|
|
zij volgen
elkaar op, wij leven en
wij wachten en weten niet
waarop. Dan roep jij
ons van verre en dan breekt
het in ons door: het licht van
maan en sterren, dat heb jij met
ons voor. vandaag nog
diep verborgen - wij moeten de
dood nog in, er wachten ons
nog zorgen - maar dan: een
nieuw begin. Zoals het volk
dat zuchtte in jaren van
slavernij, dat opstond en
dan vluchtte, zo'n toekomst
wachten wij. Zoals de zoon
der mensen die weerloos
gebroken werd - maar hij
doorbrak de grenzen van dood en
lijdenswet. Wij vrezen nog
de tijden, ons donkere
vergezicht - ach, kom ons
toch bevrijden en
breng ons in jouw licht. Duisternis
troonde hoog verheven, de mensen
vielen stervend neer. Een woord van
licht zou hen doen levende loop
der dingen nam een keer. Gij waart
bereid een woord voor allen dat ene
woord van licht te zijn, als zaad in
harde grond te vallen gij achtte niet
de stervenspijn. Zo zijt ge in
de nacht verdwenen. Geen engel
heeft u brood gebracht geen
sterrenlucht u toegeschenen, geen
moederschoot u opgewacht. Om ooit een dag
als nieuw geboren in bloei van
stemmen op te staan, moest gij god
weet hoe diep verloren in mensengrond
ten onder gaan moest gij in
grond van geest verzinken in
mensengeest, als zaad van licht, om nu uit allen
op te klinken, een lied dat
voor geen duister zwicht. Om in mensen
mens te worden (tafellied) Die naar
menselijke gewoonte met een eigen
naam genoemd werd toen hij in een
ver verleden werd geboren,
ver van hier die genoemd
werd: Jesjoe, Jezus zoon van Jozef,
zoon van David zoon van Jesse,
zoon van Juda zoon van Jacob,
zoon van Abraham zoon van Adam,
zoon van mensen die ook zoon
van God genoemd wordt, heiland,
visioen van vrede licht der
wereld, weg ten leven levend brood en
ware wijnstok die, geliefd en
onbegrepen, werd bewaard in
taal en teken als een
eeuwenoud geheim als een
wachtwoord doorgegeven als een vreemd
vertrouwd verhaal die een naam in
mijn geheugen die de stem van
mijn geweten die mijn
waarheid is geworden: hem gedenk ik
hier en noem ik, als een dode
die niet dood is, als een levende
geliefde die gekozen
heeft te leven voor de armsten
van de armen helpman,
reisgenoot en broeder van de
allerminste mensen die, ten dage
dat hij rondging door de dorpen
van zijn landstreek mensen aantrok
en bezielde, hen verzoende
met elkaar die niet steil
en ongenaakbaar niet
hooghartig, als een heerser maar in
knechtsgestalte leefde die zijn leven
voor zijn vrienden prijsgaf, door
een vriend verraden, die, getergd
tot op het kruis, voor zijn
vijand heeft gebeden, die, van God en
mens verlaten, is gestorven
als een slaaf die gestrooid
is in de akker als het
kleinste van de zaden, die daar wacht
een lange winter in de stilte
van de dood, die als graan
geoogst zal worden die als brood
gedeeld wil worden om in mensen
mens te worden die, verborgen
in zijn God, onze vrede is
geworden, onze ziel tot
rust gekomen, die ons groet
vanuit zijn verte die ons
aankijkt van dichtbij als een kind,
een vriend, een ander hem gedenk ik
hier, hem noem ik en beveel hem
bij je aan als je levende
geliefde als de mens die
naast je is. van dor en
bloeiend hout, op klanken ooit
gehoord, op rotsen hoop
gebouwd; doorademd en
doorwoond, gevensterd naar
Uw zon, ten hemel als
een boom geworteld aan
de bron. Dit schip
waarin wij zijn opvarend naar -
Gij weet: een berg van
brood en wijn? Een stad die
naar U heet? Dit ruim in zee
van tijd waarin wij
doodbevreesd de stormen
horen slaan, de hoefslag van
het Beest. Dit
lichtdoorschenen lijf waar onze ziel
zich schikt als in een
gastverblijf; waar Gij ons
