|
|
Gij, gij
beteugelt de demonen met uw
goddelijke wil. De stemmen die
uw hoogheid honen legt Gij alleen
in deemoed stil. O
kom, en
zuiver de begrippen, ban alle
duisternissen uit. Het water staat
ons tot de lippen, de stormwind
huilt met hoog geluid. Maar laat uw
eeuwig kruis verschijnen, richt het uit
kolken recht omhoog, en zend uit
helle hemelpleinen uw duiven langs
de regenboog. Verlicht de
nacht der sombere breinen, dat zij u zien
als 's werelds spil, en niet het
donker hart omheinen met maaksels
van de eigen wil. Verlicht de
ziel, die vol van woede, de mensen als
de wolven haat, neem de
rechtvaardige in uw hoede, die zich om uw
vervolgen laat. Als zuilen
stijgen de gebeden tot u omhoog:
bedwing het Beest, en schenk ons,
doodvermoeid, de vrede van Vader, Zoon
en heilige Geest. Jan Engelman Groot is de God
die vol verwachting mensen zijn
aarde toevertrouwt, groot is de God
die oppermachtig zo op de kleine
mensen bouwt. Groot is de
mens die doet wat
God wenst: wie voor zijn
schepping zorgt leeft als een
ware vorst. God stelt zijn
eer in onze hoogheid, alles legt Hij
in onze hand, zijn naam moet
luisterrijk en groot zijn in wat de mens
als koning kan. Wie zich
ontfermt, Gods werk
beschermt, wie goede
herder is komt stralend
aan het licht. Wat doet de
mens aan den beginne, Adam gaf aan
het dier een naam, hij wil zich
aan Gods wereld binden, hij brengt de
lieve vrede aan. Laten ook wij een herder
zijn, de wereld is in
nood, God stelt op
ons zijn hoop. Misschien is
buiten een boom, of een woud, of
een tuin, of een magische
stad. Ga en open de
deur. Misschien krabt er een
hond. Misschien is er een gezicht, of een oog, of een
beeld van een beeld. Ga en open de
deur. Als er mist is,
trekt hij op. Ga en open de
deur. Ook al was er
alleen maar tikkende duisternis, ook
al was er alleen maar
holle wind, ook l was er niets
buiten, ga en open de deur. Tenminste zal
het tochten. Miroslav Holub Er zijn psalmen
dievertrekken en naar een land
van melk en honing gaan, te middernacht
de eerstgeboor'ne wekken, haastig, stok
in de hand, de tafel dekken om huiv'rend rond
het afscheidsmaal te staan. En altijd weer
het meel dat wou niet rijzen, de vleespot van
het zelfrespect viel om, de koeken en de
ruggen trokken krom, het kleinste
kind zal onderweg vergrijzen. En altijd weer
de oude hymnen zingen, odat de
droogste keel nog moet bewijzen Dat ginds in
Sion Zijn fonteinen springen. Jan Wit Het
wil niet erg vlotten ook ik ben een kind van
deze tijd de verleidingen zijn groot, en aanpassen is
zo veilig. Maar toch zal
ik er doorheen moeten het lijden is
al voor ons gedaan. Leven is je oprichten,
opstaan zodat het echte leven kan
beginnen. Gerrit van den Nieuwendijk Er zijn psalmen
die met ons
komen praten; als het moet
een hele nacht; ze weten overal
van en vinden niets
vreemd, zelfs
opstandigheid niet. Bij God mag
alles. Geert Boogaard Slechts het
water dat wij te drinken gaven zal ons verkwikken. Slechts het
brood dat wij te eten gaven zal onze honger stillen. Slechts het
gewaad dat wij wegschonken zal ons bekleden. Slechts het
woord dat leed verzachtte zal ons troosten. Slechts de
zieke die wij bezochten zal ons genezen. Slechts de
gevangene die wij verlosten zal ons bevrijden. tot een
trechter van koude en duisternis hadden wij
iedere nacht moeten slapen
in elkanders armen. Maar geen nacht
brengt ons meer
samen. Koud liggen wij
in het donker. Buiten stapelen
verdorde
bladeren zich op tot metershoge versperringen. Wind en regen
zeggen ons het einde aan. Door God als
zaad uiteengezaaid, door mensen met
een verfraaid, door wind als stof
bijeengewaaid; Door dorst
gestuurd van kust naar kust, door werk vaak
moe en uitgeblust, een leven lang op
zoek naar rust; door ruimte en
door tijd geremd; het menselijk
isolement dat twee aan twee wordt overstemd; zo leeft een
mens. Hij doodt de tijd met uitzien naar de
eeuwigheid en reiken naar oneindigheid. Leven wil
ik,
leven wil ik om te sterven voor jouw leven. Hier zijn
woorden: zwijg ze dood of aanhoor ze.
