|
|
Nu goed dan ik
was uit het graf geklommen ik stonk nog
van het hangen aan de balk al was het
zweet opgedroogd en het bloed
zwart geworden - bij die dingen
staan wij niet meer stil dat is voor
barokschilders en dichters zonder de
zindelijkheid van het plastic - het gaat niet
om het doodgaan en daarna het gaat om het
leven als de leliën des velds om
het eten en drinken verdelen zodat ieder
verzadigd wordt en er ruimte komt voor wat
eigenlijk pas leven is: de bruiloft en
het dansen en het vrijen het luisteren
en luieren en leren en het
meetellen van de timmermannetjes van de hoeren
en de hadjememaars en vissers tussen de
witgekalkte graven tussen de
speculanten in en om de tempels tussen de
priesters en de professoren en al die
pilatussen die donders
goed weten! nu goed dan ik
liep de weg op in het donker het was koud
maar toch nog niet moeilijk en weer aan te
wennen terug te zijn en ik zag dat
twee van de jongens die zich uit de
voeten hadden gemaakt omdat het link
was in Jeruzalem te blijven het even goed
koud hadden op de weg - ik wou echt wel
eens horen of ze iets
gesnapt hadden van waar het om
ging of ze het vlammetje
door zouden kunnen geven van het
bereikbare in het onbereikbare en bij
voorbeeld hun kinderen wat minder
zouden belasten en ook
wat minder vatbaar maken voor de bacil
van de angst en de leugen en het wie het
eerst mept, mept het best - ik was mager
geworden die uren aan de balk eer
ik de spelonk in ging ik zag er heel
anders uit en het was donker zodat de
jongens me niet herkenden toen ik
plotseling naast hen liep en een praatje begon: jullie kijken
wel sip zei ik en wachtte
gespannen op het antwoord ze keken me
niet aan maar een mompelde weet je dan
niet wat er gebeurd is? we hebben ons
blij gemaakt met een dooie mus het nieuwe rijk
stond voor de deur en we waren
klaar het zaakje over te nemen toen een de
boel verried en er met de kas vandoor ging en de man die
gezegd had dat het voor elkaar zou komen gepikt werd en
opslag ter dood veroordeeld - zouden we dan
niet sip kijken? zo ben je
minister en zo ben je weer
jan boezeroen! en in die trant
praatten ze verder ze hadden ook
echt wel met mij te doen maar veel meer bleek er toch
niet bij te zitten - nu goed dan ik
begon het hen opnieuw uit te leggen dat het niet om
dit einde ging en dat het
logisch was dat ik het loodje legde maar dat het
nieuwe rijk er was voor wie ogen
had om te zien en oren om te horen dat het niet
ging om mij maar om de
timmermannetjes en de hoertjes
en de dichtertjes om de joodjes
en de germaantjes om de
hongaartjes en de rusjes om de negertjes
en de algerijntjes om de mensjes
die gekke wezentjes die twintig of
vijftig of tachtig jaar te leven hebben en leven dat is
werken en wonen en eten en daarna vrijen en
muziek maken en in het gras liggen en wat ze
verder plezierig vinden en die ook
moeten lijden o ja maar echt nooit
meer dan onvermijdelijk is - ik legde het
hen uit en ze luisterden en ze
onderbraken me alleen om te vragen: zeg ga met ons
mee een boterham eten! en toen in het
licht keek de een mij aan en werd wit om
zijn neus en keek weer en gaf de ander
een duw en riep: jo kijk eens
hij is het hij opgestaan! en de ander
keek en riep: jezus christus
hij is het je hebt gelijk! een wonder!
