gedichten dood 1
Start Omhoog

                 


gedichten rond de dood 1 -  Badhoevedorp 1995

 


 

Tot de doden (Ed. Hoornik)

 

Wij kunnen u niet meer bereiken,

wij komen een zintuig tekort,

wij leggen ons neer bij de feiten

dat gij minder en minder wordt.

 

De enkele keren dat ge

in dromen ons nog verschijnt,

wordt gij al ijler en ijler

tot ge voor altijd verdwijnt.

 

Straten houden uw namen

voor heden en morgen in stand,

maar onze kinderen brengen

ze niet meer met u in verband.

 

Het land ligt nog net als het toen lag

van polder tot polder te kijk;

de mensen die er in wonen

blijven zichzelve gelijk.

 

Maar éénmaal per jaar is de stilte

tot de hemel toe van u vervuld

en belijden wij zonder woorden

onze dankbaarheid, onze schuld.

 


Weten (Stil aan je bed te staan)

 

Stil aan je bed te staan

en geen woord weten te zeggen

verlegen zijn met onze eigen kans, gezondheid,

geest en kracht

weten dat jij nog maar zo kort van het leven

mag getuigen

dat je  je taak als mens bijna volwaardig hebt vol­bracht.

 

Stil aan je bed staan en zo veel gevoelens hebben

die niet naar buiten komen door een eenzaam

groot verdriet

tranen die onverwacht langs je wangen glijden

van machteloosheid, pijn, je vindt de juiste

woorden niet.

 

Stil naar je kijken en onze liefde voelen

je was zoveel voor ons en we hebben het nooit

hardop gezegd

de pijn die we elkaar onnodig soms wel eens bezor­gen zijn we allang vergeten en ze zonder naklank weggelegd.

 

Stil aan je bed staan en alleen maar naar je kijken

verlegen zijn met eigen kans,

gezondheid, kracht en geest

weten dat jij straks niet meer in de volle zon zult zitten maar dat je ons leven zonder jou nooit zonnig

was geweest.


Sterven is een manier van leven (Jetty Roels)

 

Sterven is een manier van leven.

't Is zich een laatste maal geven,

aan alles wat men bemint.

't Is een laatste maal wenen,

om wat men droevig vindt.

 

Sterven is een manier van voelen.

't Is het bevredigen van al het verlangen,

als de dood nader schrijdt,

en rond alles een nevel komt hangen,

dan schreidt men zonder spijt.

Leven is een manier van sterven.

't Is een eindeloze wachten,

al die nachten,

dat de dood niet kwam,

dat ze niet nam.

 

Leven is een manier van voelen.

't Is al de diepte ,al de pijn,

die men kan verwerven.

Moest ik nu sterven,

mijn laatste groot gevoel

zou vriendschap zijn.


Ook met de kinderen

 

Ook met de kinderen is het niet anders.

Als ze sterven houdt de dag niet in.

Geen grasspriet trilt om hun vervlogen leven.

Geen steen wordt minder steen om hun vergaan.

De tijd blijft op zijn laatste benen lopen

en dringt steeds dieper in de ruimte door.

Ook bloed wordt uit zijn kringloop weggestoten,

het absolute nulpunt tegemoet.

 

Ook met de kinderen is het niet anders.

Zij hebben iets van kleine sterren weg

die doven eer hun kracht zich kan ontsluiten

en ergens licht zaaien in het heelal.

 


Mijn man (Willem Wilmink)

 

Ik ben nooit meer

naar zijn graf gegaan

Is dat schande? Nee

Ik voel het anders aan.

 

Ik weet zeker

dat ik hem niet vind

op dat kerkhof daar,

in de koude wind.

 

Maar wel voel ik

zijn aanwezigheid

waar we samen waren

in die oude tijd.

 

Dikwijls is het

of hij naast me gaat.

Of 'k hem spreken kan,

vragen kan om raad.

 

'k Vind dat hij het

dichtste bij me is,

als ik troost behoef

in mijn droefenis.

 

Maar is een dag eens

mooi en goed geweest,

juist dan mis ik hem,

mis ik hem het meest.


Ik hoop maar dat het waar is (Frans Hoppenbrouwer)

 

Mijn oma is gestorven;

ze was al heel erg oud.

Ze hebben haar begraven

en het lijkt me erg koud

om daar te moeten liggen

onder zo'n grote steen.

