|
|
De zon vlucht
voor de zon, en leven doet niet anders dan
het leven zelf ontbinden; vanuit de tijd,
die eeuwig zijn gebroed geslachten na
geslachten blijft verslinden, ontstaat het
leven, en gelijk begint de ontluistering
die ons karkas doorwroet. Wat vreest de
mens nog dat hij sterven moet, als hij slechts
bij wat heen is steun kan vinden? Wat is geweest,
is weg; de toekomst is nog niet in
leven, en wat nu bestaat, bestaat niet
echt, omdat er niets beklijft. Alleen wat wij
niet weten is gewis; de
wereld, een
op wind gestoelde staat waarin
toevalligheid de wet voorschrijft. Gabriel Bocangel (I603-I658) Waar al wat ik
gedacht heb in mijn leven Waar
al wat ik gedacht heb in mijn leven, al wat ik heb
gewild en nagestreefd, slechts
luchtkastelen opgeleverd heeft, door ijdele
verwachting ingegeven, en waar van
alles wat ik heb beleefd alleen de tijd
die weg is is gebleven, blijkt iedere
gedachte om het even, en waan wat mij
voor ogen heeft gezweefd. De dwaze ziel
die zich door aardse pracht en sterfelijke
schoonheid liet verblinden en daar
voldoening in te vinden dacht, versmacht naar
God, en wat zij verder in de ontreddering
ook naar een rustpunt tracht, zij zal haar
rust tot zij Hem heeft niet vinden. Lope de Vega
(1562-1635) Duikend breekt
de duif de lucht, Duikend breekt
de duif de lucht, Een vlam van
gloeiend terreur. Haar tongen
brengen vrijspraak mee Van dwaling en
van zonde, De enige hoop
en zoniet van wanhoop Ligt in de
keuze van welk vuur Door vuur
verlost van vuur. Wie toch
beraamde dit torment? Liefde. Liefde is de
ongewone Naam Achter de
handen die weefden Het
ondragelijke kleed van vuur Dat door geen
mens kan worden uitgedaan. We leven maar,
we zuchten maar Verteerd door
vuur of vuur. T.S. Eliot
vertaling: Herman Servotte In de bijbel
staan wij geschreven bontomstrengeld. Maar onze
jongensspelen leven voort in
de ster. Ik ben David, jij mijn
speelkameraad. O, wij verfden onze witte
ramsharten rood! Zoals de
knoppen aan de liefdespalmen onder een
vakantiehemel. Maar jouw
afscheidsogen - nog steeds neem
jij stil afscheid met een kus. En wat moet
jouw hart nog zonder het
mijne - jouw zoete
nacht zonder mijn
liederen. Else
Lasker-Schüler O, mijn hart, je was een
onschuldig kind, je hield van
het leven en de mensen, je genoot van
dromen en verlangen, en je werd
dronken door nachten van volle maan. Je dronk de
nectar van schoonheid en wensen, je hield van
jouw minnares zoals een monnik die in het
bidden versmolten was. Ondanks dat,
was jouw geliefde hard. Daarom verving
de troebelheid de helderheid; de takken
vonden de vruchten lastig. De herfst
vermoordde de bladeren, de ogen
beklaagden zich en de viool
haatte de snaren. Ik zei: Wij
moeten nu vertrekken waarom blijven
we hier? Wat hebben we
hier meer? De tederheid is
gestorven. Het vertrek
bevat wensen, maar eveneens
pijnen hoe word je
losgescheurd door het land
van sneeuwen! Hoe je drinkt
het sap van ellende waarin het
gekreun is opgelost. Vertel mij
eens, hoe kunnen de
mooie vogels zingen terwijl ze
gekortwiekt worden? Hoe geuren de
prachtige bloemen in afwezigheid
van licht en water? En wat kan de
zuigeling doen als hij aan de
boezem van zijn moeder zich onveilig
voelt? Jij bent
martelaar in een slagveld hoewel je veel
gevochten hebt, ben je
verslagen. Weet je wat we
zijn? We zijn
vlinders die van licht houden, we vliegen rond
het vuur en plegen
zelfmoord; Wij zijn
mysterieuze marionetten in de handen
van het noodlot. Anton S.. Mosad Op jouw lippen ontspruiten
druiven Kussen
oplossend in wijn Jouw
fluistering sla ik op warmte tegen
een ijzige tijd. Van jouw
ademhaling maak ik een scherm om daar te
verdwalen of te
vinden. Op jouw wangen groeien wilde
bloemen van sommige bak
ik brood om er het
