|
|
Toen zover ik
zien kon geen vuur
brandde, geen licht
gloorde, alsof licht nog
nooit geroepen was, vuur nog niet
uitgevonden, ben ik gegaan - mijn ziel in
mij een laaiende
strohalm. Ben ik gegaan de torentrappen
af door
spiegelgangen de kasteeltuin
door de slotbrug
over de valkuil van
de slaap voorbij, waar ben ik
heen gegaan- mijn ziel in
mij een gloeiende
draad een laaiende
strohalm. Joannes van het
Kruis Jedid Néfésj
- geliefde van mijn ziel Geliefde van
mijn ziel, erbarmende vader, trek Uw dienaar
mee naar waar U hem wilt. Rennen zal dan
Uw dienaar als een hinde om te komen
buigen voor Uw glorie. Zoeter dan het
drupsel van een honingraat, dan welke smaak
ook, zal hem Uw vriendschap zijn. Glorievolle,
stralend licht der wereld, hoe smacht naar
Uw liefde mijn ziel. Wil toch o God,
wil toch haar genezen door haar de
verruking van Uw straling te tonen. Dan zal ze
gesterkt zijn en genezen en eeuwige
vreugde wordt haar deel. Gij van het
oerbegin, wil Uw erbarmen wekken, heb meelij met
de zoon van Uw geliefde. Het is zo lang
dat ik gehunkerd heb naar de
schittering van Uw macht. Dit alleen
verlangt mijn hart, heb meelij toch,
verberg U niet... Wil toch U doen
voelen en spreid, mijn Liefste, de beschutting
van Uw vrede over mij uit, verlicht de
aarde met Uw glorie. Blij en vol
vreugde zullen wij met U zijn. Haast U, toon
liefde, want de tijd is gekomen. Toon ons Uw
genade als in de dagen van toen. Vlug toch, toon
ons Uw liefde, want het uur is
gekomen, begunstig ons
als in de dagen van weleer. mystiek Sjabbatslied door Rabbi Eliezer Azikri het lied 'jij'
van Levi Jizchak van Berditschew Waar ik ga -
jij! Waar ik sta -
jij! Alleen jij,
weer jij, altijd jij! Jij, jij, jij! Gaat het mij
goed - jij! Als het mij
pijn doet - jij! Alleen jij,
weer jij, altijd jij! Jij, jij, jij! Hemel - jij,
aarde - jij, boven - jij,
beneden - jij, waarheen ik mij
wend, aan elk einde, Alleen jij,
weer jij, altijd jij! Jij, jij, jij!
Jij die in mij
woont met de kracht
als van een opspuitende bronwel, vol sprankelend,
levengevend water. Ik heb het -
tot mijn schade en schande - klaar gekregen
(wie laat nu het meest vrij?) om jaar na jaar
stenen te verzamelen en daarmee die
bronwel in mij te begraven onder puin en
gruis en eigen drukdoenerij. Ik moet Jou
weet opgraven in mij, opdelven in
mijn diepste diep, het
schilderijtje van mijn wezen, mijn gelaat grondig laten
restaureren van jarenlang vuil. Jij hebt er
Jouw gezicht in uitgetekend, daar waar Jij
verblijf houdt, diep in mij. Wanneer krijg
jij het klaar om Jouw
beeltenis in mijn wezen weer van
blijdschap te laten stralen in dat
verfrissend, opspattend bronwater, daar diep, heel
diep in mij verborgen? Kom, trek me
naar binnen, blijf kloppen
aan de poort want ook mijn
oren zijn doof geworden, blijf schijnen
in de nacht want de
blindheid van mijn ogen is bijna totaal. Kom, delf op
mijn ware gelaat, maak mij mooi, maak van mij
Jouw liefste mens, ik kan niet
meer zonder Jou, Jij die woont
in mij, opborrelende
Minne-kracht wassend water
dat leven doet. Kom, leef je
uit in mij. Ruusbroec Ghi smaect mi
suete boven honechraten. Ende boven alle
suetecheit van maten. Altoes blijft
