjes als Gods droom,

ik sta voor je en peins, boom, boom, boom!

En ben in louter benauwenis, brand en snikken'.

 

Arno Nadel - vermoord in Auschwitz

 

Aan een vroeggestorvene

 

O, de zwarte engel die stil uit het binnenste van de boom trad,

Toen wij tere speelkameraden in de avond waren,

Bij de rand van de blauwige bron.

Rustig was onze tred, de ronde ogen in de bruine koelte van de herfst,

O, de purperen zoetheid der sterren.

 

Hij echter liep de stenen trappen van de monniksberg af,

Een blauwe glimlach op het gelaat en wonderlijk verpopt

In zijn stillere kindertijd, en stierf;

En in de tuin bleef het zilveren gelaat van de vriend achter,

Luisterend in het loof of in het oude gesteente.

 

Ziel zong de dood, de groene ontbinding van het vlees

En er was het ruisen van het bos,

De vurige klacht van het wild.

Steeds klonken uit schemerende torens de blauwe klokken van de avond.

 

Het ogenblik kwam dat hij de schaduwen zag in de purperen zon,

De schaduwen van het bederf in kale takken;

Avond, toen bij schemerende muur de merel zong,

De geest van de vroeggestorvene stil in de kamer verscheen.

 

O, het bloed dat uit de keel van de klinkende vloeit,

Blauwe bloem; o de vurige traan

De nacht in geweend.

 

Gouden wolk en tijd. In eenzame kamer

Vraag jij vaker de dode te gast,

Wandelt in innig gesprek onder olmen de groene rivier langs.

 

G. Trakl

 

De Jood

Uit alle wouden dezer wereld een boom

Draagt hij zijn kroon aardwaarts, als in een droom.

Het blad, de bloesem met het groen, de geurige wasem

In de aarde diep, weren zij licht en asem.

De wortel, machtig reikt tot in 's hemels baldakijn

Gevoed in 't paradfijs met Godes wijn.

Diep in de stam sijpelt hij tot de verstikten.

In 't graf, groen, bloeien de verkwikten.

 

Simon Kronberg

winterboomo1.jpg (26 Kb)

 

HET BERKJE

In het grote stille woud

staat het kleine witte berkje

als een handenarbeidwerkje,

tussen bomen, zwaar en oud.

Zilver tussen brons en goud.

 

In de warmte van de zon,

in de koelte van de regen,

in de schaduw van verlegen

hoge bomen in de wind.

Als een vroeg verlaten kind.

 

Als het nachtblauw pakpapier

het bos tot in de verste takken

schier onmerkbaar in gaat pakken,

trilt het kleine berkje even,

zie je flauw zijn takken beven.

 

En het houdt de adem in.

Alle struiken, alle bomen

weten wat er dan gaat komen,

't hele bos weet dan allang:

onze berk is stervensbang.

 

Het staat stokstijf in de nacht

wit en spichtig spook te wezen;

dodelijk bleek zichzelf te vrezen.

Angst en vrees hebben de macht.

Angst en vrees houden de wacht.

 

En de bomen in het rond

zouden 't doodbevreesde berkje

in hun takken willen bergen.

Maar zij weten, dat hun troost

slechts de angst en vrees vergroot.

 

Vastgenageld aan de grond

zien de machteloze bomen

't onafwendbare einde komen.

Angst roept angst op en weerkaatst

oorverdovend op het laatst.

 

Toen in een novembernacht

is de berk van angst gestorven.

Is het berkje doodgegaan.

En de bomen hieven zacht -

ruisende hun treurzang aan.

 

Ad Booijen

 

Onder de appelboom

Ik kwam thuis, het was

een uur of acht en zeldzaam

zacht voor de tijd van het jaar.

de tuinbank stond klaar

onder de appelboom

 

ik ging zitten en ik zat

te kijken hoe de buurman

in zijn tuin nog aan het spitten

was, de nacht kwam uit de aarde

een blauwer wordend licht hing

in de appelboom

 

toen werd het langzaam weer te mooi

om waar te zijn, de dingen

van de dag verdwenen voor de geur

van hooi, er lag weer speelgoed

in het gras en ver weg in het huis

lachten de kinderen in het bad

tot waar ik zat, tot

onder de appelboom

 

en later hoorde ik de vleugels

van ganzen in de hemel

hoorde ik hoe stil en leeg

het aan het worden was

 

gelukkig kwam er iemand naast mij

zitten, om precies te zijn jij

was het die naast mij kwam

onder de appelboom, zeldzaam

zacht en dichtbij,

voor onze leeftijd.

 

Rutger Kopland

 

Aan een boom in het vondelpark

Er is een boom geveld met lange groene lokken.

Hij zuchtte ruisend als een kind

terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.

Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

 

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,

met slepend haar en met de geur van jeugd

stromende uit zijn schone wonden,

het jonge hoofd nog ongeschonden,

de trotse romp nog onverslagen.

 

M. Vasalis

winterboom.jpg (29 Kb)

Diep van mijzelf

Diep van mijzelf en van mijn zang vervreemd

hoor ik in twijfel niets dan toon na toon,

ontken de wijs, de oude, diepbeminde melodie,

ontken ik al wat naar verbinding zweemt,

ontken ik in de grootste eenheid hoon.

Afzonderlijk, vervreemd, is alles wat ik zie.

 

Een boom bespiedde ik, haast de ganse dag,

het regende gestaag

en blad na blad neeg naar beneden als een druppel woog

en drupte en rees zacht omhoog...

Zo regende het van blad op blad,

zo regende het de ganse dag.

 

Het regende en ik neig en rijs

met kleine wanhoop in het grijs gemoed.

Ik ben zo ziek...

Waar bleef de hemelse muziek,

de eenheid in het aardse zingen.

Ik hoor alleen, dat alles lijdt,

ziek van de veelheid van de dingen,

van hun volstrekte eenzaamheid.

 

M. Vasalis

 

IN EEN onbewaakt ogenblik

hunkerend binnengeslopen

dwaal ik in je rond.

