|
|
ER zijn woorden, die doen leven... Gedichten - teksten ter bemoediging ER zijn woorden, die doen leven... Deze kleine verzameling van teksten en gedichten is een poging om wat
lichtpuntjes te brengen als het leven tegenzit. Graag citeer ik de schrijver
die zegt: “In ons leven is er vaak veel wat zorgwekkend is. Soms zijn er
zoveel problemen dat wij nauwelijks weten hoe wij hiermee om moeten gaan. Nog
vaker zijn wij verstrikt in de
alledaagse zorgen die ons veel kracht kunnen kosten. Net op zulke momenten hebben wij het woord nodig van een mens, die ons met
zijn levenservaring verder kan helpen. Maar woorden kunnen slechts wegwijzer
zijn. De weg moeten wij zelf vinden. De dagelijkse beslommeringen achter ons
laten en grote gedachten denken, wil zeggen: ons niet verliezen in datgene wat
ons slechts momenteel vasthoudt en zorgen maakt, maar ruimte scheppen voor
een groter geheel. In de mate dat ons dat lukt, vinden we innerlijke rust die
ook op anderen afstraalt.” Daarom gaan een aantal gedichten in dit boekje
over taal, over de kracht van de woorden en het lied. Graag wens ik je veel
leesplezier en inspiratie om te putten uit de woorden van dichters en
schrijvers....
Er
zijn woorden die doen leven Er zijn woorden die doen leven en dat zijn onschuldige woorden. Het woord warmte, het woord vertrouwen, liefde, rechtvaardigheid, en het woord vrijheid, het woord kind en het woord vriendelijkheid. En bepaalde bloemennamen en bepaalde vruchtennamen. Het woord moed en het woord ontdekken. En het woord broer en het woord kameraad en bepaalde namen van landen en van dorpen en bepaalde namen van vrouwen, mannen en vrienden... Paul Eluard ‘t
Geloof dat ik het liefste zie ‘t
Geloof dat ik het liefste zie, zegt God, dat is de hoop. Geloven: dat verbaast
me niet; dat is niet zo verrassend. Liefhebben,
zegt God, verbaast me niet; dat is
niet zo verrassend. Maar hopen, zegt God, dŕt verbaast me. Ik ben geheel verrast! ‘t Geloof, dat is een trouwe echtgenote. De liefde is een moeder, vurig en ruimhartig. Maar de hoop, zegt God, dat is een heel klein prutsmeisje, altijd weer opnieuw geboren, met Kerstmis. Op stap, bij haar twee grote zussen aan de hand, zo gaat dat kleine meisje hoop. En midden tussen haar twee grote zussen lijkt het, of zij zich trekken laat... Maar in feite laat zij de twee anderen
lopen; zij trekt ze vooruit... Alles wat aanvangt, heeft een kracht, nieuw en
fris als de dageraad, jong en vurig, met een elan, een primitiviteit, een
onherhaalbare geboorte. Dat
kleine meisje hoop begint altijd weer opnieuw. Charles
Péguy Wanneer alles diep van binnen pijn doet en je alleen, tegenover je eigen
beeld. ziet dat het vervormd is door onbekende spiegels wanneer dingen voor je schaduw wijken wanneer je woord dat van een ander lijkt en je hartslag uit je lichaam
vlucht wanneer je handen ver van je weg zijn en je de afdruk van je voeten niet
herkent wanneer je het gezicht dat nadert bent vergeten wanneer je niets meer waarneemt dan dode buitenkanten ga dan als de zalm tegen de stroom in met alle razernij van je woede. Wanhoop niet het water zal de stenen breken. Chileens gedicht Mijn bestemming, eens zal ik haar kennen eens zal ik vinden mijn rust dan vul ik mijn geest met gezang en hoef ik niet langer gebogen te gaan Vol van hoop is mijn hart dat te rechter tijd mijn redding komt en aanbreekt de dag dat ik oog in oog zal staan met mijn bestemming En als tot dit einde te komen mijn binnenste wanhopen mocht, van één vonk zal het al stralen tot een licht op mijn pad. En vonken zullen volgen groeien tot een vuur en als licht zullen ze dagelijks stralen en lichten en groeien. En uit die punten van mijn gedachten die zich zamelen tot kudden neem ik mijn letters en die worden tot woorden. Rav
Kook Altijd blijven er woorden over, sluit ik mijn ogen, nog is er licht, zwijgt de nacht, je stem blijf ik horen. Hoe dichtbij je bent, nooit reiken mijn handen ver genoeg, alles blijft altijd beginnen, ik kom altijd achteraan. Nee, niet altijd, soms houden wij samen in, er valt zon op onze handen en daarin beloven wij elkaar. Meer is nooit nodig, altijd wordt dit vervuld, met alle woorden die overblijven, spreken wij samen de stilte. G.
