nederlands7
Start Omhoog

                 


 


VERLATEN liggen de oevers der genade

En niemand komt om van den stroom te drinken,

Alsof de mens zijn Godheid heeft verraden,

Die machteloos haar schepping zag verminken.

Soms dwaalt een zwerver langs de lege paden

En hoort met schrik zijn eigen schreden klinken,

Hij voelt zich met een zwaar geheim beladen

En vlucht waar hem vertrouwde lichten blinken.

Nog wordt de nacht doorbeefd van een traag ruisen

Maar alle harten blijven onbewogen,

Geen vraagt of ooit de bedding zal verdrogen

En niemand weet meer waar de wegen kruisen.

Een matte rust daalt over ziel en ogen

Waar eens Gods jonge kracht den geest deed bruisen.

 

Yvonne Keuls  


TOEN zong een stem de ganse eenzaamheid:

Bergen en rotsen, de woestijn van steen

En' t blinde sneeuwen over alles heen;

Een wildernis waardoor geen hand geleidt.

De stem zong de uiterste verlatenheid

En al wat maakt den mens zinloos-alleen,

Doch zonder bitterheid, zonder geween,

En zingend tot den ondergang bereid.

Maar zingend is geen ondergang volstrekt:

't Was of de stem door eigen kracht gewekt

Opeens in jubel uit zou kunnen slaan

En vleugelend haar hemel binnengaan.

Ontroerd werd ik een waarheid mij bewust:

Dat diepste nood raakt ergens hoogsten lust.

 

Yvonne Keuls


BESNEEUWD LANDSCHAP

 

Het ijle glaswerk van het middaguur

 

Bomen van rood glazuur

Archaïseren de sneeuw

Het licht staat hoog en puur

Als de voetstap van een verpleegster

 

Men moet dit langzaam leren :

Er zijn geen goden en de waarheid

Is niet van sandelhout gemaakt

De passie is eenzelvig als een menhir

Er is geen schaduwen geen lichaamswarmte

 

Er is geen echo en geen weerschijn

Er is geen lijn van nu naar weer-nu

Er is geen pijn met bladzij zoveel

Er is geen rijm op leven

Het hart heeft geen geschiedenis

 

(het ijle glaswerk van het middaguur

de sneeuw een metropool van stilte

en de organen ingedeeld naar rang en ras)

 

Men moet dit langzaam leren :

Men moet dit leren met handen als de ceremonieuze spiegels in een rococopaleis

Men moet dit leren het voorhoofd een stenen bassin waarin pronkzieke duiven

hun weerga van pronkzucht betichten

 

Men moet dit leren als de litanie van zand en zand

Men moet dit leren met het maagdlijk rituaal van klimrozen

De gestyleerde adem van een basilisk

 

Men moet dit leren als een vergezicht

Men moet dit leren met de ernst waarmee een drachtige wolvin astronomie

studeert

Met het geduld waarmee de wijn in grijze kloosterkelders een god schept naar

zijn eigen beeld

Men moet dit leren als de groepsmoraal van wilde eenden

Als de lucide liefde van een vogelspin

Als het vóór-ijlen van een distichon

Men moet dit leren met de roerloze trots van een reiger

Men moet dit leren de schouders symmetrisch

De lippen geslepen

De ogen

Exakt en teder als een kaukasische dolk

 

(de hemel vorstelijk van bouw

de lucht een kitteling van pauweveren)

 

Men moet dit langzaam leren

Men moet dit langzaam leren

Men moet dit leren als een naam

(maar wie leert er nog namen

wie heeft er nog tijd voor namen

wij leren de astronomie van hoeden

de teleskopage van woord in waard

de funktieverdeling van mond- en vrouwzeer

de kybernetiek van tafel en bed

wij leren het in en het uit van de treinen

wij leren de straten maar niet de pleinen

het scherp van een stem maar niet zijn gevest

de vlam van een blik maar niet zijn kristal

wij leren de massa en de gratie

maar niet hun kruisiging

wij leren de som en de multiplicatie

maar niet de verenkelvoudiging)

