|
|
My aspens dear, whose airy cages quelled, Quelled or quenced in leaves the leaping sun, All felled, felled, are all felled; Of a fresh and following folded rank Not spared, not one That dandled a sandalled Shadow that swam or sank On meadow and river and wind-wandering weed-winding bank. O if we but knew what we do When we delve or hew Hack and rack the growing green! Since country is so tender To touch, her being so slender, That, like this sleek and seeing ball But a prick will make no eye at all, Where we, even where we mean To mend her we end her, When we hew or delve: After-comers cannot
guess the beauty been, Ten or twelve, only ten or twelve Strokes of havoc unselve The sweet especial scene, Rural scene, a rural scene, Sweet especial rural scene. Bingsey
populieren geveld 1879 Mijn espen lief,
jullie luchtige kooien, doofden Doofden of
blusten in blaren de springende zon. Nu ben je
geveld, geveld, alle geveld; Van een
ongeschonden ononderbroken zich slingerende rij. Niet
één
gespaard, niet één Die deed dansen
een sandaalachtige Schaduw die
dreef of dook Op
wie, rivier
en wind-bewandelende, vol onkruid zich windende waterkant. O als wij
wisten wat wij deden Wanneer wij
delven of houwen- Hakken en
kwellen het groeiend groen! Want het land
is zo teer Om aan te raken,
het wezen ervan zo fragiel, Dat - zoals
deze glanzende kijkende bal Door een enkele
prik in het geheel geen oog meer is Zelfs waar wij
bedoelen Het te
verbeteren, wij het vernietigen. Wanneer wij
delven of houwen: Later komenden
kunnen niet gissen de schoonheid die was. Tien of twaalf,
enkel tien of twaalf Genadeslagen
ontzelven De
plek,
lieflijk en uniek, Plek van het
land, plek van het land, Plek, lieflijk
en uniek van het land. LIEDJES TER
BEMOEDIGING 1 onze kussens
zijn nat van de tranen van verstoorde
dromen. Maar weer
stijgt uit onze lege hulpeloze
handen de duif omhoog. 2 Lang werd je
opgejaagd rond de poortloze muren
van de stad. Je vlucht en
strooit de verwarde
namen der dingen achter
ie. vertrouwen, dat
moeilijkste ABC. Ik maak een
klein teken in de lucht, onzichtbaar, waar de nieuwe
stad begint, Jeruzalem, de
gouden, uit niets. Hij die mensen
regeert leeft in
verwarring; hij die door
anderen geregeerd wordt leeft in smart. Daarom wenste
Tau noch de anderen
te beïnvloeden noch door hen
beïnvloed te worden. De manier om
uit de verwarring te komen en je
te bevrijden van smart is te
leven met Tau in het land van
de Grote Leegte. Als een mens
zijn eigen skiff roeit en zijn boot
bij het oversteken van de rivier
omslaat, dan wordt hij
niet kwaad, al is hij een
driftig man. Maar als hij
nog een ander in de boot ziet dan zal hij hem
toeschreeuwen dat hij beter
moet sturen. Als deze
schreeuw niet gehoord wordt, schreeuwt hij
nog eens en dan begint
hij zelfs te vloeken. En alleen maar
omdat er nog iemand in de boot zit. Als de boot
leeg was geweest was hij niet
uitgevallen of gaan
schreeuwen. Als je eigen
boot leeg is bij het
oversteken van de rivier
van de wereld, dan zal niemand
tegen je ingaan; niemand zal je
willen kwetsen. Een rechte boom wordt het
eerste omgehakt. Een bron van
helder water staat het eerst
van alle droog. Wanneer je
wijsheid wilt vergaren en je schaamt
over je domheid, als je je
karakter wilt verbeteren en anderen
verlichten, dan zal een
licht je gaan omstralen, alsof je zon en
maan had ingeslikt - voor rampen zul
je niet uit de weg gaan. Een wijs man
heeft eens gezegd: 'Hij die
tevreden is over zichzelf heeft een
waardeloos werk verricht. Succes is het
begin van mislukking. Roem is het
begin van schande.' Wie kan
zichzelf zonder succes
denken, zonder roem, en de laagste
plaats innemen tussen de
mensen? Hij zal zijn
als Tau, onzichtbaar. Hij zal als het
Leven zelf zijn en geen naam
hebben en geen thuis. Simpel zal hij
zijn, zonder enige
onderscheiding en voor velen zal hij zijn
als een dwaas. Zijn
voetstappen laten geen sporen na. Macht heeft hij
niet. Hij bereikt
niets; hij heeft geen enkele
reputatie. Aangezien hij
niemand oordeelt, wordt hij door
niemand geoordeeld. Zo vaart de
volmaakte mens: zijn boot is
leeg.
