|
|
Het lied van de
vredestichters God laat ons
volop leven, wij komen aan
het licht, Hij heelt wat
heilloos is, Hij is een God
van vrede. Wij mogen
vrolijk vieren een onbedreigd
bestaan, God heeft
tenietgedaan de afstand die
wij schiepen. God roept ons
tot de orde van zijn
barmhartigheid, wie eenmaal is
bevrijd zal
vredestichter worden. Verzoenend en
genezend doen wij
gerechtigheid, wij werken
wereldwijd aan ongebroken
leven. Zalig wie Jezus
volgen, de grote
vredevorst, Hij toont het
hart van God, Hij is voor ons
gestorven. Zoeken wij
offervaardig de vrede die
Hij vraagt, een vrede als
een zwaard, het heil voor
heel de aarde. In een wereld
waar alles mogelijk is maar geen geluk,
geen vrede, geen recht, in een wereld
bijna onbewoonbaar, waar de lucht
zwart is van angst, het water ziek
van tranen, onrecht kleeft
aan alles wat wij doen, in een wereld
waar mensen geen mensen zijn, dieren geen
dieren, bomen geen bomen, hopen wij o God
op uw verlossend Woord, Gij lijdt aan
deze wereld, ons verdriet is
uw verdriet, onze
eenzaamheid is uw eenzaamheid, God, groter dan
ons hart is uw hart, groter dan onze
smart is uw smart - Gij zijt onze
God. God heeft zijn
naam gezegd - Ik zal er zijn
voor jou - Hij gaat met je
op weg, Hij blijft je
eeuwig trouw. Geloof Hem op
zijn woord, Hij zet zich
voor je in, Hij trek je in
zijn spoor, bemint je als
een kind. God heeft zijn
naam gezegd, wij weten wie
Hij is, je komt weer
tot je recht, Hij maakt
geschiedenis. Een bondgenoot
is God voor wie geen
leven heeft, Hij zal er zijn
voor ons als deernis ons
beweegt, De schepping is
in nood, God brengt ons
aan het licht, Hij stelt op
ons zijn hoop, zalig wie vrede
sticht. God heeft zijn
naam gezegd, wij nemen hem
ter hand, wij gaan met
God op weg, Hij staat aan
onze kant. Met de kracht
van Jezus Met de kracht
van Jezus gaat Gods Woord
door de wereld, niet ledig
keert hij terug, het woord is
vlees geworden, man van
smarten, wie hoorde zijn
stem, man aan het
kruis, het Woord werd
vertrapt, alles sloeg
dicht, Hij stond op
uit de doden, doorbrak de
stilte, keerde terug, niet ledig, zinloos, onverrichterzake, met de kracht
van Jezus gaat Gods Woord
door de wereld, de schepping
raakt in bloei. Omdat Gij het
uiterste van ons verwacht, omdat Gij op
ons hoopt, in ons gelooft, wilt bouwen op
ons, bidden wij U Heer ontferm U
over ons omdat wij
zouden heersen over uw schepping, gestalte zouden
geven aan uw zeggenschap, omdat wij uw
beeld zouden zijn, bidden wij U Heer onferm U
over ons omdat Gij
bondgenoten in ons wilt zien, medestrijders
voor vrede en recht, kinderen van U,
bidden wij U Heer ontferm U
over ons omdat wij
elkaar recht hebben te doen, omdat wij een
naaste moeten zijn, de minste, mensen nederig
en offervaardig, bidden wij U Heer ontferm U
over ons Omdat deze
wereld onze wereld is, omdat ons hart
overal in klopt, bidden wij U Heer ontferm U
over ons omdat Gij onze
beweegredenen kent, omdat Gij weet
wat niemand weet, bidden wij U Heer ontferm U
over ons Het lied van
het aloude geloof Belijden wij
met hart en mond de trouwe God
van het verbond, prijzen wij
onze Vader! Hij schiep ons
mensen naar zijn beeld, hemel en aarde,
al wat leeft, Hij schiep het
en Hij draagt het. God stelt in
ons geluk zijn eer, Jezus zijn Zoon
is onze Heer, de naam waarin
wij leven. God riep Hem
uit een vrouwenschoot, Hij is ons
vlees, een mensenzoon, Hij brengt ons
heil en vrede. Hij deelt ons
menselijk bestaan, ten dode toe
met ons begaan, Hij sterft aan