Hier zijn handen: neem ze aan of doorboor ze.
Hier is mijn hart: oon in mij of
vermoord me. Leven wil ik... Ik ben jouw
ogen die het licht laten stralen.
Ik ben de handen die je woorden
vertalen. Ik ben de longen die voor
jou ademhalen. Leven wil ik..... Is het leven
niet meer dan een lichaam van
vlees en bloed? Het is jouw
leven waar voor ik leven
en sterven moet... Leven wil ik... Voor iemand
uitgaan is meer dan alleen vóór hem lopen op een weg
bochtig en smal zonder om te
kijken hopend dat hij je zo wel volgen zal. Voor iemand
uitgaan: soms vrijwillig dan gedwongen
soms gewild dan ongewild. Voor de pijl
die niet op jou is gericht, ben jij het schild. Voor iemand
uitgaan: verkenning en egalisering
van een onbegaanbaar terrein; zorgen dat de
hindernissen voor hem weggenomen zijn. Voor iemand
uitgaan: jij bent het die wordt getroffen, jij raakt
gewond, jij lijdt pijn wetend dat
ondanks dit alles de laatste toch het eerst
zal zijn. Voor iemand
uitgaan: hiertoe worden wij geroepen,
uitgezonden twee aan twee. Niets kan
overkomen want wij krijgen Gods adem mee! tot een wonder
van bestaan kwam je bij ons
in het leven dankbaar zeggen
wij jouw naam. Opnieuw mogen
wij beleven wat wij zien
maar niet verstaan welk een groot
geheimenis jong geboren
leven is. Aan een lange
reis begonnen die een
levensloop beslaat zul jij door
een wereld trekken waarin heel
veel kwaad bestaat. al vanaf je
eerste schrede bidden wij dat
met je gaat Die ons geest
en adem geeft en ook jou
geschapen heeft. Hoeveel liefde
wij ook geven en hoe weerbaar
je ook wordt kwetsbaar zul
je altijd blijven mensenmacht
schiet toch tekort door de doop
ben je opgenomen kind van mensen,
kind van God in de kring
hier om je heen leven kun je
niet alleen. Wie ben ik? Een steen in
een zentuin, gevormd door de
tijd, versteend en
toch levend, hard en toch
zacht, stil en toch in
beweging, groeiend,
onzichtbaar, langzaam, zoals groei
betaamt, in geduld met
de tijd, de tijd om te
worden, te worden wie
ik ben. Wie ben ik? Wees stil en
besta! Adem, leef! Laat dragen de
aarde, laat lessen je
dorst, ontvang maar
het licht en de lucht om
je heen! Dooradem doorstraal doorspoel doorgrond. Leef en besta, ben er, op jouw plekje jouw eigen
plekje. F. Ingenriet Ik twijfel aan
de hemel ik twijfel aan de aarde; ik twijfel aan
de mensen ik twijfel aan de woorden die
mensenmonden spreken die mensenhanden schrijven. Ik twijfel aan
de leugens die elke dag weer verschijnen in kranten en
in beelden uit mensen opgetekend met bloederige handen. Ik twijfel aan
de goden die prachtig zijn omkranst met bloemen en
gebeden, met wierook en allerhand. Ik twijfel aan
de priesters, de boodschappers van de hemel de paus, de
curie en de leken die het allemaal zo goed weten de vast
omschreven waarheid en wat zonde is in de ogen van God. Ik twijfel aan
de aarde, of wij wel zullen verrijzen of ooit in die
dagen het Rijk van God zal verschijnen. Ik twijfel aan
de vreugde als ik zie naar de gezichten van kinderen en
ouden die schreeuwen om een brood, om vrede in hun
huizen en een einde aan hun nood. Maar ik geloof
in aarzelend zoeken, in twijfelen en vermoeden, in samen tasten
en langzaam verder lopen op paden van weleer. Ik geloof in
durven hopen tegen beter weten, wars van elk
cynisme, in wanhoop samen dragen en in knokken
voor wat je waard bent. En dan vertrouw
ik dat het niet vergeefs is, dat Hij ons
nooit laat vallen al komt de onderste steen boven! Waar alles
doodloopt gaat Hij zijn
gang, onweerstaanbaar, afgewenteld de
steen afgewend het
onheil, alles bloeit
open, ons leven
geleefd, onze dood
gestorven, is Hij onze
bevrijder, zegevierend
voert Hij ons uit het
diensthuis, de slavernij
der zonde, eerstgeborene