in mi hongher ende begheeren, Want ic en kan
u niet verteeren. Etdti mi, ochte
etic u, dats mi onkond, Want beide
dunct mi in minen grond. Ghi eischt mi
‚‚n met u te sine Ende dat gheeft
mi grooete pine, Want ic en
wille mine ufeninghe niet laten Ende in uwen
arme slapen. Ic moet u
danken, lof ende eere gheven, Want dat es
mijn eewegh leven. Ongheduer
vendic in mi; Ic en can
gheweten wat dat si. Mochtic
eenegheit met gode verkrighen Ende altoes in
mijn werken bliven, Soe soudic al
mijnre klaghen swighen. God die alle
nooet bekint, Hi doe met mi
al dat hi wilt. Ic gheve mi te-male
in sijn ghewoud. Soe blivic in
allen dooeghene stout. Jan van
Ruusbroeck In een
nacht, aardedonker, in brand
geraakt en radeloos van liefde, - en hoe had ik
geluk! - ging ik eruit
en niemand die 't merkte -
want mijn huis lag reeds te slapen. In 't donker,
geheel veilig langs de
geheime trap en in vermomming, - en hoe had ik
geluk! - in 't donker,
ongezien ook, want alles in
mijn huis lag reeds te slapen. In de nacht die
de kans geeft, in het geheim,
zodat geen mens mij zien kon en ook ikzelf
niets waarnam: ik had geen
ander leidslicht dan wat er in
mijn eigen binnenst brandde. Dat was het dat
mij leidde - zekerder dan
het zonlicht op de middag - daarheen waar
op mij wachtte, van Wie ik
zeker zijn kon en op een
plaats waar niemand ooit zou komen. O nacht die mij
geleid hebt! O
nacht, mij
liever dan het morgengloren! O nacht die
hebt verenigd Beminde met
beminde, beminde,
opgegaan in de Beminde! Aan mijn borst,
wei vol bloemen, Hem
alleen,
onbetreden voorbehouden, daar is Hij
ingeslapen en heb ik Hem
geliefkoosd en gaf de
waaier van de ceders koelte. De koelte van
de tinnen kwam, onderwijl
ik door zijn haren heenstreek, met haar hand
licht en rustig, mij aan de hals
verwonden en stelde al
mijn zinnen buiten werking. Mijzelf liet ik,
vergat ik; ik drukte het
gelaat aan mijn Beminde; het al stond
stil, ik liet mij gaan, liet al mijn
zorgen liggen: Tussen de witte
leliën vergeten. J.v.h. Kruis
vert. J. Peters Toen ze ver ik
zien kon geen vuur
brandde geen licht
gloorde alsof licht nog
nooit geroepen was vuur nog niet
uitgevonden ben ik gegaan mijn ziel in
mij een gloeiende
draad een laaiende
strohalm. Door
spiegelgangen ben ik gegaan door open
deuren naar buiten de brandtrap af de valkuil van
de slaap voorbij mijn ziel in
mij een gloeiende
draad een laaiende
strohalm. Zou zon bestaan zouden
sterrenwegen opduiken
begaanbaar zou droomachtig
mooi boven mij de stad van de
maan - of zou ‚‚n
enkele man met ogen
van weerlicht mij
wenkende hoog aan de
hemel staan ik zou niet
gaan in dat
licht. Ik radeloos
gelukkige mijn ziel zee onder
schotsen fonkelend zwart licht gesternte onder
puin en as begraven
onzienlijk licht steekvlammen
dun als berglucht mijn gewrichten dooraderend
verwilderend ontschaduwd
licht zenuwenziel die arendsogen
schroeit in mijn
gezicht. Ziel kleinste
onbekende doe mij gaan door deze nacht dit
waanlandschap dit onbestaan tot waar wie op
mij wacht die achter
namen woont hartslag
doodstilte duur van dit
ontvonkt moment die wonder is
dorst lafenis de
ongevonden vondeling de
zielsbeminde die mij kent. J.