riepen ze: een wonder! alsof het
daarom ging en in hun opwinding verdween ik
maar stiekum weer in het donker omdat er toch
niet meer met hen te praten was - nu ze liepen
zich de benen uit het lijf om de andere
kameraden dat wonder te
gaan vertellen en te redden wat
er te redden viel om een pausje
te maken en
pratriarchjes om met
constantijn te onderhandelen en met zoveel
anderen om het
kalvinisme uit te vinden en weet ik wat
nog meer tot het ethisch
gehijg van de protestantenbond toe zodat de
witgekalkte graven de pilatussen
en de speidels die donders
goed beter weten het voor het
zeggen hebben tot het einde
der tijden tot het einde
der tijden en de
timmermannetjes en de negertjes en de rusjes zie boven - A. Marja naar jou
persoonlijk, wie je ook bent. Hij ziet je,
hij begrijpt je, want Hij is het
die je tot leven riep, Hij weet wat in
je omgaat, wat je voelt
wat je denkt, wat je graag
wilt en wat je kunt, waar je sterkte
ligt en je zwakheid. In dagen van
vreugde alsook in tijden van droefheid
ziet hij naar je om. Hij voelt met
je mee als je hoopvol bent, maar ook
temidden van de bekoring In al wat je
angstig maakt, in alles wat
door je herinnering gaat in al wat je
opbeurt en in alles wat je droevig
stemt, stelt hij belang. Van je voetzool
tot je kruin kent hij jou Hij omsluit je
helemaal hij draagt je
in zijn armen, hij tilt je op
en zet je neer. Of je
glimlacht, of je schreit, ziek bent of
gezond, hij leest het
af van je gelaat. Teder kijkt hij
op je neer; hij hoort je
stem, je harteklop, hij hoort je
tot je zuchten toe. Niet m‚‚r
geef jij om jezelf dan Hij houdt
van jou... GROND EN
WATER,LICHT EN VUUR BEWAAR EN HOED
HAAR VOOR DE LANGE
DUUR Gegroet het
lieve leven al wat geboren
is en wie het
heeft gegeven een menselijk
gezicht Gegroet de
lieve aarde die onze voeten
draagt onschatbaar is
haar waarde zij voedt ons
ongevraagd. Gegroet de
zonnestralen onmisbaar licht
en vuur die ons uit
ontij halen uit
nachten,koud en guur Gegroet het
bruisend water steeds onderweg
naar zee het zingt voor
nu en later: 'Wie stroomt er
met mij mee?' Gegroet het
lieve leven uit water,
grond, en licht en wie eraan
wil geven een menselijk
gezicht. Gegroet u lieve
mensen hier samen weer
bij elkaar om te worden
vrienden, vriendinnen eens wordt het
waar. GROET DE AARDE
IN DIT UUR GROND EN
WATER,LICHT EN VUUR BEWAAR EN HOED
HAAR VOOR DE LANGE
DUUR wilgen roos en
vlinderstruik, de wouw en de
klauw, de brem, het
slangenkruid; rode klaver,
steppeheks omringd door
varkensgras, de
duizendknoop, de klis, de kleine
herderstas. loof het
onkruid, mensen, volken
niet in tel de laagsten die
zuchten onder hoog
bevel; hongerslaven,
krotbewoners, wijd en zijd
verspreid,` bestempeld en
geschuwd als last en
minderheid. Loof het
onkruid, en gedenk het
oude woord: de minste zal
lachen, leven
ongehoord. Onkruid wint,
wat zeker is, het allerlaatst
gevecht en brengt de
minste mens tot zijn
verloren recht. denkend aan het
verleden op de grens van
het bestaan: dat slavenland zwervend in het
heden in het zand van
de woestijn: dat dorre land luisterend naar
woorden over tekens van
nieuw leven: dat komend land dromend van de
toekomst aan de oever
van de Jordaan: dat vruchtbaar
land oriënterend in
de richting van een
liefdevol bestaan: dat beloofde
land aarzelend aan
de oever gaan wij door
het water heen: dat helend land wagend de stap
naar vrijheid van een beter
nieuw begin: dat bevrijdend
land bevrijd van het
verleden levend in Gods
Geest: dat hemels land Partnerschap
