liturgie6
Start Omhoog

                 


Breng blokken aan en werp ze op 't vuur  

Als ik de weg maar vind

Wij gaan de weg van uw gerechtigheid

Tien woorden  

Gegaan tot waar wij kunnen -

De kerk is in onze ogen

Oeroud is licht in je gezicht

Wij zijn Gods evenbeeld

U moet ik spreke, U wil ik alleen

MARIA HEEFT HET WOORD GEHOORD

de Tien geboden  

Mijn enige vriend

Nacht is om de huizen heen

Huizen en land

Iemand vroeg mij  

Ik bad God om sterkte,

Je weet dat achter die bossen daar

Wie volgt Mij

Men zegt van liefde dat ze zacht is,

Op 't grasveld van de liefde

Er zijn mensen

Wij u, ik, liefste, vreemde,  

Opstanding is een groot woord,

Stilte is de ruimte tussen woorden

Vannacht komen alle eeuwen één ogenblik bij U aan,

Het woord, het goede woord van God, dat licht

Géén beelden maar toch spreken we al eeuwen van God, Hij....

Later gaan we naast elkaar wand'len op de Overtoom,

Kerstkind  

Verdraagzaamheid, dat is een lieflijk woord,

REQUIEM VOOR NERY GUTIERREZ

KOM...WAAR BLIJFT U TOCH  

De deur  

IEMAND ZINGT  

HEER 

WAT STEEN WAS  

DROMEN NAAR KERSTMIS  

BESLISSING  

ONVERMOEIBAAR LICHT  

Maagdelijk leven is

U HEBT MIJN HANDEN GEVULD  

WAAROM IK NIETS DOE  

Samen bidden dan hoor je elkander tenminste,

Maria, wie je bent

Kinderen weten wat de hemel is 

Een lied tot God de arend

Woorden geschreven  

De engel  

San Juan Evangelista  


Breng blokken aan en werp ze op 't vuur

dit is 't uur,

er wordt een gloed verwacht van U,

juist nu...

en maak de lampen schoon, vul de olie bij

dit is 't getij,

er wordt een licht verwacht van U

juist nu...

Sta op en sla den blijden trommelslag

dit is de dag,

er wordt iets groots verwacht van U,

juist nu...

Maar wees ook stil en open d'armen wijd,

't is altijd tijd.

De liefde wordt verwacht van U

juist nu...  

A. Hendriks- Kappelhof


Als ik de weg maar vind

in de doolhof van dienen

als ik het licht maar zie

en de engelen hoor zingen

 

als ik genezen zou zijn

van al die grijze dagen

als iemand naast mij wou gaan

om mij te helpen dragen

 

als ik maar slapen kon

de nachten zijn zo lang

alles wordt groter als 't donker is

en soms ben ik zo bang

 

als ik de weg maar vind

eenzaam en wel alleen

tussen zoveel mensen in

God waar moet ik heen

 

een aarzelende kaarsevlam

een hart dat schreiend verdwaalt

Een kind dat op de wereld kwam

het oude opnieuw verhaald ...

 

de hemel welft zich boven ons

over gebroken dromen

gaat helend de hand van het

Christus kind

'nu sijt wellecome ...'  

Els Noordanus


Wij gaan de weg van uw gerechtigheid

met allen die in uw geheim geloven:

stad van de Vrede, toekomst wereldwijd,

oog voor de blinden, oren voor de doven.

Wij delen uit van wat U ons bereidt:

vrucht van uw Geest, op aarde volle schoven.

 

Wij dragen stenen voor de vrede aan,

volgen uw spoor door alle wereldtijden.

Wij zien de weg die Jezus is gegaan,

horen het roepen van wie weerloos lijden,

delen de hoop, de oorlog afgedaan,

zien in elkaar het volk van uw bevrijden.

 

Wij zoeken de balans in ons bestaan:

wat heeft gewicht en wie bepaalt de waarde?

U laat ons leven meer dan voortbestaan,

schenkt ons de gaven van uw goede aarde.

Maak ons bereid, in trouw U toegedaan,

te leven zoals U zich openbaarde.  

