|
|
Er komt een
tijd dat alle
afgoden, de mensen
aangepraat, zullen vallen
en niet meer
opstaan. Er komt een
tijd dat jonge
mensen, verkommerd in
hun jeugd, zullen hongeren
en dorsten naar een woord
uit de diepte naar een lied
van binnen. Er komt een
tijd waarin de Geest zo ongrijpbaar
als Hij is, mens en wereld
zal vernieuwen - waarin het
leven om zijn ziel wordt geëerbiedigd
en geëerd - om God, het
heilig hart. Peer Verhoeven Ze hebben ons
naar buiten gejaagd in
nachten,
waarin de manen stierven. Geduldig
droegen we het kruis, dat ze uit
leugen, geweld en foltering voor ons
getimmerd hebben en onder de
slagen van hun geweerkolven zakten we niet
slechts drie keer in elkaar - ons kwam op de
eindeloze wegen vol graven geen Simon van
Cyrene tegemoet. Wie onder
jullie levenden kan zeggen, dat hij ons
gezien heeft? Wie onder
jullie doden kan zeggen, dat hij zijn
broeder heeft herkend? Alleen de
moeders vermoedden vanachter door
leed geblindeerde ramen onze uittocht en van hun
lippen ontsnapten geschrokken gebeden het
duister in. Ingesloten door
de nacht trokken we weg uit alle
steden en met ons ging
ook de herinnering. We hadden
dorst, de herinnering
heeft ons laten drinken, we hadden
honger, de herinnering
gaf ons Jobseten, en als we moe
waren heeft de
herinnering uit distels een bed voor
ons gespreid. We waren blind, de herinnering
schiep voor ons de illusie, we waren
doof, de herinnering
was voor ons muziek van cherubijnen, we waren
naakt, de herinnering
leende ons de gedeelde mantel van de troost. We waren
onschuldig en de
herinnering liet ons nimmer in Gods ogen
schuldig worden. Ze hebben ons
naar buiten gejaagd in
nachten,
waarin de manen stierven, en om ons heen
loeide vijandig een woud van
bajonetten. Horst Bienek taal viert
hoogtij, vreugde stijgt
ten top. Woorden, niet
verstaan, slaan naar
binnen, steken ieder
aan. Machtig wordt
de Geest, maakt het leven tot een vurig
feest. Woorden geven
hoop, scheppen
ruimte, woorden worden
brood. Hans Bouma LIED VAN
ROEPING: OVER EN WEER Verborgen vuur,
een sterk vermoeden. Verwaaide
flarden van een lied. Voldoende om de
hoop te voeden op 't rijk
waarin God zelf voorziet. Als wij in
machteloze woede vertwijfeld
vragen waar God blijft, komen soms
mensen als geroepen om stem of hand
van God te zijn. De Geest wil in
de harten wonen. Van jong tot
oud, van laag tot hoog spelen wij in
op wat gaat komen. Pijlen van
vrede op Gods boog. Wij mogen
sprekend op God lijken. Hij brengt ons
samen in een kring, waar wij elkaar
de handen reiken: de laatste
wordt steeds eersteling. De rollen zijn
ons voorgeschreven: de koning komt
als één die dient om machtigen de
les te lezen, de armen delen
in de winst. Wij scholen
samen rond de Schriften. de weg wordt vóór
ons uitgelegd, woorden
doorbreken onze driften. Mens Gods, uit
duister opgedregd. Vermenigvuldig
dan de vreugde waarmee gij
rijk gezegend zijt, om in de wereld
te getuigen van liefde en
gerechtigheid. Henk Abma Het was de
zesde dag. Adam stond klaar. Hij zag de
eiken met hun volle greep in het niets.
Macht is een kwestie van vertakkingen. hij had de
bergen gezien, opbergruimtes
van alleen maar
zichzelf, hoge leegstaande
kelders. En
herten. Met
poten zo dun als stethoscopen stonden ze te
luisteren aan de borst van de
aarde, en zodra ze
iets hoorden, liepen ze weg, de uitvinding
van het pizzicato met zich
meenemend, verten in.
