|
|
Breng blokken
aan en werp ze op 't vuur dit is 't uur, er wordt een
gloed verwacht van U, juist
nu... en maak de
lampen schoon, vul de olie bij dit is 't
getij, er wordt een
licht verwacht van U juist nu... Sta op en sla
den blijden trommelslag dit is de dag, er wordt iets
groots verwacht van U, juist nu... Maar wees ook
stil en open d'armen wijd, 't is altijd
tijd. De liefde wordt
verwacht van U juist nu... A.
Hendriks- Kappelhof in de doolhof
van dienen als ik het
licht maar zie en de engelen
hoor zingen als ik genezen
zou zijn van al die
grijze dagen als iemand
naast mij wou gaan om mij te
helpen dragen als ik maar
slapen kon de nachten zijn
zo lang alles wordt
groter als 't donker is en soms ben ik
zo bang als ik de weg
maar vind eenzaam en wel
alleen tussen zoveel
mensen in God waar moet
ik heen een aarzelende
kaarsevlam een hart dat
schreiend verdwaalt Een kind dat op
de wereld kwam het oude
opnieuw verhaald ... de hemel welft
zich boven ons over gebroken
dromen gaat helend de
hand van het Christus kind 'nu sijt
wellecome ...' Els Noordanus Wij gaan de weg
van uw gerechtigheid met allen die
in uw geheim geloven: stad van de
Vrede, toekomst wereldwijd, oog voor de
blinden, oren voor de doven. Wij delen uit
van wat U ons bereidt: vrucht van uw
Geest, op aarde volle schoven. Wij dragen
stenen voor de vrede aan, volgen uw spoor
door alle wereldtijden. Wij zien de weg
die Jezus is gegaan, horen het
roepen van wie weerloos lijden, delen de hoop,
de oorlog afgedaan, zien in elkaar
het volk van uw bevrijden. Wij zoeken de
balans in ons bestaan: wat heeft
gewicht en wie bepaalt de waarde? U laat ons
leven meer dan voortbestaan, schenkt ons de
gaven van uw goede aarde. Maak ons
bereid, in trouw U toegedaan, te leven zoals
U zich openbaarde. Ronald da Costa Ik mag geen
naam hebben voor jouw - in
vreugde en verdrukking leer je mij
kennen onnoemelijk. Sta stil bij
mij, maar stel je niets
van mij voor: ik ben die ik
ben en zo ben ik -
bevrijdend - voor jou. Ik ben je nabij
als wie je baarde -
hemel en aarde - de stem van je
vader de
moederschoot. Wees dan ook
niet als de dood voor de man die
haat, de vrouw die je
verlaat - dag en nacht
met je trouw. Ik ben de
minste broeder die je veracht, ik ben een kind dat vergeefs op
je wacht. Wat zou je je
toeëigenen van al wat is? niets is van
jou en niemand, maar alles en
iedereen is - je nabij als
ikzelf. De rest is
gelogen, en die leugen
breng ik aan het
licht. Zorg dat je
niet zwicht voor de schijn als een ander
iets heeft dat niet van
hem kan zijn. Naamloos
verblijf ik bij jou die mij
noemt in vreugde en
verdrukking leer je mij
kennen aan de grens
van het Licht staan wij, in wezen
onbegrensd, in het gezicht van de dood. En wij
herinneren ons de oude woorden dat leven
verandert maar niet wordt
weggenomen, dat niets en
niemand verloren gaat. Zielsverbonden
zijn wij met jou van wie wij
hier afscheid nemen, en die ons in
leven en dood zo dierbaar was en is en
blijven zal. Verbonden zijn
wij ook met elkaar en met alle
levende wezens, klein en groot, met vogels en
vissen, velden en bossen, met zon en
maan, met het land vlak en golvend, de onmetelijke
diepzee, met al wat is
en verandert, dag en
