|
|
dichtbundel rond rouw en verdriet 1 - 2004 favoriete gedichten rond dood en verdriet bijeengebracht om te troosten in situaties waarin troost niet genoeg is...
een avond in de herfst ik denk alleen maar aan mijn ouders Buson
Ik zou graag slapen deze nacht Nu jij dood ligt, slapen, slapen, slapen terzijde van jouw volkomen slaap om te zien of ik je zo bereiken kan! Slapen, een morgenstond in de avond bron van de rivier, slapen; twee dagen die samen opgaan in het niets, twee stromen die aan het eind samenvloeien; twee eenheden alsof het één is tweemaal niets alsof het niets is. Ik zou zo graag je dood verslapen. Juan Ramón Jiménez Nee, wij zijn niet aan het einde, ons begin is nog innig-dichtbij, wij zetten onze voettocht naar elkander voort, en de nieuwe horizon is vrij. Wij zullen vast elkander weer ontmoeten in een spiegel: daarachter in het gras zullen sonore cellotonen sproeien en de spiegel zal niet zijn van glas. Niet van glas maar van een weefsel vertrouwd en onvervreemdbaar waar: daarachter ligt een nieuw beleven en de dood zal hangen aan een haar. Is het dan mogelijk dat wij ons vergissen, dat ons mooiste uur toevallig was, zal een blinde worm dat uur wegknagen en blijven er slechts scherven in het gras? Nee, wij zullen vast elkander weer ontmoeten als voorbestemde klanken in een rijm. Sonore cellotonen zullen sproeien over witte wouden van Oneindigheid. Abraham Sutzkever Toen ik bij dageraad door het woud wandelde, in mei, vroeg ik me af waar jullie waren, zielen van de doden. Waar zijn jullie, jonge vermisten, waar zijn jullie, de volledig veranderden? In het bos heerste grote stilte, en ik hoorde de groene bladeren dromen, ik hoorde de droom van de schors waaruit boten, schepen en zeilen zullen ontstaan. Dan, langzaam, begonnen de vogels te herleven, distelvinken, lijsters, merels, verborgen op balkons van takken, elk in een andere taal, elk met een andere stem, niets vragend, zonder bitterheid of spijt. En ik besefte dat jullie zang zijn, onvatbaar als muziek, onbegrijpelijk als muzieknoten, ver verwijderd van ons zoals wij van onszelf. Adam Zagajewski In mijn verdriet niets dat beweegt Ik wacht en geen mens komt Overdag noch 's nachts En ook nooit meer wat ik zelf was Mijn ogen zijn gescheiden van jouw ogen Zij raken hun vertrouwen raken hun licht kwijt Mijn mond is gescheiden van jouw mond Mijn mond is gescheiden van het plezier En van de zin in de liefde en de zin in het leven Mijn handen zijn gescheiden van jouw handen Mijn handen laten alles los Mijn voeten zijn gescheiden van jouw voeten Zij verzetten geen stap er zijn geen wegen meer Zij kennen mijn gewicht niet meer noch de rust Ik kan mijn leven een einde zien nemen Samen met het jouwe Mijn leven in jouw kracht Die ik oneindig dacht En de toekomst mijn enige hoop is mijn graf Net als het jouwe omringd door een onverschillige wereld Ik was je zo na dat ik het koud heb bij de anderen. Paul Éluard Nu
deze eerste dag van een nieuw jaar, nu
zonder haar. Strijklicht
grijpt het bevroren land. Het
is niet waar dat zij daar in de diepte ligt, dat
zij is weggedaan in een besneeuwde stee van
een bij twee. Maar het is waar. Wij
slijpen haar in steen, wij kerven in
het hout haar naam, wij schrijven tegen
beter weten in haar taal; ik spreek
haar stiekem toe. IJdele onzin, valse