v.h. Kruis Mijn ziel is zo
jong als op de dag
dat hij geschapen werd, ja en nog veel
jonger. Ik zeg je, ik
zou beschaamd staan, als hij morgen
niet jonger zou zijn dan vandaag. Wanneer men
duizend jaar lang aan het leven
vroeg: waarom leeft ge? dan zou het ,
als het al antwoorden zou, alleen maar
zeggen: ik leef om te leven. Wie op alle
plaatsen thuis is, die is aan God
gewaagd. En wie door
alle levenstijden heen ‚‚n en
zichzelf wordt, hem is God hier
en nu. In wie al wat
geschapen is tot zwijgen
komt, in hem baart
God zijn zoon. Eckhart De aarde
schuilt in een korrel zand De aarde
schuilt in een korrel zand, het heelal in
een bloemblad puur, de oneindigheid
in de palm van uw hand en de
eeuwigheid in een uur. W. Blake Schouwen is een
weten wizeloos Schouwen is een
weten wizeloos, dat boven reden
blivet altoos. Het en mag in
redenen niet dalen Ende redenen en
mag 't boven hare n iet herhalen. Verklaarde
onwize is spiegel fijn, waar God in
licht zijnen eeuwigen schijn: Onwize die is
zonder maniere, waar alle
redenlijke werken in falieren. Onwzie en is
God niet, maar zij is dat
licht, waar men Hem mede ziet. Die in onwize
wandelen in godlijken lichte, zij zien in hem
een ongestichte. Onwize is boven
redene, niet daar zonder. Zij ziet alle
ding zonder wonder. Verwonderen is
daar beneden; zonder
verwonderen is schouwende leven. Onwize ziet,
maar zij weet niet wat, boven al, noch
dit, noch dat. Nu moet ik 't
rijmen laten blijven, zal ik 't
schouwen klaar beschrijven. Jan van
Ruusbroec 1293-1381 _______________________ wizeloos: een
weten zonder beperking boven redene:
boven de rede niet dalen: het
kan niet afdalen tot het verstandelijke onwzie: het
verlichte zijn buiten alle bepaalde wijzen van doen of denken zonder
maniere:
zonder vaste manier van doen falieren:
tekort schieten ongestichte:
woestenij, ledigheid wonder:
verwondering noch dit, noch
dat: boven alles uit, zonder onderscheid van voorwerpen Alle dinghe Sijn mi te
inghe; Ic ben so wijt! Om een
onghescepen Hebbic begrepen In eweghen
tijt. Ic hebdt
ghevaen. Het heeft mi
ontdaen Widere dan
wijt; Mi es te inghe
al el; Dat wette wel, Ghi dies oec
daer sijt Men es vri In dat nabi Onghesceden; Daer omme wilt
hi Dat alsoe si Met ons beden. Hadewijch al el: al het
andere Orewoet van
minnen Dats een rike'
leen, Ende die dat
woude kinnen, Hine eischede
haer el negheen. Die tiersten
waren twee Die doetse
wesen ‚‚n, Dies ic die
waerheit toghe. Sie maect dat
suete es, suer, Ende den
vremden naghebuer, Endi si
bringhet den nederen hoghe. Si maect den
starken cranc Ende den sieken
al ghesont; Si maket den
rechten manc, Si heilte dien,
die was ghewont. Si maect den
onbekinden Die wide weghe
cont Daer menich in
moet dolen; Si doet hem
weten al Wat men leren
sal In hohger
minnen scolen. Hadewijch _________________ orewoet: vurige
onrust el negheen:
niets anders tiersten: eerst toghe: bekend
maak Men kan het
nieuwe jaargetijde overal goed
bemerken: de vogels zijn
in hun schik, de bloemen
komen te vooschijn in berg en dal. Waar zij ook
staan, zij zijn
ontsnapt aan de wrede
winter, die hen kwelde. Ik ben verloren als ik niet
spoedig de Minne in
mijn rampspoed troost. Nu heeft mijn
ongeluk zijn legers
tegen mij gericht; zij komen van
alle kanten bijeen. Mijn hoge wegen,
die vrij waren, zijn zwaar
belegerd; mij is de vrede
opgezegd. Ziet, of ik
soms van smart afweet! Word ik op de