Ronald da Costa


Tien woorden  

Ik mag geen naam hebben

voor jouw - in vreugde en verdrukking

leer je mij kennen

onnoemelijk.

 

Sta stil bij mij, maar

stel je niets van mij voor:

ik ben die ik ben en

zo ben ik - bevrijdend - voor jou.

 

Ik ben je nabij als

wie je baarde - hemel en aarde -

de stem van je vader

de moederschoot.

 

Wees dan ook niet als de dood

voor de man die haat,

de vrouw die je verlaat -

dag en nacht met je trouw.

 

Ik ben de minste broeder

die je veracht,

ik ben een kind

dat vergeefs op je wacht.

 

Wat zou je je toeëigenen

van al wat is?

niets is van jou en niemand,

maar alles en iedereen is -

je nabij als ikzelf.

De rest is gelogen,

en die leugen breng ik

aan het licht.

 

Zorg dat je niet zwicht

voor de schijn

als een ander iets heeft

dat niet van hem kan zijn.

 

Naamloos verblijf ik

bij jou die mij noemt

in vreugde en verdrukking

leer je mij kennen


Gegaan tot waar wij kunnen -

aan de grens van het Licht staan wij,

in wezen onbegrensd, in het gezicht van de dood.

En wij herinneren ons de oude woorden

dat leven verandert

maar niet wordt weggenomen,

dat niets en niemand verloren gaat.

 

Zielsverbonden zijn wij met jou

van wie wij hier afscheid nemen,

en die ons in leven en dood zo dierbaar

was en is en blijven zal.

Verbonden zijn wij ook met elkaar

en met alle levende wezens, klein en groot,

met vogels en vissen, velden en bossen,

met zon en maan, met het land vlak en golvend,

de onmetelijke diepzee,

met al wat is en verandert,

dag en nacht,

en eindeloos komt en gaat -

verwacht, onverwacht,

gedragen, geboren, gewiegd in liefde.

 

Met heel ons hart vertrouwen we je lichaam toe

aan de tijd die alles heel maakt

en de goedheid van moeder aarde,

en we begeleiden je met

het onzegbare achter onze woorden,

de welsprekendheid van ons zwijgen,

de warmte van onze tranen,

de troostrijke kleuren van onze bloemen.

 

Hier, aan de grens van het Licht,

zeggen wij: vaarwel en tot ziens, reisgenoot,

nu geroepen te gaan langs andere wegen,

maar onafscheidelijk onze metgezel,

en op dezelfde tijdloze reis

geleid door dezelfde Geest.

 

En brengen wij ons in herinnering

dat wij niet voor niets leven,

en niet voor niets hier en nu

verzameld zijn, op deze plek.

Dat wij geroepen zijn, zolang het duurt,

om deze aarde bewoonbaar te maken en te bewonen,

om te leren liefhebben met hart en ziel en huid en haar.

 

Bidden wij dat dit uur ons mag breken en helen,

verzachten, vermurwen, verbinden tot leven met elkaar.


De kerk is in onze ogen

de diepte van ons visioen

het bereik van onze handen.  

de rots die we niet bewegen kunnen

de spiegel die de Heer laat zien  

op een of andere manier

- groots in dit klein heelal -

groeien we om

en door elkaar heen.  

Wij zijn de heiligen

Christus' groot verlangen

en hij het onze  

de broer, zoon, vriend,

vader, moeder, zuster  

en als onze handen elkaar vinden

waar we God raken

dan zijn onze namen dezelfde

wanneer we God zoeken  

wij zijn de kerk

de ogen van Christus

die toegang geven tot morgen

en deze wereld in leven houden.  

Ed Ingebretsen


Oeroud is licht in je gezicht

en alle pijn die je bevrijdde.  

Ze noemen je 'mahatma': grote ziel.

Je keerde terug omdat  

het paradijs je niet beviel

zolang je nog een mens zag lijden.  

Je sterft als het moet opnieuw,

en draagt het licht  

tot aan het eind der tijden  


Wij zijn Gods evenbeeld

wanneer wij onverdeeld

Gods wil op aarde doen.