 

Men moet dit leren langzaam als een naam :

Het is

 

II

Het is

 

Niet de gevilde god niet

De Gevilde huilend

In de ijzeren schroef van de ijzige stilte

In de withete buik van de gietijzeren stier

 

Een rose beest van waanzin

Zo modern

 

 

Het is

drie uur, geloof ik

de sterren schijnen op klaarlichte dag

de sterren zijn scherpe witte messen

ik heb je nog nooit zo menselijk gezien-

liefste, betoverde buldog

(ik moet je fotograferen)

 

Niet de Verstilde:

Hij de spitse niet, de witte muis, de lotosbloem

De zwevende op een boek als een tapijt

Met de glanzende glimlach van paraffine

De zwevende op een boek als water :

Waterwandelaar, pierrot, poëet, gedresseerde

Zeehond op het klappend wereldboek

 

-En Hij niet de Zitter, de wereldbuik

De luisteraar met het hangende oor der wijsheid

De eter van stilte als rijstebrij

De hoeder van het oliën geheim der vier kwartieren

Genaamd 'de draaideur der geschiedenis'

 

Het is

Dat is

Een ruimte zonder heiligen

Een ruimte zonder kengetal

De oude stad niet met de vier koperen ruiters trompettend

Als olifanten rond de zwarte put van de moederschoot

En niet de snorrende driehoek van de nomadische luchteters

Ikaros stijgend, Ikaros vallend

-een rat, een woord, de dood gemaskerd, hooggeschoeid

En de wind bewegend in de purpren gordijnen

 

Het is

koud, geloof ik

je handen zijn haneogen, ingrijpende spiegels :

ik zie een lichtrode japanse prins

een open borst vol prentjes, een navel in sierschrift

kijk, met een gouden lever, een erepoort

sssst

 

Dat is

(misschien: een zadelvormig ei

een gouden haan van overmorgen

en overmorgen een sterrebeeld

een voetstap als een tornado

-of wie weet hebben zij gelijk die zeggen:

'gewoon een vis in een vogelkooi'-)

De wreedheid die geen gezicht heeft

Zoals een fotograaf geen gezicht heeft

Zoals een explosie geen gezicht heeft

Maar een kuis profiel van watten;-

De binnenwaartse sprong, een daverende leegte

Verbaasde, verglaasde

Verlamming

 

Het is

Dat is

Zien: het voorhoofd een schild, een bark

Weten : een onmerkbare verdikking

Zijn:...

Dat is

Een lang mes, een zeer langzame vis

Een dom als een brandende hooimijt

Een verschrikkelijke aandacht als een moederwarmte

 

Een ruggegraat :

Engelachtig, engelachtig opgeschroefd

Een woedende trompet

Stilte

Ja

 

 

III Woorden van brood...

(Guillaume van der Graft)

 

Woorden van steen:

 

Niet de verduurzaamde, niet de gebeitelde liefde

De hals de heilige toren en de stenen welpjes, de borsten

Niet de betonnen zweepslag van de atletische schoonheid

En geen altaar, geen pyramidale dood

Geen huis van marmeren poorten op blauwlinnen luchten

Napoleon laveloos onder de rozen op 't binnenplein

 

De stenen tafelen dan, de runen ? Spijker-

Schrift van het hart, de tweekoppige adelaar

Die zijn welsprekende klauwen haakt in de horizon

Dromend van 't duizendjarige rijk?

'Het hart is een hamer,' spreekt Hammoerabi, 'langs

Wolkloze wegen gaat de hamer het hart

Geharnaste vrede stichtend, grenzen stellend.'

En de lieflijke slang 1 Vermorzeld onder de hak der wegenbouwers.

De klappertandende vogels 1 Verjaagd naar de engelenbak.