Herten. En hij had de
zee gezien, het laden en het lossen
van drukte, waar je rustig
van werd. En de lege, hetzerige
gebaren van de wind,
van kom mee, kom mee, en niemand
volgde. En
diepte,
afgronden waar je moeilijk van
werd. En zwijgen, want dat deed
het allemaal, en te groot
zijn. En toen zei
God: en nu jij. Nee, zei Adam. H. de Coninck Mijn vader is
een steen geworden, zwart
en groot en even eenzaam
als de
dood. Zijn naam
stamelt zacht door het harde
marmer heen maar het
wachten hoor ik
alleen. Het bonst tegen het
gonzen van zon die weer
opnieuw begon en op de graven
knielt. Mijn
vader, die van schepen
hield, en van de zee. F. Oosterwijk Ik kom al jaren
niet meer buiten en ik ben toch
nog goed ter been, ik zit al jaren
op de bank hier met m'n
verleden om me heen. Ik ga beslist
niet meer de straat op en helemaal
niet op bezoek. Ik sterf al
meer dan duizend doden, die twintig
meter naar de hoek. Moet ik dan
echt alles vertellen, alle pijn en
het verdriet. Ik zit soms
zomaar wat te huilen en
waarom, ik
weet het niet. Ik ben een kind
van joodse ouders. Toen de
Duitsers kwamen was ik tien. Ik ben naar
Friesland toegebracht. Ik heb m'n
ouders nooit meer gezien. Daar in het
noorden was ik veilig, dat zei de
illegaliteit. Maar ik bleef
altijd op mijn hoede, op het ergste
voorbereid. Wat een
gruwelijke jaren, zo alleen en
onbemind, tussen stugge
boerenzonen bleef ik toch
dat vreemde kind. 's Avonds keek
ik in de spiegel, ik zag het
zelf, 'k werd langzaam groot; volle lippen
mooie borsten, maar in de
schaduw van de dood. O mijn God, ik
wil niet sterven zonder de
liefde van een man, maar als de
Duitsers me straks vonden, nou, dan ging
ik er dus an. Om toch ‚‚n
keer mee te maken heb ik de
jongste boerenzoon verleid. Ik dacht: dan
kan ik daarna doodgaan, maar na een
maand werden we bevrijd. En daar zat ik
met mijn minnaar en nog wel
‚‚n die mij aanbad. We
trouwden,
omdat hij dat wilde. We trokken
samen naar de stad. Wat ik hoopte
daar te vinden: vader, moeder,
ome Daan, die bleken na
een half jaar wachten op de
dodenlijst te staan. We zijn een
kledingzaak begonnen, we hebben dag
en nacht gewerkt. Misschien dat
ik toen veel verdriet had, maar ik heb er
zelf niets van gemerkt. Altijd maar
werken in de winkel, nauwelijks
vrienden, ook geen kind. Altijd samen
met die man, die ik voor
‚‚n keer had bemind. Het was niet zo
dat ik hem haatte. Nee, het was
meer een soort verbond. En soms
streelde ik zijn haren, zoals je lief
bent voor een hond. En toen ineens,
acht jaar geleden, kwam alsnog bij
mij de klap. Het was de
eerste week in mei, ik dorst de
deur niet uit, geen stap. Als iemand in
de verte schreeuwde, was ik net een
bevend riet. En ik voelde me
verzuipen in een veel te
groot verdriet. En m'n
allergrootste angst was, dat hij zou
zeggen: "dit kan niet thuis". Dat hij me heel
ver weg zou brengen, voor altijd
naar een gekkenhuis. Maar in het
diepst van mijn ellende, zat hij naast
me, keek me aan en zei:
"je mag me nooit verlaten", alsof ik van
hem weg zou gaan. En zo bleven we
maar zitten op de bank, zo
met z'n twee. Ik heb dagen
zitten huilen en hij huilde
met me mee. En zo leven we
al jaren, ja de winkel is
verkocht. Nee, we hebben
sinds die dagen, geloof ik,
niemand meer bezocht. Hij zegt soms
zomaar in de stilte, zo ineens
"dag lieve vrouw". Dat ik toch zo
laat moest ontdekken dat ik zoveel
van hem hou. hebben en delen weinig hebben uitdelen minder hebben meer uitdelen niets hebben veel uitdelen in de woestijn de vrolijkste gasterij waar het word gastheer geworden is tot alles
verdeeld is en allen gehad
hebben K. Marti is een mens tot
mens gekneed, en God raakt
hem met zijn adem als een vuur
dat leven smeedt. In beton en
glas en ijzer lijkt een mens
zo breekbaar klein, maar de mensen
mogen wijzer, dan de hele
