hart onder de riem
Start Omhoog

                 


 

 

 


EEN HART ONDER DE RIEM

Deze uitgave "Een hart onder de riem", aanzetten tot 'na'-denken in situaties van rouw en verdriet was een uitgave van de parochie van de H.H. Engelbewaar­ders om mensen een steuntje in de rug te geven, een klein houvast als je door verdriet wordt getroffen bij het overlijden van een dierbare.

Daarom heet deze uitgave ook "Een hart onder de riem". De ondertitel "aanzet­ten tot 'na'-denken" behoeft misschien enige toelichting. Vaak blijkt in situaties van verdriet en rouw dat je als mens gevangen zit in een kringloop van gedach­ten, steeds weer keren dezelfde beelden, dezelfde vragen, dezelfde gedachten terug.

Je bent als het ware gegijzeld, je zit opgesloten in een cirkel van beelden die een diepe indruk op je maken. Ook vragen in de trant van "heb ik het wel goed gedaan", "ben ik niet tekort geschoten", "waar had het beter gekund, waar ben ik verkeerd geweest" kunnen je leven beklemmen en je verdriet gevangen­ houden in een soort kerker.

Daardoor lijkt het alsof je het gevoel hebt dat je hier nooit vanaf komt, alsof alle dagen die nog volgen dezelfde zullen zijn, vol vragen, vol beelden, vol kwellin­gen, vol pijn en misschien ook schuldgevoel. "Aanzetten tot 'na'-denken" wil daarom een poging zijn om na te denken over wat er is gebeurd, wat er aan de hand is, en wat de betekenis is van het gebeur­de, hoe verder, verder vanuit het gevoel en de kennis dat de dood definitief heeft toegeslagen, dat de dood een grote wonde heeft achtergelaten.

"Aanzetten tot 'na'-denken" wil beelden oproepen, gedachten verwoorden die verder kunnen helpen, als een soort houvast, noem het een 'touwladder' uit de diepte van het verdriet, uit de diepte van de vertwijfeling en de wanhoop.

Natuurlijk is deze weg door het verdriet geen makkelijke weg, maar er is geen andere, er is geen omweg. Metaforen, beelden, woorden, gedichten, kunnen een soort leuning vormen, een houvast langs de trap die langzaam omhoog gaat, het licht tegemoet.

Met ons verstand kunnen we vaak niet ons gevoel bereiken, "snappen" we vaak niet wat er echt aan de hand is, maar zonder 'na' te denken, zonder denken, komen wij er ook niet, en lopen wij gevaar dat het gevoel ons helemaal over­spoelt. Als een stroom, een overstroming, die ons de adem ontneemt en mis­schien elk levensgevoel. "Na - denken" is dan ook een denken erna, na het gebeuren, na de diepe ingreep in ons leven. "Wat betekent de dood van een geliefde mens, wat betekent dat voor mij, wie ben ik nu, wie ben ik geworden, hoe is mijn toekomst?"

Dat 'denk - proces' is iets wat we zelf in de hand hebben, waar we zelf vorm aan kunnen geven. Deze uitgave is daartoe slechts een aanzet, een opstapje, een steuntje in de rug.

John Hacking 

 

INHOUD

 

 

 


God als afgrond

Aan God geven wij vele namen. Bij sommige namen voel ik mij thuis, bij anderen niet of minder. De naam van God als koning spreekt mij minder aan, die van Herder veel meer omdat ik Psalm 23, waar God Herder wordt genoemd, prachtig en ontroerend vind.

Een tijd geleden heb ik ervaren dat God ook heel goed de "Afwezige" kan heten omdat hij voor ons menselijk gevoel misschien vaker afwezig dan aanwezig is. Vooral als wij ons machteloos en verlaten voelen is de Afwezige heel erg 'afwezig'.

Nog een andere naam voor God is Afgrond. Die naam ontdekte ik bij de schrijver Edmond Jabès, die met zijn geschriften een diepe indruk op mij heeft gemaakt. God als afgrond, als diepte waar je in kunt vallen, als onheilspellende leegte onder je voeten.

Misschien klinkt het gek maar ik heb mogen ervaren dat God een afgrond kan zijn, een leegte die donker en diep aan je voeten kan opduiken. Maar dat bedreigende beeld dat heel dichtbij kan komen in je verdriet als je rouwt, heeft iets dubbelzinnigs. Er zit als het ware een mystieke lading in: het is niet alleen maar bedreigend en negatief - het kan je ook dragen.  

Ook bij de schrijver Jabès is het dubbelzinnig, ambivalent, heeft het verschillen­de ladingen. God als afgrond die alles opslokt - uiteindelijk vallen wij allemaal in Gods' hand bij ons sterven. In die zin is hij een alles verslindende afgrond. Maar dat is niet persé negatief, er kan veel troost uit spreken.

Als wij groot verdriet hebben kunnen wij eveneens het gevoel hebben dat wij in een afgrond vallen, maar nu als levende mens. Je gaat niet echt dood, maar de pijn is vreselijk en het verdriet soms hartverscheurend. Als je dat 'zwarte gat' waarin je terecht bent gekomen God durft te noemen, dan kan daar ook veel troost van uit gaan. Want dan is God (zelfs ook) in jouw diepste duisternis, dan is die duisternis God. Was het niet Oosterhuis die dichtte op Psalm 13, de Psalm van verlatenheid:

Dan nog,

klamp ik mij

 

klamp ik mij

vast aan jou

 

of je wil of niet

 

op genade

of ongenade

 

ik zal red mij

red mij roepen

 

of zoiets als

heb mij lief.

Uit dergelijke woorden put ik alle hoop die een mens nodig heeft; ook in de Afgrond is God aanwezig - misschien, als je durft je over te geven,  meer nog dan elders. En, je hoeft voor géén enkele afgrond meer bang te zijn! Dat geeft mij heel veel troost.