Smit Jij die in
mij woont met de kracht als van een opspuitende bronwel, vol sprankelend, leven
gevend water. Ik heb het - tot mijn
schade en schande - klaar gekregen (wie laat nu het meest vrij?) om jaar na jaar
stenen te verzamelen en daarmee die bronwel in mij te begraven onder puin en
gruis en eigen drukdoenerij. Ik moet Jou weer opgraven in mij, opdelven in mijn diepste diep, het
schilderijtje van mijn wezen, mijn gelaat grondig
laten restaureren van jarenlang vuil. Jij
hebt er Jouw gezicht in uitgetekend, daar waar Jij verblijf houdt, diep in mij.
Wanneer krijg jij het klaar om Jouw beeltenis in mijn wezen weer van blijdschap
te laten stralen in dat verfrissend, opspattend bronwater, daar diep, heel diep
in mij verborgen? Kom, trek me naar binnen, blijf kloppen aan de poort want ook mijn oren zijn
doof geworden, blijf schijnen in de nacht want de blindheid van mijn ogen is
bijna totaal. Kom, delf op mijn ware gelaat, maak mij mooi, maak van mij Jouw liefste
mens, ik kan niet meer zonder Jou, Jij die woont in
mij, opborrelende Minne - kracht wassend water dat leven doet. Kom,
leef je uit in mij. Ruusbroec Nu
ik ben aangekomen op de plaats Nu ik ben aangekomen op de plaats waar het zal moeten zijn waar ik van zing, Ik ben een vijver zonder rimpeling met alle hemelen in mij weerkaatst. G.
Achterberg Als jullie kalmte brengen na zoveel beroering, als jullie mijn kwetsuren met
vergetelheid bedekken, als jullie zachtjes mijn wonden wassen, O, tranen, dan
stroom! Maar als jullie, zoals toen, verscheuren en knagen aan een reeds gepijnigd
hart, vergroot dan niet de smart, spaar mijn oogleden, O tranen, laat me met
rust! Ja, laat me met rust! Mijn pijn wordt steeds schrijnender.
Jullie hebben lang vervlogen dromen weer opgeroepen, heb medelijden! Gun
mijn stervende geest de rust! Tranen,
stroom niet, stroom niet! Ik zal gaan O met genoegen zal ik gaan met diepe vreugde en trompetgeschal ik zal gaan Als jij roept zal ik gaan mijn werk mijn eten en mijn handen zal ik laten staan als jij roept zal ik gaan Als jij roept in de morgen in de middag in de avond in mijn dromen in mijn waken als jij roept zal ik gaan Ik zal gaan al breken ze mijn benen al moet ik kreupel gaan engelen binden dan mijn wagen vleugels aan Ik zal gaan R.
Campert Een traan die altijd in je ogen staat en die niet langs je neus je leven uitgaat is een traan die een gegeven is is een traan die ‘n deel van je leven is. Maar een lach die uit zo’n traan geboren is is een lach die van verre te horen is is een lach die van binnen naar buiten is is een lach die toch nooit meer te stuiten is. Liselore
Gerritsen Maak ons stil dan als het suizen van de nachtwind in het donker gras, een verre zomernacht - een man lag wezend in het gras en hij verstond uw komen - maak ons stil als het suizen der geheimen in ons bloed. Maak ons stil als het trillen, licht en sterk, van een kabel die gaat breken. zo trilt een dolk in hout. Zo trilt ons hart wanneer Gij nadert. Maak ons stil dan als het sterke dringen van het goed verdriet, dat door ons leven trekt in fijne nerven, maak ons stil als het branden van tranen, dat zwak maakt en wankel, van geluk. Maak ons stil dan als het sidderend rechtstandig zweven van een vlam - zuiver staat zij, bloem van pijn, verslonden in het hoge feest der vernietiging - wij allen wachten in het donker, Vreemdeling, tot Gij ons terugneemt in Uw branden, U alleen behoort ons hart. J.
van Schagen Jij bent niets dan de lens in de lichtstroom je kunt ontvangen, geven en bezitten - zoals de lens het licht ontvangt, geeft en bezit, meer niet. Licht zijn of in het licht zijn, zelf niets meer zijn, zodat het licht geboren kan worden, zelf niets meer zijn, zodat het geconcentreerd en verspreid kan worden. D.
