|
|
Gedichten rond de Dood 2 - Badhoevedorp 1997
Wij
gaan ieder
voor zich de
smalle weg over
de hoofden der doden ‑bijna
zonder angst‑ op
de maat van ons hart als
waren wij veilig, zolang
de liefde niet
aflaat. Zo
gaan wij tussen
vlinders en vogels in
verbazingwekkend evenwicht naar
een morgen van boomtoppen ‑groen,
goud en blauw‑ en
naar het ontwaken van beminde ogen. De
engelen hebben zich aan u gehecht en
gij zijt bijna onvindbaar meer. De
grote perspectieven van weleer staan
in mijn ogen, leeg en recht. Blauwe
zoeklichten van de ziel bij nacht schuiven
hun cirkel het geheugen door: vleugels
bewegen in het witte spoor; overal
is het vol van uw gezicht. 1. Wie
zal onze dromen komen begrijpen? En
wie zal verstaan: wij missen zijn stem die
hij nog niet had. Wij missen de
liefde die hij ons zou geven en
meer nog: onze liefde voor hem. Hulpeloos
vogeltje, nietige engel, voor
even maar van God gekomen. Een
naam, een kleine mensenzoon en
toen: herinnering, gestorven dromen‑ wie
zal begrijpen; wie zal komen? Elk
woord nu is
het verkeerde. En
stilte verdragen wij niet. Alles
doet pijn‑ onze
ogen; de huid van ons lichaam; ons
hart. Wij
hebben gehuild en
wij houden verdriet. Elk
woord is verkeerd; het
schiet tekort, het
komt van ver, het
treft ons pijnlijk: het
brengt ons terug bij het kind ‑ hoe
lief wij het hadden, hoe
vertrouwd het ons werd; dag
na dag, maand na maand. En
konden wij 's nachts niet slapen, dan
waren wij samen met ons kind. Elk
woord nu is het verkeerde, en
stilte verdragen wij niet. 2. Hoe
leeg ook van vragen, hoe blind van tranen: wij
moeten verder door de dagen. Wij
hopen niet op troost maar op genade. Er
is gezegd, er staat geschreven dat
van Gods liefde niets ons scheiden kan, ook
niet dit mateloos verdriet. De
wegen van God ‑ ze zijn zo duister en
wij begrijpen ze niet. 3.
God
die het leven draagt en elke dode, en
alles wat ons treft en pijnigt van de dood; God,
die ons tilde uit de slaap, de
doodse stilte van nog niet geboren zijn; God,
die het kleinst geborene uit
onze armen in Zijn handen nam; Gedenk
ons kind, gedenk
zijn naam en onze namen. Zie
met erbarmen, hoe wij kwamen‑ gedenk
ons kind en onze namen. Overvloeiende
gouaches leven van
de smalle grenzen tot
de dood. Harde,
scherpe randen van
een ongewenst bestaan tussen
zwarte, zware wanden. Elders
zijn de levenden met
de goden en hun liefde, maar
aanwezig niet. Water
roept de verre aarde, roept
vergeefs een mens, een hemel. Dode
moeder‑ kinderdood. Wij
lopen op beton en
bijna in de trage regelmaat van
voeten die op weg zijn naar een graf. Gelukkig
zijn het licht en ook de wereld grijs
als de steen van dit gebouw. Nevel
over de resten van wat eens polders waren. Gehavend
land van aarde, gras en onkruid. Dit
werd je wereld maar
was je wereld niet. Het
is hier vol van jou. Hier wil ik thuis
geweest zijn. Sporen van je vinden‑ zij
zijn er niet meer om nog aan te raken. Ik
wil hier ziek zijn in een bed, hier
wil ik liggen, zoals jij. En
vloeken, huilen van verraad en dood‑ het
is nog maar één voorjaar later. De
grijze paden onder
mijn rond schedeldak‑ jij
liep ze alle af: niet
voor altijd ben
ik daar allen gebleven. Mijn
ogen‑ eens zijn
ze geweest verzadigd van
je gestalte, van je
armen als een wieg. Mijn
oren bleven nog lang wachten op
je stem, die
eens daarin gevallen was als
zachte balsem, als muziek. En
ergens buiten mij beweeg
je weer en leef je toch. En
in mij huilt