OP DE PROEF GESTELD (1)

Wij mensen worden op vele wijzen op de proef gesteld in ons leven. Dat laten ons ook veel verhalen uit de bijbel zien. Het boek Job is er een van. Ook het verhaal van Jezus in de woes­tijn getuigt van beproevingen. Toch lijkt het dat de beproeving van Jezus in de woestijn op het eerste gezicht niet van dezelfde categorie is als het soort dat ons in ons leven kan overkomen. Tenslotte kun je het verhaal van de verschijning van Satan in de woestijn bij Jezus ook nog een visioen noemen, een visioen dat een gevolg was van veertig dagen vasten.

Terwijl beproevingen die wij ondergaan zeker géén visioen zijn: je zult maar je kind, je kleinkind verliezen door de hand van een mens - niet alleen je leven stort in, je toekomst samen met je kind en kleinkind(eren), ook de bodem die je tot nou misschien onder je voeten hebt gevoeld in je geloof, in de wijze waarop je met mensen en dingen omging, je vertrouwen, je optimisme misschien, die kan als sneeuw voor de zon verdwenen lijken  weggeslagen door dit vreselijk, gruwelijk gebeuren.

Klagen als Job, God misschien vervloeken, haat voelen opkomen tegen mensen, daders, misschien tegen jezelf, je eigen onmacht haten, je machteloosheid verwensen, je kind, je kleinkind keert er niet door terug. De pijn blijft, het verdriet brandt in je ziel en trekt er diepe sporen.

Je wordt een ander mens, beproefd, getekend, nooit meer dezelfde. Misschien is de beproeving rond wel of niet geloven, wel of niet zeker zijn van een God, wel of niet vertrouwen in mensen, ondergeschikt aan deze ultieme beproeving als je je kind verliest. Hoe moet je dan verder leven, hoe kun je verder leven, is er wel een weg, een uitweg om met het verdriet en de pijn te leren leven?

Ik geloof dat er slechts één antwoord is op deze vorm van beproeving, een antwoord dat je als mens níet alleen kunt geven, een antwoord dat je slechts kunt geven als je door anderen gedragen, gesteund, mede gedragen wordt. En dat ant­woord heet mededogen, mensen die met je mee willen lijden, mee dragen, mee voelen. Mensen die voor je klaar staan en die naar je verhaal luisteren al is het voor de 100ste keer.

Op die wijze is er een spoortje licht in de duisternis, is er een smal pad uit de beproeving, uit de vreselijke pijn die nog lang, zeer lang zal gaan duren. Als beproefde rest je geen andere keuze dan dit pad te gaan, deze weg van hoop, hoe smal ook, in te slaan. En alle anderen om je heen, zij hoeven niets anders te doen dan mee te gaan, telkens kleine stapjes, een woord, een gebaar, een brief, een telefoontje en noem maar op -  het is eigenlijk zo gemakkelijk om bij iemand te zijn, als je maar wil, als je maar tijd wil vrijmaken.

Mededogen ervaren van de mensen om je heen is de weg, is het antwoord uit de beproeving - er is géén andere weg, géén andere (snellere) wijze, geen medicijn tegen dit vreselijke lijden. En hoe meer wij ons hart laten spreken, hoe meer ons hart zal willen spreken. Zo gaat dat met liefde, zij vermin­dert niet, maar groeit naarmate wij er meer van wegschenken.

Dat kan ik ons enkel toewensen: veel mede­dogen, vooral met hen onder ons die zonder niet meer kunnen leven, die de be­proeving niet alléén kunnen dra­gen.


OP DE PROEF GESTELD (2)

Een tijd geleden stelde ik dat wij vaak in ons leven op de proef worden gesteld door het verdriet en het lijden dat ons overkomt. Ook gaf ik aan dat een uitweg uit de beproeving vaak een kwestie is van mededogen erva­ren van de mensen om je heen. Zij reiken jou door hun begrip en meeleven een hel­pende hand, ze tonen als het ware een uitweg als een 'smal spoor in de nacht', zij geven een 'licht­puntje hoop', een daardoor een manier om met de beproeving van het lijden en het verdriet te leren leven.

Verbaasd was ik dan ook toen ik in het bijbels tijdschrift Jota de volgende tekst tegenkwam: "Elke beproeving die je overkomt, kun je te boven komen door te zwijgen."

Er staat geen bronvermelding bij, géén naam. Wij kunnen dus niet verder lezen bij de betreffende auteur om meer te weten te komen over deze uitspraak, in welke context hij gedaan is en op wie/wat hij slaat. Ik vind het een intrigerende uitspraak, hij boeit mij, ik kan hem niet (zomaar) terzijde schuiven als niet relevant want ergens vermoed ik dat (óók) hierin een kern van waarheid schuilt.

Verdriet en lijden moeten heel vaak stem krijgen om er mee om te leren gaan. Om je verdriet als het ware even 'buiten je' te kunnen plaatsen. En dat laatste kan opluchten, verlichting schenken. In ons citaat zou eigenlijk het omgekeerde moeten gebeuren: zwijgen! Steeds maar zwijgen...zwijgen om de beproeving (van het lijden en het verdriet) te boven te komen. Is dat zo? Kunnen mensen dat bevestigen die veel lijden onder­gaan, mensen die als het ware geteisterd worden door verdriet dat hun met vlagen over­valt? Ik weet het niet, ik heb het nooit gehoord, maar misschien heb ik er niet genoeg over nagedacht, misschien heb ik zelf te weinig leed ervaren om dit uit eigen ervaring te kunnen beamen.

 Zwijgen als uitweg uit de beproeving? Maakt zwijgen niet een­zaam? Of geeft het zwijgen een stukje bescher­ming, een soort 'muur' om je heen waardoor je minder geraakt wordt? Voor mijn gevoel is zwijgen dubbel­zinnig, ambivalent, het kan zowel positief als negatief zijn. Maar geeft zwijgen ook troost, troost het je in je verdriet, in je lijden? Ik weet het niet.