vlijt. Een plaats. En het besef dat zij zich
niet meer uitbreidt in mijn tijd. Anna
Enquist We
kruisten de Styx. De
veerman lag dronken in zijn schip. Ik
hield het roer en we zonken als stenen. Water
bestaat als de aarde in
lagen, transparante linten, glanzende strata van
steeds kleiner leven, minder warmte. In
je haren bloeiden luchtbellen, de
stroom trok je hoofd naar achter en
streelde je hals. Stenen
wuifden met armen van algen en varens, zongen
zachtjes gorgelend 'vrede'. Ze
sneden je kleren los. Vissen
likten het bloed van je benen. Ik
hield je hand vast. Ik wilde je troosten maar
we vielen te snel en er zijn geen woorden die
zonder lucht bestaan, mijn liefde bleef
boven, blauwe ballonnen, bakens voor even, de
plaats markerend van het ongeluk voordat
ze verder dreven. Je mond ging open. Je
gezicht werd rood, je handen zochten evenwicht,
zochten mijn armen. Je
probeerde in me omhoog te klimmen. Je
was een glasblazer met een wolk van diamanten aan
zijn mond. Ik hield je vast als een katje. Ik
aaide je vingers. Je
liet niet los. Je
sliep en ik aaide je vingers, liet los. Esther
Jansma Ik zie haar
klein geworden schreden in de verte; nog een
kwartier en zij is aan de wateren; ik kan het nu
niet meer beletten. Dwalende zal ik
haar nagaan als de verten haar hebben
ingeademd uit mijn ogen; de weg ligt van
een heengaan overtogen; wij zagen het
onzichtbaar wenken. G.Achterberg In dit bitter
heldere, de dood, kelder aan
kelder grondlicht dwaal ik rond, een zwemmer
onder water, een verbond met bodemen die
nimmer zijn ontbloot. Ik draag
gestorven zonlicht in mijn mond, waardoor, uit
het weleer, de tijd de beelden in
de wanden bijt, die wijken voor
mij uit; verbruikend
deze zekerheid, worden de
woorden afgerond tot eeuwigheid. G.Achterberg Allen gaan
voorbij, groen, rood... Jij bent daar
boven, wit. Allen
strijdlustig, bars... Jij bent daar
boven, vredig. Allen gaan
voorbij, luchthartig... Jij bent daar
boven, rein. J.R.
Jiménez Heel klein was
mijn moeder als de
pepermuntstruik, het gras. Nauwelijks
wierp zij een schaduw op de dingen, nauwelijks. De aarde hield
van haar, omdat zij licht
voor haar was, omdat zij haar
toelachte in geluk en in
verdriet. De kinderen
hielden van haar en de ouden en
het gras en het licht,
dat lieftalligheid bemint en haar zoekt en haar vlijt. Om haarentwille
is het, dat ik liefheb,
wat niet naar trotse hoogten streeft, wat zwijgend
spreekt: nederig,
breedstammig kruid en de geest van
het water. Wie vertel ik
van jou uit vreemde
aarde? De ochtend
vertel ik over jou, dat hij op haar
gelijkt. Op mijn
eindeloze weg vertel ik de
aarde over jou. Gabriela
Mistral Er vallen
klappen in het leven, zo'n harde.. . Ik weet niet! Klappen als van
Gods haat; alsof in hun aanschijn, de branding van
al het geledene de ziel drassig
zou maken... Ik weet niet! Er vallen er
weinig; maar ze vallen...
[ Ze trekken donkere groeven in het hardste
gelaat en in de sterkste rug. Zullen ze
misschien de veulens zijn van barbaarse attila's; of de zwarte
herauten die de Dood ons zendt. Het zijn de
diepe vallen van de Christussen van de ziel, van een
aanbiddelijk geloof belasterd door het Lot. Deze bloedige
klappen zijn het geknisper van een brood
dat voor ons verbrand wordt
[ aan de deur van de oven. En de mens...