Tswang Tse TOEN WEETGRAAG
NAAR HET NOORDEN REISDE Weetgraag
zwierf naar het noorden op zoek naar
Tau. Hij doorkruiste de Donkere Zee
en beklom de Onzichtbare
Berg. Op deze berg
ontmoette hij Niet-Doen, de
Sprakeloze. Hij
vroeg: 'Alstublieft,
kunt u mij misschien ook zeggen door
middel van welk systeem of welke
meditatiemethode ik mij het Tau
kan eigen maken? Door welke vorm
van ontzegging of wat voor
eenzame terugtrekking zal ik in Tau
tot rust komen? Waar moet ik
beginnen, welke weg moet
ik volgen om Tau te
bereiken?' Dit waren de
vragen die hij stelde. Niet-Doen, de
Sprakeloze, gaf geen
antwoord. En niet alleen
dat, hij wist niet
eens wat hij zeggen
moest. Weetgraag
zwierf nu zuidwaarts, richting de
Heldere Zee en hij beklom
de Stralende Berg, ook wel 'Einde
van Twijfel' genoemd. Hier ontmoette
hij 'Handel-op-Impuls',
de grote profeet en hem deed hij
dezelfde vragen. 'Ach,' riep de
geïnspireerde, 'ik weet alle
antwoorden en ik zal ze u
ontvouwen!' Maar net toen
hij alles wilde vertellen, vergat hij wat
hij had willen zeggen. Weer kreeg
Weetgraag het antwoord niet. Tenslotte ging
Weetgraag naar het paleis
van Keizer Ti en vroeg hem
hetzelfde. Ti
antwoordde: 'Zich oefenen
in niet-denken en de niet-weg
volgen van meditatie zijn de eerste
stappen naar het begrip
van Tau. Nergens wonen en zich nergens
op houden zijn de eerste
stappen naar de rust
van Tau. Nergens
beginnen en geen methode
volgen zijn de eerste
stappen om Tau te
bereiken.' Weetgraag
antwoordde: 'U weet dit en ik weet het
nu ook, maar de andere
twee wisten het niet. Hoe zit dat? Wie heeft
gelijk?' Ti sprak: Alleen
Niet-Doen, de Sprakeloze, had volmaakt
gelijk. Hij wist niet. Handel-op-Impuls,
de grote profeet, scheen ook
gelijk te hebben, maar hij vergat
alles meteen weer. Wat ons betreft,
wij staan veraf van alle
gelijk, omdat wij de
antwoorden weten. 'Want hij die
weet, zegt het niet en hij die het
uitspreekt, weet niet'. En: 'De Wijze
geeft instructies zonder een
woord te hoeven zeggen'.' Dit verhaal
ging terug naar Handel-op-Impuls
en hij ging volkomen
akkoord met de manier waarop Ti het
gesteld had. Het is niet
bekend of Niet-Doen dit ooit heeft
vernomen, dan wel of hij enig
commentaar had.
Tswang Tse Le plat pays -
Het vlakke land Avec la mer du Nord pour dernier terrain vague Et avec des vagues de dunes pour arrêter les vagues Et de vagues rochers que les mares dépassent Et qui ont … jamais le cœur … mare basse Avec infiniment de brumes … venir Avec le vent de l'est écoutez-le tenir Le plat pays qui est le mien Avec des cathédrales pour uniques montagnes Et de noirs clochers comme mots de cocagne O - des diables de pierre d‚crochent les nuages Avec le fil des jours pour unique voyage Et des chemins de pluie pour unique bonsoir Avec le vent d'ouest écoutez-le vouloir Le plat pays qui est le mien Wanneer de
Noordzee koppig breekt aan de hoge duinen En witte
vlokken schuim uiteenslaan op de kruinen Wanneer de
norse vloed beukt aan het zwart basalt En over dijk en
duin de grijze nevel valt Wanneer bij eb
het strand woest is als een woestijn En natte
westenwinden gieren van venijn Dan vecht mijn
land, mijn vlakke land Wanneer de
regen daalt op straten, pleinen, perken Op dak en
torenspits van hemelhoge kerken Die in dit
vlakke land de enige bergen zijn Wanneer onder
de wolken mensen dwergen zijn Wanneer de
dagen gaan in domme regelmaat En barre
oostenwind het land nog vlakker slaat Dan wacht mijn
land, mijn vlakke land Jacques Brel Ik sluit mijn
ogen en de zwarte nacht is opgehouden
nacht te zijn, een teken hoezeer de
lichtjes die zij kwam ontsteken de grond zijn
van 't geluk dat juicht en lacht; nachtelijk
raadsel dat met zulke kracht zijn zegels
voor mijn ogen weet te breken nu uit het
diepst ravijn zijn wonderbleke getintel
opflitst dat de dood minacht. Ik sluit mijn
ogen. En steeds blijft gegeven: een wereld,
