|
|
Om zo te kunnen
zingen - zo verheven, zo
verheffend, zo rakend aan
de eeuwigheid en ook niet
minder zo
verscheurend, zo afgrondelijk, zo peilloos
verlaten moet je wel van
hoge zeer hoge komaf
zijn. H. Bouma Zo sterfelijk
als je bent als een levende tot het laatste trouw blijven
aan het leven. Jezelf niet
verloochenen, het mysterie
niet verraden. Zo sterfelijk
als je bent blijven kiezen
voor het leven, het leven dat eenmaal
koos voor jou. Goed je sterft, tenslotte
verlies je toch, maar je sterft
eervol - als een levende. H. Bouma O God dat er woorden
zijn die onbeperkt van kracht
blijven, woorden die mij ook nu
verwarmen, bemoedigen,
dragen, woorden zelfs
bestand tegen de dood - zo veelzeggend, zo
onweersprekelijk. Woorden van U. Ik woon er in. H. Bouma Namen ooit
genoemd, namen ooit
geschreven, in de palm van
een hand, gekerfd gekerfd Esther
Boektje, Mozes van
Gelderen, Margaretha
Rudelsheim, Mensen geroepen om te
leven, mensen met een
droom - Westerbork,
Auschwitz, Mijn God, wat
je noemt: Droom na droom
spat uiteen. Wat nog te
zeggen, Niet meer, niet
minder namen ooit
geschreven, geschreven gekerfd H. Bouma Al is er maar
een die zich aan
jou verwarmt, wiens hoop,
wiens troost een nieuw
seizoen. Al is er maar
één - die een mens
aan je heeft, je leeft niet
tevergeefs. Je beantwoordt H. Bouma Jouw gang
gegaan, jouw gezicht
laten zien. Mens geworden, onmiskenbaar
mens. Licht koestert
je, bomen groeten
je. Zo prachtig ben
je ook, mens rijk aan
leven, H. Bouma Ergens iemand dieper gaat, je noemt naam. een vriendin. die je ontmoet van je bestaan. H. Bouma Gaat de zon als
een genade over je op, wieken vogels welwillend door
je bestaan, vibreert de
kosmos, ademt een
verre, je hoort
muziek, verrukt kom je
thuis H. Bouma Verdriet. Pijn.
Nacht. Jij mens zo
geslagen. Sta op, blijf
staan, Minder, Meer mens. gebeukt en
geteisterd, alleen een boom is ook volop, Steeds
weerbaarder jij, onweerstaanbaarder. je identiteit. H. Bouma Mensen die als bomen
naast je staan, schouder aan
schouder, Als bomen zo
standvastig, zo begrijpend,
zo opbeurend. vrienden,
vriendinnen vrienden,
vriendinnen Bomen van
mensen. H. Bouma na alles wat
wegzonk- trotse torens, galopperende
bergen- in een oceaan Wat overblijft, immuun voor
bederf: de tedere
rimpeling een vluchtig, Wat overblijft- blijken van
vriendschap. H. Bouma Dromen, dat achter je
ligt, Overal
voetstappen, tekens van
leven, Hoor vogels bomen
wijdvertakt Dromen, dat oplicht in
je ziel, landschap H. Bouma Aarde en adem, meer ben ik
niet. handjevol stof, Maar het is
goed. mens van komen
en gaan. leef met de
bloemen, leef tot het
uiterste is er één. ik weet zeker H. Bouma Heel
vreemd o God, maar nu ik leef zie ik het
steeds scherper: Er zijn geen
woorden voor, een
werkelijkheid alles draagt en
omvat. met de dood
voor ogen leef ik
intenser dan ooit. H. Bouma PIJN Stem kreeg het, wat mij
verlamt, wanhopig maakt. hartverscheurend
pijn. Pijn die
zuivert, O strepen
licht, Mijn God, een
hand, Ik lach, H. Bouma word je, met de vogels, de toetsen van
het licht, schrijf je nog
gedichten op de golvende
rug van de zee- je
verschrompelt niet. H
. Bouma eiken vol
verhalen, uitbundige
acacia's, opgetogen
broeders, gulle,weldadige
zusters, valt er iets te
vieren, is er toekomst,
is er hoop H. Bouma Van beperkte
duur ben je maar, je komt, je
praat en je doet Maar wie leeft,
heeft lief, spreekt woorden
van vuur, zegent,
streelt, bevrijdt. leeft niet voor
zichzelf, af en toe toont hij z'n
ware gezicht, een gezicht Wie leeft,
heeft lief, hij leeft