onze zonden. Hij overwint de
duisternis, baanbrekend
treedt Hij aan het licht, ons roept Hij
om te volgen. Hemelhoog richt
de Heer zich op, vorstelijk
troont Hij naast zijn God, heilzaam en
hartverwarmend. Eenmaal spreekt
Hij het laatste woord, vrede zal
bloeien ongestoord, zalig wie Hem
verwachten. De Geest van
God brengt leven voort, Hij gaat de
ganse schepping door, Gods Geest is
mededeelzaam. Hij brengt ons
bij de Heer terecht, Hij bindt ons
aan de ene kerk, sticht liefde
en gemeenschap. Hij heeft het
groot geheim onthuld, wij sterven
niet aan onze schuld, de zonden zijn
vergeven. God redt ons
uit de diepste dood, Hij is de
trouwe bondgenoot, voorgoed zullen
wij leven. dagelijkse zon uitzicht
veelbelovend glimlach om Gods mond vrijheid van
beweging richting die
wij gaan ruimte om te
leven zin van ons
bestaan brood op onze
tafel herder die ons
hoedt bron van levend
water land van
overvloed hart van deze
aarde dak boven ons
hoofd blijk van Gods
genade broeder,
huisgenoot vrede
allerwegen kracht die ons
vervult hand van God
die zegent Jezus ons geluk. O God ons leven is zo ver en
donker, zo vreemd en
vijandig, ons bestaan is
zo gesloten, weerbarstig, steenachtige
bodem, uw Woord komt zo
onverwacht, is zo ongehoord, weerspreekt zo alles wat wij
doen en laten, zeggen en
zwijgen _ uw stem dringt
nooit tot ons door als Gij zelf
niet baanbrekend door ons midden
gaat, wij roepen om
uw Geest, laat Hij onze
harten omploegen, ons herscheppen
tot goede aarde, maak ons
ontvankelijk, ruimschoots, opdat uw Woord
vrucht draagt. O God Gij zijt
zo ver zo vreemd, geef ons een
teken dat Gij leeft, wij roepen
zingen maar Gij zwijgt, geen blijk van
uw aanwezigheid. Zijt Gij het
beuken van de wind, verterend vuur,
een siddering, de aarde beeft
van woest geweld, als bomen zijn
wij neergeveld. Gij zijt aan
soms voorbijgegaan, Gij zijt
verborgen in uw naam, wij smeken U:
wees ons nabij, bewaar ons voor
de eenzaamheid. Wij prijzen uw
barmhartigheid, geen storm geen
vuur geen schok zijt Gij, het dodelijk
rumoer verstomt nu Gij in
stilte tot ons komt. Gij geeft uw
naam ons te verstaan, Gij raakt ons
met uw adem aan, o trouwe God
van het verbond, Gij legt uw
woord in onze mond. Nu zal Hij
komen is het hoge
Woord gevallen als
een zaad is aanstaande
als vlees lopen de tijden reikhalsend te
hoop komt de
schepping als een bruid
aan het licht Gij Zoon
onuitsprekelijk hoe komt Gij
ter sprake door de keel
van een vrouw wordt Gij God uit het hart
gegrepen nu is de hemel
op handen wij mensen
zullen U dragen onze dromen
komen uit als een schoot. Een mens onder
ons hou je hart
vast berg je wie is
hij Vreemdeling ongehoorde overkant zijn stem
snijdt storm die tegen
je optornt mes op je keel hij gaat zijn
gang onweerstaanbaar lopend vuur zijn vlammen slaan ons uit je zult aan hem
geloven dodelijk zwijgt
hij onruststoker spelbreker
black-out dodelijk
spreekt hij geen woord
blijft heel scheuren in de
taal we gaan er aan wie houdt hem
uit woord werd
vlees ploegt ons om hemel op je dak god onder je
leden een mens onder
ons mens van mijn
mens hij doet maar breekt mijn
brood deelt mijn adem bloedverwant kroop in mijn
huid bewoont mij als
een huis tijdgenoot mijn
schaduw ging op ons in zo diep als de
schoot van een vrouw ik ken hem niet de mens -
verdwijn ik sterf aan
hem o vreemdeling mij te machtig ik zeg u duivel ban hem uit verlos mij geen leven zo mens onder
mensen wie ben je waar
blijf je nu - strootje in het
vuur pluisje in de