tussen God en mens Partnerschap
tussen God en mens Vriendschap
tussen gelijken Jij en Ik, Ik
en Jij Gesprek Dialoog dat is wat wij
leren uit de
ontmoeting tussen God en Mozes God en Elia God en Samuel God en Jezus En God spreekt de mens
antwoordt De mens spreekt vraagt smeekt God geeft
antwoord zwijgt stilte de stilte als
Aanwezigheid God in de
stilte God is stilte Wij ontmoeten
God als wij stil
worden openstaan langzaam
opengaan voor het
onbegrijpelijke voor Zijn Naam Zijn woord van leven klank van water kabbelend van de rotsen Bron van leven Lamp voor onze
voeten mens en God Ik en Gij Ik en Jij partners vrienden voor
het leven j. hacking als pionnen op
een schaakbord Licht betekent
de duisternis die onbekend
wil blijven. Langs elkaar
heen gaan zij: De ongelukkige
zonder hoop en de
welgestelde met de wereld
aan zijn voeten. Ze vertrekken
als reizigers en ontmoeten
een kruispunt waar de rollen
worden omgedraaid. De nacht wordt
ochtend en de
verdrietige glimlacht terwijl de zon
uitdooft van de eerst zo
stralende maar onzalige
mens. Mensen wachten
af. Je kunt iemand een klap in
zijn gezicht geven. Je kunt iemand
een kus geven, als teken van
liefde. De wang wacht
af, wat zal het
worden: een klap of een
kus? die stil, maar
woedend vrezen: het is niet
waar, dat koninkrijk dat komt, het
is een goed bedoeld, begrijpelijk en
vroom bedrog. Wij zijn de
eersten niet die zuchten
onder de geschiedenis: één stroom
van bloed, onafgebroken series rampen,
haat en geweld, voortdurend
vechten om te overleven, en waarvoor,
waarheen, is er iemand
die het antwoord weet? Maar telkens
weer kom ik u tegen, op het spoor
gezet door goede mensen, betrouwbaar en
eerlijk voor u, en zij zijn u
blijven vertrouwen, in de donkere
uren van hun leven zijn zij de
worsteling met u begonnen en lieten u
niet los, op hoop van zegen. En telkens weer
zie ik die ene mens die eenzaam was
en zelfs door u verlaten, maar die u niet
verliet, zijn vrienden hielp en zei: Ik ben
de waarheid en het leven en wijs de weg
naar God die liefde is. Wij zijn de
eersten niet, wij laten u
niet los tenzij Gij ons
zult zegenen Heer, ik
geloof, maar kom mijn
ongeloof te hulp. Nick Schuman Ik luister naar
de angst van God Ik, die gevoed
ben die nooit een
dag honger heb gekend ik zie de doden
- de kinderen,
van honger omgekomen - ik zie hen en
poog te bidden. Ik luister naar
de angst van God ik, die het
warm heb die nooit de
beschutting van een huis heb hoeven
te missen. In stille
paniek zwerven de
mensen rond die van hut en
huis beroofd zijn. Ik luister naar
de angst van God ik die sterk
ben en gezond die liefde kent
en lachen in mijn ziel ik zie massa's
kinderen die niet uit
kunnen groeien ik zou hen zo
graag heel willen maken. Ik luister naar
de angst van God maar ik weet
maar al te goed dat pas als ik
hun bitter lijden deel -de pijn en de
hel van de aarde - God in mijn
geest kan wonen om het
Koninkrijk nabij te brengen. Ik had honger,
maar niet uit behoefte aan
brood maar uit
behoefte aan vrede, die uit een zuiver hart
komt. Ik had dorst,
maar niet uit behoefte aan water maar uit
behoefte aan vrede, die de brandende dorst
naar oorlog lest. Ik was naakt,
niet uit behoefte aan kleren maar uit
verlangen naar waardigheid van
mannen en vrouwen omdat
hun lichaam zo mooi is. Ik had geen
huis, waar ik thuis kan zijn niet omdat er
geen onderdak was, gemaakt van
stenen maar er was
geen hart, dat begrijpt, dat beschermt,
dat lief heeft. Ik had honger,