voorgoed. H. Bouma Zoveel mist, radeloos tast
je rond, een vreemde een vreemde En dan opeens die heel
huiselijk en volmaakte H. Bouma Jij- Gezicht dat
niet vervaagt. Koester ze. Tijden vol
eeuwigheid. H. Bouma Indien ik je
dragen kon over de diepe grachten van je gesukkel
en je angsten heen, dan droeg ik
je, uren en dagen lang. Indien ik
genezen kon wat omgaat in je hart aan onmacht,
ontevredenheid en onverwerkt verdriet, dan bleef ik
naast je staan, uren en dagen lang. Maar ik ben
niet groter, niet sterker dan jij en
ik weet niet alles en ik kan niet zoveel, ik
ben maar een vriend op je weg, al uren en dagen lang. En ik kan
alleen maar hopen dat je weet: je hoeft niet
alleen te vechten of te huilen als je een
vriend hebt voor uren en dagen lang. M. Weemaes De zwervers
langs de straten, de buurman van
de hoek, het kleine
kind, verlaten, de filosoof op
zoek. De vrouw
verward in wanen, de man, wankel
ter been het stel, nog
even samen, de enkeling
alleen. De schreeuwer
van de daken, de stille
zonder naam, zij, die de weg
kwijtraken, zij kloppen aan
jouw raam. Dan sluit je de
gordijnen en denkt: niet
nu, niet hier. Of laat de
angst verdwijnen, de voordeur op
een kier. Waar is het
oosten? Waar ligt mijn kamer? Of sta ik aan
alle slagregens bloot? Vergrijzen de
wolken, vervagen de wegen? Kom ik nog
medereizigers tegen? Zie ik al
reizend nog straten en huizen? Waar brandt er
een lamp, die mij nodigt tot rust? Staan in het
westen de tafel die dragen mijn rugzak en
koffer boordevol vragen? Is er een huis
met een brandende haard? Een gastheer
die wijn schenkt en luistertijd heeft? Een bed dat de
witheid wist te bewaren? Een maan die de
schaduw wellicht kan verklaren? Thijs Weerstra Tot spreken heb
je mij gehoord, tot nieuwe
levenskracht. Ervaring,
eerder nooit verwoord, wordt aan het
licht gebracht. Tot spreken heb
je mij gehoord, en tijdens mijn
verhaal ontstaat in mij
een ander woord, begin van
nieuwe taal. Tot spreken heb
je jou gehoord in
wederkerigheid. Wij scheppen
samen, woord voor
woord, de taal die ons
bevrijdt. God van de
armen, kom tot ons als
die toegewijde vrouw die twee
muntstukken offerde. God van de
verlorenen, kom tot ons als
die behoedzame vrouw die op zoek was
naar een verloren penning. God van
buitenstaanders, kom tot ons als
die allochtone vrouw die vroeg om de
kruimels van de tafel. God van de
zieken, kom tot ons als
die bloedvloeiende vrouw die greep naar
een genezende aanraking. God van de
veroordeelden, kom tot ons als
die beschuldigde vrouw die door haar
aanklagers gestenigd zou worden. God van de
bezeerden, kom tot ons als
die liefhebbende vrouw die met haar
haren iemands voeten waste. God van de
stervenden, kom tot ons als
die rouwende vrouw die verdriet
had om haar broer. Gij hebt ons
bezocht door de vrouwen die vervuld
waren met uw Geest. Gij hebt ons
allen gezegend met de dromen
over een gezamenlijke toekomst en met gaven
voor een leven in gemeenschap, maak ons in
alle opzichten trouw aan de
boodschap van uw evangelie dat wij samen
als vrouwen en mannen getuigen mogen
van uw liefde in Jezus
Christus. Zoals de wind onder de dode
as verborgen
vonken vindt, die aanblaast
tot nieuw vuur in
oude woorden, geef zo uw
Geest stormenderhand. Ons hart zal
spreken van geluk om al het
nieuwe dat wij horen! Zoals de dag steeds
aan de nacht vervalt, in duister
ondergaat, maar door de
nacht heen over ons
blijft lichten, zijt Gij de
zon, ons lieve
licht. Wij zullen
stralen van geluk, wij weten
s nachts van vergezichten. Zoals ons hart ons
bloed in omloop houdt en ons beweegt