om jou wie ik eens was‑ De
zachtste mens die
ik ooit ben geweest: met
jou. Een
horizon waarachter
niets en niemand kwijt
zal raken of verloren‑ het
oude landschap van je ziel, bewaard
in stille nevel: het
grasland en de sloten; de heuvels; twijgjes
aan oude bomen; de
lage zon, scherende over rivierenland. Het
oude hopen en het oud verlangen dat
je zult rusten, omdat beloofd is dat
je rusten mag. Zie:
alles is voor even haast volmaakt; het
scheiden en het afscheid zijn voorbij en
alle dingen liggen klaar. Hij
heeft gezegd: ik
wacht altijd totdat je komt. Klein
mensen kind, gezegende, speel
voor mijn Aangezicht. Voorbij
de wereld en de tijd zal
ik er zijn; wees
niet alleen, blijf
bij elkaar totdat
ik kom, heeft
Hij gezegd. Gebed
aan de Grens
(H. Stufkens) Gegaan
tot waar wij kunnen ‑ aan
de grens van het Licht staan wij, in
wezen onbegrensd, in het gezicht van de dood. En
wij herinneren ons de oude woorden dat
leven verandert maar
niet wordt weggenomen, dat
niets en niemand verloren gaat. Zielsverbonden
zijn wij met jou van
wie wij hier afscheid nemen, en
die ons in leven en dood zo dierbaar was
en is en blijven zal. Verbonden
zijn wij ook met elkaar en
met alle levende wezens, klein en groot, met
vogels en vissen, velden en bossen, met
zon en maan, met het land vlak en golvend, de
onmetelijke diepzee, met
al wat is en verandert, dag
en nacht, en
eindeloos komt en gaat ‑ verwacht,
onverwacht, gedragen,
geboren, gewiegd in liefde. Met
heel ons hart vertrouwen we je lichaam toe aan
de tijd die alles heel maakt en
de goedheid van moeder aarde, en
we begeleiden je met het
onzegbare achter onze woorden, de
welsprekendheid van ons zwijgen, de
warmte van onze tranen, de
troostrijke kleuren van onze bloemen. Hier,
aan de grens van het Licht, zeggen
wij: vaarwel en tot ziens, reisgenoot, nu
geroepen te gaan langs andere wegen, maar
onafscheidelijk onze metgezel, en
op dezelfde tijdloze reis geleid
door dezelfde Geest. En
brengen wij ons in herinnering dat
wij niet voor niets leven, en
niet voor niets hier en nu verzameld
zijn, op deze plek. Dat
wij geroepen zijn, zolang het duurt, om
deze aarde bewoonbaar te maken en te bewonen, om
te leren liefhebben met hart en ziel en huid en
haar. Bidden
wij dat dit uur ons mag breken en helen, verzachten,
vermurwen, verbinden tot leven met elkaar. Oeroud
is licht in je gezicht en
alle pijn die je bevrijdde. Ze
noemen je 'mahatma': grote ziel. Je
keerde terug omdat het
paradijs je niet beviel zolang
je nog een mens zag lijden. Je
sterft als het moet opnieuw, en
draagt het licht tot
aan het eind der tijden Zoek
niet naar mijn graf vraag
me niet wie ik ben en
of jij mij gekend hebt. De
idealen die ik had blijven
ook zonder mij bestaan. Ik
ben dood, maar leef voort in
de idealen die ik had. En
de anderen die blijven strijden zullen
nieuwe rozen doen bloeien. Wanneer
je daarover spreekt, spreek je over mij. Zoek
niet naar mijn graf, want
dat zul je niet vinden. Mijn
handen zijn nu de handen van
anderen die strijden. Mijn
stem roept in andere stemmen, mijn
droom leeft voort bij anderen. En
weet dat ik pas sterf als
jullie de moed opgeven. Want
ieder die in de strijd valt, leeft
voort in zijn vrienden. Een
stille man die stiller werd
(J.H. Leopold) Een
stille man die stiller werd ‑ niets meer. De
rozen bloeiden schaarscher door zijn klagen, De
neevlen werden dichter in de dagen, Herinneringen
vond het pad niet van weleer. Er