storm je verteert
jezelf man van smarten geslagene onmogelijke nowhere man je gaat in ons
onder je verdrinkt in
mij ik ben je
honger je dorst je
ziekte o je sterft aan
mij je ging mijn
gang dood loop je je breekt op
mijn hart mijn spel
gespeeld jezelf verloren vlees van mijn
vlees been van mijn
gebeente huis stort in grond zakt weg zo onze
manieren ons lijf is je
graf sterf jij onze
dood - vreemdeling sta je op aardediep
hemelhoog o ontferm je berg je hou mijn hart
vast je noemt mijn
naam lijft mij in zo jouw
manieren vlees van jouw
vlees brood van je
lichaam rank aan je
wijnstok je zit bij me
aan tafel dak boven mijn
hoofd grond onder
mijn voeten o broeder
huisgenoot licht in mijn
ogen lucht in mijn
longen lach in mijn
mond je bent mijn
heer leven van mijn
leven ga ik jouw gang volg ik je na vreemdeling mens onder
mensen zoon van je god broeder wij
delen in je geluk in je god onze vader Zondagslied
voor de gelijkenis van de zaaier Een zaaier ging
uit om te zaaien, hij zaaide zo
wijd als de wind, zo wijd als de
winden waaien waar niemand
een spoor van vindt. Een deel van
het zaad ging verloren, een deel van
het zaad werd graan, maar niemand
weet van te voren de weg die het
zaad zal gaan. Het wordt op de
wegen vertreden, het valt in een
vruchteloos graf, het sterft aan
de doornen beneden, de vogels van
boven af. De lage, de
hoge gevaren bedreigen het
kiemende graan, maar soms kan
het openbaren de zin van het
aardse bestaan. Er is geen
verwachting van leven, tenzij in de
dood van het zaad, wij moeten de
aarde vergeven dat zij ons
sterven laat. O Zaaier, ga
uit om te zaaien de kiem waaruit
leven ontstond, zo wijd als de
winden waaien en maak ons tot
moedergrond! Guillaume van der Graft de bergen
zwijgen niet zij tonen ons
het rotsvast geheim dat er een
grond van leven moet zijn zij bewaren
voor ons het oergeheim dat wij in God
geborgen zijn. Al zwijgen de
mensen de bomen
zwijgen niet zij zingen ons
het kwetsbaar geheim dat er een
kracht tot leven moet zijn. Al zwijgen de
mensen de vogels
zwijgen niet zij zingen ons
het kwetsbaar geheim dat er adem tot
leven moet zijn. Al zwijgen de
mensen de wateren
zwijgen niet zij tonen ons
't verfrissend geheim dat er een bron
van leven moet zijn. Al zwijgen de
mensen de dieren
zwijgen niet zij leren ons
het veilig geheim dat er behoud
van leven moet zijn. Al zwijgen de
mensen de kinderen
zwijgen niet zij dromen ons
het eeuwig geheim dat ons leven
een wonder moet zijn. H. Jongerius De Geest wil
mensen inspireren en reinigen van
alle schijn met eindeloos
geduld hen leren getuigend kind
van God te zijn. De Geest wil
mensen troostend leiden uit klamme
schaduwen van dood, ook hen van
alle pijn bevrijden en voeden met
het hemels brood. De Geest zal
mensen nooit beschamen, reikt
kleingelovigen de hand, doorgrondt het
hart, roept hen bij name, geleidt hen
naar het Beloofde land. De Geest leert
mensen te verwachten, Hij daalde neer
en geeft hen hoop, onttroont de
angsten, boze machten, Zijn trouw
bezegeld door de doop. De Geest wil
mensen samenbinden, van alle ras,
en taal en tijd, hen helpen
elkaar terug te vinden, door grenzen
heen en wereldwijd. De Geest leert
mensen te aanvaarden, bereidt een
weg, bemoedigt hen, behoedt de
kerk, bewaart de aarde, dat ik, Heer,
zo de Geest herken. Jan Mobach Nacht is om de
huizen heen, dood is in de
bomen, straat is
uitgestorven steen, aarde
moederziel alleen, tot er licht
zal komen van al zo hoge. Hemelen en
aarde slaan dicht in vrees