 

Een barbaars landschap

dragend de schaarse tekens

van je aanwezigheid:

de ontbladerende boom

die geen schaduw werpt,

het zwartgeblakerd struikgewas,

de verdroogde kreek

tussen de rotsen

en diep onder de grijze

dorstige aardkorst

het gesmoorde ruisen

van murmurend water

dat geen uitweg vindt.

 

Hanny Michaelis

 

Voorzichtig beginnen

Voorzichtig beginnen, aandachtig kijken,

pen opnemen, hand vastbesloten, overal

oor zijn, aan muren, ramen, tafelblad,

in mijn nek, mijn borst, ragdunne lijnen

 

spannen om alles op te vangen, te peilen,

weten: dit is niet een kamer in een huis dat

aan een weg in Laren staat, maar dit is al

wat is en in mij zichzelf wil begrijpen.

 

Wat ik hier zie en zeg roept om leven,

wil groeien als een boom aan een rivier,

een toren in een stad, een ontembaar teken,

 

wil zijn wat het is, wil met mij en allen

en alles wereld zijn, geluk nu en hier,

stem waarop alle stemmen invallen.

 

Gabriël Smit

 

Boom, langzaam uitspreken

Boom, -langzaam uitspreken, maar nog niets

in mijn dorre denkhoofd, achter mijn raamogen

nog geen reikende long van groen, geen stromen

van blad, geen geheim van licht vogelvertier.

 

Denken, denken, naar binnen kijken, uitzien

over herinnering, gierig op dromen,

de eerste keer volkomen willen terughoren

maar nergens antwoord, geen leven te zien.

 

Sla takken door mijn ogen, word knoppen

in mijn vingers, ga open, groei een bos

in mijn borst dat nooit zal verdorren,

 

een hemelzee levend groen voor al wie

sterft van overal steen, sla lover los

opdat ik kan geloven wat ik zie.

 

Gabriël Smit

 

luchtdec045.jpg (63 Kb)

De handen van de bomen

De handen van de bomen,

de stemmen hoger,

maar nog lang zal het duren.

voor ik voldoende weet;

er moet nog veel gebeuren

om mij heen.

De wereld moet steiler open.

 

Ik moet stenen breken

en turen naar openingen in

het water. Soms denk ik:

niet voor ik dood ben geweest en

teruggekeerd aan de tafel hier,

een Lazarus met opendichte ogen,

handen waaraan alles gebroken

is, een hart dat geen weerstand biedt.

Alles is ingehaald, eindig, bros,

uit een laatste ijlte

doorzichtig reiken

naar een voorlopig lot.

 

Stenen breken en voorover,

luisteren naar het hardste hart

van de stilte, geloven

dat levend spreken nooit ophoudt, dat

oneindig dieper een adem van taal

ontspringt binnen de blinkende kilte

van het kristal, geschitter,

opspringend vuur van ijs.

 

Verrukking voorbij

de uiterste grens, extase

van uw laatste woord - waar alles

gegrendeld schijnt blijft Gij

toespreken in oversneeuwde aarde,

fluistert voorjaar in aderen

van verholen vruchtbaarheid.

 

Mensen zijn

duizendmaal harder,

oneindig verder,

vrieskou binnen elkanders armen,

in winter van wanhoop verloren warmte,

ik doe wat ik kan,

ik ben bang.

 

Leg een lichthand over de liefste ogen,

zeg: jij, jij en: hier ben ik,

zeg: wacht, wees stil,

ik ben bezig te komen,

een mens blijft zijn huid,

zijn eigen huis,

besneeuwd is alles,

uit innigste hoogte vallen

vlokken van eeuwige eigenheid.

 

Ik doe wat ik kan, ik blijf

ademhalen,

wonen, slapen,

aan tafel zitten, eten, naar buiten kijken

over de polder waar vogels drijven

op bevroren licht,

een ijzig wiekende kring.

 

Vogels, vogels, -hoe alleen,

altijd wij samen, wij hebben

de zelfde hemel,

er komt leven

in.

Gabriël Smit

 

IN BEWEGING

Als je door een laan loopt waarlangs alle bomen diepgeworteld en sinds lang onbewegelijk staan, als je zo al dit stilstaande passeert, kun je plotseling een trilling bespeuren, een licht dansende beweging, komend uit de schors, uit haar stugge terughoudendheid. Het is alsof iedere boom een ongeziene kracht in zich bergt, een bedwongen explosie, de allerstilste en allerbeminnelijkst zintuigelijke –het zwevende begin van een beweging. Zoals je voet soms een paar lichte danspassen maakt, dan in een onbekend ritme raakt en nieuwe patronen laat ontstaan -in het onveranderlijke.

Carl-Erik Geijerstam

 

Twee fragmenten uit het werk van Armando

Deze boom is haast groter dan een wolk, de

Wolk is bleker dan de maan.

 

Hier wordt overnacht.

 

 

wil deze zuil tot boom vervormen,

laat dit woord tot storm verworden,

maar dit sombre oog verschralen tot de dood mij vinden wil;

het vreest een wetend leven.

 

Armando

tuinjapboom11okt04bew.jpg (78 Kb)

Landschap

Jullie hoge populieren - mensen van deze aarde!

Jullie zwarte vijvers geluk - jullie spiegelen ze dood!

 

Ik zag je, zuster, staan in deze glans.

 

Paul Celan

 

In het laatrood

In het laatrood slapen de namen:

een

wekt je nacht

en voert hem, met witte staven langs-

tastend aan de zuidwand van het hart,

onder de dennen:

een, van menselijke gestalte,

schrijdt naar de pottenbakkerstad toe,

waar de regen zijn intrek neemt als vriend

van een uur van het meer.

In het blauw

spreekt zij een schaduwbelovend boomwoord,

en je lieve naam

rekent zijn letters daartoe.

 

Paul Celan

 

STEEDS DIT BEELD

Steeds dit beeld

van de hand en van het voorhoofd,

van het schrift, dat

aan het denken terugviel.

 

Als de vogel in het nest,

zo rust mijnhoofd in mijn hand.