 

Maar Herakles, de bastaardheld, de rattenvanger

Het waswijf Herakles met de ontblote dijen -

Hij hangt gespietst aan de gehoornde horizon

Bloedende lap aan de gehoornde horizon :

'Dank u, Hoogheid,' zegt de oude dichter buigend

En knoopt zich aan Zijn nachtelijke darmen op

'0 haan, o morgenrood,' zeggen de zwartgezichten

En hurken smakkend voor het vettig doodshoofd

Morgen

 

('Laten de lieve, kwijnende

vlasblonde meisjes

de poëzie

gaan háten')

  

De stenen spreken een taal

Die niet voor de meisjes is

De stenen spreken een taal

Niet voor de vromen, niet voor de goedwillenden

De stenen spreken een taal

(de poëzie is een gloeiende bol

de poëzie is een woedende maagzweer)

 

Donker en afgezonderd

Schroeiend en onverstaanbaar

Vuistdikke eierschaal

Kolom van zwijgen

Gezichtloze, zwartgeblakerde

Engel het woord

 

P. Rodenko


Geluk

Niet anders is de gang van ieder leven:
Men raakt aan 't eind van alle dingen los.
Wat heeft mij even geluk gegeven?
Een neevlige einder, een verdoezeld bos.

J.C.Bloem  


Het Baanwachtershuisje

Het kleine huis, dat aan de spoorbaan staat,
Waarlangs de koorts van het reizen komt gevlogen,
- De bonte was hangt aan de lijn te drogen -
Wie weet, hoe zacht daarbinnen 't leven gaat?

En deze jonge moeder met het kind -
Haar dromen drijven op haar zuivre zinnen
Naar de verliefdheid van het eerste beminnen
Bij de oude omhelzing van de zomerwind.

Maar zelfs al was dit onuitzegbre mijn,
Nog zou het diepst verlangen niet verdwijnen
Om na dit derven en dit lange schijnen
Eindlijk te zíjn.

J.C. Bloem
Uit: Het verlangen 1921  


De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C. Bloem

uit:Doorschenen wolkenranden, Bert Bakker, 1983 


De Gelatene

Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.

Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.

J.C. Bloem

Uit: Quiet though sad (1947) 


Aanvaarding

Toen ik jong was, bestond ik in vormen
Van het leven dat komen zou:
Een vervoerend de wereld doorstormen,
Een lied en een eindlijke vrouw.

Het is bij dromen gebleven;
Ik heb, wat een ander ontsteelt
Aan het immer weerbarstige leven,
Slechts als mogelijkheden verbeeld.

Want ik wist door een keuze verloren
Ieder ander verlokkend bestaan.
Ik heb dan ook niets verkoren,
Maar het leven is voortgegaan.

En het eind, dat ik wilde ontvluchten,
Is de aanvang gelijk, die het had:
Onder Hollandse regenluchten,
In een kleine Hollandse stad.

Ingelijfd bij de bedaarden
Wordt het hart, dat geen tegenstand bood.
Men begint met het leven te aanvaarden
En eindlijk aanvaardt men de dood.

J.C. Bloem
uit: Declamatorium der Nederlandse poëzie, Teresa vander Meulen - van Marcke,  Standaard Uitgeverij 1967 


November

Het regent en het is november
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is alengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.

J.C. Bloem (uit: Het verlangen, 1921)  


Het einde

Wat geeft het, of wij hier of elders sterven ?
Leven is altijd: naar de dood toe gaan.
De haardgebondenen en die verzwerven
Vinden één graf aan 't eind van hun bestaan.

J.C. Bloem

 


De nachtegalen

Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht,
't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? - In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

J.C. Bloem 


DE STERVENDE

Wanneer de schamele vermoeid is van het dwalen

Door al de wrede dagen van zijn leven heen,

Zoekt hij den blanken vreê der stille hospitalen

Als eindelijke heul voor lang-verkropt geween.

 

Zijn handen zijn verdord in 't uurlijks-moeizaam sloven,

Zijn haren zijn vergrijsd bij 't gele lampenlicht,

Dat drukkend suisde in de door zon versmade alkoven,

Waar hem het werk de rimpels groef in het gezicht.

 

Hij vlucht zijn arme straat en zijn benauwde woning,

En de oude vrouw, die eens hem droom van liefde schonk -

Te snel verganen droom, waar hij voor schriele loning

Moest nutten 't uur, dat hem voor tederheden wonk.