Mijn oma is gestorven,

nou ben ik ècht alleen.

 

Ik kon fijn met haar praten,

ze had zoveel geduld.

Ze gaf, zoals zo vaak gebeurt,

me niet altijd de schuld.

Maar nou is ze begraven

en ik heb niemand meer.

Ik hoop maar dat het waar is,

dat van Onze Lieve Heer.


De hoop die ons doet leven

 

Wij bestaan niet

om zestig of tachtig jaar

hier te zwoegen

voor een betere wereld,

om daarna spoorloos

en naamloos te verdwijnen in de leegte.

Wij zijn bestemd voor

de levenschenkende ontmoeting met God

wij zijn op weg

naar een vaderhuis,

waar plaats is voor velen;

wij zijn aan het bouwen

aan een wereld

die onvergankelijk is;

wij zijn bestemd voor een rijk

dat voor ons bestemd is

vanaf de grondvesting

van de wereld.

Dat is de hoop

die ons doet leven.

Die hoop en dat geloof

roept ons hier tezamen:

De dood heeft niet

het laatste woord:

De liefde heeft

het laatste woord; de dood is een tunnel.

Er is een óverkant!


God heeft u van mij afgeëist (Willem de Mérode)

 

God heeft u van mij afgeëist,

en nu de tedere avond grijst,

buig ik, niet meer vermetel,

bij uwe lege zetel.

 

Hoe zal ik zeggen, ziek van leed:

'Hij doe, al schijnt het nog zo wreed,

wat goed is in Zijn ogen,

Zijn recht is vol mededogen.'

 

O dit, dat Hij zijn kinderen slaat,

en plotseling in hun midden staat

om 't liefste weg te rukken!

 

En duidelijk hoor 'k mij gezegd:

'Kind ik heb veilig weggelegd,

wat anders viel in stukken.'


Doen in dienst van het leven (Adri Bosch)

 

Dat buurten saai zijn, grauw en koud,

geen plekken waar je leuk kunt spelen,

en dat er iemand van je houdt

die tóch die plek met jou wil delen;

dat mensen, sterk en nog niet oud,

geen werk, geen baan meer kunnen krijgen

en dat ze vastbesloten zijn

zich tóch niet dood te laten zwijgen:

zou dat de triomf van het leven niet zijn?

Dat mensen ziek zijn, meer en meer,

geen kans om ooit nog te genezen,

en dat ze zeggen, tóch maar weer,

de dood kan niet het einde wezen;

dat duizend rampen dalen neer

en onze lieve aarde treffen

en dat er tóch weer mensen zijn

om hen die vielen op te heffen:

zou dat de triomf van het leven niet zijn?


Stil worden om jou te herinneren (M. v. d. Berg)

 

Stil word ik in mij zelf.

Jou wil ik voelen in mij.

Ik hoor nauwelijks het geschuifel

van de voeten.

Mensen zijn gekomen.

Van alle kanten.

Verbonden met jou waren ze.

 

Stiller word ik in mijzelf.

Verdoofd ben ik nog.

Niet te zeggen hoe ik mij voel.

Alles zo vreemd.

Ben ik dit wel zelf?

Zal het morgen niet gewoon een

andere dag zijn?

Alsof er niets gebeurde?

 

Zo anders stil word het in mij.

Jou herinner ik mij.

Jouw gezicht voor mij.

Je zou nog zo een woord kunnen spreken.

 

Zo anders stil word ik nu.

Jouw naam klinkt.

Een kaars wordt ontstoken.

Jij licht in mij.

Jij licht voor mij.

Jou wil ik mij te binnenbrengen.

 

Zo stil word ik nu...


Er zijn momenten in je leven

 

Er zijn momenten in je leven,

die wilt delen met anderen.

Momenten van vreugde, verdriet, zorgen en

momenten van gewone alledaagse dingen.

 

Elke dag honderden mensen,

die je tegen het lijf loopt,

maar slechts een paar ervan

noem je vrienden.

 

Honderden mensen, die je nodig hebt,

om te leven, te werken,

om voor te kunnen werken.

 

Vrienden die je nodig hebt,

om mee te kunnen praten, te lachen,

die jouw idealen hebben,

mensen om jouw leven mee te delen.

 

Maar dan merk je dat er één is,

die meer voor je is, dan een gewone vriend.