Te prijzen bleef de boom,

als niet overal woestijn zou zijn.

 

Onsterfelijk voor de dood.

Het zand is ons

onzinnig erfdeel.

 

Kon toch deze hand,

waarin de geest zich vlijt,

vol zaad zijn.

 

Morgen is een andere termijn.

 

Wisten jullie, dat onze nagels

eens tranen waren?

We schrammen de muren met ons wenen,

dat zich heeft verhard als onze kinderlijke harten.

 

Iedere redding komt te laat,

als het bloed de wereld overstroomd heeft.

Ons resten slechts de armen,

om zwemmend de dood in te halen.

 

(Aan gene zijde van de zee, over de bergkammen

een piepkleine niet geďdentificeerde planeet,

handen verenigd, ronde handen overvol,

aan de zwaartekracht ontsnapt.)

 

Wanneer wij het geheugen terugontvangen –

zal dan de liefde eindelijk haar leeftijd kennen?

 

Geluk van een oud gedeeld geheim.

Aan het al klampt zich nog

de hoop van het eerste woord;

aan de hand het verfrommelde blad.

Tijd is er enkel voor het ontwaken.

 

Edmond Jabčs

malden3juni055.jpg (51 Kb)

ALS TUIN

't Moest zijn dat buiten wat je hand aanraakt
van jou bezit nam als de reeds verwachte:
je hebt grond om te planten los gemaakt,
je legt jezelf weg plantend in de zachte

gerede aarde; of je voelt hoe zwaar
vruchten een ongestutte tak bevrachten
en om jouw zorg wordt de boom eigenaar
en drager van toekomstige gedachten:

de tijd ging over in bestendigheid,
wat groeit en bloeit bedacht en droomde jou,
en wie jou overleed maakte niet uit:

het grasveld werd je groen, en wit de geit,
werd stem uit huis: kom handen wassen gauw,
op tafel in de blauwe schaal vers fruit.

C.O. Jellema

 

Beeldwoord. Nu schrijf ik het. God. Stil.

Het zwijgen van de taal is luider dan

wat winterwind in kale bomen kan

veroorzaken: het minste takgetril

breekt wat beweging niet verlangt. De wil

om dit te lezen als symbool, daarvan

bevrijd te zijn, gedacht systeem, als plan -

beeld of bedoeling maakt toch geen verschil?

 

Beijzeling. Het licht, gefilterd in de

vitrages, tekent letterlijk de linde-

boomtoppen tussen hier en ginds. Daarin

 

grammatica en de syntaxis vinden.

In de slaap geeft hij het aan zijn beminden:

beelden. Wie waakt ontwaakt in woordbegin.

C.O. Jellema

 

Het licht

Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren:

Kleuren zijn daden van het licht dat breekt.

Het leven breekt zich in het bont gebeuren,

En mijn ziel breekt zich als ze woorden spreekt.

 

Slechts die zich sterven laat, kan ’t leven beuren:

O zie mijn bloed dat langs de spijkers leekt!

Mijn raam is open, open zijn mijn deuren –

Hier is mijn hart, hier is mijn lichaam: breekt!

 

De grond is zacht van lente. Door de boomen

Weeft zich een waas van groen, en menschen komen

Wandelen langs de vijvers in het gras –

 

Naakt aan een paal geslagen door de koorden,

Ziel, die zichzelve brak in liefde en woorden:

Dit zijn de daden waar ik mensch voor was.

 

Martinus Nijhoff

 

Boom uit leed

De hele dag groeit

De boom uit leed

De boom uit regen

Uit nevels woorden en zwijgen

 

In de stalen rib van de brug

Sloeg

De sneltrein in

 

In de nis die de ingenieur

De armen liet

Wacht ik op mijn vertrek

 

Mijn leed maakt zich los en valt

Een enkele traan lost

Deze wereld uit ijzer

Beton en goud op

 

Jij echter bent de kroon

Van de boom die groeit

In mij van vroeg

Tot laat.

 

Tadeusz Rósewicz

wychen3apr058.jpg (72 Kb)

PRELUDIUM

Ontwaken is een parachutesprong uit de droom.

Vrij van de verstikkende maalstroom zinkt

de reiziger de groene gordel van de ochtend tegemoet.

De dingen laaien op. Hij bespeurt -vanuit de vibrerende positie

van de leeuwerik -de onderaards zwaaiende kroonkandelabers

van de immense boomwortelstelsels. Maar bovengronds

staat - in tropische overvloed -het groen

met geheven armen te luisteren naar

het ritme van een onzichtbaar pompgemaal; Hij

zinkt naar de zomer, wordt neergelaten

in zijn verblindende krater, in schachten

van vochtig groen gelaagde tijd,

trillend onder de zonneturbine. Dan wordt deze

loodrechte reis door het ogenblik beëindigd en spreiden

vleugels zich in de zweefstand van de visarend boven een

waterstroom uit.

De vogelvrije klank

van een hoorn uit de brons-periode

hangt boven het bodemloze.

In de eerste uren van de dag omvaamt het bewustzijn

de wereld zoals de hand een zonwarme steen vastgrijpt.

De reiziger staat onder de boom. Zal er zich,

na zijn val door de maalstroom van de dood,

boven zijn hoofd een groot licht ontvouwen?

 

Tomas Tranströmer

 

SAMENHANG

Zie de grauwe boom. De hemel is door

zijn vezels de aarde ingestroomd -

wanneer de aarde gedronken heeft rest

slechts een verschrompelde wolk. Ontvreemde ruimte

in het vlechtwerk van wortels gewrongen,

omgesponnen tot gebladerte. -Deze korte momenten

van vrijheid ontstijgen ons, wervelen

door het bloed der schikgodinnen en verder.

 

Tomas Tranströmer

 

MELANCOLIA

Toen ik door het maanlicht liep

   En de paden meed,

Bang, dat ik den tuin, die sliep,

   Wakkerschrikken deed

Door het ritselend gerucht

   Van mijn kleed en voet-

De oude boomen! die een zucht

   Wakkerschrikken doet.