Hammarskjöld Mijn kleine zuster heet stilte, mijn grote broer heet alleen. Allebei hebben grijze ogen, daar vliegen duiven doorheen. Ze hebben samen een kamer in het oudste deel van de stad. Ze dromen of schrijven gedichten en af en toe vragen ze wat. Als ze eens morgens naar hun werk gaan, zijn ze beiden een beetje bang; ze treuzelen tot ze te laat zijn en raken in het gedrang. Met andere dames en heren zitten ze op een kantoor, verrichten ze handelingen zonder te weten waarvoor. Ondertussen dringen de duiven aan de binnenkant van hun oog, ze trekken en rukken en bijten,
maar ze mogen niet los, niet omhoog. In de avond, terug op hun kamer, doen ze elkander verslag. Wat ze verzwijgen - de duiven - spreekt uit hun oogopslag. Van tijd tot tijd dringen geluiden uit de diepten van het huis tot hen door: het paren van mensen en dieren, hardop dromen, een vuist, een verhoor. Dan kruipen de twee onder tafel, de armen om elkaar heen, mijn kleine zuster stilte en mijn grote broer alleen. Ed. Hoornik
Wij gaan ieder voor zich de smalle weg over de hoofden der doden bijna
zonder angst - op de maat van ons hart als waren wij veilig, zolang de liefde niet aflaat. Zo gaan wij tussen vlinders en vogels in verbazingwekkend evenwicht naar een morgen van boomtoppen groen, goud en blauw - en naar het ontwaken van beminde ogen. Hilde
Domin Waarover zal ik zingen over regenjassen over het lover van geboomte of zal ik van de liefde zingen Waarover zal ik zingen over vliegmachines blinkend aluminium in de zon en blauwe lucht of zal ik zingen over de liefde Over auto’s over steden en historie of zal ik zingen over de liefde Over vele vreemde dingen over de gewone of zal ik zingen over de liefde Over bloemen over water over mooie dingen of wat droevig is of zal ik zingen over de liefde Over tabak en vriendschap over geur en wijn over schepen zeilen meeuwen over ellende over de ouderdom over de jeugd of zal ik zingen over de liefde Jan
Hanlo Iemand zingt uit angst tegen angst Iemand zingt uit nood tegen nood Iemand zingt uit de tijd tegen de tijd Iemand zingt uit het stof tegen het stof Iemand zingt van de naam die namen naamloos maakt Erich
Fried Zoveel onvergoten tranen zeeën van verdriet Huilen is de sleutel tot de ziel Slechts hij die huilt zal worden gered en de anderen? die zijn er niet! Wij wonen in het huis van de taal wij leven van de woorden zij zijn ons dagelijks brood. Wij
worden gedragen door ons spreken en wij zoeken partners voor een gesprek zelfs God wordt in ons spreken betrokken hoewel de stilte zijn handelsmerk is - Wij maken ramen en deuren gaan in en uit ons huis de wereld
krijgt kleur - herinnering en toekomst vallen samen wij zien wat we reeds wisten voortdurend zijn wij echo van een spreken dat ouder is. De taal geeft ons niet alleen wonen ons leven hangt ervan af want wat zouden dood en leven zijn als wij er geen namen aan gaven als wij hulpeloos stamelen zonder houvast aan woorden zonder horizon van verstaan zonder afgrond als bedreiging aan onze voeten zonder nacht en dag zonder zien in lagen, en weten dat het altijd zo zal zijn? Leven is op weg zijn, bergen beklimmen, waden door rivieren bloemen plukken bij maanlicht. dwalen door eenzaamheden en woestijnen, een kaars branden tegen de storm, op - lopen met anderen of hen dragen, brood delen en vieren in de nacht. Leven is pelgrimeren, een tijdlang werken aan de weg, een brug bouwen over zwart water, rovers verjagen en duivels, waken en bidden met zieken, doden begraven bij de kapel. Nooit raken pelgrims thuis: ‘vreemdelingen’ vestigen niet. wanneer zij eindelijk aankomen, weten ze wat ze vermoeden: de weg is het doel Je kunt de eerste toon zijn in een lied waardoor alle grenzen vergeten worden wees niet bang wees niet bang ook wanneer de toon amper klinkt wees niet bang. Je kunt die eerste vonk zijn voor een vuur dat alle wapens tot ploegen omsmelt wees niet bang wees niet bang ook wanneer de tegenwind je striemt wees niet bang. Je kunt de eerste graankorrel zijn op een akker die alle handen vullen zal met brood wees niet bang wees niet bang ook wanneer het land vol stenen zit wees niet bang. Je kunt de eerste druppel zijn voor een bron die in de woestijn levensliederen zingt wees niet bang wees niet bang ook wanneer de wolk nog zwijgt wees niet bang. Je kunt de eerste pas zijn voor een dans die alle voeten leidt naar onze God wees niet bang wees niet bang ook wanneer je voet nog struikelt wees niet bang. Als je in mensen geloofd hebt die het af lieten weten: ga dan toch door te geloven. Als je op een wonder gehoopt hebt dat niet is gebeurd: ga dan toch door en blijf hopen. Als