hongerig verlangen mee te voeren. Van andere maak
ik een beek; water in wreed
dorre tijden. Op jouw handen
vind ik een rivier,
oever, plaats om te schuilen zwaluwen
zwermen hierheen. Herfst joeg ze
op voor hen was
geen plaats meer. In jouw ogen is gebed, psalm en
suizende stilte: Medicijn doodt wanhoop in
mij. Op de wereldbol
van jouw ogen wil ik reizen op zoek naar
een haven het veilig
vergeten van wat gisteren pijn deed. Van jouw
vlechten weef ik een
grot waarin ik
ontsnap aan droefheid
die in mij asiel zoekt. Leeftocht voor
jaren van reizen Geur van
jasmijn in de lente Bron voor
gedichten! Kom, leg je
hand in de mijne Kom, zink met
mij mee in zonsondergang om samen over
de muur te klimmen. O jij engel Al wat ik
heb! Op de verre
reis en tijdens het
eenzame lopen, denk ik aan jou
niet opnieuw want je was om
nooit te vergeten. Anton S. Mosad In mijn
vaderland, in welk ik niet terugkeer, ligt een
reusachtig meer in het woud, daarboven
wolken, verscheurde, zware; kijk ik om mij
heen, schieten ze me te binnen. En het
fluisteren van het ondiepe water in de late schemering, en
het waterkreupelhout op de bodem, geschreeuw van
zwarte meeuwen, koud avondrood, het haastige
grienen van de kruipende boven. Deze doornenzee
slaapt in mijn hemel. Ik buk mij en
zie op deze plaats de glans van
mijn leven. Ook mijn angst is daar, tot de dood
mijn omtrek vervult voor altijd. C. Milosz 1937 Onder het
zichtbare schrift van zijwegen grindwegen,
borenwegen, vaak in het midden met een kam van gras
tussen de diepe wielesporen verborgen onder
stapels gekapt rijsthout, nog duidelijk
in het kapotgedroogde mos, loopt een ander
schrift: de oude voetpaden. soms raak je ze
gemakkelijk kwijt, zo ongemerkt, dat ze er het
ene ogenblik zijn, het andere niet. Er is een
vervolg, er is altijd
een vervolg, als je maar zoekt... L. Gustafson Vandaag noem ik
Jou sneeuw, Jij
onuitputtelijke Schepper, vergankelijk
sterrekristal, dat de naakte
akkers bekleedt, voor de
zwervers de weg verstopt en de
armoedigste hutjes vult met
geborgenheid en inkeer. Zwervende Jij,
die voor de bomen ballast wordt, die de dappere
kraaien naar buiten gooit de stilte in,
en de dieren uit de bossen
naar de mensen toedrijft, die de
hulpeloze hulpelozer maakt en de
hulpvaardigen vaardiger. Geluidloze, die
het vertrouwde ontvreemdt, zal Jouw
volheid ons begraven, zullen vloeken
de lofprijzing verstikken? Morgen
misschien al zal Jouw wit ons verblinden en
begin Je te ontdooien. Heerlijke! Dan
noem ik Jou zon. Christine
Busta Gij zegent mij
met leed en vult mijn zakken met
loze vruchten, toch hoop ik op
u. Waar Gij de
aarde groen laat worden tussen de
brandmuren van de ellende en op de
steenblokken van opgeblazen bruggen, valt mij eeuwig
uw barmhartigheid te beurt. Gij bevestigt
de medaille van de zon op gebarsten
vensters, Gij zit tussen
de bedelaars, als zij 's nachts op de
wandelwegen roken en kleumen, in de
gekkenhuizen dooft Gij het licht en ontsteekt
Gij de zwarte fakkel van de slaap. Wat Gij mij
toemeet, is het draaglijke. Ik ben bang
voor een last, die ik niet zal afschudden. Ik ga het
duister tegemoet, met kleine stappen. Heinz
Piontek Slaapliedje
voor het kind zonder thuis De maan vloeit
in de rivier de stad
door. Onder de brug droomt een kind
van vliegen. De stad sluit
hem in, een ijzeren
kooi. Het kind wordt
oud zonder van
spelen te weten. Hoevelen lopen
er van huis weg zoals jij? Als er geld is
kan liefde gemakkelijk
gedijen. Maar bitter
zijn de dagen als er geen geld is. Niemand zal
schreeuwen ga slapen, m'n
kind. Het leven is
hard, je hebt je rust
hard nodig. Vier andere
kinderen zullen je warm
houden. De maan vloeit
in de rivier de stad door. Victor
Jara. De oorlog wordt
niet meer verklaard, maar voortgezet.