weegt en wikt in Uw genade-
hand, Gij ons gebiedt
en smeekt te doen
gerechtigheid, opdat Uw dag
aanbreekt. Terzake Gij die
leeft, geef hier aanwezig uw eerste
woorden, roep ons uit de leegte. Kome ter sprake
uw verbond voor eeuwig volheid van
tijd, uw koninkrijk nabij. Verduister niet
uw licht - dat wij ons wanen diep in de
aarde, spoorloos, en ons schamen hoe wij op hoop
van zegen ooit gegaan zijn achter uw aan,
tot ver in de woestijn. Onthoud ons
niet uw naam. Laat ons niet over aan stand van
sterren, vloed en maangetover, aan wat ons
hoog omfluistert en doet dromen dat zou bestaan
een andere God dan Gij. Ontneem mij
niet het vuur dat Gij gegeven, Gij zelf mij
ingestort hebt, dat ik leven, met vuur van
hartstocht als een mens zou leven - dat ik zou
geven liefde, dag en uur. Ga open, Gij
die leeft - voor nu en later kome uw geest,
uw stromend levend water. Geef mij een
mond waarmee ik u kan drinken. Dat niet van
dorst ik sterf vlakbij de bron.
Naam uit het
vuur, Een Eeuwig, Hij-Alleen, riep smeekte
dreigde zweeg. Riep weer, om antwoord. Roept water uit
de rots, slaat vuur uit steen. En weer zijn
stem - een lichtval uit de wolken. Tien woorden
licht. Daar stonden wij, nog krom van
slavernij,
de minste van de volken. Een hand van
stormwind werd op ons gelegd. Vuurtongen
stonden boven onze hoofden. Een ander leven
werd ons aangezegd. Van toen af
dragers van een visioen leerden wij,
dood na dood opnieuw geboren, verlangen naar
zijn woord, en het te doen. Er kwam een dag
die niets dan einde was. Van God
verlaten hingen wij aan kruisen, het visioen
verwaaid als stof en as. De wereld
draaide verder, dood na dood. Een kuil vol
knoken. Doorgekraste namen. Na vijftig
dagen kwam de Ademstoot. Hij schikte
onze stukken weer tot een; blies
onbevlekte huid over ons heen. De naam riep:
Mensenkind, sta op je voeten. Daar stonden
wij, om nu voorgoed te gaan tot aan de
verste randen van de aarde om naar zijn
woord te doen wat moet gedaan. Adem van
onbegonnen nieuw begin, heilige
Stormwind, laat niet af, doorvuur ons. Spreek moed
volharding wijsheid vrede in. Van grond en
vuur zult Gij ons maken, hoog op rotsen,
aan levend water, van geur en
smaak, van licht en
stem, uw
evenbeeld. Volk dat in
duisternis gaat, mensen met
stomheid geslagen, het zal
geschieden, zegt Hij, dat zij weer
glanzen als nieuw. Van licht en
stem zult Gij ons
maken, uw
evenbeeld. Niet meer
beklemd en verdeeld niet meer in
woorden gevangen een en gekend
en bevrijd eindelijk mens
zal ik zijn. Van licht en
stem zult Gij ons
maken, uw
evenbeeld. Daar staat de
stoel van het recht, daar zal staan
de tafel der armen, dan is de dag
van het lam, zie, Ik kom
haastig, zegt Hij. Van grond en
vuur zult Gij ons maken, hoog op rotsen,
aan levend water, van geur en
smaak, van licht en
stem, uw evenbeeld. Ik wou een
tuin, ik moest in een woestijn waar bloemen
stenen, vogels slangen zijn. De rotsen die
met mijn handen sloeg gaven de honing
niet waarom ik vroeg. Geen schaduw
viel, geen engel die mij schonk het eeuwig
leven van een waterdronk. Ik zat aan
tafel en verdeelde brood. Niet een der
velen werd mijn reisgenoot. Ik plengde
tranen in een rozenperk. De wereld
redden is geen vrolijk werk. Ik zag een
steenrots, als een mensenkop, een
mensenschedelplaats - moest ik die op? Ik hing. Ik was
nog nooit zo hoog geweest. Ik riep: Mijn
God, mijn God. Ik werd ontgeest. Een geur van
bloemen werd mij aangedaan - had ik de
Schriften dan toch goed verstaan? 'Roep
jij, ik
antwoord', was mij daar gezegd. Toen werd een
steen over mij heen gelegd.