Bovengenoemde uitspraak is een tekst om de tanden in te zet­ten: er staat veel op het spel want lijden en verdriet zijn geen ongevaarlijke ervaringen, zij kunnen je leven verwoesten, ze kunnen je leven tot een ware hel op aarde maken. Spreken zilver, zwijgen goud, ook in ons verdriet? Wie zal het zeggen. De titel van het tijdschrift Jota luidt: 'God zwijgt in alle talen'. Deze ervaring is van alle tijden: God zwijgt, wij horen níet zijn stem, wij krijgen géén antwoord, ook niet op het ergste lijden dat ons overkomt. Zou deze ervaring van Gods' zwijgen model staan voor ons zwijgen in de beproeving: zó zwijgen als God zwijgt?

Etymologisch (woord afleidkundig) schijnt zwijgen samen te hangen met 'zwichten' in de zin van: tot rust brengen, tot rust komen, wijken, ophouden. Zwijgen als het doen ophouden, het (zelf) tot rust brengen van het verdriet? Zwijgen als het doen wijken van het gevoel van leed; of misschien anders uitgedrukt: het accepteren ervan en weten wat je te doen staat namelijk 'verder leven', zó verder leven dat je je niet (meer) alleen laat bepalen door het verdriet en het lijden, want er zijn nog zoveel andere dingen te doen! Zou dat de verborgen betekenis achter het zwijgen zijn?

Maar komt dat zwijgen niet te vroeg, heb je niet eerst veel tijd nodig om je te uiten, om je verdriet te laten zien, te laten horen. Tijd ook om te ervaren dat er mensen luisteren en je bijstaan? Spreken en zwijgen, misschien is het een kwestie van maat houden, van de juiste dosering.

Alleen de lijdende, de verdrietige kan, zo vermoed ik, hier­over echt meepra­ten. God is in de stilte, dat zegt de bijbel, daarom is God misschien ook in het zwijgen! De bijbel is 'het spreken van mensen in naam van God'; wij moeten eerst stil (kunnen) worden om goed te luisteren, zwijgen om goed te verstaan - ook de stem van ons verdriet kan zo pas worden gehoord...wie weet hoever ons zwijgen ons kan brengen. Veel stilte, veel bezinning, veel diepgang gewenst.


OP DE PROEF GESTELD (3)

Als je geconfronteerd wordt met groot lijden door het verlies van een dierbare ga je de wereld met andere ogen zien. Opeens vallen een aantal dingen weg die je vroeger misschien belangrijk vond, je maakt je minder druk om dingen die dage­lijks gebeuren want wat zijn zij in vergelijking met jouw verdriet. Je wordt een ander mens die kijkt met andere ogen: ogen soms rood van tranen, ogen die weten wat het is om te moeten huilen.

Alle mededogen dat je mag ondervinden van je medemensen doet dan goed, het helpt je verder, verder met leven en met leren accepteren wat eigenlijk niet te accepteren valt, wat je niet accepteren wilt: dat je verder moet, verder zonder je dierbare geliefde die door de dood is gehaald. Dat valt niet mee: verder leven is nu een leven met wonden, met grote diepe littekens die pijn doen, die snijden.

Je kunt proberen als de maanden verstrijken, om je innerlijke stem wat tot bedaren te brengen, die stem die je voortdurend eraan herinnert dat je pijn hebt om het verlies, die stem die je laat horen en voelen dat je je geliefde mist en dat je leven nu opeens heel anders is: minder zorgeloos, minder naïef, minder kun­nen genieten van de natuur en de dingen om je heen. Zwijgen, het laten zwijgen van je verdriet, door je niet te laten meeslepen, niet zó te laten meeslepen dat je maar blijft huilen, huilen zonder ophouden.

Naast de ervaring van aandacht en meeleven van de mensen om je heen, naast het zwijgen als vorm van zelfbescherming is er nog een derde weg om met deze beproeving van pijn en verdriet om te gaan: buiten jezelf treden, naar mensen toegaan die een beroep op je doen, die je nodig hebben.

Hoe dat kan laat het volgende verhaal zien: "Een vrouw verloor haar man en haar zoon, en zij ging naar een wijze man met de vraag 'waarom het haar had getroffen, waarom man en zoon waren weggerukt uit haar leven'. De wijze antwoordde: 'vrouw kijk om je heen, als je mij een huis kunt aanwijzen waar geen verdriet is, krijg je ant­woord.' De vrouw ging op weg, van huis naar huis, maar overal waar ze kwam ontmoette ze leed en verdriet. Na jaren kwam zij weer terug in het dorp waar zij was vertrokken. Ze sprak met de wijze die haar naar haar ervaringen vroeg. Zij antwoordde: 'ik ben géén huis zonder verdriet tegengekomen, géén huis zonder lijden. Daarom heb ik maar overal waar ik kwam zo goed en zo kwaad proberen te helpen.

Ik geloof dat ik nu een antwoord op mijn vraag heb: het waarom van ons lijden ligt in het antwoord dat wij erop geven'. 'Je hebt juist geantwoord', sprak de wijze, 'het lijden kom je alleen te boven door er recht voor te gaan staan en niet te vergeten dat er steeds mensen zijn die je nodig hebben'."

Omgaan met de beproeving door de beproeving te relativeren, door de confrontatie met het lijden van anderen. Maar niet te snel, niet voordat je genoeg tijd hebt doorgebracht om oog in oog met je eigen lijden en verdriet te staan, zodat je al gevoeld en geleerd hebt hoe het is om tot op het diepst van je wezen teruggeworpen te worden op jezelf.

Pas daar, vanuit dat diepste punt, vanuit die diepe put, kan er een omkeer plaatsvinden, een weg die langzaam weer naar boven voert. Een weg aan de hand van anderen, die je helpen en die je begrijpen en aanvoelen, aan je eigen hand, door jezelf moed in te spreken en te blijven hopen, door het verdriet niet te laten overheersen, het af en toe te doen zwijgen, en aan de hand van je wilskracht en nieuwe openheid voor het leed van anderen die je nodig hebben.