Toen ik naar den vijver ging

   Door het korte gras,

Naar den boom die overhing

   In den vijverplas,

Waar het water inkt geleek,

   En zoo roerloos sliep,

Of het oog in 't duister keek

   Van een peilloos diep,

Waar het windgefluister klonk

   Door het popelblad...

Weet gij, wie op d' elzentronk

   Mij te wachten zat?

Vleermuisvleugelige vrouw,

   Die mij 't eeuwig jong,

't Eeuwig oude lied van rouw

   Vaak te voren zong,

Tot ik in den maneschijn

   Zacht heb meegeschreid

Met het eeuwenoud refrein:

   "Alles ijdelheid."

Hebt ge hier op mij gewacht,

   Denkend, dat ik sliep?

Hebt gij zóó aan mij gedacht,

     Dat uw geest mij riep,

Dat ik staan kwam aan het raam

   En onrustig werd

Door het roepen van mijn naam

   Uit de lichte vert'?....

Toen ik u hier wachten vond

   En met stillen schrik

In den peilloos diepen grond

   Staarde van uw blik,

Toen ik zwijgend binnentrad

   En in zwarte schauw

Uwer vleuglen nederzat,

Zwartgewiekte vrouw,

Heb ik, met uw hoofd gevleid,

   Liefste aan mijn hart,

Zachtkens met u mee geschreid

   Om der dingen ijdelheid

   Om onze oude smart.

J v.d. Waals

 

UTOPIA

Het eiland waar alles wordt opgehelderd.

Hier kan men op vaste bewijsgrond staan.

Er zijn geen andere wegen dan de toegangsweg.

De struiken buigen door van alle antwoorden.

Hier groeit de boom van het Juiste Vermoeden

met eeuwig ontwarde takken.

De verblindend simpele boom van het Begrijpen

bij de bron die Ah Dus Zo Zit Het heet.

Hoe dieper her bos in, des te breder

het Dal der Vanzelfsprekendheden.

Rijzen er twijfels, dan verjaagt de wind ze.

De Echo neemt ongeroepen het woord

en verheldert graag de geheirnen van de werelden.

Rechts de grot waar de Betekenis ligt.

Links het  meer van de Diepe Overtuiging.

De Waarheid maakt zich los van de bodem en drijft zachtjes omhoog.

Boven het dal torent de Onwankelbare Zekerheid op.

Vanaf haar top strekt zich het Wezen der Dingen uit.

Ondanks al deze verlokkingen is her eilland onbewoond

en de vage voetsporen die je op de kusten ziet

wijzen zonder uitzondering in de richting van de zee.

Alsof men hiervandaan alleen vertrekt

en onherroepelijk in het diepste onderzinkt.

In een leven dat niet te doorgronden is.

Wyslawa Zsymborska

mook1010.jpg (14 Kb)

Boombeschrijving

Bomen zijn werkelijk.
Hun bladeren praten werkelijk
met woorden veelzeggend en letterloos.

Hun toppen zingen.
Hun stammen zwijgen
hoorbaar.

Hun wortels houden
van de aarde.

Bij een boom
staande moet ik wel
ademen als een boom.

Naar een boom
ziende zie ik
hemel en aarde in elkanders
armen.

Want een boom,
een boom is een bruiloft.

Hans Andreus

SNEEUW

In deze sneeuw ben ik een tekening.
Een plaat, waarop ik langzaam levend ben.
Er is geen onderscheid tussen de boom en mij
dan dat ik hier en daar bewegend ben.

Verzonken in het eindeloze wit,
dat om mij ligt geopend, ben ik dit.
Bevangen door dezelfde zuiverheid,
waar in de verte ook een kraai op zit.

Gerrit Achterberg

 

De overlevende

Wanneer mijn vader sterft, laat mij dan staan
Vereenzaamd als een treurboom in 'n plantsoen
Gesmukt met 't teerste, avondlijkste groen,
Bijna bebloesemd, sneeuwwit aangedaan.

Bijna een bruid, boven de sponde waar
Sinds kort mijn moeder ook een toevlucht vond;
En ruischende hernieuw ik 't oud verbond
Met mijn diepst neergebogen treurgebaar.

Zoo, treurend, zou ik willen sterven ook.
Maar hoe te sterven, zoo ver boven hen?
Erbarm u mijner, treurboom die ik ben,
Gedoemd te bloeien onder de stadsrook,

In 't tweeslachtig plantsoen, geen stad, geen land,
Dalend als sneeuw en stijgend als de bruid
Boven mijn vaders doode handen uit
In deze aarzellichte tusschenstand.

Simon Vestdijk

Afgunst

Een boom kiest zorgvuldig zijn plaats
om daar nooit meer weg te gaan.
Met niets dan zonlicht en lucht
versterken zijn wortels hun greep

op de wereld en neemt in zijn kruin
het overzicht toe. Zonder beschutting
wordt het leven in alle seizoenen pas
echt getrotseerd. Dat op zijn stam

onze hand zich soms neervlijt in een
groet of is het een slinkse poging
om van zoveel standvastigheid
toch iets te ontvreemden?

Marc Tritsman

eik.jpg (54 Kb)

 

De boom als larix

is eerst spar uit de Do-

nauschule, voor hij zich

herinnert als de larix

die zijn boom blijft.

 

Nog vrijwel niets

heeft mijn vers

 

van wat zich doorbreekt

 

in het steigerend paard,

in de drie boeken,

in het doodshoofd

en in sommige andere

etsen van zijn hand.

 

Hans Favery

 

De bomen treuren na het onweer

En zinnelijk staan ze in de hemel

Die als het toneel is voor een tragedie:

Vol vreugde, praal en statigheid.

 

De wereld is als een park

De ark van Noach druipt van regen

En een eenzaam insekt kruipt

Met slappe vleugels tegen de ruit.

 

Hans Lodeizen

 

God zat onder de appelboom

Een mandje met lunch naast hem

Hij tastte naar de fles en dronk

En de engelen zongen: Halleluja.