halfverkoold uit het vuur,
en ging op weg. En de distel
kroop uit de
zandstenen grond en ging op
weg. Zij ontmoetten
elkaar en spraken af dat zij samen
verder zouden gaan. Ze kwamen bij
een ei. Ga je mee? Ja mee! zei het
ei. Zij waadden
door een beek. Kom mee! Ja mee, zei de
beek en rolde zich
op als een krul. Ook vissen
wandelden mee. Zo kwamen zij
voorbij een bos. Daar woonde een
wolf. Ga mee! Waarheen? zei
de wolf. De roos in het
wild ging ook mee, en de slang van
onder zijn steen. Het werd een
stoet. Trappen op en
af, akkers over, de koolraap mee,
de geit, het lam in de
wei, de bloeiende
brem, de dauw, en het
verbleekte karkas van een reus veerde op, en
het mes knipte open en
snelde mee. 's Nachts bij
maanlicht overlegden zij. De vaart zit er
in riep het ei,
maar waarheen? Naar de maan, opperden de
vissen. Maar de wolf
had allang een plan. Zeg het, wolfje,
zei het lam. Mensen worden zei de wolf. Ze gingen
liggen, twee aan twee. En de tronk en
de beek werden samen
een mens, en de distel en
de vis en zo voort,
twee aan twee de roos en het
mes de wolf en het
lam. Zo werd het
avond en morgen. In de derde
maand na hun uittocht
uit het land Egypte, op de
vijftigste dag. kwamen de
kinderen van Israël in de Sinaï-woestijn en zij sloegen
hun tenten op aan de voet van
de berg. Mozes ging op
naar God. Een wolk
bedekte de berg. Donderslagen
weerklonken, bliksemschichten
doorkliefden de wolk. Toen klonk
vanaf de berg de Stem, en God sprak
deze woorden: Ik zal zijn, Ik
ben de God die jou
weggevoerd heeft uit het land Egypte, uit het
slavenhuis. Gij zult geen
andere goden hebben voor mijn
Aangezicht, geen
godenbeelden geen gestalte van iets die in
de hemel of op aarde is. Gij zult mijn
Naam niet zonder zin gebruiken. Gedenk de
zevende van alle dagen. Zes dagen zal
je werken wat je kan. Maar de zevende
is om te rusten. Want in zes
heeft Hij geschapen hemel, aarde,
zee, en alles, maar de zevende
- toen ruste Hij. Verloochen niet
je voorgeslacht, je vader en
moeder, houd hen in
ere, de woorden die
zij je hebben geleerd - dan zul je
leven op aarde in lengte van dagen. Niet moorden.