ik had dorst, ik was naakt,
ik had geen huis Toch heb ik
vrede gevonden, vrede en
waardigheid en een hart vol
liefde. Nancy Telfer Vertel mij je geheim dat zwart ziet
van verdriet, vertel mij, zodat ik met je
kan sterven, zodat wij dezelfde
afgrond onder ons zullen voelen
afbrokkelen, en wij elkaar
zullen wurgen van angst; vertel mij. Eigenlijk
geloof ik niets, en twijfel aan
alles, zelfs aan u, maar soms,
wanneer ik denk dat Gij waarachtig
leeft, dan denk ik,
dat Gij liefde bent, en eenzaam, en
dat Gij in dezelfde wanhoop, Gij
mij zoekt, zoals ik u. Telkens schrikt
zij weer, het meisje met
de grijsblauwe ogen vol herinnering
en verlangen, als zijn zoen
langs haar lippen glijdt. Die ogen weten
het geheim van haar zachte
kopje, zoals hij dat noemt. Soms zijn wij
golven van de zee, die samen
vloeien. Stanislawa Ze stroopten de
vrede zijn vel af je kon het
vlees zien weerzinwekkend
was het rood en het
trilde maar zij sneden
het open en haalden de
oorlog eruit die maakten ze
klaar op een vuur van
boeken en kruidden hem
met oude beproefde
specerijen vervolgens een
aftreksel erover en opgediend met brood en
wijn ze zitten nog
steeds te eten. als ik nee zeg
tegen mijn gevoel dat vreugde wil
beleven; en als ik tegen
feesten ben bonbons en
goede wijn omdat die duivels zouden
zijn duivels is als ik het niet
aandurf de priester van
wie ik houd -en antwoord
voel - te vragen om
dat kind-van-liefde dat in mij
leven wil: omdat
liefdeskinderen niet goddelijk
zouden zijn duivels is als ik doorga
in de relatie die in feite niet
meer bestaat zoals die ooit
begonnen werd en ingezegend: omdat
bevrijding-wederzijds niet liefdevol
zou zijn duivels is als ik met
tegenzin een plicht vervul -die mij allang
niet meer vervult- en plicht
geschreven zie als hoogste
goed: dan ben ik goed op
weg een duivels pad
te gaan Annelou Koens Het geluid, dat mij
verhindert de stem van God
te horen is niet, werkelijk niet, het geroezemoes
van mensen of de
bedrijvigheid van de steden, en nog minder het geruis van
de wind of het gemurmel
van het water... Het geluid, dat de
goddelijke stem smoort is het
innerlijk oproer van gekwetste
eigenliefde, van opkomende
argwaan, van eerzucht,
die nooit inslaapt... Geef mij een
woord, een lichtblauw woord tegen wind en
water, aarde en zon. De kleurloze
wind waait de verhalen weg. Het water lost
mijn zinnen in een onzin op. Luchtige
woorden zakken door de zwaartekracht. De zon doet de
letters verschroeien. Maar een
lichtblauw woord waait niet weg. Het is
waterproef en bestendig. Het kent sfeer,
het is levend en licht, vol warmte van
binnen, met van buiten een schild. O, rustig,
lichtblauw woord tegen meer dan
vier elementen! Thijs Weerstra Mocht ik één
helder lied horen van de merel, één wilde
roos zien, kamperfoelie ruiken, en zon
in het water zien schijnen, dan heb ik niet
voor niets geleefd. Mocht ik één
ogenblik voelen van bevrijdende
dankbaarheid, voor alle
goeds, mij geboden uit het hart
van medemensen, dan heb ik niet
voor niets geleefd. Mocht ik één
druppel meedrinken uit de oceaan
van lijden, en onpeilbare
eenzaamheid van Jezus, de
Nazarener, dan heb ik niet
voor niets geleefd. Mocht ik één
lichtje ontsteken van vrede, liefde
en begrip, door mijn eigen
zin, en streven om te groeien in
geesteslicht, dan heb ik niet
voor niets geleefd. Anne-Margreet en open mijn
venster. Kom binnen door een deur
die gesloten was; kom met je
vragen en leg je hoofd
in het kussen van de stoel,
die ik op je te
wachten schoof. |