nacht, en eindeloos
komt en gaat - verwacht,
onverwacht, gedragen,
geboren, gewiegd in liefde. Met heel ons
hart vertrouwen we je lichaam toe aan de tijd die
alles heel maakt en de goedheid
van moeder aarde, en we
begeleiden je met het onzegbare
achter onze woorden, de
welsprekendheid van ons zwijgen, de warmte van
onze tranen, de troostrijke
kleuren van onze bloemen. Hier, aan de
grens van het Licht, zeggen wij:
vaarwel en tot ziens, reisgenoot, nu geroepen te
gaan langs andere wegen, maar
onafscheidelijk onze metgezel, en op dezelfde
tijdloze reis geleid door
dezelfde Geest. En brengen wij
ons in herinnering dat wij niet
voor niets leven, en niet voor
niets hier en nu verzameld zijn,
op deze plek. Dat wij
geroepen zijn, zolang het duurt, om deze aarde
bewoonbaar te maken en te bewonen, om te leren
liefhebben met hart en ziel en huid en haar. Bidden wij dat
dit uur ons mag breken en helen, verzachten,
vermurwen, verbinden tot leven de diepte van
ons visioen het bereik van
onze handen. de rots die we
niet bewegen kunnen de spiegel die
de Heer laat zien op een of
andere manier - groots in dit
klein heelal - groeien we om en door elkaar
heen. Wij zijn de
heiligen Christus' groot
verlangen en hij het onze de
broer, zoon,
vriend, vader, moeder,
zuster en als onze
handen elkaar vinden waar we God
raken dan zijn onze
namen dezelfde wanneer we God
zoeken wij zijn de
kerk de ogen van
Christus die toegang
geven tot morgen en deze wereld
in leven houden. Ed Ingebretsen en alle pijn
die je bevrijdde. Ze noemen je
'mahatma': grote ziel. Je keerde terug
omdat het paradijs je
niet beviel zolang je nog
een mens zag lijden. Je sterft als
het moet opnieuw, en draagt het
licht tot aan het
eind der tijden wanneer wij
onverdeeld Gods wil op
aarde doen. De mens die
zich ontfermt over Gods
scheppingswerk beantwoordt aan
zijn doen. Wij worden God
gelijk wanneer wij
dienstbaar zijn aan wat er
leeft op aarde. Hij voelt zich
thuis bij ons, als wij wat Hij
begon bewerken en
bewaren. Waar is het
mensenkind dat zich in
liefde bindt aan wat de Heer
hem gaf? Wij zijn een
smaad voor God, de schepping
lijdt aan ons, wij breken
alles af. O God verlaat
ons niet, Gij die ons
eenmaal riep om in uw dienst
te werken. Maak ons uw
Zoon gelijk, Hij brengt
gerechtigheid, Hij is de goede
herder. U moet ik
spreke, U wil ik alleen. Een woestenij
van stilte is om mij heen. Alsof ik
niemand ben. Ik zoek de sporen van uw
voorbijgang, vind mijzelf alleen. Je staat
geleund tegen de kamerwand en kijkt vanuit
de verte naar het licht. Zonder te weten tast
je rechterhand je lichaam af, valt stil om je
gezicht. Je draagt een
sluier van verwondering, van rakelings
nabij en nog niet weten. Binnen de stroom van einde en
begin rijpen geheimen tot een levensteken. Je gaat achter
de woorden aan op reis, zoals eens
Mozes moet je schaduwlopen. Je draagt een
kind, er daagt een paradijs: voorbij de
einder blijft er nog een hopen. Hanna Lam Al zoveel moet
ik van mezelf, moet ik dan ook
nog wat van U? Ik stoot op
woorden van graniet: gij zult met
zus, gij zult niet zo. Wat moet ik met
die stelligheid? Laat uw woorden
liever peilers worden van een
huis waarin ik wonen kan, en
zeg niet aldoor nee, zeg ja.