Sukkel... sukkel! Hij draait de ogen, zoals wanneer een
schouderklopje ons roept; hij keert zijn
dolle ogen, en al het geleefde wordt drassig,
als een poel van schuld, in onze blik. Er vallen
klappen in het leven, zo'n harde.. . Ik weet niet! Cesar Vallejo In de vlucht de wijdte
zoeken waar alle
woorden verloren gaan woorden vinden die jou
liefhebben Rose
Ausländer De aarde voert
door de aarde; maar jij, zee, voert door de
hemel. Met welke
zekerheid wijzen de zilveren en gouden
lichten van de sterren de weg! - Men
kan zeggen, dat de aarde de
straat van het lichaam
is, dat de zee de
weg van de ziel is. Ja, het
schijnt, dat de ziel de
enige reiziger van de zee is;
dat het lichaam alleen achtergebleven
is, daar, aan de oever, zonder haar,
nadat het tot ziens heeft gezegd, plomp,
zielloos, als dood. Hoeveel lijkt de zeereis op
de reis in de dood, in het eeuwige
leven! Juan
Ramon Jiménez Wij gaan ieder voor zich de smalle weg over de hoofden
van de doden - bijna zonder
angst - in het ritme
van ons hart, als waren wij
beschermd, zolang de
liefde duurt. Zo gaan wij tussen vlinders
en vogels in een
verbazend evenwicht naar een morgen
van boomtoppen - groen, goud
en blauw - en naar het
ontwaken van de geliefde
ogen.
Hilde Domin
Kokhalzend wakker worden tussen de gestolde feiten van gisteren en eergisteren. Opstaan, het licht trotseren. Onder het oorverdovend carillon van herinneringen optornen tegen een geheugen dat geen duimbreed wijkt. Lachen, praten, overmoedig denken dat het zo wel gaat. Merken dat men zich vergist ook hierin. Heel het treiterend
bedrijf van deze dag en alle volgende in vier woorden samengebald: iemand is niet gekomen. Hanny Michaelis Zoveel
soorten van verdriet, ik
noem ze niet. Maar
één, het afstand doen en scheiden. En
niet het snijden doet zo'n pijn, maar
het afgesneden zijn. Nog
is het mooi, 't geraamte van een blad, vlinderlicht
rustend op de aarde, alleen
nog maar zijn wezen waard. Maar
tussen de aderen van het lijden niets
meer om u mee te verblijden : mazen
van uw afwezigheid, bijeengehouden
door wat pijn en
groter wordend met de tijd. Arm
en beschaamd zo arm te zijn. M.
Vasalis 'De
gevoelens springen over de gedachten.' ECKHART in je
licht niet zichtbaar, niet verwekt, enig,
de enige. Je blik
legt zich op de
afwezigheid van jou of in het niet ontcijferbar, onverhoedse
binnenstromen van je vorm in je leegte En daar
laat je je stapspoor achter. Ik liep
achter je aan. Geef me
terug aan je ogen die ik
draag in mijn ingewanden gegrift. José
Angel Valente 1
Het
is herfst nu, fruit ligt in het gras, tijd
voor de lange reis naar het einde. De
appels vallen als grote druppels dauw, kneuzen
zich een uitgang uit zichzelf. En
het is de tijd van heengaan, om zichzelf vaarwel
te zeggen, een uitgang te vinden uit
het gevallen ik. 2
Uw
dood-schip, hebt ge het gebouwd? Zeker? Bouw
het, uw dood-schip, de tijd dringt. De
norse vorst nadert, wanneer alle appels vallen,
zwaar vallen op de hardere grond. Dood
is aanwezig als de geur van as. Wordt
ge hem gewaar? En
in het gekneusde lichaam krimpt de
angstige ziel, huivert in de kou die
door de openingen binnendringt. 3
Kan
een mens zijn eigen stille dood zelf maken eenvoudig
met een priem ? Met
dolken, priemen, kogels, kan hij kwetsen
en een uitgang voor zijn leven maken; maar
is dat het stille einde, zeg mij, is dat het stille einde? Neen.