Dat er één is, die meer voor je betekent,

dan wie ook.

 

Het is een gevoel

dat je niet kunt omschrijven.

 

Je weet dat het iets te maken heeft

met fijn kunnen praten,

samen aan je idealen kunnen werken.

 

Het heeft iets te maken met

eerlijk tegenover elkaar staan,

elkaar vertrouwen.

Jezelf kunnen zijn,

maar je voelt dat het meer is dan dat.

Je kunt elkaars goede kanten waarderen

en elkaars fouten accepteren.

Jouw idealen worden jullie idealen.

Jouw zorgen worden jullie zorgen.

Jouw geluk wordt jullie geluk.

Jouw leven wordt jullie leven.

 

Je weet dat je niet meer alleen staat...

 

auteur onbekend


Dit wordt het laatste gedicht (H. Andreus)

 

Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,

nu het met mijn leven bijna is gedaan,

de scheppingsdrift me ook wat is vergaan

met letterlijk de kanker in mijn lijf,

 

en, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan,

ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel,

maar ik praat liever tegen iemand aan dan

in de ruimte en zo is dit wel

 

de gemakkelijkste manier om wat te zeggen),

hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht

van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in

 

het onverhoeds onnoemelijke begint?

Of is het dat jij me er een onverdicht

woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt.


Ik ben op reis

 

Ik ben op reis, al weet ik niet waarheen

maar ergens stond geschreven

dat ik deze weg moest gaan

en al aarzel ik soms even langs die eindeloze baan

toch weet ik: iemand ging mij voor

en daarom ga ik door.

 

Ik heb geen geld, geen kaart en geen kompas

maar ik zie de tekens en die zeggen mij genoeg

en al geeft er niemand antwoord

op de dingen die ik vroeg, toch weet ik:

aan het eind vind ik gehoor

en daarom ga ik door.

 

auteur onbekend


Je bent niet dood (Nel Benschop)

 

Je bent niet dood.

De heer heeft je geroepen

bij Hem te wonen in zijn glanzend huis.

Je hoeft geen rust en vrede meer te zóeken

je hebt ze nu ..., want je bent veilig thuis.

Je bent niet dood,

je mag voor eeuwig leven.

Je bent verlost van onvolkomenheid,

van pijn en verdriet.

God zal je geven

een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd.

Je bent niet dood.

Maar ach, ik zal je missen,

zoals de mens de meest geliefde mist.

De jaren van geluk zijn nooit meer uit te wissen,

en ik geloof: God heeft zich niet vergist.


Er groeit in mij een boom van grijs verdriet (Nel Benschop)

 

Er groeit in mij een boom van grijs verdriet,

bloeiend met parelmoeren bloesems.

Geen vogel heeft er ooit zijn nest gebouwd,

geen dier komt rusten in zijn schaduw.

Mijn boom is stil.

 

Alleen de bloesems

laten hun tak geruisloos los

om traag, onmerkbaar neer te dalen:

een meer van onvergoten tranen

waarin mijn boom weerspiegeld staat,

eenzaam onder een bleke hemel.


Toen je het wist... (Nel Benschop)

 

Wat moet ik doen? Wat moet ik je nu zeggen?

Al wat ik zeggen kan klinkt zo goedkoop:

dat ik mijn gebeden voor Gods troon zal leggen,

dat je vertrouwen moet, op hoop zelfs tegen hoop?

Maar 't is onmogelijk, dat ik me in kan denken

hoe jij je voelt, hoe jij je leven ziet;

onmogelijk, om woorden te bedenken

die kunnen helpen. Nee, ik kàn het niet.

Ik weet alleen dat jij de lijn moet grijpen

(en dat geldt net zo goed voor jou als voor mij)

die God je toegooit als de nood gaat nijpen.

Denk aan wat Jezus vóór zijn lijden zei:

"Uw hart zei niet ontroerd, wees niet verslagen,

Geloof in God, in Mij, die je bevrijdt.

Want wie zijn kruis achter Mij aan wil dragen

zal met Mij leven tot in eeuwigheid."


Meer dan een moeder troost ... (Nel Benschop)

 

Stil maar, Mijn kind ‑ Ik weet van je verdriet.

Huil nu maar uit; je hoeft niet flink te wezen.

Het zal wel duren, voor je wonden zijn genezen;

Ik weet het. Droeg Ik al de smart der wereld niet?