Want jij weet nu wat lijden is, jij kunt anderen die lijden heel goed verstaan en heel veel mee­geven. Misschien is deze laatste weg niet voor iedereen weggelegd, misschien is niet iedereen even sterk en dapper om dit avontuur aan te gaan. Maar het valt wellicht te proberen: mensen kleiner en zwakker trekken je vaak door je verdriet heen, dwars door alle pijn en tranen, op weg naar een nieuwe toekomst die steentje voor steentje langzaam wordt gebouwd. Een nieuwe weg naar een stukje licht. Licht dat voor ons allen mag schijnen. Veel sterkte op deze weg.


OP DE PROEF GESTELD (4)

Als de dood plotseling in ons leven inbreekt als een niets ontziende kracht en als wij achter blijven met een groot gevoel van leegte, verdriet en pijn om de verloren geliefde, is het vaak een stukje muziek, een melodie die vóórkomt dat wij wegzinken, wegzinken in een bodemloze put van ellende.

Een paar keer heb ik meegemaakt bij een groot verdriet, en ook nu weer bij de onverwachte zelfgekozen dood van mijn moeder, hoe een lied, een melodie door je hoofd blijft gaan en je zo kan behoeden voor een te harde confrontatie met de dood; want die eerste dagen, weken, ben je vaak niet in staat om te beseffen wat de dood heeft aangericht in je leven. Dat doet téveel pijn.

In de psychologie noemt men dat de "fase van de ontkenning", de tijdspanne waarin je psychisch langzaam moet gaan wennen aan het gruwelijke lot wat je overkomen is. Teveel directe confrontatie, teveel realiteitsbesef en weten, voelen, kennen wat er gebeurd is en welke de gevolgen zijn, kan tot waanzin lijden: letterlijk "gek van verdriet" worden.

Dat kan onze menselijke geest vaak niet aan, daarom werken er beschermings­mechanismen in een mens en raakt hij als het ware slechts mondjesmaat, stap voor stap vertrouwd met het vreselijke gebeuren. Maar ook deze gedoseerde vorm van het pijnlijke feit is vaak ondragelijk: je lichaam, je geest, alles lijkt te veranderen. Je wordt 's morgens wakker met pijn, je voelt je ellendig, beroerd. Elke ochtend weer opnieuw dat besef: hij/zij is er niet meer! Wat nu? Hoe verder? Alweer een vreselijke dag vol verdriet.

Misschien wil je wel in bed blijven, niemand zien, niemand spreken. Alleen, je verstoppen, verbergen, ook voor het vreselijke nieuws dat elke ochtend je als een mokerslag treft. En dan heb je weer momenten dat je wilt praten, huilen, getroost worden, een arm om je schouder voelen, behoefte, vreselijke behoefte aan begrip en steun. Je hebt het gevoel dat je onderworpen bent: aan stemmingen, dan weer alleen willen zijn en dan weer mensen willen zien die je opvangen, die naar je willen blijven luisteren.

En soms is er muziek, die melodie, dat deuntje, of een psalmtekst, een tekst van een gebed of een zanger/zangeres die je aanspreekt. Soms hoor je niets anders dan die woorden, die klank in je hoofd. Ik heb dat met jiddische muziek, liederen uit de chassidische gemeenschap (uit het Oude Oostblok), de getto's waar grote armoede en vervolgingen heersten. De melodie van deze liederen is bijna altijd weemoedig, melancholiek. Maar ook veel hoopvolle tonen klinken er in door, veel verzet tegen de omstandigheden, veel vertrouwen en vooral veel, heel veel levenskracht.

Dat geeft mij moed, dat geeft mij ook veel vertrouwen, weten dat er mensen zijn die liederen hebben leren zingen in de meest verdrietige en ellendige omstandigheden. Liederen die hen niet deden vertwijfelen, hoe zwaar de beproeving soms ook was. Liederen die hen moed gaven, levenskracht, overlevingskracht, geloof tegen alle klippen op, uiteindelijk zelfs op de drempel van de gaskamer in de concentratiekampen. Wat is dan mijn verdriet?

En zo voeg ik mijn persoonlijk verdriet misschien onbewust bij dat grote verdriet van mensen, die al eeuwenlang moeten lijden. En misschien geeft dat ook een stuk troost: weten dat je niet de enige bent.

Maar ook de kracht en de inspiratie gaan zo een eigen leven in jou leiden als je deze liederen in je leven een plaats wilt geven, als ze je als het ware komen aangewaaid en als je op de fiets gedragen wordt door hun melodie.

Misschien is muziek wel onze redding, ons vlot op de woeste zee van verdriet. Misschien is muziek wel het koord waardoor wij ons zelf kunnen voorttrekken, dwars door het verdriet heen, op weg naar een zonniger toekomst. Dat wens ik dan ook ons allen: veel levensmuziek, veel levensmelodie vol kracht en levenskracht in de periodes van groot verdriet en beproeving.


OP DE PROEF GESTELD (5)

De onverwachte dood kan een grote beproeving zijn - zo groot dat woorden ontbreken om de ervaringen rond deze dood een plaats te geven in ons leven. Daarom hebben we in 1995 in de parochie een klein boekje uitgegeven met gedichten. In een kleine oplage slechts én gratis.

De gedichten in dit boekje gingen allen over de dood en het verdriet dat de dood kan oproepen. Zeker als deze dood onverwacht komt als een dief in de nacht. Een aantal mensen uit de parochie die geconfronteerd werden met de dood van een geliefde hebben wij toen dit boekje als een stukje ondersteuning toegestuurd met de motivatie: "Deze gedichten kunnen ons woorden en beelden aanreiken, zeker als wij zelf geen woorden kunnen vinden om ons verdriet te uiten en er over te kunnen praten."