je een spoor van liefde wilde nalaten dat werd vertrapt: ga dan nog verder met liefde. Als je gedroomd hebt en daarna ontwaakt, droom verder tot aan de morgen! Talmoed Huidige tijd en vergane tijd zijn misschien aanwezig in komende tijd en de komende tijd is aanwezig in vergane tijd. Is alle tijd voor eeuwig heden, wordt alle tijd onverlosbaar. ‘Wij hadden kunnen zijn’ is een abstractie en blijft als onwrikbare mogelijkheid bestaan alleen in de wereld van de speculatie. ‘Wat had kunnen zijn’ en ‘wat geweest is’ verwijzen maar een steeds aanwezig einde. In de herinnering klinken voetstappen door de gang, die wij nooit betraden, tegen de deur naar de rozentuin, die wij nooit hebben geopend. Zo weerkaatsen mijn woorden terug in jouw geest. T.S.Eliot Boom, - langzaam uitspreken, maar nog niets in mijn dorre denkhoofd, achter mijn raamogen nog geen reikende long van groen, geen stromen van blad, g een geheim van licht vogelvertier. Denken, denken, naar binnen kijken, uitzien over herinnering, gierig op dromen, de eerste keer volkomen willen terughoren maar nergens antwoord, geen leven te zien. Sla takken door mijn ogen, word knoppen in mijn vingers, ga open, groei een bos in mijn borst dat nooit zal verdorren, een hemelzee levend groen voor al wie sterft van overal steen, sla lover los opdat ik kan geloven wat ik zie.
Gabriel Smit De aarde schuilt in een korrel zand, het heelal in een bloemblad puur, de oneindigheid in de palm van uw hand en de eeuwigheid in een uur. W. Blake Soms moet ik van de dingen rondom leren wat leven is en wat ikzelf ben: een glas, er moet uit mij gedronken worden door een mens, alle mensen, een god. Of een stoel: ik moet rust geven, een lichaam moet in mij vermoeidheden uitstromen, soms ook rechtop zitten en luisteren naar een heldere stem, een hand op mij leggen en spelen, gedachteloos, niets dan afwezig -
een hand. Zo willen de dingen spreken, luister ik naar licht dat wordt opengeslagen. Niets heb ik te vragen, ogen dicht. En buiten huis en kamer gaat de binnenstem verder. Soms het zwijgende licht van een wolk: ik moet langzaam aandachtig zijn. Ik houd zoveel van het gras: ik moet laten begaan, de minste zijn, bewaren voor de winter, ik weet nooit hoeveel honger wordt geleden en hoe dieren zijn, hoeveel pijn. De mensen wel, maar anders, de mensen die nog niet bloeien: het kind dat al veertig jaar uitziet naar zijn moeder op het tuinpad en de oude vrouw die nooit kind is geweest. Alle mensen zijn twee, drie, vier, brengen gezichten mee, ongeboren, dicht. Open, zeggen ze, ik wil open, anders, ik wil wat ik ben, ik wil bekend zijn, ik wil levende ogen, niemand kan ik zien, niemand ziet mij. Tot mijn oogwit verlangen kijk ik uit, reiken mijn handen een avondklok, een stoel, een hond, minder nog: een vlieg over de tafel, een wezenloos ver wezen dat ik kan vragen waarom ik leef. Het zijn er zoveel. En ik wil al hun gezichten verhoren, te binnen brengen, oneindig meer dan deze woorden, ik wil een mond zijn, ogen, luwte van adem over een voorhoofd van denken blind, ik wil altijd en overal, ik weet niet of het kan. Over de wereld ga ik en vraag, aan mensen en dingen leer ik leven, ik moet naar een antwoord, ik moet waar woorden liggen nog ongesproken, dingen nog onvoltooid. En overal tekens: vanmorgen twee bomen in weifelend winterlicht, hoog de takken van stilte, oneindig voorzichtige vingers op ingekeerde oogleden wolken en zon. Ademloos beluister ik oergrond van tederheid. Liefste, hier ben ik. Overal is de ruimte verlangen en aandacht, inkeer en opengaan. Dieper ontspringen adem en bloed, de schepping ligt roerloos achterover in de armen van het geluk. Ik loop op mijn tenen, mijn handen durven nauwelijks de wind. Waarom trillen de takken? Sneeuw ritselt omlaag, inniger stil. Mateloos dit geluk: een wereld aan vragen voorbij, niets dan aanwezigheid, vrede en antwoord. Om nooit meer te vergeten: wij zijn omringd, niet ingesloten. Aan de bomen heb ik het gezien. Gabriel Smit Jij werd geschapen in liefde, mooi, schoon en zo diep in mijn binnenste getekend, dat, als jij jezelf verliest, mijn lief, ziel,
jij jezelf moet zoeken in Mij. En mocht je soms niet weten waar je Mij zult vinden, dwaal dan niet van hier naar ginds, maar als je Mij wilt vinden, moet je Mij zoeken in jezelf Want jij bent mijn onderdak jij bent mijn thuis en plaats van rust, en daarom klop Ik altijd bij jou aan, als Ik in jouw gedachten de deur
gesloten vind. Buiten jezelf hoef je Mij niet te zoeken, want om Mij te vinden zal het genoeg zijn Mij slechts te roepen; Ik zal dan zonder talmen naar jou toegaan, en Mij moet je zoeken in jezelf Th.