was geen gaan, en nergens wederkeer. Naar
verre stilten gleed het laatste vragen. Moe
werden oogen die hun ster niet zagen. Het
moede hart werd moeder, en niets meer. En
toch had hij het leven groot bemind En
het bevolkt met overaardsche droomen, Waarin
hij mateloos zichzelve bood. Werden
zijn gaven nimmer aangenomen? Hij
hoorde het rukkend ruischen van den wind En
week binnen de hoede van den dood. In
memoriam Matris Uw
hand is op mijn schouder. de
nacht is lang, ik weet, dat
gij mij niet vergeet. ik
ben al jaren ouder. het
licht is hard, de wind slaat
achter mij alles dicht: droomen,
stilte, licht en
het schreien van een kind... ik
sta alleen, de nacht wordt kouder nog
dan mijn hart, mijn hand ‑ alles
in mij is lang verlamd ‑ maar
uw hand is op mijn schouder.
Te
Middelharnis is een kind verdronken Requiem Te
Middelharnis is een kind verdronken: sober
berichtje in het avond blad onder
een hooiberg, die had vlam gevat; nevens
een zolderschuit, die was gezonken. Zes
dagen heeft het in mij nageklonken. Op
het kantoor vroeg men; zeg, heb je wat? Ik
werkte door maar steeds weer hoorde ik dat: te
Middelharnis is een kind verdronken. En
kranten waaien weg en zijn verouderd, de
dagen korten, nachten worden kouder maar
over het water komt zijn kleine stem. ‑
Te Middelharnis ‑ denk ik, 'k denk aan hem en
bed zijn hoofdje tusschen hart en schouder, en
zing voor hem dit lichte requiem... Vader,
wij hebben nooit gesproken over
het leven met elkaar, gij
had het uwe, ik het mijne en
beiden wisten wij, 't is zwaar te
leven met een weerloos hart... Zoo
hadden bêi we ons toegesloten en
gingen zwijgend naast elkaar: ik
heb den weg niet kunnen vinden, al
lag uw hand steeds voor de mijne klaar. En
nu gij heengegaan zijt naar dat vreemde en
voor geen levende bereikbaar land, nu
breekt mijn vuist eerst hunkrend open en
zoekt vergeefs uw trouwe hand. De
avond daalt; er
valt een vage schemer. ik
zoek de vrede dien de dag mij nam; en
onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden naar
't stille kerkhof waar ik na uw sterven berooid
en eenzaam iedren avond kwam. waarom?
ik weet te goed dat ik u niet kan wekken en
dat gij daar zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt; dat
ik aan deze steen niets kan onttrekken van
uwen staat van ongenaakbaarheid dooden
zijn ver en koud en dichters eenzaam, maar
zij beluisteren elkanders lied; ik zing en
gij en ik worden opnieuw gemeenzaam; zegen
‑ en vloek der verhoovaardiging. schuw
dus dit lied, vergeef het, blijf mij wachten; bid
voor mij al de dagen uwer eeuwigheid, opdat
mijn boot bij 't zwichten mijner krachten niet
nog in 't zicht der kust te pletter splijt. De
nachten waaien. Een vreemde regen verschrikt
mijn gedachten. Een vreemde regen raast
in den tijd. Ik denk aan U ‑ Lichten
spoken ‑ Ik hunker naar U die
zoo ver weg zijt... Ik zoek de sterren: de
nacht staat gesloten. En van verre komen
de winden, machtig en zwart, en
breken de rozen, die nog leven ‑ Ik
denk aan U en de regens beven wild
en stormachtig aan mijn hart. De
regens maken de wankele huizen tot
blinde vreezen, verstild in steen. De
nachten waaien, de winden ruischen. Ik
denk aan U, en ik lig alleen... Ik
lig alleen met een verzwegen roep
om U in de duisternis. Altijd
de wind. Altijd de regen. Altijd
de nacht en mijn hunkering. Het
was een koude, glinsterende nacht. Wolken
en duisternis, sneeuw en sterren waren
er, en wij hoorden verre klokken.