Het ongehoorde is alledaags
geworden. De held houdt zich ver
van oorlogen. De zwakke wordt naar de
frontlinies geschoven, Het uniform van
de dag is het geduld, de
onderscheiding de armzalige ster van de hoop
boven het hart. Zij wordt
verleend, wanneer er
niets meer gebeurt, wanneer het
trommelvuur verstomt, wanneer de
vijand onzichtbaar is geworden en de schaduw
van eeuwige bewapening de hemel
bedekt, Zij wordt
verleend voor
vaandelvlucht, voor dapperheid
ten overstaan van vrienden, voor verraad
van onwaardige geheimen en minachting van ieder
bevel. Ingeborg
Bachmann 'Boom - daad van warme gronden, jouw stam verheft zich stijl, lucht-splijtend, en is toch rond, een teken Gods. en boven jou de heilige bladerkroon, uit de diepte opgehoopt. Hij wiegt zachtjes als Gods droom, ik sta voor je en peins, boom, boom, boom! En ben in louter benauwenis, brand en snikken'. Arno Nadel - vermoord in Auschwitz Uit alle wouden dezer wereld een boom Draagt hij zijn kroon aardwaarts, als in een
droom. Het blad, de bloesem met het groen, de
geurige wasem In de aarde diep, weren zij licht en asem. De wortel, machtig reikt tot in 's hemels
baldakijn Gevoed in 't paradfijs met Godes wijn. Diep in de stam sijpelt hij tot de verstikten. In 't graf, groen, bloeien de verkwikten. Simon Kronberg 1891-1947 en dan komt de
dag dat wij lucht
en water aarde en mens bevrijden, dan zal het
zijn: alles voor
allen zoals jij bent. Daarom:
voorzichtig nu, kom
mee, we moeten nog
zoveel dansen en
zingen, kom mee naar de bergen
hoog naar de volle
zee, kom mee naar waar de
nieuwe lente te bloeien
staat en in een vlaag van wind en
lied delen we de
bloemen uit, de geur en de
vruchten, de lucht van morgen. P. Neruda Mijn lied zocht
verbeten naar draden in het woud, verborgen
vezels, kostbare was, snoeide takken
en liet de eenzaamheid geuren met
lippen van hout. Elk wezen had
ik lief, elke druppel purper of
metaal, water en aren, de dikke lagen,
door ruimte en drijfzand bewaakt, drong ik binnen en als een dode
zong ik met gebroken mond in de druiven
van de aarde. Klei, slijk,
wijn, alles overdekte me, ik werd gek
toen ik de heupen aanraakte van de huid,
haar bloem brandde als vuur in
mijn keel, mijn zinnen
dwaalden in de steen en haalden
gesloten littekens weer open. Alles werd
tederheid en bronnen. er restte enkel
nog nachtmuziek. Ik hield niet
van de dode goedheid in de straten. Ik moest niets
weten van haar stinkende water, ik raakte haar
besmette zee niet aan. Ik groef het
goede uit als een metaal, ik wroette dieper dan de
bijtende ogen en tussen de
littekens groeide mijn hart dat
op zwaarden geboren werd. Ik ging mijn
vijanden niet zoeken op het plein, ik lag niet op
de loer met gemaskerde hand, ik groeide
enkel mee met mijn wortels en de bodem
uitgestrekt onder mijn masten ontcijferde de
slapende aardwormen. Ik schrijf voor
het volk, ook al kan het mijn poëzie
niet lezen met zijn boerenogen. Eens komt de
dag dat een regel, de melodie die mijn leven
veranderde, ook hun oor bereikt, dan zal de boer
de ogen opslaan, de mijnwerker
zal glimlachend stenen houwen, de arbeider
veegt zijn voorhoofd af, de visser zal
beter zien hoe de vis schittert die trillend in