 

Daarna floot hij en likte

Zijn vingers af en veegde

Zijn lippen schoon met een

Servet dat aan de boom hing.

 

Maar een stem zei: Pas op

God, dat gaat maar niet zó;

De mensen rotten als appels

En jij bent verantwoordelijk.

 

Of God het gehoord had of niet

Hij stak een cigaret op na

Zijn lunch, trok zijn schoenen

Uit en keek naar de boomgaard.

 

Hans Lodeizen

 

 

Als een boom

Die bloeit en overwintert

Als een lamp

Die uitgaat en aangaat

Zo gaat mijn liefde

Maar waarheen

Weten de jaargetijden...

 

Hans Lodeizen

 

BUCHENWALD

Tussen de bomen van vroeger

waar het lichtwater kon worden

klinken de stappen gedempter

achter de trom van het bloed.

Hoor de verdronkenen zingen

ongerept en beveiligd

tegen de dwang van het lichaam

boven de boomtoppen uit:

 

Moeders, laat ons nog eenmaal

over uw lichaam de nacht zien

met de verdonkerde manen

van uw gespleten borst.

Kamperfoelie van geuren

breekt wat vergeten werd open

onder de hemelen van een .

stilte die niemand schaadt.

Want de mei is gekomen

over de vogels de kleinen

over de snelle vossen

over de wijngaard des bloeds.

 

Draagt ons vergeten en vruchten,

moeders, de kinderen die wij

langzaam en onbeholpen

uit de klei der verwachting

hebben gekneed naar ons eigen

evenbeeld: God.

 

H.J. van Tienhoven

 

KASTANJE

De levenbrengende, de fakkeldrager,

't veelhandig loofhout dat zijn licht ontstak,

de kaarsen brandend en van was bedropen,

de ziekenzaal verlichtend met één tak,

 

slaat in dit dodenrijk een bres van voorjaar,

een vlam die schrijnen kan maar niet verwondt;

totdat de bloesems vallen, nauwlijks hoorbaar,

één voor één, als wasdroppels op de grond.

 

Uit alle bedden zien de stenen ogen,

gestold reeds tot een onbewogen schrik,

de doodsengel, dienstvaardig en gebogen,

geluidloos bezig met veger en blik.

 

Zijn handen tasten naar dood vruchtbegin.

Hij snuit de kaarsen. -Schemering valt in.

 

H.J. van Tienhoven

 

STAMBOOM

De spechten die mijn stam te vinden weten

mogen er aankloppen om gulonthaal

en uit mijn lijfsvoorraden wormen eten

zonder te weten dat ik zon vertaal,

 

blad na blad vullend met geheimschrift, vlammen,

brandend op mijn bloedeigen stam geënt,

zolang de zomeravond wachten kan en

stil wordt van aandacht naar mij toegewend.

 

Niets gaat er straks teloor in 't grote vallen,

niets wordt gewonnen dan die laatste zon.

Eet, spechten, eet. - Nog deze winter zullen

doden ontberen wat uit mij begon.

 

H.J. van Tienhoven

 

DE BOOM EN DE WOLKEN

Eboom in regen rond,

snelt ons voorbij in het neerstromend grijs.

Hij heeft een opdracht. Hij onttrekt leven aan regen

zoals een merel in een boomgaard.

 

Als de regen ophoudt blijft de boom staan.

In heldere nachten is hij te zien, recht en stil,

net als wij wachtend op het ogenblik

waarop sneeuwvlokken uiteenvallen in de ruimte.

 

Tomas Tranströmer

 

AANGEZICHT TOT AANGEZICHT

In februari stond het leven stil.

Vogels vlogen onwillig en de geest

schampte tegen het landschap zoals een boot

tegen de steiger waaraan hij ligt afgemeerd.

 

De bomen stonden met hun ruggen naar hier.

Sneeuwdiepte werd door dood riet gemeten.

Voetsporen verouderden buiten in de korst.

Onder een zeildoek kwijnde de taal.

 

Op een dag verscheen er iets voor het raam.

Het werk stokte, ik keek op.

De kleuren stonden in brand. Alles draaide zich om.

De grond en ik sprongen elkaar tegemoet.

 

Tomas Tranströmer

 

APPELBOOMPJES

Op een recht, zwart kousebeen,

dunne rokjes opgeheven,

dansend in de vroege regen

en de tuin voor zich alleen,

 

staan twee jonge appelbomen,

't witte bloed omhooggestegen,

vlinderhoofden wijd omgeven

door hun allereerste dromen.

 

Met hun smalle voet in 't gras,

ingetogener en lomer

staan zij later in de zomer

na te peinzen hoe het was.

 

Voller wordend met de dagen,

vastgegroeid in 't ogenblik,

bestemd, mijn zustertjes, -als ik -

te worden, rijpen en vrucht te dragen.

Vasalis

 

AAN EEN BOOM IN HET VONDELPARK

Er is een boom geveld met lange groene lokken.

Hij zuchtte ruisend als een kind

terwijl hij viel. nog vol van zomerwind.

Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

 

0, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,

met slepend haar en met de geur van jeugd

stromende uit zijn schone wonden,

het jonge hoofd nog ongeschonden,

de trotse romp nog onverslagen.

Vasalis

 

AAN EEN BOOM

Soms kijk je door je smalle ogen

zo zomers of je door de blaadren kijkt.

twee smalle stukjes blauw. het lijkt

door ochtendnevellicht bevlogen.

Beweeg maar niet. Want wie kan het verdragen

wanneer een boom zijn wortelen verlaat

en dansen gaat~

Ik niet. En toch. je bent gemaakt om te bewegen.

in lange lijnen als een langzame muziek.

en dan weer stil te staan. omhoog. een slanke basiliek.

Daar kan ik beter tegen.

Ik ben vanavond in de tuin gegaan.

De bloemen waren alle wit. de maan

had haar ontroerd. Ik heb een boom omhelsd.

Hij was niet groot. zijn bast was hard.

m.aar .k voelde duidelijk het kloppen van een hart;

ik denk dat het alleen het mijne was.