der doden, opstanding en
leven, wie Hem volgt is
onaantastbaar, een ander mens, hij sterft maar niet aan
zijn schuld, aan wat
dodelijk is, hij leeft
voorgoed, ik geloof dat deze wereld van karakter
verandert, baanbrekend legde Jezus
haar open voor de
toekomst, ik geloof in
God die de aarde
trouw is, Hij verloste
zijn Zoon uit de diepte
van ons graf, veelbelovend riep Hij Hem
uit tot het licht der
wereld, het hart der
schepping, de hoop die ons
doet leven. Het lied van
het zingende leven Wij zijn
geroepen om te leven, God geeft ons
vrijheid van beweging, wij mogen
mensen zijn op aarde, hartgrondig ons
geluk beamen. Geen vreemde
macht meer onderdanig bloeien wij op
in Gods genade, God is zijn
schepping goedertieren, uitbundig mogen
wij haar vieren. God schiep de
mensen voor elkander, in liefde doet
Hij hen ontbranden, Hij is gelukkig
met beminden die luisterrijk
elkaar bezingen. Aan man en
vrouw geeft Hij de adem om levenslang
elkaar te dragen, met huid en
haar elkaar genegen, met hart en
ziel elkaar tot zegen. God stelt onze
aardse leven veilig, Zijn goede
schepping is Hem heilig, waar wij in
slavernij ontaarden roept Hij
bevrijdend onze namen. Hij heeft zijn
Zoon naar ons gezonden, wij hebben ons
geluk gevonden: de Heer die uit
de dood verrezen ons vrij en
opgewekt doet leven. wij leven langs
elkaar heen, wanneer
onderbreken wij onze weg, doorkruisen wij
onze plannen om bij te staan
die geen helper heeft, wij laten ons
leven zo verlopen dat wij geen
oponthoud hebben, wij gaan het
verdriet uit de weg, o God maakt ons
barmhartig, geef ons oog
voor wie zijn hoop op
ons richt, een naaste in
ons ziet, help ons zo te
leven, voortvarend en
vindingrijk, dat wij mensen
betrappen op hun nood,
hun verlatenheid, in navolging
van uw Zoon die zijn
heerlijkheid prijsgaf, zijn weg in de
hemel verlegde naar
de aarde, om onze broeder
te zijn, onze reisgenoot. de hemel die op
aarde komt, een ongebroken
schepping. Verzoenend
neemt God ons ter hand, Hij heeft zij
hart aan ons verpand, God is een God
van mensen. Hij heeft ons
geluk bestemd, Hij roept ons
naar Jeruzalem, de stad van
licht en vrede. Hij geeft de
ruimte aan zijn volk, wij krijgen
vaste voet aan grond, voorgoed zullen
wij leven. Wij zoeken Gods
aanwezigheid, woonplaats van
zijn gerechtigheid, Jeruzalem van
boven. Wie bidt
ontvangt, wie zoekt die vindt, God maakt met
ons een nieuw begin, de stad staat
voor ons open. Wie op Gods
grote toekomst hoopt leeft niet meer
zinloos, loopt niet dood, geen macht
houdt hem meer tegen. God zegent en
bevestigt hem, zijn
weg loopt naar Jeruzalem, hij is zijn
leven zeker. Ach, lieve
jongen, kom maar even bij me kom maar bij
mama in het grote bed, hoewel ook ik
soms bang ben voor de morgen ben jij door
mij te voelen al gered. Droog nou je
tranen maar en geef je koude voetjes het was niet
echt, het was alleen een droom vaar weg in
rustigere waters in mijn armen nog af en toe
een snik, je wordt weer loom. Laten we ruilen
anders wordt het zo eenzijdig ik help jou
door de angst voor al dat donker heen maar mag ik
morgen als het licht wordt bij je schuilen? Dan voel ik me
zo vaak alleen. Frans Penders Wanneer de
oorsprong blijft verborgen onder het
drijfzand van weleer is er geen
zicht, geen weg naar morgen, geen stroom,
geen bedding, tij noch keer. Wanneer het
woord versmalt tot klanken tot rimp'ling
aan de waterrand, geen dieplood
heeft, geen bodemranken, is er geen hier,
geen overkant. Maar als die
roep gaat over 't water en weerklank
vindt in vaste grond, is er een
doortocht, nu en later, een samengaan
dat niet verwondt. Een vloed van
leven, niet te stuiten, breekt door de
vliezen van de stroom, wij gaan de