oogverblindend in haar luister, waaruit een zee
van ruis is weggevloeid. Het donker
staaft de waarheid van mijn leven, de bliksem is
te meer van mij in 't duister: zie hoe bij
nacht zowaar een roos opbloeit. Jorge Guillën
1893-1984 De zee: hoe is
de zee zo geworden? De zee: hoe is
de zee zo geworden? Jaren heb ik
verdaan in de bergen: de glimwormen
verblindden me. Nu wacht ik op
dit strand op de aankomst
van een mens, een
overblijfsel, een vlot. Kan de zee dan
gewond raken? Ooit
doorkliefde haar een dolfijn en een andere
keer de punt van de
vleugel van een meeuw. toch waren de
golven zacht waarin ik
sprong en zwom als kind en ook nog toen
ik een jonge man was terwijl ik
figuren zocht in de kiezelstenen, speurend naar
patronen, sprak de Oude
Man van de Zee tot me: Ik ben je land: misschien ben
ik niemand maar ik kan
worden wat je wilt. Giorgos Seferis
1900-1971 Van ver toch zo
nabij en blank en bovenal zo allerliefst
jezelf, Mary, 'k moet denken aan een zoete
balsem die, vanuit het niets ontstaan, vervluchtigt op
een vaas van tijdgerookt kristal. Weet je, sinds
jaar en dag, ach! zoveel langer al, houdt je
stralende lach een zelfde zomer aan voor de
zeldzame roos die steeds in bloei blijft staan en wortelt in
wat was en in wat komen zal. Soms leg ik in
de nacht mijn zoekend hart te luister naar
d'allerzoetste naam, tot het in zacht gefluister in opperste
ontroering tenslotte 'zuster' hoort. Maar,
dierbaarste kleinood, mijn lieve kindje teer, hoe anders is
de tederheid die ik van jou leer, zo stilletjes
door één kus in je haar verwoord. Stéphanie
Mallarmé 1842-1898 Sinds ik de
schoonheid ken die niet kan sterven ben ik bedroefd.
Zoals men, van de hoogste berg uitziend
over land en zee beneden, alles, hoe
groot ook, zij het schip of toren slinken,
wegzinken ziet in 't zind'rend licht, zag ik de
wereld en wat in haar is ineens
ontkleurd, net als de wolk die, falend, over zee
wegijlt bij zonsondergang. De zuiv're idee
vergeefs in vormen zoekend stoot ik in
schemerlicht op harde stof en tref
gebrekkigheid in al wat is. Tot dichter
werd ik zo gedoopt en, tussen onvolledige
vormen neergezet, werd ik met
bleek gelaat voor altijd droef. Antero de Quental 1842-1891 Steeds dierbaar
was mij deze stille heuvel en deze haag
die voor een groot gedeelte het uitzicht op
het weids verschiet belet. Ik zit te
kijken en schep eindeloze verten
daarachter en voor mensen niet te vatten stiltes
en peilloos diepe rust in mijn
verbeelding; bijna slaat de schrik me om het hart. En
begint de wind te ruisen door deze
takken, weeg ik het contrast tussen zijn
stem en die immense stilte. Ik voel mij aan
de eeuwigheid herinnerd, de reeks dode
seizoenen, aan wat nu leeft en de
klank daarvan. En zo, in deze onmetelijkheid,
verdrinken mijn gedachten: en zoet is het
vergaan in deze zee. Giacomo
Leopardi 1798-1837 Mei met zijn
lichte werking Wekt vaten,
voeten, oog; Wie eenzaam is
of droef Begint weer op
te leven, De
zwaan-verrukkende rivier Lokt zorgeloze
picknicks, Het levend wit
en rood. In hun
beschutting afgedekt De doden liggen
ver; maar wij Zijn
losgebroken uit de vage Wouden waar
kinderen samenkomen En
engel-vampiers fladderen wit; Wij staan met
duistre ogen, De gevaarlijke
appel gepakt. Ons wacht de
echte wereld, Dierlijke
driften van de jeugd, Het alom
heersend doodsverlangen, Bevredigden,
gekwelden; De meester
stervend in de ring Van zijn
bewonderaars; Onrecht regeert
de aarde. En liefde die
beroering brengt Bij schildpad
en bij ree, en blond Tezaam met
donker legt Stuwt sneller
voort ons bloed; in het licht
van kwaad en goed Hoe
ontoereikend is Het lieve woord,
de blik. W.H. Auden
1907-1973 Goud achter
takken, avondstilte, als was ik
alleen met de
merelkreet. Maar alles is
er, de hagedis in
de wal waakzaam
spiedend vanuit zijn
spleet. Uit het water
rijst van de kwal als
een levende bel de beweging en stijgt door