Poëzie, gedichten, de taal van dichters, is naar mijn gevoel beter in staat om te verwoorden en zichtbaar te maken wat in ons ten diepste leeft. Ook een groot verdriet en een groot lijden krijgt in een gedicht een andere stem en een ander lading dan in een theologische of andere wetenschappelijke verhandeling. De taal van dichters is vaak voor meer uitleg vatbaar, is open, heeft meer betekenissen.

Daardoor komen de complexe kanten van de werkelijkheid van het verdriet en de dubbelzinnigheden in gevoel en emotie beter tot hun recht. Mensen die verdrietig zijn kunnen ook nog lachen, zijn soms wanhopig, woedend, ontroostbaar, dank­baar en ga zo maar door. Vaak komen heel veel gevoelens en emoties bij elkaar. Dat valt bijna niet uit te leggen, zeker niet aan mensen die het niet hebben meegemaakt, en zeer zeker niet aan hen die er niet voor open staan!

Ook dat laatste is soms een stukje beproeving: de wereld draait voort en de mensen gaan hun eigen wegen. Dat komt vaak hard over, zeker als jouw leven helemaal overhoop is gehaald door een plotseling dood van een mens waar je veel van hield. Ook jij moet verder gaan met leven, met boodschappen doen, eten koken, mensen ontmoeten. En ondanks de last van het verdriet is er ook voor jou in onze maatschappij nauwelijks extra ruimte waar je tijdelijk vrijgesteld bent van alle verwachtingen en prestaties.

Een van de weinige dingen die je dan kunt doen is je af en toe terugtrekken, lezen, foto's kijken, een wandeling maken in de natuur en tijd en ruimte maken voor je verdriet buiten alle verplichtingen en eisen die er aan je gesteld worden.

Gedichten, verwoord verdriet, pijn vervat in melancholieke beelden, zij kunnen je dan troost verschaffen. Zij kunnen je woorden geven, handgrepen als het ware om je verdriet beter te uiten, er over te praten met anderen, je gevoelens bloot te leren leggen zodat zij niet meer alleen van binnen branden.

MARIKO

Een eenzame wind, 

in het avonduur -

een huilend kind is de weg kwijt

Maar jij Mariko, bent niet hier

 

In de blauwe avondschemering

dacht ik, dat ik hoorde -

in de stem van de wind,

het geritsel van je kleed

Maar jij Mariko, bent niet hier

 

O, kleine wind,

wees mijn vriend,

houd me vast,

want ik ben eenzaam als jij

Maar jij Mariko, bent niet hier

 

De wind wiegt me in slaap,

wees stil, mijn kind, - 

och, wind wieg me nog meer

o, Mariko, ik wil de jouwe zijn!

 

Uit het theater van het Getto van Wilna.

 


Een zee van droefnis - een veilige kust om langs te gaan...

In een boek over Boeddhisme kwam ik laatst de volgende spreuk tegen, een uitspraak die mij persoonlijk veel troost en steun geeft, omdat ze als het ware direct aansluit bij mijn leven sinds de dood van mijn moeder. De spreuk luidt:

"Een zee van droefnis

strekt zich uit

tot in het oneindige

 

Maar keer je om

aan je voeten ligt

de veilige kust!"

Prachtig vind ik dat die nuchterheid, deze realiteitszin, midden in de duisternis, midden in het verdriet waaraan voor je gevoel geen einde schijnt te komen. Voor je zie je enkel water, golven, tot aan de horizon. Maar je staat aan de kant, je kijkt slechts naar de zee, je bent er geen deel van: je wordt niet opgeslokt door de golven.

Misschien voelt veel verdriet zo, zeker in het begin, als een opgeslokt worden, een soort verdrinken, ondergaan en niet meer boven kunnen komen. Een gruwelijk beeld vind ik dat, zeker als ik bedenk dat mijn moeder zich moed­willig verdronken heeft in het water: het was haar keuze, haar manier om gered te worden van de wanhopige en depressieve gevoelens die zij had en die haar geen mogelijkheid meer boden om verder te leven.

Water is daarom nu voor mij ook doodsdreiging. Ik had het kunnen weten uit de verhalen uit de bijbel waar mensen in het verhaal van Noach en van Mozes onder gaan in de golven. Maar dat zijn 'slechts' verhalen en het is lang, lang geleden gebeurd. De realiteit voelt altijd anders. Ook mensen uit gebieden die bijvoorbeeld in 1953 zijn overstroomd zullen dit anders beleven, zij hebben aan den lijve ervaren wat het is als het water als een doodsdreiging boven hun hoofd hangt.

Toch is het vreemd in ons leven dat water tegelijkertijd dood en leven kan bete­kenen: dat dubbelzinnige, dat ambivalente. Daar hebben wij mensen het mis­schien vaak moeilijk mee omdat wij graag duidelijkheid willen: zwart of wit, niet beiden. Toch komen de grote en belangrijke dingen in ons leven vaak in meerdere ge­daantes voor: positief en negatief: als geloof en twijfel, hoop en wanhoop, vreugde en verdriet. Het menselijk leven kan eenmaal niet zonder deze beide kanten, zou je zo denken. Wat is dat dan, waarom dat dubbele?

Misschien is het wel zo door God gepland opdat we het positieve leren waarderen en ontdekken onder het negatieve. Dat gaat nooit vanzelf. Meestal is dat een lange weg doorheen pijn en verdriet. Echte liefde gaat nooit verloren, maar dat zal pas echt blijken in moeilijke, in heel moeilijke omstandigheden. De "misluk­king houdt de liefde bij krachten" schreef de Joodse filosoof Rosenzweig. Ik geloof dat hij alle gelijk van de wereld heeft. Het komt er alleen op aan om te lopen, lopen langs het strand, langs de kust van onze mogelijkheden. Niet alleen blijven staan en staren naar het water... laat de golven maar aanspoelen, het wordt ook weer eb na de vloed.

