|
|
|
|
Zo meen ik dat ook jij
bent zoals de koelte 's nachts langs lelies en langs rozen als wit koraal en parels diep in zee zoals wat schoon is rustig schuilt maar straalt wanneer ik schouwen wil zo meen ik dat ook jij bent als melk als leem en 't bleke rood van vaal gesteente of porselein zoals wat ver is en gering en lang vergeten voor het oud is zoals een waskaars en een koekoek en een oud boek en een glimlach en wat onverwacht en zacht is en het eerste en wat schuchter en verlangend en vrijgevig gaaf maar broos is zo meen ik dat ook jij bent
Jan Hanlo
Ik noem je etc. ik noem je: bloemen ik noem je: merel in de vroegte ik noem je: mooi ik noem je: narcissen in de nacht waaroverheen de wind strijkt naar mij toe ik noem je: bloemen in de nacht
Jan Hanlo
Le miroir d’un moment Il dissipe le jour, Il montre aux hommes les images déliées de l’apparence, Il enlève aux hommes la possibilité de se distraire. Il est dur comme la pierre, La pierre informe, La pierre du mouvement de la vue, Et son éclat est tel que toutes les armures, tous les
masques en sont faussés. Ce que la main a pris dédaigne même de prendre la forme de
la main, Ce qui a été compris n’existe plus, L’oiseau s’est confondu avec le vent, Le ciel avec sa vérité, L’homme avec sa réalité. Paul Eluard
De
spiegel van een ogenblik Hij
verjaagt de dag, Hij
toont de mensen de vlottende beelden van het uiterlijk, Hij
ontneemt de mens de mogelijkheid zich te verstrooien. Hij
is hard als steen, Steen
zonder vorm, Steen
van beweging en van het zicht, En
in zijn zo sterke glans zijn alle pantsers, alle maskers vals. Wat
de hand greep weigert zelfs de vorm van de hand, Wat
begrepen is houdt op te bestaan, De
vogel is opgegaan in de wind, De
hemel in zijn waarheid, De mens in zijn werkelijkheid.
(vert. Th.Festen)
EENS Als
het geluid van de angst is verstorven en
poten langzaam hun harige vertrouwdheid met
de grond hervinden, als
alle gangen die
nu uit de zware aarde omhoog voeren naar
ochtend of avond hun schuilhoeken prijsgeven, als
het bivak een wachter kan ontberen, vreemde
voetstappen niet langer de aandacht trekken en
de waakzaamheid wordt overgelaten aan oude,
doorgroefde, sinds duizenden jaren begraven
stenen. Als
het geluid van de angst is verstorven – Carl-Erik
af Geijerstam
TUSSENRUIMTE Stilte
is niet alleen afwezigheid van iets - van onrustige gedachten, van pratende
stemmen, het rinkelen van een telefoon. Ze is een leegte, een wachtende
tussenruimte. Iets ontwaakt en gaat tastend voorwaarts ongeveer zoals een tor
met zijn voelsprieten. Misschien bestaat er hier vlakbij een wereld met regen,
met stenen en een hek dat op zijn scharnieren opendraait - ja, met de schaduw
die je zelf op de grond werpt. Je ziet sporen en tekens van iets dat je bekend
voorkomt maar sinds lang voorbij is en vergeten. Opnieuw komt het omhoog als het
gras waarop je eens al weglopend trapte. Carl-Erik
af Geijerstam
Nirvana Vou
dormir, dormir, dormir, Vou
dormir sem despertar, Mas
não dormir sem sentir Que
stou dormindo a sonhar. Não
a insciência e só treva Mas
também strelas a abrir Olhos
cujo olhar me eleva, Que
stou sonhando a dormir. Constelada
inexistência Em
que só vive de meu Uma
abstracta insciência Una
coma strelas e céu Ricardo
Reis (Fernando Pessoa)
Nirwana Ik
ga slapen, slapen, slapen, Slapen
zonder te ontwaken, Maar
niet zonder dat ik voel Dat
ik met slaap de droom bedoel. Niet
onwetenheid en duister Maar
ook sterren welker luister Ogen
opent – en ik voel Dat
ik met dromen slaap bedoel. Een
besterde afwezigheid Waarin
ik enkel leef als verre En
abstracte onwetendheid, Eén
met de hemel en de sterren. (vert.
A. Willlemsen)
De
veldtocht Misschien
de steen, De
bodem van de binnenplaats: Het
gebouw, het terrein. Meestal
met de stem bekeken: De
tred van de steen. Lopend De
gedachte betasten. Hoe
ik het weet, hoe ik het nooit Te
weten kom. Het
is grijs, het wordt vierkant: Dit
denkbeeld. Stokstijf
wachten op de storm. De
tong, De
listen van de wang, De
oogholte, De
mond een hok. Nu. Een
beval van enige lengte. Het
teken wil bewegen. De
vuist Sluipt
naar links, De
huid wijkt naar rechts: Ademloos
uit lijfsbehoud. Wapenfeit.