Haar einde werd verwacht. Het
venster was in de nacht een smal, veeg licht. Zij
was kleiner geworden, lieflijker dan ooit, het
blonde haar langs het voorhoofd geplooid, en
een glimlach over haar wit gezicht. Zij
was zoo ver van ons als sneeuw en sterren. Voorbij
het smalle, verlichte raam staarden
wij in het grondelooze verre. Hier
was haar lichaam, klein en zonder naam. Het
was geen lentelied
(P. Verbruggen) Het
was geen lentelied wat
ik zoeven heb verzonnen. Het
licht is er niet en
om de hoge bomen hangt
dik getast de mist. De
merel hurkt in 't hout en
tript en tinkt, maar mist de
blijdschap van een lied. De
winter hangt weer grijs en koud boven
het schraal gazon en
hard zijn alle wegen. Het
was geen lentelied dat
wij te horen kregen, toch
bleef er iets ‑ wat weet men niet ‑ toch
bleef iets achter van de zon. Zo
hangt een nevel rondom ons een
nevel tussen U en mij; De
winter laat niet los toch
voel ik U nabij.
Laat
mij alleen als de engel komt Laat
mij alleen als de engel komt. Gij
noemt met een ondankbaar woord stoel
en tafel, water en brood, en
zoo zoudt gij de engel noemen ‑ de dood. Laat
mij als het nacht bij dage en
het dag bij nacht voor mij zal zijn; en
er komt bij tijden een vernietigende klaarte die
in mijn uitgebrande lichaam binnen schijnt. als
de engel mij verlaat na
dit bitterschóon bezoek: noem
niet met een ondankbaar woord geest
en lijf, gebeente en bloed. In
droom zult ge mij wedervinden, schrikaanjagend
in mijn gloed - maar heet mij uw beminde. Wanneer
ik in een stillen nacht den berg beklim alleen,
zelfs zonder schaduw en blijf staan dat
'k ook den echo van mijn stem verlies en ik een
ding word
tussen aarde en hemel zonder naam. Niets
dan een bleke vlek in dezen nacht waarop
het licht van duizend sterren valt, niets
dan een mens die nog begeert en wacht wien
ondanks alles nog de aard' bevalt. Spreek
dan tot mij vanuit Uw hemels rijk, Laat
er een kruis zijn dat mijn oog verblindt, geef
mij een enkel teken maar, een blijk dat
Gij mij duldt, en, als het kan, bemint. Zo
roep ik U, terwijl de stilte rond mij
op de loer ligt en mijn woorden hoort, geen
antwoord dan in 't diepe dal een hond door
de eeuwge onrust in mijn slaap gestoord. Gij
zendt tot dezen mens geen teken meer, want
onze tijden zijn U vreemd en ver; hier
in den nacht voel ik opnieuw hoezeer de
aard' verdwaalde van haar tweelingster. Ten
overstaan van het einde
(G.v.d. Graft) Ten
overstaan van het einde en
met het oog op U beleef
ik de laatste termijn, de stilte
van het uur U. Omdat
ik niet meer kan leven en
nochtans leven moet, heeft
God mij met U verweven, liefste
en dit voorgoed. En
wil ik bij U verblijven, liefste
en dit voortaan, Hij
zal mij van U verdrijven tot
Hem vandaan. Einde
(J. W. Schulte Nordholt) De
woorden voeren ons verwonderd mee als
schepen naar een onbekende zee, als
waren wij als kinderen op reis naar
een in glans verscholen paradijs. Ouderen
wijzer wordend varen wij de
wereld en haar razernij voorbij, naar
een voltooiing, maar die is er niet, niet
binnen in ons, niet in het verschiet. Ons
wacht alleen maar de ontluistering, de
schemering, de godsverduistering, wanneer
een mens tot zweet en wonden wordt, de
mond verdroogt, het bloed wordt uitgestort, de
handen hulpeloos worden uitgestrekt en
door het duister worden toegedekt, en
in de hersens door een dichte mist de
laatste dromen worden uitgewist. De
stem van Vincent (P.