Ik stond in het onzichtbare. natte en zware gras

en voelde me in .t paradijs gedreven.

Wie kan daar leven?

 

Vasalis

 

 

ACHTER EEN DIKKE BOOM

Het was acht uur.

Ik ging van huis en begaf mij buiten het dorp.

Het was koud. Een scherpe wind deed mijn

ogen tranen.

De grond waarop ik liep was hard als steen.

Ik volgde een bochtig pad.

Toen ik moe werd, ontkleedde ik mij

achter een dikke boom.

Maar ik bleef alleen, dat maakte

mij radeloos.

Want in mijn oor lag nog haar stem

en ik zag haar voor me, al hield ik de

ogen gesloten.

 

K. Ouwens

Winterbomen

Bij dageraad lost het blauwe op van uitvloeiende inkten.

Op hun vloeiblok van mist lijken de bomen

een botanische tekening -

Herinneringen groeien aan, jaarring op jaarring,

een reeks bruiloften.

 

Niets afwetend van miskramen en geroddel,

waarachtiger dan vrouwen,

schieten zij zo moeiteloos in het zaad!

Rukwinden zonder voetspoor proeven zij,

diep verzonken in geschiedenis -

 

Een en al vleugels, van een andere wereld.

Daarin zijn zij gelijk aan Leda's.

O moeder van bladeren en zachtheid

wie zijn deze piëta's?

Schaduwen van ringduiven zingen, maar verzachten niets.

 

Sylvia Plath

 

Olm

Voor Ruth Fainlight

Ik ken de bodem, zegt ze. Ik ken hem met mijn grote penwortel:

daarvoor ben jij zo bevreesd.

Ik vrees hem niet: ik ken hem maar al te goed.

 

Is het de zee die je in mij hoort,

al haar misnoegdheid?

Of de stem van het niets, die jouw waanzin was?

 

Liefde is een schaduw.

Al lig je nog zo om haar te roepen

luister: dit zijn haar hoeven: ze is er vandoor, als een paard.

 

Zo zal ik de hele nacht galopperen, onstuimig,

tot je hoofd een steen is, je hoofdkussen een kleine zode,

vol echo's, echo's.

 

Of zal ik het geluid van vergiften voor je meebrengen?

Dit is nu de regen, deze diepe stilte.

En dit zijn oogst: tinwit, als arsenicum.

 

Ik heb de gruwel van zonsondergangen doorstaan.

Verschroeid tot de wortel

staan mijn rode vezels in brand, een hand van draden.

 

Nu spat ik in stukken uiteen die als knuppels in het rond vliegen.

Zo'n vernielzuchtige wind

duldt geen inmenging: ik moet krijsen.

 

Ook de maan is genadeloos: ze wil me meeslepen,

wreed en onvruchtbaar als zij is.

Haar uitstraling verwondt me. Of misschien heb ik haar gevangen.

 

Ik laat haar los. Ik laat haar los

verminderd en vlak, als na radicale chirurgie.

Hoe bezeten en begaafd word ik van je kwade dromen.

 

Ik word bewoond door een schreeuw.

's Nachts vliegt hij uit

op zoek, met zijn haken, naar iets om lief te hebben.

 

Ik ben doodsbang voor dat donkere ding

dat in mij slaapt;

de hele dag voel ik zijn zachte, vederachtige kronkelingen, zijn

boosaardigheid.

 

Wolken trekken voorbij en drijven uiteen.

Zijn dat de gezichten van de liefde, die bleke vervluchtigingen?

Jaag ik mijn hart daarvoor op?

 

Ik ben niet in staat tot meer kennis.

Wat is dit, dit gezicht

zo moorddadig in zijn wurggreep van takken?

 

Zijn slangenzuur kust.

Het versteent de wil. Dit zijn de afgezonderde, tergend trage gebreken

die doden, die doden, die doden.

 

Sylvia Plath

 

een ranke loot, zoon van een boom, die naast hem leeft,

dezelfde worden zij, de handen ineen, één vrucht-

zoet stamelt het water, de laarzen waden naar de oever en

verdwijnen.

dag in dag uit de grazende dieren hoedend, zingend.

hij is gezegend, geuren van vroeger vermoedend.

 

Armando

avondbomen1.jpg (37 Kb)

's nachts. de bomen.

het zoeken van de storm.

de plechtige arm op jacht.

het vaandel woedend opzij.

 

het wapen hijgend naar voren.

 

Armando

 

ETS

De bomen waren tot een staalgravure

gebeten tijdens mijn afwezigheid.

Toen ik terugkwam stonden zij de tijd

tegen te houden en verscherpt te duren,

 

in droge naald gezet voor de azuren

avond, aftekenend hun takken wijd.

Daaronder lag het huis in veiligheid

en kon ik doorgaan met dezelfde uren

 

aan u besteed; zij bleven uitgespaard.

Ik had alleen de plaat binnen te treden ;

de voordeur achter mij op slot te doen.

 

De kamers hielden u bijeenvergaard.

Er hing een geur lavendel, onversneden.

Een grijze braam besloeg de ruit als toen.

 

G. Achterberg

 

TELEX

Bomen die buiten zijn, een nacht vol blad

dat aan elkander grenst, houden u bij.

Gij kunt zo ver niet gaan of aan weerszij

verzellen u de stammen langs het pad.

 

En in de steden doen de huizen dat ;

nemen u over van de laatste rij.

Water en wolk geleiden enerlei.

Al wat natuur is heeft u ingevat.

 

Wij volgen u over het wereldrond.

Ik krijg bericht uit onbekende streken,

dat daar van uw voorbijgaan is gebleken.

 

Het was te merken aan de morgenstond,

stiller dan ooit. Een bovengrondse lijn

doet van uw gangen op de hoogte zijn.

 

G. Achterberg

 

CROSS-COUNTRY

Dwalend onweidelijk door bos en beemd,

kruiselings op de aangegeven paden,

kom ik u in de hemelsbreedte nader ,

maar blijf u telkens een armlengte vreemd.