te gaan, ons voortstuwt
naar uw gouden stad
van vrede, herschept ons
dan naar hart en
ziel, Wees ons de
weg, tot ons geluk, en kroon
voorgoed wat blijft
gebeden. Zoals het zaad in diepe voren
valt en aan de
winter sterft, maar als in
slaap ontkiemt en
vrucht zal geven, roep ons zo in het volle
licht. Ons hart
hervindt een groot geluk: wij kunnen van
de liefde leven! Zoals het vuur uit de verharde
steen de zilveraders
smelt, een felle vlam die zuivert en
laat glanzen, raak zo ons
hart met heilig
vuur. Wij zullen
zingen van geluk: Gij doet
verharde harten dansen! Sytze de Vries Voor mijn oren
gezegd onontkoombaar
verstaanbaar: ik zal
uitstorten van mijn geest op alle vlees wat wil dit
toch zeggen geen angsttoren
meer tegen
verstrooiing voortaan een
taalonderkomen bevrijding van
dovemansoren woorden toch
geen bedrog uw geest er in
gebrand voorgoed louterend licht geheel met de
zaak verlegen niet dronken niet nuchter wel buiten
mijzelf omdat gij mijn ziel niet
aan het dodenrijk zult overlaten ja ook mijn vlees zal nog een
schuilplaats vinden in hope wat wil dit
toch zeggen hebt u dan
werkelijk met vuur
gespeeld Wim Ramaker Oefening van
geduld in een ogenblik
van toorn bespaart de
mens honderd dagen van zorgen en
verdriet. Chinese
wijsheid Niemand die
weet waar de einder
ligt die ons eens
beloofd is als een
droomgezicht Niemand die
weet dat de nieuwe
dag eenmaal aan zal
breken zo maar,
onverwacht Niemand
verwacht dat de aarde
nieuw voor ons zal
bloeien uit het zaad
dat viel Niemand
verwacht voor de wereld
brood uit een
mensenleven: liefde
totterdood Niemand
vermoedt hoe de mens
bemind en door God
geleid wordt in een
mensenkind Niemand
vermoedt hoe er goede
moed in ons hart
gelegd is: Geest die leven
doet Henk Jongerius Dat er licht
mag zijn. licht in onze
ogen: dat we elkaar
zullen zien zo goed als
nieuw. Licht in onze
harten: dat wij ruimte
scheppen, plaats maken
voor velen. Licht in onze
gedachten: dat wij komen
tot nadenken en eerlijk
besluiten. Licht in onze
huizen: dat er
vriendschap en gastvrijheid
zullen heersen. Licht in de
omgang: dat we te zien
zijn, niet verborgen
voor elkaar: Licht op onze
wegen: dat wij niet
dwalen en elkaar tot
doolhof zijn. Licht in alle
uithoeken: dat we nergens
het kleine vergeten,
verdonkeremanen. Licht op deze
plaats, om elkaar bij
te lichten, elkaar toe te
schijnen met geloof in
Hem die eens
geroepen heeft: 'Ik ben het
licht der wereld!' Dinie De kerk is daar waar mensen
zijn die geven om
elkaar: Geen hoge God zal met hen
zijn, maar God dicht
bij de grond. De kerk is daar waar mensen
zijn die staan in
dit verbond. De kerk is daar waar mensen
zijn die rouwen met
elkaar: En niemand
draagt alleen de pijn. maar ieder
wordt bevrijd. De kerk is daar
waar mensen
zijn die Goede Geest
gewijd. De kerk gedijt waar uitzicht
is voor iedereen
die lijdt. Hier krijgt het
leven nieuwe zin, verliest de
dood zijn macht. Wij samen gaan de
toekomst in en dat is onze
kracht. Adri Bosch Luister of het
begint ergens zal het
gaan zingen tegen het
klagen in helder en vol
geheim sterker dan
harde woorden warmer dan het
getwist vuur van andere
oorsprong storm van een
nieuw bewegen dwars op de
geest van de tijd onrust en
nochtans vrede wacht maar en
wees bereid Inge Lievaart Wees gegroet,
Koningin, moeder van
barmhartigheid, ons leven, onze
vreugde, onze hoop, wees gegroet. Tot U roepen
wij, ontheemde kinderen van Eva. Naar U zien we
uit in onze nood, in ons heimwee
naar het verre paradijs. Wil daarom uw
ogen vol goedheid op ons richten, en ons, pelgri |