en dromen, korte dagen
breken aan, niet te zijn,
zijn zon en maan, tot er licht
zal komen van al zo hoge. Wacht maar op
de morgenster met drie gouden
kronen, en al staat hij
heinde en ver, twintig eeuwen
hopen er tot het licht
zal komen, van al zo hoge. Niemand heeft
genoeg aan brood, want je leeft
van woorden, zij gaan verder
dan de dood en ze zijn de
stille hoop dat hij wordt
geboren als nooit
tevoren. Jan Duin Zo was die man,
zijn naam ben ik vergeten, maar wat waar
is moet worden gezegd, zevenmaal heeft
hij in de bajes gezeten en toen hij
doodging heeft niemand hem afgelegd. Zijn moeder was
een hoer, moest ik later horen, en zijn vader
heeft hij nimmer gekend, en de eerste
liefde die hij ontving, was van een gore schlemiel, die
hem opnam in zijn band. Wie meer wil
weten moet gaan naar de rechtbank, want daar staat
het in geuren en kleuren vermeld, zevenmaal heeft
hij in de bajes gezeten, en de achtste
maal zat hij tussen twee bumpers bekneld. Toen was hij
dood - maar één van zijn vrinden heeft op zijn
graf deze woorden gezeid: dat hun makker
altijd 'Ons-lief-Heertje' beminde en nu vrij was
tot in eeuwigheid. En niemand kan
zeggen: dit is een leugen, want niemand
van ons heeft naast hem gestaan en het
hemelrijk is voor hen, die niet deugen en voor
zondaars is Christus doodgegaan. En zo gij die
man hebt veracht in dit leven, vreest niet,
als ge hem hierboven ontmoet, want de dief en
de burger zijn er om 't even: twee zwarten
gereinigd door hetzelfde bloed. H.M. van Randwijk Vader. Waarom
als iemand dat woord zegt kijk ik nog
steeds vooruit, niet achter mij? ben ik niet,
zoek ik? Het is toch voorbij? jij bent toch
in de regen weggelegd? Wat verwacht ik
dan: je hand op mijn hoofd? Waar zou ik
moeten komen? ben je daar nog wel, warm
woord? Of hebben ze je naar het huis
gebracht waarin je hebt geloofd? Als ik het hoor
is het of ik zelf riep. Ik moet al
antwoord geven en ik ken nauwelijks de
vraag die ik nog altijd ben. Ja, zeg ik en
kijk om. De nacht is diep. Ik weet opeens
waarvoor je hebt geleefd: ik draag de
naam van wie de dood doorgeeft. Michel van der Plas De morgen is
nog onberoerd van woorden, de dag is
vreemd en nieuw. En toch, de echo van een
glimlach dwingt tot
herbeginnen, al ben ik
onvoldaan van binnen en moet ik gauw
bekennen dat ik de taal
niet ken van het Kind dat ik
onmachtig ben. Maar als er
handen zijn die blindweg
mij geleiden, misschien een
woord, een teken, lang
verwacht, dat plots de
leegte vult, beken ik graag
mijn schuld; ik dwaalde
ziende blind. De weg werd
lang bereid vóór eeuwen,
door het Kind. Ik krijg de dag om anderen te
beminnen. Gelukkig, Heer, mogen wij
telkens herbeginnen. Geluk is
uitgerust wakker worden Diep ademen
voor het open raam Geluk is
voelen, dat je een mens bent; Leven en
handelen onder eigen naam. Geluk is zien,
dat de wasbloem vol knop zit, Kamperfoelie,
die geurt na een onweersbui. Geluk is iets
te maken voor de mens, die je lief hebt, Twee wollen
sokken of een lichtblauwe trui. Geluk is een
hand, die zegt zonder woorden: 'Ik ben er nu -
op dit uur voor jou". Geluk is geen
artikel, dat je ergens kunt kopen Of ervan hopen:
misschien geeft iemand het mij. Geluk ben je
zelf met al je talenten Met je liefde,
voor wat je aanraakt met je lichaam of geest. Geluk is je
gaafheid, je oprechtheid en je trouw, Waarvan de
ander zich steeds verzekerd mag weten. Geluk is
kwetsbaar mens zijn, zeggen: "Ik houd van jou", Een mens met een toekomst, he |