Zie hoe ik probeer te bouwen in uw
geest: een hart van vlees
waarin haast als vanzelf liefde bedding
vindt, een ziel die zich niet
verliezen wil in lomp gelijk, maar
geduldig wachten durft en
hoopvol verder groeien. Uw woorden rol
ik voor mij uit zoals een loper
waarop de toekomst open
ligti of als een haag van bomen
plant ik ze langs de weg die ik
met U gaan wil. Paul Begheyn ik zou je
gezicht niet herkennen in de massa, ik zou mijn
hoofd niet omdraaien bij het horen
van je stem, vergeef mij dat
ik die dingen belangrijk vind, dat ik alleen
maar geloof in wat ik aanraken kan, Hoe vaak zeg ik
tegen mijzelf dat jij niet
echt bent, en hoe vaak ontdek ik dat jij echter bent dan
de huizen, bomen en mensen die voorbijgaan en van wie
niets beklijft. Wanneer ik
alleen ben in de koelte van de avond troost jij mij wanneer ik denk
aan alle doden hier beneden open jij je
hand en laat jij ze
zien als opkomende sterren. Hoe kan ik over
je spreken over jou zonder
wie er geen wereld zou kunnen bestaan jij die gezien
hebt hoe de eerste
zonnestraal zich hechtte aan de wereld. Waarom moet
stilte zozeer deel van ons zijn doordat jij je
achter een berg verschuilt, en aan de
andere kant van een woestijn blijft, en naar mij
kijkt terwijl ik op
je toe kom, terwijl ik
langzaam jouw manier van doen leer begrijpen en de wereld
die altijd tussen ons in ligt, en begrijp
waarom ik niet kan blijven zoals ik ben. Kevin Hart dood is in de
bomen, straat is
uitgestorven steen, aarde
moederziel alleen, tot er licht
zal komen van al zo hoge. Hemelen en
aarde slaan dicht in vrees
en dromen, korte dagen
breken aan, niet te zien
zijn zon en maan, tot er licht
zal komen van al zo hoge. Wacht maar op
de morgenster met drie gouden
kronen, en al staat hij
heinde en ver, twintig eeuwen
hopen er tot het licht
zal komen, van al zo hoge. Niemand heeft
genoeg aan brood, want je leeft
van woorden, zij gaan verder
dan de dood en ze zijn de
stille hoop dat hij wordt
geboren als nooit
tevoren Jan Duin zal ik nooit
bezitten. Aardse rijkdom heb ik nooit
gekend. Op een huis
daarboven mik ik. Men zegt: God bouwt het
met eigen hand. Dit verlang ik
alleen maar: dat de Heer, dat Hij mij
aanneemt als kind. Bouw voor mij
een hut, Heer, op een hoekje
van uw land, Een kleine hut vraag ik, ergens daar bij
U. Ik hoef geen
gouden straten geen rijkdom die ik zou
kunnen verdienen - maar een kleine
hut, ja een hutje
gebouwd op een hoekje
van uw land. 'geloof je aan een leven
na de dood?' 'ja' zei ik - maar ik kon
niet beschrijven hoe dat zou
zijn hoe ik er dan
uit zou zien ik wist wel
zeker: geen hiërarchie
van heiligen zetelend op
gouden tronen geen val in de
afgrond van verdoemde
zielen - alleen maar: liefde liefde die mij
overspoelt onuitputtelijk die bevrijdt geen
stijfstaande brokaten mantel met edelstenen
bezaaid een gewaad
licht als een web als een waas om
mijn schouders een liefkozing als vroeger de golven van
de tyrrheense zee als een paar
woorden flarden klank: kom dan, kom... een waas van
verdriet om mij heen helle- en
hemelvaart en jouw hand
weer in de mijne zo lagen wij
daar jij las voor ik sluimerde in werd weer
wakker sluimerde ik ontwaak en jouw stem
vangt mij op laat mij weer
vrij... en zo gaat het
verder 'verwacht je
niet meer van leven na de
dood?' 'nee' - maar Hij maakte
mij zwak om
bescheidenheid en ootmoed te leren. Ik riep zijn
hulp in om grote daden te volbrengen, maar Hij hield
mij klein - om goede dingen te doen Ik vroeg om
rijkdom, om daarin gelukkig te zijn; Hij maakte me
arm in de hoop dat ik wijs zou worden Ik bad om van
alles om van het leven te kunnen genieten Hij ga mij het
leven om van alles te kunnen genieten Ik kreeg niets
van alles wat ik vroeg, maar alles wat
goed voor mij was. Mijns ondanks
werden mijn gebeden verhoord: ik ben een
gezegend mens. Je weet dat
achter die bossen daar heel hoge
bergen zijn. De lucht is
grauw en de wolken zijn zwaar: Je kunt ze nu
niet zien. Je weet dat
boven dat wolkendek heldere sterren