Want hoe kunnen doodslag, zelfs zelfdoding ooit
een eigen stil einde brengen ? 4
Laat
ons spreken van de stilte die we kennen, die
we begrijpen, de diepe en lieve stilte van
vrede in een sterk hart. Hoe
maken we dit, ons eigen stil einde? 5
Bouw
uw dood-schip, uw langste reis vangt
aan, naar het einde. En
sterf de dood, de lange pijnlijke dood die
ligt tussen het oude ik en het nieuwe. Onze
lichamen zijn reeds gevallen, gekneusd, onze
zielen glijden reeds weg door de opening van
de wonde. De
donkere en éindeloze oceaan van het einde Stroomt
in ons lichaam door de bressen van onze wonden, de
vloed dreigt. Bouw
uw dood-schip, uw kleine ark, voorzie
het van voedsel en wijn voor
de donkere vlucht naar het einde. 6
Langzaam
sterft het lichaam, en de beschroomde ziel heeft
geen steun meer in de stroming nu
de zwarte vloed stijgt. We
sterven, allen gaan we dood en
niets houdt de rijzende vloed in ons tegen, nog
even en hij stijgt over de wereld, over
de wereld daar, buiten ons. We
sterven, langzaam sterven onze lichamen onze
kracht ebt weg, en
onze ziel krimpt ineen onder
de zwarte regen over de vloed, angstig
klampt ze zich vast aan de laatste takken van
de boom van ons leven. 7
We
gaan dood, al wat overblijft is gewillig
zijn en het dood-schip bouwen dat
de ziel zal dragen tijdens de langste reis. Een
bescheiden schip, met roeispanen en voedsel met
schoteltjes en de nodige kledij passend
en klaar voor de ziel die heengaat. Laat
uw klein schip te water nu
het lichaam sterft en het leven wegglijdt; ga
nu, de fragiele ziel in het fragiele moedige
schip, de ark van het geloof, met
zijn voorraad voedsel en kookgerei en
nieuwe kleren, op
de zwarte leegheid van de vloed op
de wateren van het einde op
de zee van de dood waar we varen, blind,
want een roer hebben we niet, en
geen thuishaven. Er
is geen thuishaven, we kunnen nergens heen, niets
dan het altijd dieper wordend zwart over
deze geluidloze stroom, donker
op donker, boven en onder en
opzij, volledige duisternis : welke
koers we volgen weten we niet. En
het scheepje is er nog, en toch is het verdwenen. Het
is onzichtbaar, want om te zien bestaat er niets meer. Het
is verdwenen. En toch ergens
is het aanwezig. Nergens. 8
En
alles is verdwenen, het lichaam verdwenen, ten
onder gegaan, alles. De
zwarte bovenlaag weegt op de zwarte onderlaag; daartussen
is het scheepje verdwenen, het
bestaat niet meer. Dit
is het einde, alle herinnering is verdwenen. 9
En
toch, uit de eeuwigheid maakt een draad zich
los, op de duisternis een
horizontale draad, op
het zwart een bleke klaarte. Illusie?