Vluchtpoging. We
gaan het zeggen, Zei
hij. Dezelfde
berg. Als
ik het zeg, zei hij, Gaan
we klimmen, Ik
wil het mijne, ik wil De
treden van de hemel. Een
land, een land, Achttien
dagen onbegaanbaar. De
trilling. Twaalf eeuwen. De
jammerklachten werden weggehoond, Het
handgebaar verboden. Een
voetstuk, Straatgewoel,
het stramme spel. Over
de leeftijdsgrens en de ommekeer, De
geur van het geschut, Over
de buit en Het
gekletter der woorden. De
kokende rug der kudden. Terloops Gesproken
over het schootsveld, Over
mijn aandeel in de vervoering. De
voorhoede, Waaiend
langs de grens. Geen
onbezonnen vraag, geen Samenspraak. Ze
vallen bedachtzaam aan. ’s
Nachts. De bomen. Het
zoeken van de storm. De
plechtige arm op jacht. Het
vaandel woedend opzij. Het
wapen hijgend naar voren. Het
rolde voorbij, Op
hoge wielen rakelings voorbij: Een
giftig harnas. Gepantserd
dansend. Vuur,
riep hij, vuur. Het
rolde voorbij, het verdween. Waar
ze, Naast
de haveloze boom, Met
z’n allen haastig graven, Weerloos
tegen de schedel. Wat
blijft: armen en benen in marmer. Wat
begaanbaar was: de stapels takken. Wat
overzichtelijk was: Het
woeste weefsel van de bossen. Klanken, die
de vader voorzichtig beschreef. Ver
weg, een land op stelten. Hij
vertelde Hoe
de wond de knie genas, hoe Het
hoofd verschoven werd. Elders: De
afdruk van een wespennest. Een
been en meer dan zeven rompen als Bemanning, Ze
vergelen in de sneeuw. Onbesuisde
kledingstukken: Een
voorval. Deze
boom is haast groter dan een wolk, de Wolk
is bleker dan de maan. Hier
wordt overnacht. Morgen,
als het vriest, wordt de groep verwoest: een
tafereel, een tafereel. Nee,
de meeste stenen zijn verdwaald. Ze
zijn opgetild en weggesmeten. Daarom
zijn ze hees en achterdochtig. Ze
hebben geen spijt, ze werden opgeleid. Daarom
kunnen ze spreken en wenen. Struikelend
viel de soldaat in slaap. Bij
bezeerde zich en bevroor. Straks: De
groep die volgens zeggen de hemel bedwelmt, Vanuit
de maanstand de hebzucht bekijkt. Ze
branden, hoe ze bijgelovig branden, Opgestapeld
overeind. De
tempel zwaait. Hoe
ze bewogen, hoe ze Hopelijk
omhoog bewegen. Ja,
de groep rekt zich uit, Een
tongval op de landweg wordt Plotseling
groen. Het
begon, Daar
denk ik aan. Het
eindigt. Vaarwel,
onhoorbare voorouders. Hoe
onvoorzichtig dit meer, Het
water dat de takken wurgt. Hoe
onvoorzichtig dit dwaallicht. Hoe
vochtig het struikgewas: Een
handgemeen, een handgemeen. Zichtbaar: De
handen van de stam. Hoorbaar: Het
gonzende zand. Herkenbaar: Verminkt
achtergelaten. De
witte ingang, de deur brak, Niemand
sprak, De
looppas, de vraag waar het was. Het
was waar ik wil: een dode jas. Nam
z´n armen nooit omhoog, z´n
mond niet meer opzij, sloot
z´n hoofd, stak
z´n handen in de stam. Dat
de vader notabene aan de deur, Aan
de deur, Te
horen kreeg dat hij sterven moest. zelf. Nooit
te weten kwam of hij werkelijk wilde of Dat
het door de vijand vriendelijk verzocht werd. Vroeg
hij nog iets? Nee,
korte metten alsjeblieft. Daar
stonden ze, hij werd meteen gemeten. Toen
ze klaar waren greep ie de spiegel En
nam wraak, het evenbeeld was Niet
te spreken. Kwam
ie terug? Nee. Dacht
ik dat Het
verstand de smalste weg, De
gladde toekomst uit gevangenschap Was. Hij
wil het daglicht zien: de betekenis. Dacht
dat het verstand De
platte kant van de aandacht was, Dat
het zich zou verzetten tegen Het
getij of tegen de avondstemming. Er
Was
sprake van de terugkeer, Van
de angstige ontvangst. Hoe
verongelijkt hij deed. Er
was sprake Van
letsel in de levensloop. Dacht
je dat. Dat wij nooit met tegenzin, Dat
wij slechts gehoorzaam waren, dat wij zelden Iets
te weten kwamen. Werkelijk? Of