staan. Maar vandaag
kun je toch vanaf deze plek sterren zien
noch maan. Denk na;
misschien geloof je dan, dat onze aardse
tijd even toevallig
verbergen kan Gods eeuwigheid. als ik ruimte
maak voor
vreemdelingen, als Ik God
erken in de ogen van afgeschrevenen, als Ik mens
word met de minsten? Wie volgt Mij als Ik dienen
hoger acht dan heersen, als Ik de weg
met de ander ga, en zo God
ontmoet? Wil jij Mij
volgen? Keer je dan af
van verslaving aan macht, van eelt op je
ziel en eigenbelang, van
onverschilligheid voor de ander, van het najagen
van zekerheden, van vuur
afroepen over andersdenkenden, van angst voor
het onbekende. De onbekende,
die naast je staat, De hongerige
die je te eten geeft, Ik ben het,
vreemd en dichtbij: een mens op
jouw weg Men zegt van
liefde dat ze zacht is, als een lief,
een teder woord. Men zegt van
liefde dat ze hard is, en zo vaak het
geluk vermoordt. Men noemt haar
hunker en verlangen, men noemt haar
redder in nood. Ik zeg dat
liefde als een bloem is, waarop de zon
haar stralen strooit. Ze is het hart
zo bang en breekbaar. Zo wankel en zo
broos. Ze
is de droom, bang voor 't ontwaken omdat ze dan de
waarheid hoort. Ze wacht op wie
haar nu wil plukken, op wie haar
tranen steelt, zo bang om
vroeg te sterven, voor ze
werkelijk heeft geleefd. En is de nacht
zo koud en eenzaam. Duurt het
wachten veel te lang, denk dan maar
dat geluk alleen is voor wie er
hevig naar verlangt. Denk dan maar
dat bittere winters en dikke lagen
sneeuw. Nog nooit
hebben verhinderd dat de roos hen
overleeft. is 't niet zo
gunstig wonen om zoveel groen
te verdragen moet je zelf
groen genoeg zijn zodat je zelf
opgewassen bent tegen te felle
zon en regenbuien om over het
onweer niet te spreken want dat is nog
't allerergste Op 't grasveld
van de liefde. De storm van
jaloezie is grenzeloos het uitzicht op
de toekomst eindeloos de hitte van de
hartstocht hopeloos maar nergens is
de morgen mooier nergens zingen
de vogels beter en nergens
geeft de maan meer licht dan Op 't grasveld
van de liefde. Ze leefden voor
jou en ze komen na je, naast jou leven
ze en soms
tegenover je. Ze zijn heilig
zoals jij. Ze dragen een
wonder in zich zoals jij en je kunt dit
ontdekken. Maar ze zijn
niet zoals jij, ze hebben een
eigen gezicht en dat is het
ene, onherhaalbare, nieuwe gezicht van elke mens
afzonderlijk. Ze hebben een
eigen grond en wortelen in
eigen bodem. Maar in de
diepte zijn onze wortels verstrengeld in
dezelfde grond. Er zijn
planten, vruchten en bloemen, en vogels, en
vissen en andere dieren en wolken en
stenen. Ze zijn heilig
zoals jij en zoals de
ander. Je bent
voortdurend met die anderen bezig, je vormt hun
leven, wekt hun gevoel, wordt hun tot
zorg, en de anderen
zijn voortdurend met jou bezig. Wij zijn samen
één groot verhaal, en vertellen
elkaar voort in kleine
verhalen. En er is
iemand, die elk verhaal kent en die mee
vertelt naar de toekomst toe. alle personen
waar we doorheen gaan, waarin we
beurtelings ontstaan, wat zijn we?
verlorenen, ontheemden? in wat we doen,
dag in dag uit, daarin zijn we
maar nauwelijks onszelf, want
waar zijn we, kouwelijk op zoek naar
anderen, naar geluid? hoe zouden we
ons onbeschreven kunnen openen,
hoe ons tonen tussen het
dagelijkse, blinkend ongewoon worden, al was
het maar even? hoe gelukkig en
ongelukkig wonen in jezelf en in
anderen, hoe leven? hoe moet je
zeggen dat je bang bent, bang voor
het lege, voor wat in de
grote lucht is verzwegen, voor een
seconde van eeuwen lang? en hoe te
spreken van het goede dat we geluk
noemen, ontroering, die zachte
voering van het vermoeden? geen woord is
er voor. geen woord is
er voor. Opstanding is
een groot woord, ik probeer het
kleiner te zeggen, schaal één op tienduizend. Opstanding is
wakker worden en de lijsters preken van de
daken en de raven van de kansels: Jezus
leeft! Opstanding is
Luther die er niet meer tegenop kon en
met grote letters op z'n tafel schreef: Vivit!
Hij leeft! Opstanding is
mijn moeder, ten dode
opgeschreven |