of hangt de schemering hoger? Wacht,
wacht, het is dageraad, de
pijnlijke dageraad: het herleven uit
de dood. Wacht,
het scheepje drijft
mee onder de asgrijze lucht van
deze dageraad over de stroom. Wacht,
er rijst onmiskenbaar een gele gloed en,
vreemd, een roze schemering. Een
roze schemering, en alles begint opnieuw. 10
De
vloed zinkt, en het lichaam als
een gesleten zeeschelp herrijst,
mooi en vreemd. En
het scheepje, als op vleugels, drijft naar zijn tehuis, onzeker,
verdwalend soms, op
de roze stroom, en
de broze ziel bewoont haar huis opnieuw en
brengt het hart vrede. Ze
haalt het in vrede hernieuwde hart uit
het niets terug. Bouw
uw dood-schip, bouw het, het
is dringend. Want
ook U wacht de reis naar het einde. David
Herbert Lawrence Als
paarden sterven-snuiven ze, Als
grassen sterven -verdrogen ze, Als
zonnen sterven -doven ze uit, Als
mensen sterven-zingen ze liederen. Velimir
Chlebnikov Er
is een stoppelveld waarin een zwarte regen valt. Er
is een bruine boom die er eenzaam staat. Er
is een lispelwind die om lege hutten draait. Hoe
treurig deze avond. Voorbij
het gehucht Raapt
de goedige wees nog schaarse aren. Haar
ogen kijken zich uit en goudachtig in de schemer En
haar schoot verwacht de hemelse bruidegom. Bij
de terugkeer Vonden
de herders het zoete lijf Vergaan
in de doornstruik. Een
schaduw ben ik ver van duistere dorpen. Gods
zwijgen Dronk
ik uit de bron van het woud. Op
mijn voorhoofd komt koud metaal Spinnen
zoeken mijn hart. Er
is een licht dat mijn mond uitdooft. ‘s
Nachts vond ik mij op een heide, Vol
vuil en stof der sterren. In
het hazelaarsbos Klonken
weer kristallen engelen. Georg
Trakl
ALLES
WAT DOOD IS, IS WONDERBAAR De
maan, achter het meer tot staan gekomen, Doet
denken aan een raam dat open staat In
een verlicht, stil huis, des avonds laat, Waar
't lot een nare wending heeft genomen. Ging
daar de eigenaar zo-even dood, Of
nam zijn vrouw soms met haar lief de benen, Of
is het kleine dochtertje verdwenen, En
vonden ze haar schoentje bij de sloot. .. We
kunnen het niet zien vanaf de aarde, Maar
delen zwijgend in de droefenis. De
uilen krijsen luid een dodenmis, Een
zoele wind raast heftig in de gaarde. Anna
Achmatova Wanneer
de lente komt, En
als ik dan al dood ben, Zullen
de bloemen net zo bloeien En
de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar. De
werkelijkheid heeft mij niet nodig. Ik
voel een enorme vreugde Bij
de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is. Als
ik wist dat ik morgen zou sterven En
het was overmorgen lente, Zou
ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was. Als
dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd ? Ik
houd ervan dat alles werkelijk is en alles zo als het moet zijn; Daar
houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield. Daarom,
als ik nu sterf, sterf ik tevreden, Want
alles is werkelijk en alles is zo als het moet zijn. Men
mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil. Indien
men wil, mag men rondom dansen en zingen. Ik
heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben. Dat
wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal zijn dat wat het is. Fernando
Pessoa
ZWARTE
STEEN OP EEN WITTE STEEN 'Ik
zal sterven in Parijs bij striemende regen, op
een dag die ik me nu al herinner. Ik
zal sterven in Parijs - en ik heb geen haast - wellicht
een donderdag, zoals vandaag, in de herfst. Een
donderdag, omdat vandaag, donderdag, terwijl ik deze
regels opschrijf, mijn vingers weerspanniger zijn dan
ooit en ik vandaag, zoals nog nooit voordien, omkijk
en mezelf met heel mijn weg alleen vind. César
Vallejo is dood. Ze mishandelden hem, allemaal,
zonder dat hij hen wat gedaan had; ze
sloegen op hem met knuppels en ook met
een riem. Getuigen daarvan zijn de
donderdagen, de stroeve vingers, de
eenzaamheid, de regen, de wegen...' César
Vallejo Ik
zou mijn hart zó het
dak op kunnen gooien : het
rolde dan ongezien
weg. Ik
zou mijn pijn kunnen
uitschreeuwen tot
mijn lijf zou breken : dat
zou dan verglijden in
de stroom van de rivier. Ik
zou op het platte dak |