weg gebracht waar de minne
zegeviert, o, edele Minne,
dit dank ik U. De
Minne, die
alles overwint, help mij dat ik
moge overwinnen, en zij die alle
nood kent, vergunne mij
dat ik moge belijden, hoe zwaar 't
mij valt -had ik raad
daaromtrent- te wachten op
de genotvolle omgang met Minne. De wrede
beproeving, die daarmee in
strijd is, ontneem aan
mijn vermogen alle kracht. Door de Minne
kan ik volkomen mijn
verlatenheid en ellende overwinnen; ik weet wel dat
ik dat zal doen. Toch heb ik
menige tegenspoed, die mij doet
bezwijken menigmaal sinds de Minne
mij voor 't eerst van binnen verwondde. Ik wil alles
missen, totdat de Minne
mij wil opnemen in 't rijk, dat
zij mij toezegde. In mijn jonge
jaren toen de Minne
voor 't eerst met mij kampte, toonde zij mij
grote genietingen: haar wijsheid,
haar rijkdom, haar goedheid, haar macht Toen ik met
haar omging en ik op mij
nam de tol der
minne geheel te betalen, gaarne boven
alles, hechtte zij mij
in liefde-eenheid aan haar. Nu schijnt die
storm wel zeer geluwd. Zo heeft de
Minne mij bedrogen met veel wat
zij mij had voorgespiegeld, met menige
zoete verzadiging, waardoor nieuwe,
jeugdige kracht wordt verkregen. Heerlijke
genietingen met nieuwe
vreugde, waardoor ik
gaarne alles heb geleden, -ik klaag en
verwijt met nieuwe
aandrang- weigert zij nu,
die mij eens heeft verheugd. Ik weet wel,
dat de Minne leeft, al sterf
ik vele malen. Daar ik weet
dat zij leeft, verdraag ik
alles zeer gaarne met blijdschap: rampspoed en
begenadiging, hetzij kwaad of
goed, ik verberg het
gaarne voor de niet-minnenden. In mijn
edelgezind gemoed ben ik er zeker
van, Dat de Minne
met minne vergelden zal. Ik heb de edele
Minne alles weggeschonken
wat ik ben Verlies ik of
win ik, alles zij het hare, waarop zij
volledig recht heeft. Wat is mij
geschied? Ik behoor
mijzelf niet meer toe: zij heeft al
mijn vermogen in zich opgenomen. Haar
voortreffelijk wezen geeft mij de
verzekering, dat de pijn der
Minne puur gewin is. Ik erken dat de
Minne het wel waard is: of ik verlies
of win, dat is geheel om het even. Dit heb ik het
meest begeerd, sinds de Minne
mijn hart het eerst aanraakte: haar te voldoen volgens haar
wens, zoals steeds
wel bleek. Want ik
verdroeg wat zij mij
aandeed: om haar was dat
voor mij het beste levenslot. Wie in zijn
leven aan de Minne wil beantwoorden, hij spare zich
niet, zo luidt mijn raad. Hij moet zich
met geheel zijn wezen geven, om te leven
voor dat allerverhevenste werk, voor de
minnende een geheim, de
niet-ingewijde onbekend, die 't wezen
der Minne niet vestaat. Dat zoete dolen in de school
der Minne, kent hij niet,
dat er niet heen gaat. Hoe ik ook
gekweld word, wat de Minne
mij heeft opgelegd, dat blijft
onherroepelijk. HADEWIJCH (13e eeuw Als het nieuwe
jaar aanbreekt, dan is berg en
dal nog steeds
donker en overal kaal, maar de
hazelaar gaat al bloeien. Al heeft de
minnaar tegenspoed, het zal hem
toch altijd goed gaan. Wat baat h‚m
blijdschap of jaargetijde, die gaarne het
geluk der liefde zou smaken en in de wijde
wereld niemand vindt, op wie hij met
vertrouwen kan steunen, en tot wie hij
vrij kan zeggen: 'Lief, gij zijt 't, die mijn
diepste wezen kunt bevredigen. Hoe kan h‚m
blijdschap vervullen, die de Minne in
boeien heeft geslagen, terwijl hij
door de wijsheid van Minne zou willen zwerven, en er in
vrijheid en trouw van genieten? Meer dan er