perken ver te buiten en bloeien aan
de waterzoom. De tijd van
oogsten is aangebroken, de bronnen van
uw overvloed heeft velden in
het wit gestoken, geeft brood dat
ons van harte voedt. Hanna Lam en als ik bang
ben dat ik stilsta kijk ik heel
gauw naar een ster want ik weet
dat die zo snel gaat dat het lijkt
alsof hij stilstaat dus denk ik Liselore Gerritsen Dit mag ik als
een diepe vreugde weten: God heeft mij
lief! Hij heeft op mij gewacht; Ik hoef geen
varkensvoeder meer te eten. Zó blij is
Vader, dat hij huilt en lacht. Zó blij is hij,
dat hij geen woord kan zeggen, dat hij alleen
mijn vuile handen neemt om daar de
sleutel van zijn woning in te leggen; Ik ben weer
thuis! Ik ben niet meer ontheemd! Hij heeft aan
mij een gouden ring gegeven, hij heeft een
sneeuwwit kleed mij omgedaan, ik mocht niet
zeggen, wat ik had misdreven, ik mocht als
kind het huis weer binnengaan. Mijn oudste
broer is boos, verbitterd weggelopen, (wie bitter is,
gaat elke vreugd voorbij) maar Vader zei:
'Laat toch zijn plaats maar open: Mijn oudste
zoon hoort even goed bij Mij!' Kom Heer, kom en doe het
nog een keer: dompel de kerk
midden in uw volk Heer, want uw
priesters, getemd werden
ze door het kapitaal, en uw volk
zwerft en doolt, doelloos zonder
herder. Gij Heer,
koning van het leven, mijn arme vriend ik ben iemand
van het volk dat tot u schreit, slaven zijn wij
gemaakt, slaven van de ikzucht, slaven van een
wereld die het kapitaal vereert. Gekluisterd
volk zijn wij Heer, armen, getraind om
niet meer te kunnen denken en de arbeiders
tussen machines en robotten, zij leven
onbewust, totaal van leven vervreemd. De arme en de
Indio, hen werd de grond ontstolen: grootgrondbezitters
worden daartoe gefinancierd, en wij worden
verjaagd naar de rand van de stad, terwijl
moordenaars en dieven amnestie genieten. Geef mij nog
vijf minuten voor de brief die ik, o Heer,
nog steeds niet heb geschreven, en waardoor in
een mensenhart een leegte is
gebleven. Geef mij nog
vijf minuten voor een woord, dat ik, o Heer,
nog steeds niet heb gesproken, waardoor ik in
een mensenhart misschien iets
heb gebroken. Geef mij nog
vijf minuten voor een lach, zo maar, gewoon,
uit liefde voor elkander, en geef mij
vijf minuten voor een traan die ik niet heb
vergoten om een ander. Maar God sprak:
'Kom, 't is tijd nu. Kom! Je vijf minuten
zijn al meer dan om.' wij scheppen
geluid om ons heen al gaat dat dan
door merg en been we maken lawaai
en meteen zijn we niet
meer alleen. Alleen wil ik
nooit zijn ik weet dat ik
niet echt praten kan en maar
meepraat met janalleman maar als ik dat
niet doe, ja dan ben ik alleen
maar alleen. Alleen zijn dat
gaat niet we praten maar
door, al ontgaat het de ander
waarom het dan gaat als je dan maar
gezamenlijk praat praat je niet
in jezelf. Alleen zijn dat
moet niet waarom is de
taal dan zo oud als God die de
mens heeft gebouwd ze zeggen wel:
zwijgen is goud maar spreken is
brood. Alleen zijn dat
kan niet alleen ga je
dood, wordt je gek we kunnen niet
zonder gesprek althans niet
zonder gekwek nee, ik wil
niet alleen. De dagen en de
nachten, zij volgen
elkander op, wij leven en
wij wachten en weten niet
waarop. Dan roep jij
ons van verre en dan breekt
het in ons door: het licht van
maan en sterren, dat heb jij met
ons voor. Vandaag nog
diep verborgen - wij moeten de
dood nog in, er wachten ons
nog zorgen - maar dan: een
nieuw begin. Zoals het volk
dat zuchtte in jaren van
slavernij, dat opstond en
dan vluchtte, zo'n toekomst
wachten wij. Zoals de zoon
der mensen die weerloos
gebroken werd - maar hij
doorbrak de grenzen van dood en
lijdenswet. Wij vrezen nog
de tijden, ons donkere
vergezicht - ach, kom ons
toch bevrijden en breng ons in
jouw licht. |