mij heen. Het vosje, dat
rustig wil
overwinteren vouwt op de
balk zwart zich
ineen. Net viel een
appel, hij strijkt
heel even de levenslijn
glad in mijn hand,
blozend rond. O koelzoete
smaak, alles is er en tijdeloos
stroomt het mij door de
mond. Dit zo zeldzame evenwichtsuur in ongezocht het geduld
gegeven. Goud zweeft de
hemel boven de tuin, door de
zonsondergang opgeheven. Zie, de vier
winden - in verre bomen zijn zij
verzameld ten langen
leste, daar waar de
zon daalt rusten zij uit, als grote
vogels in hoge nesten. Thorkild
Brjornvig 1918 Op vlakten
wervelt wind op velden waait stof en as waarom toch
mijn hart ben jij verkozen te zien bomen hangen
leeg tegen hemel leeg tegen aarde mijn gezicht
voelt de aarde en er zijn geen sterren in de duisternis hier in de
toestand van haar lichaam bomen hangen
leeg tegen hemel leeg tegen aarde meedogenloze
tijd Gods schrikbarend in haar lichaam de wolken de
regen de duisternis gaan door de dag naar de nacht
en de dageraad is voorbij Paavo Haavikko
1931 Ieder kent de
vraag: is dat het leven? Ieder denkt wel
eens: is dit het wezen? Je wordt wakker
en het is voorbij. Niets doorleefd,
van alles doorgelezen, zie je, dat ben
jij. En je denkt
misschien: ik ga ten onder, bodemloos,
verschrikkelijk -: eentje van de
grauwe mierenmassa, door wat
lapwerk nog een beetje bonter, zie je, dat ben
ik. Dat komt zo
ineens, terwijl je wandelt, speling in
verdichting, barst het ei, vonken er van
hoed tot schoen signalen; die bewuste
slinger uit de juiste richting, dat een tikje
abnormale, wat maar
eenmaal is, waaraan je niets verandert zie je, dat ben
jij. Peter Ruhmkorf
1929 Er zijn tafels
waarvan we nooit opbreken waarvan het
leven niet opbreekt zonder een
stukje brood over te laten. Er valt licht,
van gesprekken op een paar
woorden in andere gesprekken, terwijl ik
afruim voor een uitzicht, orde schep
onder de ogenblikken. Zo veel waard
is toch hetwelk ons
insecten onderling geschiedt, wat ingesproken
wordt, wordt uitgesproken, speelt mee in
drinken en handelingen. Een herinnering.
Van jou of mij? Aan gisteren of
vandaag? Een vluchtig
bezoek misschien zoals wanneer
een vogel onze koude vensterruit beroert in de late
nawinter. Een tafel met
eten, drinken en kaarslicht. Daarbuiten die
nacht waarin ook de voetstappen van onze
herinneringen verloren gaan. Een avond onder
licht omringd door
lachen, schaduwen, gesprekken die nooit
opbreken. Zijn ze niet
springlevend, is het brood
dat ze ons aanreiken niet vers? Karl Vennberg
1910 Als een rivier
zal zij zijn - mijn kleine
stem in jou die nu zachtjes
haar weg zoekt als een stroompje
tussen zwerfkeien helder zal het
branden - het licht dat
zo sterk en zo lang gloeit,
vervolgens wild flikkert,
onzeker flakkert. Nu zijn jullie
clowns, maar straks zullen jullie dansers zijn
bij mijn troon. Zie je het niet: als alle
angsten eenmaal voorbij zijn zullen jullie
gehuld gaan in glorie. Zolang het nog
kan: wees dwaas, onhandig, struikel, val. Alles zal wel
zijn, en niet 'heel'
zijn hoort bij het op reis zijn. Laat me je hart
horen zingen wees mijn clown en als een
rivier zal zij zijn - mijn kleine
waarheid in jou. Jill Harris Ich weiß Ich weiß, daß ich bald
sterben muß Es leuchten doch alle Bäume Nach langersehntem Julikuß
- Fahl werden meine Träume - Nie dichtete ich einen trüberen
Schluß In den Büchern meiner
Reime. Eine Blume brichst du mir zum Gruß - Ich
liebte sie schon im Keime. Doch
ich weiß, daß ich bald sterben muß. Mein
Odem schwebt über Gottes Fluß - Ich
setze leise meinen Fuß Auf
den Pfad zum ewigen Heime. Else
Lasker-Schüler Zuflucht
noch hinter der Zuflucht Hier
tritt ungebeten nur der wind durchs tor Hier ruft
nur gott an Unzählige
leitungen läßt er legen vom
himmel zur erde Vom
dach des leeren kuhstalls aufs
dach des leeren schafstalls schrillt
aus hölzerner rinne der
regenstrahl |