aarde zijn. Want de aarde
heeft geen handen en de steden
gaan niet dood, enkel mensen
kunnen anders, enkel mensen
delen brood. Wie zijn adem
niet wil halen, niet wil
trekken in zijn mond, die moet met
zijn hart betalen want hij komt
niet van de grond. Alle aarde is
maar aarde, maar een mens
is vlees en bloed, geef mij adem
op mijn aarde die mij dieper
leven doet. Een
mens,
geboren uit de aarde en aan de aarde
met hart en ziel gebonden en
verliefd - als God hem
niet met adem raakt, dan blijft zijn
leven koud als steen en zijn handen
missen kracht. Maar als hij
opent hart en mond en zo Gods
liefde in zich ademt, dan wordt een
mens een wonder: zijn tong wordt
aangeraakt door vuur en zijn woorden
verwarmen de aarde - zijn handen
krijgen kracht en dragen stenen voor
huizen van vrede. Zo raakt God
mensen overal en blaast zijn
adem in ze uit: en mensen
worden wonderen als hun leven
gedragen wordt door liefde. Ze kent de
regels uit haar hoofd heeft er ook
een tijdje echt in geloofd paste ze toe totdat haar
bleek dat zo'n
levensregel je meestal je leven ontneemt. Ze kent haar
grenzen, ze heeft ze geleerd heeft ze ook
een tijdje gerespecteerd maar toen ze
die grenzen op een dag overschreed bracht dat haar
meer geluk dan toen ze dat nog niet deed. Nu bouwt ze een
huis van vlees en bloed en als het in
elkaar stort nou, dan deed ze het niet goed genoeg ze bouwt het
buiten alle wetten ze staat weer
op nadat ze viel op vrije grond
zal ze het zetten d’r ruimte
groot de muren nieuw ze bouwt haar
huis, ze bouwt haar leven met haar hart
en met haar ziel. Ze is alleen of
ze is met z'n twee soms kiest ze
de aarde, dan weer de zee elk element dat
is haar nu wel vertrouwd omdat ze van
haar eigen leven nu iets meer houdt ze staat niet
meer stil heeft een weg
in haar hoofd omdat ze in
zichzelf nu iets meer gelooft zij kent geen
grenzen, zij breekt elke wet haar leven is
het leven dat ze zelf heeft ontdekt. Nu bouwt ze een
huis van vlees en bloed en als het in
elkaar stort nou, dan deed ze het niet goed genoeg ze bouwt het
buiten alle wetten ze staat weer
op nadat ze viel op vrije grond
zal zij het zetten de ruimte groot
de muren nieuw ze bouwt haar
huis, ze bouwt haar leven met haar hart
en met haar ziel. Als het vandaag
niet lukt dan is vandaag
een brug naar morgen als
het lukt zo'n huis kan
nooit meer stuk, oh nee als het vandaag
niet staat is morgen niet
te laat volgens haar
eigen wet door niets of
niemand opgelegd volgens de
wetten van haar ziel volgens de
wetten van haar ziel. Liselore Gerritsen Een traan die
altijd in je ogen staat en die niet
langs je neus je leven uitgaat is een traan
die een gegeven is is een traan
die 'n deel van je leven is. Maar een lach
die uit zo'n traan geboren is is een lach die
van verre te horen is is een lach die
van binnen naar buiten is is een lach die
toch nooit meer te stuiten is. Liselore Gerritsen moet ik een
brug slaan naar het verleden moet ik terug
gaan op mijn schreden om weer opnieuw
het kind te zijn. Het kind dat
zich niet rechten kon aan wie de
woorden zijn ontnomen dat aan het net
niet kon ontkomen werd afgesloten
van haar bron. Hoe peilloos
diep de afgrond is mijn woede
maakt mij bruggenbouwer geen angst kan
mij nog tegenhouden het kind is
mijn behoudenis. In het kind kan
ik weer rechtop staan als het zich
koestert in mijn armen vind ik
genezing en erbarmen en durf ik weer
op weg te gaan. Martha Kosian Er zijn daar
oeroude tuinen waar je in
wieden en plukken mag. Je hoeft er
niet heen, maar je mag. Maar je mag
niet alleen. Daar gaat je
bootje. Het waait. Wie zwemmen kan
is beter af dan wie niet
zwemmen kan. Daar kom je
aan, bekaf. De duinen
zwaaien met witte handen dat je welkom
bent. Van al die
vreemde landen is dit land het
minst bekend. Jij bent de god
die mij gegeven
is, de beker die