Liefde vindt altijd vaste grond onder haar voeten, of in ons hart. Dat houd mij en vele anderen vermoed ik op de been. Daarom veel liefde, veel durf om naar het water van de droefnis te kijken en veel moed om langs het strand te lopen met het water van verdriet aan je zijde....op weg naar betere veilige tijden.


EENZAAMHEID

Het is goed om af en toe eens een oude(re) filosoof uit de kast te halen die een hulp kan bieden bij het nadenken over ons leven. De Spaanse filosoof José Ortega Y Gasset schrijft dat ons leven niet overdraagbaar is: ieder van ons moet zijn eigen keuzes maken en zijn eigen leven leiden - wij kunnen niet in de schoe­nen van iemand anders gaan staan. Dat is onmogelijk. Dat wisten we natuurlijk allang, maar kennen wij ook de consequenties van deze waarheid als een koe?

Daarom, zo schrijft Ortega, is ons leven in de diepste kern eenzaam, radicale eenzaamheid. Deze radicale eenzaam­heid bestaat er niet in dat er buiten mij niets zou zijn. Integendeel, wij worden omgeven door het hele universum en wij maken er zelf deel van uit. Maar mid­den in dit universum staat de mens op zichzelf gesteld. Ortega noemt deze radicale eenzaamheid het meest (radicale) menselijke aan ons menszijn.

Eenzaamheid is volgens deze filosoof óók altijd verlatenheid, zonder – iemand - zijn, alleen zijn en iemand (moeten) missen. Bijvoorbeeld ons woordje 'monnik' komt van het Griekse woord 'moný' dat 'vertoeven, oponthoud' betekent, met de bijbetekenis van 'overblijven, alleen blijven, zonder de anderen zijn', misschien omdat ze weggegaan zijn of gestorven. Of misschien omdat wij hen achter gelaten hebben in de wereld om zelf in de woestijn het leven van een monnik te gaan leiden.

In het Spaans wordt gesproken over 'Onze Lieve Vrouw van de Eenzaamheid',  "Nuestra Señora de la Soledad", de maagd Maria, die verlaten achterblijft nadat ze Jezus hebben gekruisigd. En Ortega zegt dat de passiepreek, die ook wel 'de eenzaamheidspreek' wordt genoemd, gaat over de meest pijnlijke woorden van Jezus aan het kruis: Eli, Eli, lama sabachthani: God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?" "Waarom heb je mij alléén gelaten, alleen én zonder jou?

Ortega zegt hierover: "in géén enkele andere uiting openbaart zich zó diep Gods­'wil om mens te worden en dát op zich te nemen, wat aan ons mensen het meest radi­caal menselijke is: onze radicale eenzaamheid."

Wij mensen zijn dus eenzaam, alleen, alleen gelaten. Daarom gaan wij op zoek naar vrienden, vriendinnen, naar liefde, om onze eenzaamheid te doordringen met de eenzaamheid van iemand anders en zo samen te smelten. Misschien is dát ook een stukje Pinksteren: 'mogen ervaren dat Gods' eenzaamheid de gestalte aanneemt van liefde, een liefdesvuur, dat ons kan verlichten en verwarmen.' Want zo zou je de gebeurtenis van Pinksteren kunnen zien: alleen gelaten, hevig ontgoocheld, zwaar teleurgesteld en bedroefd hokken de leerlingen van Jezus bij elkaar uit angst om zelf te moeten sterven.

In hun eenzaamheid zijn zij volslagen alleen, misschien zelfs op het depressieve af want door het lijden en sterven van Jezus worden zij bijna letterlijk 'neerge­drukt in het stof'. En dan gebeurt er opeens iets wonderbaarlijks, 'haastig' staat er, 'een geluid uit de hemel, zoals een geweldige wind en het hele huis wordt erdoor vervuld'. Opeens breekt er een nieuw besef door, een nieuwe Geest neemt bezit van hen. Alsof er 'een vuur in tongen op ieder van hen zit', en ze beginnen te spreken in talen, een soort nieuwe extase. Iedereen kan hen ver­staan want het is de Geest Gods die zich hier openbaart. Hun eenzaamheid, hun alleen zijn is plotsklaps opgeheven, als sneeuw voor de zon verdwenen, zo lijkt het wel.

Misschien is dat wel het allergrootste wonder: Jezus wordt deelgenoot van elk mens, van elke radicale eenzaamheid, door die eenzaamheid zelf te ondergaan. En dan blijkt dat die eenzaamheid, hoe radicaal ook, hoe diep geworteld in een mensenleven, niet het laatste woord heeft: dat er een 'hierna' is, een verder dan de eenzaamheid. En dat is 'geestkracht', mogen ervaren dat er een kracht is die ons uittilt boven de eenzaamheid van ons mensenbestaan. Ortega wijst ons op die kracht(en) in ons leven als hij de Spaanse uitspraak 'hacer tiempo - tijd vergaan laten' onder de loep neemt.

Tijd vergaan laten (in je leven) wil zeggen: wachten, tijd van verwachting, tijd van hopen. Want leven is in de meest eigenlijke zin: verwachten, hopen. De leerlingen wachten 50 dagen en dan vindt het wonder van Pinksteren plaats: 50 dagen vol spanning, vol eenzaamheid en vol ingehouden emoties. En dan barst het los, worden ze over­weldigd, grijpt de hoop hen naar de keel (in plaats van de angst) en worden hun stembanden los, spreken, schreeuwen ze het uit...zijn ze niet langer gevangenen van hun eenzaamheid, maar vrij, ten diepste vrij om kinderen Gods te zijn en zo te leven in de sporen van de Heer.

Misschien moeten wij voordat wij Pinksteren kunnen ervaren eerst het lijden meemaken, de eenzaamheid en de diepe ellende van de teleurstelling in het leven. Dan pas zijn wij misschien rijp voor een aanval van de Geest, zijn er géén hindernissen meer in ons leven die de Geest kunnen tegenhouden. Dat is toch eigenlijk heel bemoedigend! Geen lijden gaat zo diep, is zo zwaar of er zal een Pinksteren zijn, voor ieder van ons.