De mens die zich ontfermt

over Gods scheppingswerk

beantwoordt aan zijn doen.

Wij worden God gelijk

wanneer wij dienstbaar zijn

aan wat er leeft op aarde.

Hij voelt zich thuis bij ons,

als wij wat Hij begon

bewerken en bewaren.

 

Waar is het mensenkind

dat zich in liefde bindt

aan wat de Heer hem gaf?

Wij zijn een smaad voor God,

de schepping lijdt aan ons,

wij breken alles af.

O God verlaat ons niet,

Gij die ons eenmaal riep

om in uw dienst te werken.

Maak ons uw Zoon gelijk,

Hij brengt gerechtigheid,

Hij is de goede herder.  


U moet ik spreke, U wil ik alleen.

Een woestenij van stilte is om mij heen.

Alsof ik niemand ben. Ik zoek de sporen

van uw voorbijgang, vind mijzelf alleen.


MARIA HEEFT HET WOORD GEHOORD  

Je staat geleund tegen de kamerwand

en kijkt vanuit de verte naar het licht. Zonder

te weten tast je rechterhand je lichaam af,

valt stil om je gezicht.  

Je draagt een sluier van verwondering,

van rakelings nabij en nog niet weten. Binnen de stroom

van einde en begin rijpen geheimen tot een levensteken.  

Je gaat achter de woorden aan op reis,

zoals eens Mozes moet je schaduwlopen. Je

draagt een kind, er daagt een paradijs:

voorbij de einder blijft er nog een hopen.  

Hanna Lam  


de Tien geboden  

Al zoveel moet ik van mezelf,

moet ik dan ook nog wat van U?

Ik stoot op woorden van graniet:

gij zult met zus, gij zult niet zo.

Wat moet ik met die stelligheid?

 

Laat uw woorden liever peilers

worden van een huis waarin ik

wonen kan, en zeg niet aldoor

nee, zeg ja. Zie hoe ik probeer

te bouwen in uw geest: een hart

 

van vlees waarin haast als vanzelf

liefde bedding vindt, een ziel die

zich niet verliezen wil in lomp

gelijk, maar geduldig wachten

durft en hoopvol verder groeien.

 

Uw woorden rol ik voor mij uit

zoals een loper waarop de

toekomst open ligti of als een

haag van bomen plant ik ze langs

de weg die ik met U gaan wil.  

Paul Begheyn  


Mijn enige vriend,

ik zou je gezicht niet herkennen in de massa,

ik zou mijn hoofd niet omdraaien

bij het horen van je stem,

vergeef mij dat ik die dingen belangrijk vind,

dat ik alleen maar geloof in wat ik aanraken kan,

 

Hoe vaak zeg ik tegen mijzelf

dat jij niet echt bent, en hoe vaak ontdek ik dat jij

echter bent dan de huizen, bomen en mensen die voorbijgaan

en van wie niets beklijft.

 

Wanneer ik alleen ben in de koelte van de avond

troost jij mij

wanneer ik denk aan alle doden hier beneden

open jij je hand

en laat jij ze zien als opkomende sterren.

 

Hoe kan ik over je spreken

over jou zonder wie er geen wereld zou kunnen bestaan

jij die gezien hebt

hoe de eerste zonnestraal zich hechtte aan de wereld.

 

Waarom moet stilte zozeer deel van ons zijn

doordat jij je achter een berg verschuilt,

en aan de andere kant van een woestijn blijft,

en naar mij kijkt

terwijl ik op je toe kom,

 

terwijl ik langzaam jouw manier van doen leer begrijpen

en de wereld die altijd tussen ons in ligt,

en begrijp waarom ik niet kan blijven zoals ik ben.  

Kevin Hart


Nacht is om de huizen heen,

dood is in de bomen,

straat is uitgestorven steen,

aarde moederziel alleen,

tot er licht zal komen

van al zo hoge.

 

Hemelen en aarde slaan

dicht in vrees en dromen,

korte dagen breken aan,

niet te zien zijn zon en maan,

tot er licht zal komen

van al zo hoge.