Geen echtbreuk. Niet stelen. Niet vals
getuigen tegen je naaste. Niet zijn huis
begeren, zijn vrouw, zijn knecht,
zijn kudde - niets van hem. Deze woorden
sprak 'Ik zal er zijn" midden in het
vuur. En meer woorden
heeft Hij niet gesproken. En gegrift in
stenen platen, twee, gaf Hij ze
Mozes in handen. Daar stonden ze,
aan de voet van de berg, de kinderen van
Israël. En ze zagen de
lichtgoed van 'Ik zal er zijn' hoog in de
berg, als een verterend vuur. Exodus 19-20 Twaalf jaar oud
was hij toen hij een stem vernam.'Ga, jij, de hoogte op die
ik je wijzen zal'- dezelfde die
ooit sprak tot Abraham. Hij is gegaan,
zo dringend sprak die stem. Uit Nazareth in
Galilea, naar de
Sionberg, de stad Jeruzalem. Om daar als
elke joodse jongen, te worden 'zoon
der wet': te worden 'uit
het slavenhuis bevrijd', te krijgen
aangezegd de tien uit
steen gehouwen woorden der
gerechtigheid. Wat zou hij,
gaande die oeroude wegen, met de pelgrims
hebben meegezongen? 'Zoals een hert
naar levend water smacht' heeft hij
gezongen. En 'uit de
diepte roep ik jou'. 'Al mijn
bronnen zijn in U', heeft hij gezongen. Heeft hij, toen
hij ter plaatse kwam, de gouden
adelaar gezien boven de tempel
poort? De streek waar
hij vandaan kwam stond bekend om het altijd
smeulend, soms hoog oplaaiend verzet tegen het
Romeins bewind - daar wist elk
kind wat dat
vervloekt embleem betekende: de Farao van
Rome heeft ons in zijn macht. Zij vierden
Pascha, nacht van waken, nacht van de
bevrijding, scheppingsnacht. Daarna, toen
zijn ouders huiswaarts keerden, bleef hij in de
tempel achter. Daar hoorde hij
de woorden der rabbijnen. Hij luisterde,
begreep, begreep niet, vroeg. Wat 'uitverkoren'
is, wat 'heilig' -
zijn wij heilig? 'Een volk van
priesters'? Om wat te zijn?
Toonbeeld van recht en vrede? Een voorbeeld -
volk? Maar zijn wij
niet allang voorgoed in de vloed der
volkeren geworpen als Jona in de
golven - Eeuwige, zijn
wij nog de mens die Gij gedenkt? Wat mag op
sabat, en wat niet? Wat zeg jij?
Korenaren plukken niet? stel je ezeltje
is in een put getuimeld... Daar zit op
sabat in de synagoge een man met een
verdorde hand, Wat doe je? Hem
genezen als je kan? Jij zegt van
niet? En de messias? Als Jeruzalem
vandaag of morgen met de grond
gelijk gemaakt wordt, deze tempel
platgebrand, als het niet
meer erger kan, kom dan de
messias? Wat zeg jij?
Dat hij haastig komen zal? Je hoort het
uit de mond van vreemdelingen 'Kom laat ons
opgaan naar de Sionberg waar de Tora
ontspringt' - Je ziet al
haast de dagen de profetie
vervuld: 'Dan smeden zij hun zwaarden
tot ploegijzers om en leren oorlog
af - dan zal geschieden dat we rusten
onder onze vijgeboom'. Nee, wij nog
niet, maar wel ooit onze kinderen. Zo ging de hele
dag, met overslaande stem, het hoge woord
van de rabbijnen heen en weer. Hij, jongen-
in- de- leer, de voorhof door
naar buiten, wat drinken uit een van de
waterbekkens uit het plein. Dan zag hij in
de tempelgalerijen de wisseltafels
en het zaken doen, de kooplui met
hun lammeren en duiven. Ik zal ze, met
een touwen zweep, mompelde hij. Zoals
geschreven staat van de messias: 'De hartstocht
voor uw huis heeft hem verteerd'. Na drie dagen
en drie nachten vond zijn
moeder hem. 'Kind, waarom heb je ons dit
aangedaan?' 'W…t
aangedaan?' 'Dit, dat je
weg was'. 'Ja, weg van
Hem, verslonden door de ogen van
zijn licht. Ik kon niet
anders'. Dertig was hij toen hem het
goede nieuws bereikte dat een profeet
was opgestaan. In het jaar
vijftien van de heerschappij van Tiberius,
de goddelijke keizer, toen Pontius