EEN 'EEUWIG' GRAF?

"Rust zacht", "Rust in vrede", staat vaak op het stenen graf.

"Rust zacht", wat is dit 'rusten', wat is 'zacht', wat is 'in vrede'?

De dood wordt hier met de slaap vergeleken, zacht rusten op het kussen van de dood. De stilte en de rust van de dood die alles beheerst, een stilte die voort­duurt, door niets onderbroken, een doodse stilte.

Eeuwig rusten, wachten, slapen, tot de dag van de opstanding. Misschien zou het idee van de opstanding van de doden wel nooit geboren zijn als er niet een idee van de dood was geweest als 'slaap'. Een rusten in de armen van de dood, alsof deze stille 'geliefde' de mens in een omarming gevangen houdt. Pas op 'de dag des oordeels', de dag door God bepaald, als de Messias komt, dan worden de doden wakker gekust, vrijgemaakt uit deze omhelzing. Dan verliest de dood zijn macht. En is er géén slapen, géén rusten meer in vrede!

"Rust in vrede", wat is hier vrede? Is het de vrede van een tot rust gekomen gemoed, een leven vol verwarring, vol spanning en angsten? Of is het een hemelse vrede die volgt op het aardse leven? Een vrede getekend door de slaap, door overgave, door het bereiken van je doel, je levensdoel?

Is je levensdoel de dood? Is de dood het einde, het absolute einde van je be­staan? Sommigen zeggen van wel, want over de grenzen van de dood kun je niet heenkijken. Anderen zijn vol vertrouwen dat ná dit leven en ná deze dood God nog iets anders in petto heeft voor ons. Hoe en wat, dat is onbekend, maar het vertrouwen is er. Het is aanwijsbaar bij mensen, het houdt hen op de been om niet te vertwijfelen, niet te wanhopen, hoe ellendig de aardse situatie ook is waarin ze moeten verkeren, leven.

Weer anderen geloven dat het leven een leerproces is met telkens nieuwe kansen, nieuwe geboortes, steeds weer opnieuw. Totdat de kringloop, het rad der wedergeboorte aan zijn eindpunt is gekomen, het 'Nirwana', het opgaan in het grote "Niets". Maar misschien zijn de beelden van het 'leven' ná de dood, de verhalen, de geloofsgetuigenissen "ladders", hulpmiddelen, een soort houvast om uit de diepte van de vertwijfeling te klimmen, uit de afgrond van de wanhoop waarin je door het feit van de dood gestort kunt worden.

De dood maakt aan alles een einde: letterlijk aan "alles". Niets blijft er van je over, niets zichtbaars, tastbaars, grijpbaars. Helemaal niets? Absoluut niets?

Als gelovig mens, dat wil zeggen als mens die wil vertrouwen, die durft te vertrouwen, vertrouwen op God, God als liefde, moet ik zeggen dat misschien alleen de liefde blijft, dat géén dood de liefde kan doen doven.

Hoe ik dat zo zeker weet? Omdat liefde "sterk is als de dood!" dus niet klein te krijgen door de dood. Omdat liefde telkens weer, ook al slaat de dood toe, doorgaat in het leven, de levenden. Gegeven liefde gaat nooit verloren. Geschonken liefde gaat verder in degene die ontvangt. En dat geschenk gaat van hart tot hart, van hand tot hand. De dood komt altijd te laat, hij kan de liefde nooit inhalen. Hij is niet snel genoeg voor de liefde.

Zelfs aan het sterfbed kan de dood niet voorkomen dat de liefde heen en weer stroomt. Dat de achterblijvers meedragen wat ze van de stervende hebben ontvangen. Daarom bestaat géén eeuwig graf! Een eeuwig graf zou een triomf zijn van de dood op de liefde. Graven kunnen de liefde niet houden, niet vast­houden. Daarom is Jezus opgestaan, leeft hij verder in ons mensen. Daarom zullen wij opstaan, leven in de mensen die na ons komen. Als we maar liefde delen, uitdelen, wegschenken, helemaal voor niets.

"Rust zacht, rust in vrede", misschien betekenen deze woorden wel: thuis bij God, eindelijk liefde die aangekomen is, liefde die thuisgekomen is.

 


Hemelvaart: "Ne me quitte pas" - "verlaat me niet"

"Verlaat me niet, ga toch niet, ...wij vergeten de tijd..."

Deze woorden uit een lied van Jacques Brel, maken altijd diepe indruk op mij. Verlaat me niet... Brel zingt het smachtend, vol passie en overgave, alsof zijn leven ervan af hangt. En dat merk je, dat voel je als je naar zijn liederen luistert.

Brel was een Belgische zanger, die veel te jong en veel te vroeg is gestorven. Ik heb wel eens het idee dat hij was als een kaarsvlam: flakkerend in de wind, en daardoor veel sneller op dan een kaars die rustig kan branden.

Misschien ging het ook zo met Jezus: ook hij brandde hevig en hartstochtelijk, zo zeer zelfs dat hij de mensen aanstak die om hem heen stonden, en ook zij begonnen te branden, te gloeien dat de vonken ervan af sprongen. Aangewakkerd door de wind, gegrepen door de nood van de mensen die zij om zich heen zagen zetten zij alles op alles om er wat van te maken - liefde die overspringt, liefde die aanvuurt.

Misschien hebben ze het uitgeschreeuwd, diep van binnen gevoeld als een pijnlijke smart, met een hevig bloedend hart gesmeekt: "verlaat ons niet - laat ons niet alleen!"  En er moesten engelen aan te pas komen, een visioen uit de hemel, om hen met de neus op de aarde te drukken: "niet van omhoog komt de liefde, komt het heil, maar uit jullie handen, jullie harten..." zegt de engel met klem. "Dat is wat Jezus jullie heeft laten zien - doe evenzo!"