 

Wacht maar op de morgenster

met drie gouden kronen,

en al staat hij heinde en ver,

twintig eeuwen hopen er

tot het licht zal komen,

van al zo hoge.

 

Niemand heeft genoeg aan brood,

want je leeft van woorden,

zij gaan verder dan de dood

en ze zijn de stille hoop

dat hij wordt geboren

als nooit tevoren  

Jan Duin


Huizen en land

zal ik nooit bezitten.

Aardse rijkdom

heb ik nooit gekend.

 

Op een huis daarboven mik ik.

Men zegt:

God bouwt het met eigen hand.

 

Dit verlang ik alleen maar:

dat de Heer,

dat Hij mij aanneemt als kind.

 

Bouw voor mij een hut,

Heer,

op een hoekje van uw land,

 

Een kleine hut

vraag ik,

ergens daar bij U.

 

Ik hoef geen gouden straten

geen rijkdom

die ik zou kunnen verdienen -

 

maar een kleine hut,

ja een hutje gebouwd

op een hoekje van uw land.


Iemand vroeg mij

'geloof je

aan een leven na de dood?'

'ja' zei ik -

maar ik kon niet beschrijven

hoe dat zou zijn

hoe ik er dan uit zou zien

 

ik wist wel zeker:

geen hiërarchie van heiligen

zetelend op gouden tronen

geen val in de afgrond

van verdoemde zielen -

alleen maar:

liefde

liefde die mij overspoelt

onuitputtelijk

die bevrijdt

 

geen stijfstaande brokaten mantel

met edelstenen bezaaid

een gewaad licht als een web

als een waas om mijn schouders

een liefkozing

 

als vroeger

de golven van de tyrrheense zee

als een paar woorden

flarden klank:

kom dan, kom...

 

een waas van verdriet om mij heen

helle- en hemelvaart

en jouw hand weer in de mijne

zo lagen wij daar

jij las voor

ik sluimerde in

werd weer wakker

sluimerde

ik ontwaak

en jouw stem vangt mij op

laat mij weer vrij...

en zo gaat het verder

 

'verwacht je niet meer

van leven na de dood?'

'nee' - niet minder'.


Ik bad God om sterkte,

maar Hij maakte mij zwak

om bescheidenheid en ootmoed te leren.

Ik riep zijn hulp in om grote daden te volbrengen,

maar Hij hield mij klein - om goede dingen te doen

Ik vroeg om rijkdom, om daarin gelukkig te zijn;

Hij maakte me arm in de hoop dat ik wijs zou worden

Ik bad om van alles om van het leven te kunnen genieten

 

Hij ga mij het leven om van alles te kunnen genieten

Ik kreeg niets van alles wat ik vroeg,

maar alles wat goed voor mij was.

Mijns ondanks werden mijn gebeden verhoord:

ik ben een gezegend mens.


Je weet dat achter die bossen daar

heel hoge bergen zijn.

De lucht is grauw en de wolken zijn zwaar:

Je kunt ze nu niet zien.

 

Je weet dat boven dat wolkendek

heldere sterren staan.

Maar vandaag kun je toch vanaf deze plek

sterren zien noch maan.

 

Denk na; misschien geloof je dan,

dat onze aardse tijd

even toevallig verbergen kan

Gods eeuwigheid.


Wie volgt Mij

als ik ruimte maak  

voor vreemdelingen,

als Ik God erken in de ogen van afgeschrevenen,

als Ik mens word met de minsten?   

Wie volgt Mij

als Ik dienen hoger acht dan heersen,

als Ik de weg met de ander ga,

en zo God ontmoet?   

Wil jij Mij volgen?  

Keer je dan af van verslaving aan macht,

van eelt op je ziel en eigenbelang,

van onverschilligheid voor de ander,

van het najagen van zekerheden,

van vuur afroepen over andersdenkenden,

van angst voor het onbekende.   

De onbekende, die naast je staat,

De hongerige die je te eten geeft,  

Ik ben het, vreemd en dichtbij:

een mens op jouw weg


Men zegt van liefde dat ze zacht is,

als een lief, een teder woord.