dacht je dat wij eensgezind, dat wij ooit Berouw
hadden. Nee? En
of wij nooit in uniform het een en ander zagen, Dat
niet of nauwelijks door ons veroorzaakt was. Daarom
heb ik nooit geaarzeld. Bewierookt
immers. Zelfs
als je bevelen kreeg dan moesten we, als je Bevelen
kreeg dan wou je. Hoe
of het werd? Nou,
we hebben geholpen, dat zie ik. Dat
niemand enige aandacht, ja haast lachend, Geen
moment gezwegen heeft, dat Niemand
tijd heeft om te weten Wat
er gaande was, dat ook wij Niet
keken. Liever
geen berouw. Wat
moest ik, We
hadden immers bekend, Doen. Armando
Interieur In dit met boeken volgestouwd vertrek Heb ik steeds minder anderen van node, Met al mijn aan de dood ontstegen doden Iedere nacht stilzwijgend in gesprek. Bij wie is wat ik liefheb nog in trek? Het meeste is al eeuwen uit de mode. Van wat ik deed, uit nood of om den brode, Rest enkel de grandeur van het echec. Maar ook al bood het leven nog zoveel Waar ik mijn tanden op heb stukgebeten, Éen regel , en de wereld raakt vergeten, Éen rijm, en het verscheurd heelal wordt heel: Alleen achter mijn schrijftafel gezeten Heb ik opnieuw aan heel de schepping deel. Jean Pierre Rawie
EEN
SLAPER Kun
je weergeven hoe een slaper zijn slaap ontvangt, minuut na minuut door het op -
en neergaan van zijn borst de nacht door wordt gevoerd? Als je dit zou filmen
zou er op de beelden niet veel meer te zien zijn dan een opbollende deken en een
gezicht naar het op een kier staande raam gekeerd. Dat de frisse nachtlucht de
kamer binnen komt mag men veronderstellen. Er gebeurt niets dan dat de gestalte
in bed soms van houding verandert. Dat de ademhaling onafgebroken doorgaat, dat
de diepe ademtochten elkaar zonder onderbreking opvolgen in dit bijna roerloze
lichaam, valt nauwelijks op de film te zien en wordt op de lange duur zo saai
dat de toeschouwers beginnen te gapen. Toch is het nu net het gebeurtenisloze
dat vormgegeven moet worden: hoe de lucht door de raamkier het gezicht, het haar
en het voorhoofd van de slaper in een nooit aflatende stroom beroert en de
nimmer stokkende ademhaling het lichaam niet in de steek laat maar het volgt in
zijn verdwijnen, naar de diepte van de slaap. Het schijnbaar gebeurtenisloze,
deze nauwelijks hoorbare toonslinger, kun je je daar naartoe luisteren? Carl-Erik
af Geijerstam
Gedichte
sind gemalte Fensterscheiben! Gedichte sind gemalte Fensterscheiben! Kommt aber nur einmal herein!
J.W. von Goethe
Wär nicht das Auge Sonnenhaft, die Sonne könnt’ es nie erblicken; Läg’ nicht in uns des Gottes eigne Kraft, wie könnt’ uns Göttliches entzücken?
J.W. von Goethe
Fuyo-go-mori Haru sarikureba Naka-zarishi Tori mo kinakinu Saka-zarishi Hana mo sakeredo Yama o shigemi Irite mo torazu Kusabukami Torite mo mizu Akiyama no Konoha o mite wa Momichi o ba Torite so shinofu Aoki o ba Okite so nageku Soko shi urameshi Akiyama so are wa
Princess Nukata (seventh century), Manyoshu 1/16
Long hidden deep in winter's keeping Spring bursts forth from its slumber. The once-silent birds Commence their song. The incipient buds Now bloom in bright array. Yet in the hills the growth is so thick with trees Our delights are out of reach. So thick the weedy grass We cannot find the flowers to pick them. But in the hills in the autumn-time We gaze upon the rich-colored foliage. The leaves of brightest gold Longingly we take for picking. The stubborn leaves that are still green Regretfully we leave behind. There is a melancholy in our delight: Oh, the beauty of the golden hills!
Translation: Jackson Hill
|
|
|
canandanann 26-08-2010
blog: http://waarnemingvandewerkelijkheid.blogspot.com paintings: http://landscape.canandanann.nl
|