Wat blijft is de pijn, de pijn van het afscheid, het verdriet om de verdwenen geliefde, maar wat we houden, innig mogen vasthouden, is de liefdesgloed, de herinnering aan de liefde die zo sterk is dat ze ons telkens weer kan doen ont­vlammen...

Dat is wat ik bij Jacques Brel ervaar: zijn hang aan het leven, de liefde, de men­sen, wat hij zingend bijna uitschreeuwt tegen alle tegenslagen, alle wanhoop in; als hij met ogen vol tranen zingt over zijn Vlaanderen, dat vlakke land, de westenwind, zijn onvergankelijke liefde die steeds zal duren.

En dat raakt mij tot in het diepst van mijn ziel. Voor mij is hij daarin een perfecte vertolker van de Messias. Want zegt een Joods gezegde uit de Talmoed niet: "in elk van ons schuilt de Messias - wij allen kunnen bijdragen aan een messiaanse tijd" de tijd van God, waarin de liefde heerst en waarin wij vergeten de tijd van het sterven... 'altijddurende tijd', zegt de bijbel, 'zaligheid' zeggen de theologen, 'liefdestijd' zingt Brel en met hem Jezus.

Dat is Hemelvaart: opnieuw mogen weten - het gebeurt hier en nu en het komt allemaal uit onze handen.


Herinnering

Vaak moet ik door het jaar denken aan stukjes landschap waar wij in de vakantie doorheen gewandeld zijn. Opeens staan ze op je netvlies, een mooi vergezicht, een bosweg, of een straatje achteraf. Ook beelden van stukjes stad waar je gezeten hebt, of iets gegeten en gedronken komen vaak boven.

Zo is het misschien ook met beelden van iemand, een persoon waar je veel van gehouden hebt, waar je veel mee gedeeld hebt, maar die nu er niet meer is omdat hij of zij is overleden. Opeens overvalt je een stukje herinnering, hoe hij of zij je kon aankijken, of daar zat en iets zei. Ook de indruk die een lach of een verdrietig gezicht op je maakte kun je uit het niets opeens voor je zien.

Mensen die in de eerste fase van een rouwproces terecht komen vertellen vaak dat zij het gevoel hebben alsof degene die overleden is af en toe in de kamer staat. Je kunt soms tegen hem of haar praten en je weet dat er geluisterd wordt. Ook als je je plotseling omdraait heb je wel eens het gevoel alsof je niet alleen in de kamer bent.

Wat is dat? Zijn dat alleen maar  waanbeelden, indrukken die onverwacht weer boven komen? Ik geloof van niet. Ik geloof dat er meer aan de hand is. Als je iets intensief hebt beleefd, als je lang met elkaar bent opgetrokken en veel hebt gedeeld, dan is er iets bijzonders ontstaan in je leven.

Indrukken en ervaringen zijn als het ware neergeslagen in het centrum van jezelf, van waaruit je naar de wereld kijkt en reageert op de dingen die je overkomen. Net als bij een plaat of een bandje zijn die ervaringen misschien ingegroefd. En als toevallig een stil moment aanbreekt, waarin je niet meegetrokken wordt met je aandacht, dan komt er ruimte, dan valt de naald in die groef en komt het beeld boven waar we boven over spraken.

Het zijn denk ik beelden, ervaringen die wij een leven lang met ons meedragen. Daarom zijn ze kostbaar omdat ze ons iets zichtbaars in handen geven wat we anders zouden zijn vergeten. Misschien werkt ook zo de liefde van God. Via beelden, via opeens opwellende gevoelens en emoties. Want volgens veel mystieke schrijvers woont God in ons allerdiepste wezen. En wij kunnen alleen maar door - dringen tot die God in ons als we leeg worden, leeg van alle dingen die ons dagelijks bepalen. En als er dan ruimte komt in ons zelf, komt er ook ruimte voor God. Als een bron kan zijn liefde dan in je opwellen.

Misschien is het ook wel een blijk van zijn liefde dat die dierbare mens, zo af en toe voor je zichtbaar wordt. Dat het niet alleen maar herinnering is, maar ook bijna tastbare aanwezigheid. Misschien wordt ons mensen zo wel gezegd: "wees maar niet bang, ik ben bij je. Ook al zie je me niet, vertrouw er maar op dat ik in goede handen ben en dat ik een oogje op je hou."

Wie weet hoeveel troost dergelijke woorden, dergelijke beelden ons kunnen verschaffen.  Daarom voor allen die treuren, die verdriet hebben en lijden, veel sterkte, en veel fijne herinneringen.


KANKER

Je gaat naar je werk, je leeft je leven elke dag - en steeds is er een morgen. Je bent je van geen dreiging bewust - geen vuiltje aan de lucht. Mensen worden ziek, mensen sterven, maar het zijn steeds anderen - mensen in je straat, uit je bekendenkring, en soms uit je eigen familie. En dan opeens, een dag als alle andere, voel je je niet goed ‑ er schort iets aan, je weet niet wat. Zou je naar de dokter gaan, zul je het je vrouw, of je man vertellen? Je weet het niet.

'Je moet je niet zo aanstellen' denk je, 'het zal wel weer over gaan'. Maar de dag erna, hetzelfde, en een week later nog niet beter. 'Ik ga toch maar naar de dokter'. En je gaat. Hij stuurt je verder: 'ik kan u verder niet helpen, daar moet een specialist naar kijken' en je maakt een afspraak in het ziekenhuis.

Je vertelt je klachten, er wordt naar je geluisterd. Er worden aantekeningen gemaakt. En dan begint het: bloedafname, urine inleveren, foto's maken, en misschien over een week of drie een kijkoperatie. Wat is er aan de hand?

Verslagen ga je naar huis - een wereld stort in. Je toekomst glipt uit je handen - en ook je vertrouwen - je wordt heen en weer gegooid door je gevoelens - twijfel komt steeds weer boven - zal ik het wel halen - kan i