 

Nu in het paarlen licht, dat door de hoge ruiten

Der wijde zalen zeeft, ligt hij in 't witte bed,

En voelt, bij 't hopeloze staren steeds naar buiten,

Hoe hem een trage traan de holle wang benet.

 

Want hij herdenkt zijn jeugd, zijn zorgeloze dagen

In 't kleine dorpje, dat hij nooit meer heeft aanschouwd:

De vrijheid van de wei, den brand der zonnevlagen,

De friste, die des morgens op de velden dauwt;

 

De spelen op het kerkplein, voor het uur van negen

Hem joeg in dartIen draf naar 't donker schoolportaal;

De tochten, 's zondags, langs de dijken en de wegen,

De krachtge koelte van de baden in 't kanaal;

 

En de avonden, te midden van de trouwe dingen,

Met ouders, broers en zusters om het vlammend vuur,

De nachten vol van blijde dagherinneringen,

Wen, wakker, hij de duisters peilde in star getuur.

 

Een bitre weemoed komt de' ellendige genaken,

Wanneer zijn groot verlangen weg van 't ziekbed staart,

Maar niet dan eindloosheid van grauwe en rosse daken

En wat nooddruftig groen van bladeren ontwaart.

 

Dan komt de schemering zijn uitzicht overgrijzen;

Hij wendt zich van het raam af met zijn wrakke kracht,

 

Blikt langs den kamerwand, waar vreemde schaduws rijzen,

En sluit zijn ogen voor den naderenden nacht. 

J.C. Bloem
 


KERKHOF IN EEN OUD STADJE AAN ZEE

Het is zeerstil binnen de lage muren

Van deze' alom verlaten, ouden t4in;

Het gras deint hoog, waar rappe schaduws schuren,

En de wind buigt de bomen, kruin na kruin.

 

De gaarde is als met lover volgeschonken,

Dat zwaar-groen golvende muur-over bront;

Een dartle dans van vlugge zonnevonken

Speelt over mulle paên en weken grond.

 

Daarboven varen de bewogen luchten

Van dezen winddoorvochten zomerdag;

Van verre komt een nooit-gestild geruchten:

Der zee kort-uitruisende brandingsslag.

 

En tussen de wild-woekerende bloemen

Liggen de stenen, een verbroken rij.

Vogels geluiden, blonde bijen zoemen:

Men waant zich nauw den groten dood nabij.

 

Slechts weinge kleine, halfverzakte kruisen

Sombren den vreemdeling, die afgedwaald

Van lege stadsstraat peinst, waar stilten ruisen,

Tot hem een weemoed in .het harte daalt.

 

Een weemoed om u, ongekende mensen,

Wier graven hij met vromen voet betreedt,

Waar hij vermoedt uw lijden en uw wensen,

Want alle leven heeft zijn wens en leed.

 

Gij tuurdet lange zondagnamiddagen

De zonge straat langs door een blauwe hor.

Kwam geen verlangen dan uw hart bevragen?

Kreundet gij niet in onderdrukt gemor?

 

Gij die uw dagen teldet naar het tampen

Der schaardge klok, die brekende uren kloeg,

Was er niets dat, na 't doven van de lampen,

Met de nachtschaduw om uw hart heen sloeg?

 

Neen, want vaak traadt gij langs de keien wering,

Waar 't bitre schuim tot aan uw lippen woei;

Gij hebt de zee in iedere schakering

Gekend, van morgendamp tot avondgloei.

 

Uw poovre levens hebben wêl geweten

Het grootse, dat elk leven eêlt en wijdt;

Zo mochten reeds uw dagen zijn: vergeten;

Zo zij uw dood: schone vergetelheid.

J.C. Bloem 


DE JONGGESTORVEN DICHTER

Een voorjaarsdag van wind- en zonnespelen

En wolken stormend langs 't verscheurde blauw,

Waaruit, het land langs, vreemde schijnen gelen;

Als 't kil in schaduw is, in zon reeds lauw -

 

Toen toog hij uit in 't bootje, storm-bevlogen.