zijn handen brandt, de
schone, pas
gewassen monteur die nog geurt naar zeep
zal mijn gedichten bekijken en misschien
zeggen ze dan: 'Hij was een kameraad'. Dat volstaat,
ik wens geen andere kroon. Ik wil dat bij
de uitgang van mijnen en fabrieken mijn poëzie
aan de aarde kleeft, aan de lucht,
aan de overwinning van de
mishandelde mens. Steeds weer ben
ik herboren uit de diepten van verwoeste
sterren, ik nam de draad weer op van de
eeuwigheid die ik met eigen handen bevolkte, en nu ga ik
sterven, zonder meer, met aarde op mijn lichaam,
voorbestemd aarde te zijn. Ik heb geen
stukje hemel gekocht van de
priesters. Ik heb ook de duisternis niet aanvaard die de
metafysicus uitvond voor de
zorgeloze rijken. In de dood wil
ik bij de armen zijn die geen tijd
hadden erover na te denken, terwijl ze
geslagen werden door hen die de hemel
bezitten. netjes verdeeld en geordend. Ik laat de
arbeiders uit de kopermijnen, de delvers naar
steenkool en salpeter, mijn huis bij
de zee is van Isla Negra. Ik wil dat het
een rustplaats wordt voor de
mishandelde zonen van mijn
vaderland, geveld door bijlen en verraders. in hun heilig
bloed gesmoord, verteerd in
vulkanische lompen. Bij de zuivere
liefde die heerste in mijn gebied wil ik dat de
vermoeiden rusten, de donkeren
mogen zich om mijn tafel scharen, de gewonden
mogen slapen in mijn bed. Broeder, dit is
mijn huis, betreed de wereld van zeebloemen
en besterde steen die ik schiep,
vechtend in mijn armoede. Hier in mijn
raam ontstond de klank als in een
groeiende kinkhoren, later kreeg die
klank vastere vorm in mijn
verwarde aardrijkskunde. Jij komt uit
gloeiende gangen. uit tunnels
gebeten door de haat, doorheen de
zwavelsprong van de wind: hier
vind je de vrede die ik voor jou bewaarde. P. Neruda Ik heb de
ergste zonde begaan Die een mens
begaan kan. Ik ben niet Gelukkig
geweest. Laat de meedogenloze gletsjers Der
vergetelheid me meesleuren en verzwelgen. Mijn ouders
hebben me verwekt voor het Hachelijke,
prachtige spel van het leven, Voor de aarde,
het water, de lucht, het vuur. Ik heb ze
bedrogen. Ik ben niet gelukkig geweest. Hun prille wens
is onvervuld gebleven. Mijn geest
heeft zich toegelegd Op de
symmetrische disputen van de kunst, Die
futiliteiten vlecht. Ze hebben me moed vermaakt. Ik ben niet
moedig geweest. Nooit wijkt van mijn zijde De schaduw van
de ongelukkige ik die ik ben geweest. Jorge Luis
Borges vertaling: Robert Lemm De
tafel, mijn kind, is bereid in
romig, rustig wit, en aan de vier wanden, blauw, glanzend zwak, de potten van aardewerk. Dit is het zout, en dit de olie en in het midden het brood, dat bijna tot ons spreekt. Mooier goud dan het goud van brood heeft de vrucht en de brem niet. Er is een geur van aren en haard, het verzadigt ons nooit dit
geluk. Met harde vingers en zachte hand snijden wij het samen, kind, en je bekijkt het, vol
verwondering, hoe witte bloesem uit zwarte aarde
breekt. Doch strek de hand niet uit om te eten, mijn kind, je moeder houdt ook de hare
omlaag. De
tarwekorrel, kind, behoort aan de lucht, aan de zon en de mussen, alleen dit brood 'Gods Aangezicht' bereikt in veel huizen de tafel
niet. En als het andere kinderen ontbreekt, laat jij het beter ook onaangeraakt en houd je handen stil in dit niet-nemen ineen gestrengeld in