van Avila Naar alle dingen kijk ik Twee maal, Een keer om vrolijk En een keer om droevig te zijn. De bomen hebben een schaterlach In hun kroon van bladeren En een dikke traan In hun wortel. De zon is jong aan de top van haar stralen, Maar haar stralen zitten vast in de nacht. De wereld past precies tussen deze twee omhulsels, Waar ik alle dingen heb opgetast, die ik twee maal Heb liefgehad. Diep in onszelf
dragen we hoop als dat niet het geval is, is er geen hoop. Hoop
is een kwaliteit van de ziel en hangt niet af van wat er in de wereld gebeurt. Hoop is niet voorspelbaar of vooruitzien. Het is een gerichtheid van de
geest, een gerichtheid van het hart, voorbij de horizon verankerd. Hoop in deze
diepe en krachtige betekenis is niet hetzelfde als vreugde, omdat alles goed
gaat of bereidheid je in te zetten voor wat succes heeft. Hoop
is ergens voor werken omdat het goed is, niet alleen omdat het kans van slagen
heeft. Hoop is niet hetzelfde als optimisme evenmin de overtuiging dat iets goed
zal aflopen wel de zekerheid dat iets zinvol is onaf gezien van de afloop, het
resultaat. V.
Havel Onze grootste angst is niet, dat we onvolmaakt zijn. Onze grootste angst is, dat we mateloos krachtig zijn.
Het is ons licht, niet onze schaduw, die ons het meest beangstigt We
vragen onszelf: wie ben ik om briljant te zijn, talentvol, fantastisch? Maar:
wie ben jij om dat niet te zijn? Je bent een kind van God. Als je je
onbelangrijk voordoet, bewijs je de wereld geen dienst Er is niets verlichts aan
jezelf klein te maken, opdat andere mensen zich bij jou niet onzeker voelen. We zijn allemaal bedoeld om te stralen als kinderen.
We zijn geboren om de glorie van God, die in ons is, te openbaren. Die is
niet alleen maar in sommigen van ons; die is in iedereen. En als wij ons licht
laten stralen, geven we onbewust andere mensen toestemming hetzelfde te doen.
Als wij bevrijd zijn van onze eigen angst bevrijdt onze aanwezigheid vanzelf
anderen Nelson
Mandela Zoals er mensen zijn die zingen, niet omdat zij dit willen, maar omdat er
een stem in hen oprijst, zo zijn er ook mensen die geloven, niet uit angst en
uit hoop op beloning, maar omdat zij krachtens hun wezen niet anders kunnen. Abel
Herzberg Het is onzin zegt het verstand. Het is wat het is zegt de liefde. Het is pech zegt de berekening. Het is niets dan pijn zegt de angst. Het is uitzichtloos zegt het inzicht. Het is wat het is zegt de liefde. Het is belachelijk zegt de trots. Het is lichtzinnig zegt de voorzichtigheid. Het is onmogelijk zegt de ervaring. Het is wat het is zegt de liefde. Erich Fried Ons werkelijke leven ligt in het diepste van ons innerlijk. Onze
rusteloosheid en onze zwakheden zijn bewegingen aan de oppervlakte. Daarom
moeten wij ons terug trekken in de stilte, naar de stille diepten van ons
geestelijk leven om dat werkelijke leven in ons te ervaren. Wanneer we dat doen
zullen ook onze woorden en daden werkelijkheid worden. Rabindranath Tagore
|
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 05-01-2008 12:43:38 |