van Ostaijen) Laat
ons de blaren van
alle leed vergaren. De
aarde, ook vermoeid, heeft
nooit dode blaren
gedragen. De
aarde wondt om,
in de driedagestond, te
laten herrijzen onder
de loodzware kus van liefde. En
is die kus weerom licht leed, leed
dat alles is, ‑ Ik ben Die is, ‑ o,
laat deze zoen niet verloren gaan want
elke zoen is gloeien van goed. Nooit
wassen dode vruchten aan
de bomen. De
pijnen snikken eeuwig en
laten hun lange tranen als vingers vallen. Weet
dit, mijn zoon: wanneer leed leven wordt houdt
op het leven leed te zijn. De
dood is als een regenbui ‑plaatselijk‑ de
hemel blauw en
hier en daar een
wolk witgrijs een
plas op straat geeft
stil getuigenis is
echo van
een voorbij moment hij
valt als regen tussen ons in doet
zo zijn krachtig werk wij
blijven ‑
wachten ‑ weten
niet ons
verdriet zwelt
tot een stormvloed aan beukt
met slagen tegen
ons hart geen
deur sterk genoeg geen
ziel te zwaar een
windvlaag neemt ons allen mee totdat
de stilte daalt In
de wand van dit gedicht
(Swidbert) "Zingend
en zonder herinnering Ging
ik uit het eerste land vandaan".
Martinus Nijhoff In
de wand van dit gedicht staat
mijn skelet gebrand; en
mijn hersenen gegrift, dood,
maar in muziekschrift. Hier
ben ik, als
door sterren gezakt, met
wat de wind over mij waait; dieren
springen over mijn abstrakt. dit
is alles, en daarom alles zonder
meer; langzaam
wordt het mij verwant; zie,
ik schrijf nog gesteent neer, maar
het wordt mijn vaderland. Ik
weet niet beter of
met mijn haar groei ik vast aan
de wind, aether van
een lege engel. ik
weet niet beter of
ik kan niet vliegen. dit
doen de lijsters al, achter
het regenen dat
turquoise is en
van adem. Ik
heb zwijgen, de
vogels hebben bloeden, de
vogels hebben hijgen, zij
hebben grote golven. ik
heb zwijgen, de
stenen hebben kwetsuren, de
stenen teren op de dood die
in hen blijft duren. ik
heb hun denken, hun
diepst, hermetisch lood. De
stilte naar binnen staan
namen in
het steen dieper
nog dieper roest
een engel die
in het daglicht niet
scheen verder
is niemand gegaan de
stilte naar binnen komt
men laveloos aan
de achterkant van
het bestaan. Diep
in ons bloed staat
het skelet, het
broze, dat ons bezet
en stil maakt. wij
zijn over onszelf met
onze adem van
streek geraakt, en
buiten alle wanen. diep
in het niets staan
gigantische manen, varens
van donker ‑ alleen
wij zijn er iets. Het
is weer avond; het
is weer licht in
de vitrine van maan en zee; de
dieren die doorschemeren door
mijn denken zijn op
trek naar nieuw gebied. de
hemel is volstrekt; ik
droom in de dierenriem van
mijn gedachten, gewekt door
de bloedstorting van
een lied. Was
het licht maar van licht, de
vogel van vogel, de
hemel van hemel gemaakt, en
het steen van steen. ik
zou het een na
het ander gezicht, mijn
adem en ook de luchten losweken
van het gedicht. Dit