De wind floot door de rieten langs den stroom.

Hij zat aan 't roer, gelukkig en bewogen,

Alsof hij voer naar een beloofden droom.

 

De dag verstreek. De wolken bleven jachten.

De wind floot immer nog door 't suizend riet.

De schemer kwam 't vervagend land omnachten,

Men tuurde in 't duister uit: hij keerde niet.

 

Was het de kracht des winds, de macht der golven?

Hijzelf heeft wel zijn sterven niet gewild.

Maar toen de koele stromen hem bedolven

Heeft geen verzet zijn brekend hart doortrild.

 

Want in hem leefde een drang, als in ons allen,

Die staag in daden om verlossing schreit,

En, als weerstrevinge' alzijds ons omvallen,

Niet minder brandt, maar nu den dood gewijd.

 

Dien vlood hij niet, toen hem dat beeld kwam dagen;

Het lokte hem met een bekende stem -

Midden in 't voorjaar lag hij daar, verslagen,

En al de dromen in zijn hart met hem.

 

O aarde, spreid hem diep en zacht en teder

Een bed waar 't groen van vochte zoden is,

En bloesemschaduw wiegelt heen en weder

In stilte, die gewijd door doden is.

 

Want hij was een van die rampzaalge velen,

Die krampen in de grens van hun bestaan,

Om wie de nevelen zich nergens delen,

Wier paden nimmer naar hun dromen gaan.

 

Gij gaaf t de donkers hun om te bewonen;

Tranen, die loutrend wel, maar bitter zijn.

Toch, hoe ze ook klaagden om hun poovre lonen,

U smeekten zij vanuit hun stervenspijn.

 

Want zij beminden u: de goede koelte

Van uwe waatren en uw welig loof;

De vreugde om maneschijn of zonnezwoelte;

De oogstdroom, dicht aan uw hart, op warme schoof;

 

De schoonheid uwer paden na den regen,

Als in de plassen 't blauw weerspiegeld ligt,

Alsof de mensen waden door de wegen

Des hemels met een stralend aangezicht;

 

De brand der steden, die de levens slorpen

En bannen in de kilte van hun schijn;

En de vergeten weemoed van uw dorpen,

Wier huizen hurken om de kerk op 't plein.

 

Dan, andren waren er die daarvan spraken,

Met een bewogen en een schoon geluid,

In zangen, die hun dromen konden slaken -

Niet zij: gij doofdet zacht hun harten uit.

 

Zo was ook hij een. Toen zijn zinkende ogen

Braken, 't water zijn reutlende' aêm verdreef,

Heeft slechts één pijn zijn zwijmend brein doorvlogen:

Dat nu de droom zijns harten woordloos bleef.

 

-Nu is het herfst en gaat de tooi verglimmen,

Die nog als laatste om de aardse dingen lag.

Mijn peinzen drijft naar dood en verre kimmen

En ik gedenk hem, dien ik nimmer zag.

 

Ik vind geen rust meer bij den vreê der lampen,

Mijn hart is vol en droef in 't nachtgeruis.

Maant mij zijn schim in de onbestendge dampen,

Die sluieren en weven om mijn huis?

J.C. Bloem

 


toen ik nog leefde

 

'toen ik nog leefde' zei

de stoel

 

'maar toen ik nog niet was bedacht

hoe ondraagbaar

vond ik toen het gevoel

van onder

te zijn gebracht

in het

almachtige

gewoel

van houtgroeikracht

 

nu ben ik de bast

en de

dictatuur

binnen die dikke bomen en

dat gestuurd worden

door de natuur

eindelijk heelhuids

ontkomen

 

nu wordt mijn buik door het zoet geschuur van

zitvlakken

ingenomen

voordat ik mijn meer verlichte dood in dit

heelal

onderga

overwin ik

zo dadelijk de

tijd

kom maar eens lekker

op mijn schoot dan laat ik vier

pootafdrukken

na in het peinzen van

je tapijt'

 