voor mij ingeschonken staat. Mijn levenslot ligt in jouw
hand, goed land is mij ten deel
gevallen. Jij bent het
lot dat mij
beschoren is, mijn schaduw, de engel die
mij troost mij kwelt - laat deze kelk aan mij
voorbijgaan, gauw, ik kan geen mensen
drinken. Wie ben je, jij
die mij te
drinken vraagt? Je aarzelt nog aan mijn
deur, je klopt en wacht, een dorstend
hert - en ik een lege
bron dorstend naar stromend
regen. Hoor Gij van
Israël Gij onze God,
Gij een. Heb ons lief, met heel uw
hart en ziel uit al uw
kracht. Hoor Gij van
Israël Gij onze God,
Gij een. Heb ons lief, met heel uw
hart en ziel uit al uw
kracht. In stilte
noemen wij U de namen van
dichtbije stervenden de namen van
onze doden de namen van
onze levenden kinderen
vrienden geliefden - Zegen ons voor
elkaar. Houd uw ogen op
mij, laat ons niet gaan van hier als gij niet
met ons gaat - zegen ons met
het licht van uw ogen die nooit laat
varen het werk van uw handen - die trouw
blijft tot in eeuwigheid die gemaakt
hebt aarde en hemel - in uw Naam onze
vrede. Gezien van ooit
af, en nog steeds. Toen ik nog ik
niet was, nog dood, stond al mijn
diepste aangezicht in jou gegrift. In jouw
geheugen, uitvergroot, bestond ik,
tegenover jou - met afgewende
blik, totdat ik durfde zien. Duisternis zal
haar vleugels uit- spreiden zo
wijd zij wil, maar nog geen glimp van
mij zal ooit voor jou verloren gaan. Overal in mij
ben je jij, als een
voorgoed ontvangen kind - een ongeschapen
zee van licht ben jij in mij. Windstilte ben
je, stoten wind. De pijn die
mijn gedachten wet. Het woord dat
in mij knielt. De naam die mij
doorgist. Houdt niet
langer je onzichtbaar zeg het ze ik
ben die ben laat je zien en
kom naar buiten durf te zijn
als ik je ken heilig zegt men
en onzichtbaar werkt de
wereldgeest zijn hand die vanzelf en
van nature allen leidt
naar heilig land maar het blijkt
de markt der heren groot de heren
groot hun geld winst dat is
gestolde arbeid ons ontstolen
met geweld wat zij bieden
is geboden en ons recht is
niet in tel wat zij eisen
mag jij vragen slechts hun
weelde gaat het wel houd de hand
vooral onzichtbaar heren houd uw
geld geheim houd ze vrij uw
dichte handen klauwen blijken
het te zijn vrouwen mannen
kom tevoorschijn maakt het goed
dus maakt een vuist maak de markt
tot de gemeente waar het recht
der kleinen huist is het klein
zijn aard der kleinen denk en doe dan
naar je aard wat door groten
wordt verborgen wordt in jou
geopenbaard houd niet
langer je onzichtbaar zeg het ze ik
ben die ben laat je zien en
kom naar buiten durf te zijn
als ik je ken. van: Herman
Verbeek Ik begin te
fluiten, om vijf uur in de ochtend, de merel. Dan komen de
apekoppen. En dan wat geen
oor ooit heeft gehoord: kloppen op
gespannen huid, blazen op
gesneden hout, echo's sinds
hoeveel miljoen jaar? Kortelings,
voor drie duizend jaar, liet koning
David psalmen zingen, door
tweehonderdachtentachtig zangers, met harpen,
lieren, cymbalen, met
honderdtwintig trompetten. Maar het zingen
werd weeklagen aan Babylon's
stromen, werd schreeuwen
van verlatenen. Woestijnvaders,
kloostermonniken herinnerden
zich nog tijdig klanken uit
verbrande synagogen, zij speurden
naar tekens op bewaarde rollen, zij neurieden
zacht, allengs luider, zongen de
woorden, over en weer, overgelukkig, tot in Rome,
Westminster, Solemnes, vederlichte
zangen werden geschreven en geloofzware
boeken. Stemmen werden
gemengd, zoals een
schilder kleuren mengt, op rijke
feesten van prelaten en priesters, als aan een
hof. Palestrina,
Vivaldi, Monteverdi. In het oosten
zong het volk bij ikonen,
kaarsen, wierook, nachtenlange
litanieën, onder het
zegenen der popen. Nadat heren in
Noord-Europa hun preek
hadden besloten met Amen begon de
kantate, overstemde het orgel de donkere
menigte. Schutz,
Telemann, Handel, Bach. |