 

Stil maar, Mijn kind ‑ Ik weet wat je behoeft:

Woorden van troost, die om geen uitleg vragen,

een arm die steunt en die je last helpt dragen,

een hart dat mee‑schreit om wat jou bedroeft.

 

Stil maar, Mijn kind ‑ de nacht gaat weer voorbij;

Ik strooi het licht uit, waar je voeten lopen,

Ik doe de dichte deur weer voor je open,

Ik ben er altijd. Maar vertrouw op Mij.

 

Stil maar, Mijn kind ‑ Ik geef je troost en moed,

meer dan een moeder aan haar kind kan geven.

Je naam staat in Mijn handpalmen geschreven:

Ik schreef de letters met Mijn eigen bloed ...


De profundus (Nel Benschop)

 

"God" zeg ik, en alleen maar: "God".

Ik zeg het woord stil voor mij heen-

O God, wat voel ik mij alleen,

hoe komt mijn levensschip weer vlot?

 

"God" zeg ik, en dat kleine woord

is als een kreet om hulp, om kracht.

Ik heb zó lang op u gewacht,

maar hebt u wel mijn stem gehoord?

 

"God" zeg ik, en ik weet niet meer

wat ik u verder zeggen moet;

Uw naam is mijn gebed om moed,

maar ook mijn opstand, mijn verweer.

 

"God" zeg ik, en alleen maar: "God".

Tot eindelijk, in een zachte wind,

Uw antwoord komt: "Mijn kind, Mijn kind",

en ik het uitsnik: "God, mijn God!"


Voor wie verdrietig is (Nel Benschop)

 

Mijn God, hoe kan een mens zó eenzaam zijn,

zo aan zijn eigen wanhoop vastgeketend,

zo zonder hoop of licht, en niets meer wetend

dan enkel dit: mijn hart doet pijn, doet pijn.

 

Mijn God, hoe kan een mens zo droevig zijn,

en zo vervuld van eindeloos verlangen

naar wie door niemand ooit is te vervangen,

die met ons 't brood brak, met ons dronk de wijn.

 

Mijn God, wie lijdt dit lijden werk'lijk méé?

Wie kan er in dezelfde diepte dalen?

De duivel met gelijke munt betalen?

- Eer dat ik u vergeet, Gethsémané.-


Jezus weende (Nel Benschop)

 

Ik vind geen woorden om het je te zeggen

hoe wij hem zullen missen, allemaal.

Het diepst gevoel is moeilijk uit te leggen,

het hart spreekt een niet uit te spreken taal.

Dit sterven is zo moeilijk te verwerken,

zijn léven was ons allen zoveel waard.

Hij was een van die stille, geestlijk‑sterken

die iedereen, alleen zichzelf niet spaart.

Ik vind geen woorden om je troost te brengen,

want hier zwijgt mijn verstand, mijn mond staat stil.

Wie kan zijn leven met één dag verlengen?

Het is precies zo lang als God het wil.

Ik weet het niet, ik kan de zin niet vinden

van wat God met dit sterven heeft bedoeld.

Maar Jezus weende, toen de vriend die Hij beminde

gestorven was. Hij weet, wat je nu voelt.

 

O nee, ik kan het je niet zeggen

waarom het lijkt, of God je niet verhoort;

Ik wil niet trachten, het je uit te leggen,

ik kan het niet: onmachtig is mijn woord.

Het is onmogelijk, je te verklaren

waarom de liefste mensen van ons gaan.

Je kunt je er wel blind op blijven staren,

maar raakt steeds verder van de Heer vandaan.

Ik weet het niet, waarom de mensen lijden,

waarom er zoveel pijn is en geweld,

waarom het je niet lukt, je te bevrijden

van wat je in een wurggreep houdt omkneld.

Ik heb geen ander antwoord op je vragen

dan dat je blindelings vertrouwen moet,

omdat de Heiland Zelf jouw last wil dragen.

Hij zorgt voor je, zoals een vader doet.

Misschien klinkt je dit alles afgesleten,

je zegt misschien: "Die troost is wel goedkoop".

Maar als ik dit niet wist, dan zou ik niets meer

weten: In leven en dood is het mijn enige hoop.


Zwart als git

 

Zwart als git wordt het licht,

aardedonker de zon.

 

Loodzwaar hangen de wolken,

na regen klaart het niet op.