kan niet lang meer duren: wij
huilen langs woorden of
bloeden er langs. wij
zijn kleine gestoorden van
nature; de
dingen staan buiten, stil,
op andere aren. Dood
is een
weg die ons afluistert, waarlangs
wij engelen aan ballonnen oplaten
‑ waar
waaien zij heen? zij
komen neer achter ons denken, tussen
bewusteloos steen; zie,
achter in de gehoorgangen van
ons verlangen; men
ziet nog even zee. Avondtijd
(E. Lasker-Schüller) Bleek
geworden is mijn levenslust... ik
viel zo eenzaam op de aarde van
waar ik kwam, heeft nooit een mens geweten, alleen
jij, opdat ik verenigd eens met jou zal zijn. Ik
ben door inhammen ver omgeven, en
elk ding ervaar ik in het schuim. De
mens, die mij als vijand tegemoet treedt, vervalt! En
ik weet slechts van hem in dromen. En
zo beleef ik de schepping van deze wereld, op
aarde reeds ontkomen aan haar schaal. En
jij de ster die hoog uit de hemel valt begraaft
zich diep in het dal van mijn hart. De
avondtijd verdonkert sterk mijn bloed ‑ dooradert
vol kwellingen mijn vermoeide ziel. Naakt
stijgt ze weer uit de voorwereldlijke vloed is
angstig, dat ze lichamelijk hier op aarde zou ontbreken. En
wat de dag nog voordat hij ontwaakt, verzuimde
morgenroodachtig te beleven, reikt
hem het dromende beeldenspel der nacht in
enkel kleurrijke weefsels. Verre
handen brengen mij naar huis uit
gele sikkels een vroom boeket. De
wijzer wandelt langzaam om het
cijferblad de
zonnewijzer, die goud van mijn leven had. Zij
gloeit door het kloppen bewaakt en
luidt tussen nacht en middernacht... Daar
wij ons zagen in het raadselachtige uur ‑ jouw
mond bloeit duizendschoon op mijn mond. Al
mijn levenslust vervloeide in
het donkere gewaad met de avondtijd. Ik
zocht zonder ophouden een hemel waar... Alleen
in de openbaring is de weg tot hem niet ver. Zoveel
soorten van verdriet, ik
noem ze niet. Maar
één, het afstand doen en scheiden. En
niet het snijden doet zo'n pijn, maar
het afgesneden zijn. Nog
is het mooi, 't geraamte van een blad, vlinderlicht
rustend op de aarde, alleen
nog maar zijn wezen waard. Maar
tussen de aderen van het lijden niets
meer om u mee te verblijden: mazen
van uw afwezigheid bijeengehouden
door wat pijn en
groter wordend met de tijd. Arm
en beschaamd zo arm te zijn. Verdriet
kit al mijn krachten samen, zodat
ik roerloos word als steen. Mijn
hele wezen wordt materie, een
ondoordringbaar star mysterie. O
sla de rots, opdat ik ween. Er
zijn dingen, die alleen het oppervlak beroeren, daaronder
blijft de ziel gelijk en blinkt zoals
een vijver waarop blaadren varen, of
als een kinderoog onder verwaaide haren. Men
zingt en luistert hoe het klinkt. Maar
er zijn soorten van verdriet, die
iets veranderen aan het lied. Men
wordt bespannen met heel andre snaren en
wie het niet ervoer, die weet het niet. O
kindje met je zachte witte vingren |