schaamte. De
honger, mijn kind, dat grimassengezicht, draait als een wervelwind om de dorsvloer, ze zoeken elkaar en ontmoeten elkaar niet, het brood en de honger, de gebochelde gekromde. Opdat hij het zal vinden, als hij nu zou binnenkomen, laat ons het brood tot morgen bewaren. Het brandende vuur wijst de
deur, die de Quechua-indiaan nooit op slot
doet, en laat ons de honger eten zien, om slaap te hebben aan lichaam en ziel. Gabriela Mistral Opgedragen aan
Karl Kraus Er is een licht
dat de wind uitgedoofd geeft. Er is een kroeg
op de hei die een dronkaard 's middags verlaat. Er is een
wijnberg, verbrand en zwart met gaten vol spinnen. Er is een
ruimte die ze met melk hebben gewit. De waanzinnige
is gestorven. Er is een eiland in de Zuidzee, Om de zonnegod
te ontvangen. Men roert de trommels. De mannen
voeren oorlogsdansen uit. De vrouwen
wiegen de heupen in slingerplanten en vuurbloemen, Als de zee
zingt. O ons verloren paradijs. De nimfen
hebben de gouden bossen verlaten. Men begraaft de
vreemde. Dan begint een glinsterregen. De zoon van Pan
verschijnt in de gestalte van een grondwerker, Die de middag
op het gloeiende asfalt verslaapt. Er zijn kleine
meisjes op een erf in jurkjes vol hartverscheurende armoede! Er zijn kamers,
vol met akkoorden en sonates. Er zijn
schimmen die elkaar voor een geblindeerde spiegel omarmen. Achter de ramen
van het hospitaal verwarmen zich genezenden. Een witte
stoomboot op het kanaal voert bloedige plagen aan. De vreemde
zuster verschijnt weer in iemands kwade dromen. Rustend in het
hazelaarsbosje speelt zij met zijn sterren. De student,
misschien een dubbelganger, kijkt haar door het raam lang na. Achter hem
staat zijn dode broer, of hij loopt de oude wenteltrap af. In het donker
van bruine kastanjes verbleekt de gestalte van de jonge novice. De tuin ligt in
de avond. In de kruisgang fladderen de vleermuizen rond. De kinderen van
de huismeester staken hun spel en zoeken het goud van de hemel. Slotakkoorden
van een kwartet. De kleine blinde loopt bevend door de laan, En later gaat
haar schim op de tast langs koude muren, omgeven door sprookjes en heilige
legenden. Er is een lege
boot die 's avonds het zwarte kanaal afdrijft. In het duister
van het oude asiel vervallen menselijke ruïnes. De dode wezen
liggen bij de tuinmuur. Wormen druppen
van hun vergeelde oogleden. Het plein voor
de kerk is somber en zwijgzaam, als in de kinderdagen. Op zilveren
zolen glijden vroegere levens voorbij En de schimmen
der verdoemden dalen naar de zuchtende wateren af. In zijn graf
speelt de witte magiër met zijn slangen. Zwijgzaam boven
de schedelplaats openen zich Gods gouden ogen. G. Trakl De herfst komt
donker en vervuld van vruchten, Vergeelde glans
van mooie zomerdagen. Uit dood
omhulsel treden blauwe luchten; De vlucht der
vogels gonst van oude sagen. Geperst is nu
de wijn, de milde zuchten Vol zachte
antwoorden op donkere vragen. En hier en daar
een kruis op kale heuvel; In 't rode bis
een kudde die verdwaalde. de wolk trekt
heen over de vijverspiegel; Nu rust de
landman die hier kalm gebaarde. Heel zachtjes
raakt de blauwe avondvleugel |