 

Boomstammen blijken dan zo dicht vereend,

dat ze een muur vormen. Gij slaat het gade

tussen de cryptogamen en nachtschade,

hebbend een handgebaar, om mij te raden

de laatste stap te zetten, onversteend,

alsof het aan een sprookje werd ontleend.

 

Gij staat onder een hoog beschermheerschap.

De dennenaalden dempen 't houtgeknap.

Ik hoor u heengaan, bijna voor de grap.

 

Meidoorn en kamperfoelie geuren zoet

bij drinkplaatsen, of ik uw mond ontmoet .

 

Aan gene zijde van het avondlicht

tuurt om een hoek een stuk van uw gezicht.

Het is wassende maan boven het Sticht.

 

Er staat een pyramide opgericht

aan deze zijde, in zijn doodgewicht.

En onbezoldigd gaan de bossen dicht.

 

G. Achterberg

berkkoninginshoeve.jpg (45 Kb)

Onder de bomen

 

In het trillende

net van de zon twee of drie

bloedige veren.

 

H. Andreus

 

Bomen

 

Een boomtocht zo licht

in de wind of de wortels

verzetten geen stap.

 

De koele wind en het zachte spreken der bomen

en de losgebroken augustusmuziek der vogels

en de rivier die blikkert een magnifiek magnesiumlicht

en de zon die beurtelings charlie parker en bach heet

strek je armen gebogen liefste

ik wil gaan boogschieten met

lange gonzende woorden

ik heb een duizendmaal mooier vrijheidsbeeld gemaakt

ik heb je borsten nog nooit zo hoog gezien

kinderen kunnen glijbaan spelen langs je heupen

ik wil boldriehoeksmeting leggen langs je enkels

en ik kijk naar je door verrekijkers andersom

je loopt zo langzaam naakt door de verten

je bent een glasscherf zonlicht

je bent een vogel tussen hoog gras

je bent een kleine kobold met wuivende handen

 

ik kijk naar je met mijn eigen ogen

en ik leg je neer op het bed van mijn woorden

wij zijn de ruiters te paard van de zon

wij zijn de slaven der slavenhalers

ik was van zeewater en van nachtwind

ik ben met brandwonden overdekt

wij leven in mistige huizen

van stukkende sterren en van

de keistenen der liefde

en van de witte wijn van het lichaam

 

wij zijn het reisverhaal

van ons zwerven zonder landkaart

wij schrijven dreigbrieven naar de avond

en wij ontvoeren de nacht

 

wij knielen voor onze monden wij bidden  ave mariaas

der liefde

 

wij smeken de ander in leven te zijn wij vragen de val-

ken der valkenjacht

 

wij zijn kerkklokken

 

hoor je de stilte der zon liefste

hoor je de stilte der zon

hoor je de stilte der zon liefste

hoor je de stilte der zon

 

H. Andreus

 

Boombeschrijving

Bomen zijn werkelijk.

Hun bladeren praten werkelijk

met woorden veelzeggend en letterloos.

Hun toppen zingen.

Hun stammen zwijgen

hoorbaar.

Hun wortels houden

van de aarde.

Bij een boom

staande moet ik wel

ademen als een boom.

Naar een boom

ziende zie ik

hemel en aarde in elkanders

armen.

Want een boom,

een boom is een bruiloft.

 

H. Andreus

 

Bos

Zacht knetterend

als voetzoekers van kobolden

gaan de bladeren af,

waarin een dikke vogel

zich baadt en zich schudt, zich schudt.

 

En mij verbijstert het groen firmament;

mij onthullen

de dunne met boomtakken en varens

getekende vleugels van een onvoorstelbaar

grote groene slapende vleermuis.

In zulk een waas gevangen

wie zegt mij waar ik ben?

Wanneer ik even niet oplet, pikt

een krassende kraai naar mijn ogen.

 

H. Andreus

 

Tussen bomen

groen water van bladeren aan bomen;

iedere gedachte wordt een zeilvaart;

de stormen buigen zich onder de boeg.

 

Iedere gedachte steekt zich in de veren,

legt zich te slapen in een merelschedel,

te lui voor de vleugels die hij eindelijk heeft.

 

Niets is nodig te zeggen:

de heldere hemel misprijst de raspende

medeklinkers van ook de mooiste monoloog.

 

H. Andreus

 

De bossen in of Good old Darwin

Je kunt het zien

met verlangzaamde blik:

woedend hout,

de gevechten om licht.

Schuil onder het lover

van een overwinnaar,

dikke killer

van zijn broeders,

valt het toch moeilijk

te geloven

in die ruisende kalmte,

groene wijsheid.

 

H. Andreus

bloesem2.jpg (62 Kb)

Levensboom

 

Ik heb geen wortels

dan in het licht.

Van mijn donkere jonge jaren

de bezoeker incognito,

parelgrijze vader,

hij werd een doodgetrapte

stem: Sjema Israël...

 

En laf bemoederd ben ik

door twintig gekruisigde eeuwen.

 

Maar ik ben m'n eigen

levensboom: de bladeren

 

raken de aarde en ik

wortel in het licht.

 

H. Andreus

 

DE BOOM

Is een gedicht als een boom

dan is het mooi.

Is hij mooi dan is een boom

als een gedicht.

Rustig met wortels

sterk en toch

gedragen door de wind

altijd beweeglijk

zijn eigen vorm tekenend.

Naast de boom

staat het gedicht in de aarde geplant

groeit vol vertroosting om laag

en streeft naar de hemel.

Op vaste grond en zwevend

uit stof zijt gij gekomen

tot stof zult gij wederkeren

uit stof zult gij herrijzen.

 

Klaus Rifbjerg

 

BOMEN

Bomen spreken weinig, naar men weet.

Ze slijten heel hun leven mediterend

en hun takken bewegend.

Het volstaat om hen in de herfst te bekijken

als ze samenkomen in de parken,

alleen de alleroudsten converseren,

zij die de wolken en de vogels verdelen,

maar hun stem gaat verloren tussen de bladeren

en zeer weinig bereikt ons, bijna niets.

Het is moeilijk een kort boek te vullen

met gedachten van bomen.