Men zegt van liefde dat ze hard is,

en zo vaak het geluk vermoordt. 

 

Men noemt haar hunker en verlangen,

men noemt haar redder in nood.

Ik zeg dat liefde als een bloem is,

waarop de zon haar stralen strooit. 

 

Ze is het hart zo bang en breekbaar.

Zo wankel en zo broos.

 Ze is de droom, bang voor 't ontwaken

omdat ze dan de waarheid hoort. 

 

Ze wacht op wie haar nu wil plukken,

op wie haar tranen steelt,

zo bang om vroeg te sterven,

voor ze werkelijk heeft geleefd. 

 

En is de nacht zo koud en eenzaam.

Duurt het wachten veel te lang,

denk dan maar dat geluk alleen is

voor wie er hevig naar verlangt. 

 

Denk dan maar dat bittere winters

en dikke lagen sneeuw.

Nog nooit hebben verhinderd

dat de roos hen overleeft.    


Op 't grasveld van de liefde

is 't niet zo gunstig wonen

om zoveel groen te verdragen

moet je zelf groen genoeg zijn

zodat je zelf opgewassen bent

tegen te felle zon en regenbuien

om over het onweer niet te spreken

want dat is nog 't allerergste   

Op 't grasveld van de liefde. 

 

De storm van jaloezie is grenzeloos

het uitzicht op de toekomst eindeloos

de hitte van de hartstocht hopeloos

maar nergens is de morgen mooier

nergens zingen de vogels beter

en nergens geeft de maan meer licht dan   

Op 't grasveld van de liefde.


Er zijn mensen

Ze leefden voor jou en ze komen na je,

naast jou leven ze

en soms tegenover je.

Ze zijn heilig zoals jij.

Ze dragen een wonder in zich zoals jij

en je kunt dit ontdekken.

Maar ze zijn niet zoals jij,

ze hebben een eigen gezicht

en dat is het ene, onherhaalbare, nieuwe

gezicht

van elke mens afzonderlijk.

Ze hebben een eigen grond

en wortelen in eigen bodem.

Maar in de diepte zijn onze wortels

verstrengeld in dezelfde grond.

Er zijn planten, vruchten en bloemen,

en vogels, en vissen en andere dieren

en wolken en stenen.

Ze zijn heilig zoals jij

en zoals de ander.

Je bent voortdurend met die anderen bezig,

je vormt hun leven, wekt hun gevoel,

wordt hun tot zorg,

en de anderen zijn voortdurend met jou bezig.

Wij zijn samen één groot verhaal,

en vertellen elkaar voort

in kleine verhalen.

En er is iemand, die elk verhaal kent

en die mee vertelt naar de toekomst toe.


Wij u, ik, liefste, vreemde,

alle personen waar we doorheen gaan,

waarin we beurtelings ontstaan,

wat zijn we? verlorenen, ontheemden?

 

in wat we doen, dag in dag uit,

daarin zijn we maar nauwelijks

onszelf, want waar zijn we, kouwelijk

op zoek naar anderen, naar geluid?

 

hoe zouden we ons onbeschreven

kunnen openen, hoe ons tonen

tussen het dagelijkse, blinkend ongewoon

 

worden, al was het maar even?

hoe gelukkig en ongelukkig wonen

in jezelf en in anderen, hoe leven?

 

hoe moet je zeggen dat je bang

bent, bang voor het lege,

voor wat in de grote lucht is verzwegen,

voor een seconde van eeuwen lang?

 

en hoe te spreken van het goede

dat we geluk noemen, ontroering,

die zachte voering van het vermoeden?

 

geen woord is er voor.

geen woord is er voor.


Opstanding is een groot woord,

ik probeer het kleiner te zeggen, schaal één op

tienduizend.  

Opstanding is wakker worden en de lijsters

preken van de daken en de raven van de

kansels: Jezus leeft!  

Opstanding is Luther die er niet meer

tegenop kon en met grote letters op z'n tafel

schreef: Vivit! Hij leeft!  

Opstanding is mijn moeder,

ten dode opgeschreven