Pilatus over Juda landvoogd was, toen Kajavas en
Annas hogepriester waren geschiedde aan
Johannes, zoon van Sacharia, het woord van
God, in de woestijn. Hij ging door
heel de streek van de Jordaan, oproepend tot
een doop van omkeer en bevrijding uit zondenlast
en niet te dragen wanhoop. Zoals
geschreven staat in de boekrol
van Jesaja, de profeet: 'Vrij baan voor
onze God, en alle vlees
zal zien bevrijding van
Godswege'. In lange rijen
stond het volk te wachten op de
verademing der doop, genezend teken. Ook hij is in
zo'n lange rij gaan staan. En het
geschiedde, toen hij werd gedoopt, toen hij daar
naakt, gebogen, biddend stond, dat hij de
hemel open zag. Hij zag een lam
staan voor de troon van God, het was
geslacht, het had genezen wonden, hij was dat lam
- het was nog
niet en toch al nu. Hij zag een
doop van vuur over zijn land. Hij moest een
beker drinken tot de bodem. Hij kroop
verwilderd rond over de grond
van een lijvenhof en hoorde
roepen - was het zelf
die riep: 'Ik wil niet,
ja ik wil'. De hemel sloot
zich boven hem. De aarde was hard en
stevig, hier en nu - hij zou we zien. Hij voelde zich
doorgeest, weemoedig,
vrolijk. 'Wat moet nu
eerst?' dacht hij. Hij keek wijd
in het rond of hij
gezichten zag die hij vertrouwen kon. Hij vond er
geen. Dan maar alleen,
dacht hij. Toen,
plotseling vlakbij, zag hij er een. En toen nog een. Onkreukbare
woorden, waar ben je? Betrouwbare
vrienden, bezweken onder een
spervuur van tongen. Bestendig is
niemand, bestendig is enkel de
vuurstenen leugen. Hij zal ze, die
goden der aarde, die gluipen,
die mooi praten, moorden, die slaan met
stomheid de armen, die denken 'mijn
woord is het laatste' Hun tongen
uitrukken zal Hij. Hij zegt: Ik
hard het niet langer, dat kermen van
weerloze kinderen. Ik weet wat
recht is, menswaardig. Ik ken de
afgrond der harten. Ik kom, met
vuur uit de hemel. Zijn woord is
geen woord als van mensen. Het is
bevochten, gelouterd in wanhoop en
moeten aanzien, in dulden,
hopen, vergeven. Het doet. Het
wijkt voor geen wereld. Voor ons die
ontroostbaar, hoe lang nog, niet weten,
niet zien, toch geloven dat ooit zal
opdagen uw waarheid, voor ons werd
uw schriftwoord geschreven: een handschrift
van licht aan de hemel. Huub Oosterhuis Vroeg in de
morgen, donker was het nog, zijn wij gegaan,
een keer, nog in ons hart
de dichtheid van de nacht. Jij bent niet
die wij dachten. Uit het vuur
riep ons bij naam een stem. Wij zagen niets.
Jij riep: 'Ik zal er zijn'. Op licht en
schaduw, bomen aan de bron, op stilte leek die naam. Een gloed
van liefde schroeide ons gezicht. Om wat wij
hoorden (maar wat hoorden wij?) om wat op
vrijheid leek, omdat het moest
en blijven niet meer kon, zijn wij gegaan,
onstuimig en verward, om nergens om,
om jou om liefde, over
alle grenzen heen. Een troep die
sloft en zwerft, de richting kwijt. De nagalm van
een stem. De weerklank
van wat woorden in ons hart. Een slingerende
stoet naar goed wijd land. Een eeuwenlang
smal pad. Een ademtocht,
de route van het licht. Het
duizendschone, schitterende licht, een file in de
nacht, een spoor van
mensen die de nacht verslaan. Die strompelen
tot waar? Tot waar jij bent, in rusten aan
de bron, in gloed van
liefde, vuur dat niet verflauwt. Vroeg in de
morgen, donker was het nog, zijn wij gegaan,
een keer, met niets dan
in ons hart: 'Ik zal er zijn'. Hoog te paard
rijdt onrecht langs de wegen. Zijn zegeningen:
vuur en zwaard. Niemand veilig.
Jij die nog woorden als recht en vrede, l iefde, broze
kostbaarheden, hebt vergaard:
liefde? voor wie bewaard? vrede? hoe maak
jij vrede? |