sterren aan de hemel staan lijdt de
minnende ziel dan smarten. Het getal dier
smarten verzwijge men liefst, die
grote,
zware lasten kunnen niet gewogen worden, daar weegt
niets tegen op; dus is het 't
beste, dat men er van afziet. Al is mijn deel
klein, ik heb er wat verdragen! Ik gruw van het
leven! Welk een gruwel
en verdriet is het leven voor hem, die alles voor
alles heeft gegeven, en ver wordt
weggedreven op donkere dwaalwegen, vanwaar hij
nooit meer meent terug te keren en in een storm
van vertwijfeling geheel wordt verpletterd Welke smart kan
met dit leed vergeleken worden? O, gij fieren,
die ondanks alles in de Minne volhardt, en vrij leeft
in haar bescherming, hebt medelijden
met de rampzalige, die door de Minne wordt neergeveld, en met
uitzichtloze ballingschap gekweld. Ach, wie haar
raadsbesluiten kan kennen, leve er vrij naar; mijn hart kent
slechts wanhoop. Want ik zag een
heldere wolk opgaan boven de
donkere wolken, z¢ schoon van gedaante, dat ik meende in volle weelde spoedig vrij te
genieten in de zon, Toen werd mijn
vreugde slechts een illusie! Als ik toen
gestorven was, wie zou 't mij kwalijk nemen? Toe werd het
eensklaps nacht voor mij in plaats van dag. Was ik maar
nooit geboren, helaas! Maar wie zich
geheel wegschenkt in vertrouwen op de Minne, met minne zal
de Minne het wel vergelden. Al ben ik weer
neergeveld, God troost alle
edelgezinden. De Minne geeft
in het begin steeds voldoening. Toen mij de
Minne voor 't eerst van minne sprak, ach, hoe lachte
ik haar van ganser harte toe! Daarna leek ze
mij lijken op hazelaars, die in donkere
dagen vroeg bloeien tewijl men lang
op hun vrucht moet wachten. Gelukkig is hij,
die wachten kan tot de Minne
hem Alles voor alles geeft. Ach God! ik
geef er ook niet om (te wachten) maar ik ben er
des te blijder om, want de Minne
heb ik mij geheel overgegeven.- Maar het wee
deed mij zoveel pijn. Dit valt de
minnaar al zo zwaar: al dolend de
Minne te zoeken en hij weet niet waar, in duisternis
of in klaarheid, in toorn of in
genegenheid. Toonde de Minne haar
waarachtige troost duidelijk, dat zou de
verlaten ziel bevredigen. Ach, liet mijn
Geliefde mij enig genot van de minne smaken, daardoor zou de
Minne niet geheel worden uitgeput, en dan zou geen
vreugde slechts een waan zijn. Het zou heel
droevig zijn als dat zo was. Ach, moge God
de edele fieren doen inzien, welk een schade
dat zou betekenen. Ach, wat ik
bedoel en heb willen zeggen heefd God de
edelgezinden wel geopenbaard, aan wie Hij het
leed van de Minne heeft gegeven, opdat zij het
wezen der Minne zouden smaken. Vóór het al
met het Al wordt vereend, smaakt men
bitter leed. De komst der
Minne troost, haar heengaan drukt neer, dat maakt ons
lot zwaar. Ach, hoe men
Alles met alles grijpt, dat weten de
oningewijden niet HADEWIJCH
(13e eeuw) Hij die niets
kent, heeft niets lief. Hij die niets
kan, begrijpt niets. Hij die niet
begrijpt, heeft geen waarden. Maar hij die
begrijpt heeft ook lief, neemt waar, schouwt... Hoe meer iets
gekend wordt, des te groter is de liefde... Een ieder die
zich verbeeldt dat alle vruchten tezelfdertijd tot rijping
komen als de aardbeien, weet niets van druiven. 'There are so many different worlds so
many different suns and we have
just one world but we live in different
ones..' (Brothers in arms - Dire
Straits) Vooraf bestaat
het water. Achteraf
bestaat het water; het duurt, het duu |