Alles aan hen is vaag, fragmentarisch.

Vandaag bijvoorbeeld, bij het horen van de kreet

van een zwarte koevogel reeds op weg naar huis,

slotkreet van wie geen volgende zomer meer wacht,

begreep ik dat in zijn stem een boom sprak,

een van zovele,

maar ik weet niet wat te doen met die kreet,

ik weet niet hoe hem op te tekenen.

 

Eugenio Montejo

 

EEN BOOM OP DE HEUVEL

laat ik nooit vergeten, dat er

een boom op de heuvel staat-

ergens, ver weg,

waar dan ook - een boom zonder naam,

bevriend met de komende avonden.

Een boom op de heuvel.

Die zal me eraan herinneren

hoe wakkere ogen zwerven in het gras,

hoe in de diepten van de dakloze nacht

de stemmen van de krekels aanzwellen.

Een boom op de heuvel.

Dat hij van me zal houden

en me nooit zal vergeten.

Hij is naamloos, ik zal hem

geduld en groene stilte noemen.

Een boom-zulk een ranke

belichaming van mijn gedachte! -

staat op de heuvel, verenigd met de wol ken,

luisterend naar de duistere sprookjes,

die de wind hem toefluistert.

 

Ivon Tzanev

7beukenxv.jpg (39 Kb)

OUDE BEGRAAFPLAATS IN HET BOS

wij speelden vaak op de overgroeide begraafplaats

waar we met rust werden gelaten; tweehonderd jaar

geleden dat dode mensen er kwamen liggen

heide en wilgen verspreid over muurtjes en graven

neergelaten lichamen in hulsels van dennenhout en handgesmede spijkers

omgevormd tot minder dan lucht: kleine verzakkingen in openlucht

af en toe voetbalden wij er, stelden doelpalen op

het was er oneffen, het ging niet zomaar-

maar op een of andere manier lukte het steeds

 

we waren niet talrijk, we hadden geen regels

dat was ook het beste, allen tegen allen

ik zie de bal nog naar het doel rollen: bump bump bump

wij liepen erachter, over de kuilen

een sprongetje maar, en we waren er

 

Paal Helge Haugen

 

DENNENBOSSEN

Ik verloste hem van de grote plant

die in zijn kamer niet meer paste.

De wereld om de kleine man

werd almaar kleiner.

Zijn vrouw kon hier niet aarden,

ze droomde van verre dennenbossen

en veranderde in een vogel

die door het raam wegvloog.

Haar lichaam brachten ze terug,

met de schrik van geknakte knieën

en zweetdruppels als ongepaste

tranen op hun voorhoofd.

Achter de glazen ruit het bed

en op het kussen een gezicht

dat het leven opheft.

In zijn handpalmen schepte hij het.

Hij hief het gezicht naar zijn lippen

zoals je water uit de bron schept.

 

Jana Beranová

ardennen002.jpg (25 Kb)

DENNENBOS

Het uithangbord van ons gilde

is de onbeschilderde denappel, ei

 

van de dennen. Ongeverfde negorijen

doemen op waar de denappel uithangt.

 

't Plaveisel zand, de rede sagen.

Het zand knerst waar de dennen waaien.

 

H.H. ter Balkt

 

GROTE BEUK

Hij is het zwijgen rechtop de hemel in;

de wind, de hitte en regen hieuwen zijn stam

en takken, zijn wortels als houten fonteinen

wellend uit de bronnen. Alle seizoenen

 

krijgen kwartier, hij is het opgetaste

korte en lange jaar, in de zomer fluistert

nog de witte sneeuwjacht in zijn blad en bronzen

herfst omarmt stormend zijn schors in dé meimaand.

 

Toen de bleke, felle bliksems kwamen die hun

harpoenen plantten in jouw hart en vier takken

woedend versplinterden, sapstromen dempten

 

die opstijgen wilden na de winter, wachtte,

grote beuk, achter je de kuil (doodkalm kraken

slaapt in het veld) slechts voor jou daar gegraven.

 

H.H. ter Balkt

malmedy006.jpg (32 Kb)

GEDULDIGE KASTANJE DRAAGT DE OORLOGSHEMEL

Tju..., floot de goudvink bij 't zilverschoon,

ik herinner mij, maan en zon in de lucht, en

de hemel met bruine manen, de kastanje ruiste

als beekgolfjes, en verder zo stil. Of ze al

 

opstegen, de glinsterende vleugels met 't luik,

en of het marcheren al begon, het is onbekend.

Stof wolkte op, naar zijn roeping, en schrik

viel neer, op de ogen, de gezichten, de zuilen.

 

Ommuurd met herfst, de ruimte onder het paard

goedig stilstaand boven het kind dat rondkroop

bij zijn hoeven, in dat huis met Bles als dak.

 

je verroerde je niet maar kon niet beschermen

tegen hoefslagen van paarden die later kwamen,

en hemel en aarde braken met zware hoefslagen.

 

H.H. ter Balkt

 

HET NEGENDE EN VEERTIENDE VISIOEN VAN HADEWIJCH

Uit een boom met zijn wortels naar boven

gekeerd, zijn onderste takken betekenden

hoop en geloof, vloog zij naar het kruis

van bergkristal, een immense vlakte daar-

 

achter, en de schijf vóor de vlakte. Toen

- dagen of jaren later -zag ze de draagster

van de lantaarn gevuld met dagen. En zag

zij, Hadewijch, de draagster van de dagen:

 

hoog boven de borden 'Overstekend wild'

kermde piepend de Spoetnik I, rondtollend

kunstmaantje om de schijf. Nacht in 't zwart

 

onder en boven de stevige bossen,

wortels kronkelend onder onze stappen, blad

stoof rond de rode, lantaarndragende herfst.

 

H.H. ter Balkt

 

ODE AAN DE LEILINDEN EN DE LINDEBOOM

Toen de mars van de aarde nog reusachtig was

en graan uitdeelde bij de vleet, haver en rogge,

hazelaar, haagbeuk en eik, aan de hoge hemel,