Leo Vroman

uit: “Toen ik nog leefde” 1991


Nijmegen

 

Stad die ik nalaat

mijn haar en tanden

Duizend gedachten,

verwaaid op de wind

 

Hazelaar plantte ik

voor haar vier poorten,

al haast vervluchtigd;

voor haar rose bloesem

 

Zink droeg de wind…

Barnsteen en goud

diep onder je straten

Goud bleef het goud

 

H.H. ter Balkt


Zo meen ik dat ook jij bent

 

zoals de koelte 's nachts langs lelies

en langs rozen

als wit koraal en parels diep in zee

zoals wat schoon is rustig schuilt

maar straalt wanneer ik schouwen wil

zo meen ik dat ook jij bent

als melk

als leem

en 't bleke rood van vaal gesteente

of porselein

zoals wat ver is en gering

en lang vergeten voor het oud is

zoals een waskaars en een koekoek

en een oud boek en een glimlach

en wat onverwacht en zacht is en het eerste

en wat schuchter en verlangend en vrijgevig

gaaf maar broos is

zo meen ik dat ook jij bent

Jan Hanlo (1912-1969)

 


de mus

Tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp - tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

 

Tjielp

etc.

Jan Hanlo (1912-1969)

 

(Uit 1949; opgenomen in Verzamelde Gedichten, Amsterdam 1958)

 


WAT ZAL IK VOOR JE KOPEN, ZOON?

 


Een kat? een sterfelijke witte muis? een wát?
Een vriendje uit de Oriënt? een slaaf?
Een zwarte raaf uit Duitsland? of een rat?
Een hond die goed gezond is? of een fluit?
Een mandolien in een hoes? of een machien?
Een wereldbol? misschien een wiel?
Misschien een bombazijnen bloes?
Of het profiel van Dante?

Jan Hanlo (1912-1969)


Ik noem je etc.

 

ik noem je: bloemen

ik noem je: merel in de vroegte

ik noem je: mooi

ik noem je: narcissen in de nacht

waaroverheen de wind strijkt

naar mij toe

ik noem je: bloemen in de nacht

Jan Hanlo (1912-1969)


 

KROOP DE MIST


Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.

Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.

Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.

 

1947

Jan Hanlo (1912-1969)


Aan de Winter


O wintertijd zo schaars bezongen
waarin de straten nat of koud
waarin de sneeuw het groen bedwongen
de bloemen in hun knoppen houdt

niet kent gij -- wintertijd -- de vreugden
de droefheid die het voorjaar heeft
maar naakt en sober zijn uw deugden
en niet meer hebt gij dan gij geeft

wat doet ons -- wintertijd -- soms zuchten
wanneer -- zo rijk -- de lente komt
misschien dat wij uw afscheid duchten
of dat uw naaktheid zich vermomt

bij vele harten passen beter
uw regen -- wintertijd -- uw wind
gij met uw koude klare sterren
belooft niet meer dan gij bemint

Jan Hanlo (1912-1969)


Vers per 7 juni 1951

 

Bedoel je Josje met de kleine ogen?

Nee, met de grote.

Bedoel je Josje met de schelle stem?

Nee met de mooie.

Bedoel je Josje met het haar dat naar niets ruikt?

Nee, met dat fijn ruikt.

Bedoel je Josje aan wie je nooit denkt?

Nee, aan wie ik altijd denk.

Bedoel je Josje, die nooit Engelse woorden wil opschrijven?

Nee, die dat juist wel graag doet.

Maar die dan met met schrijfletters schrijft?

Nee, die met grote drukletters schrijft.

Maar die de woorden van een zin altijd van elkaar schrijft?

Nee, die veel woorden van de zin aan elkaar schrijft.

Bedoel je Josje, die voor een scheepje spaart?

Nee, die voor een zaklantaarn spaart.

Bedoel je Josje, die niets om je geeft?

Nee, ik bedoel Josje die graag bij mij is.

Jan Hanlo (1912-1969)


Hond met bijnaam Knak

God, zegen Knak
Hij is nu dood
Zijn tong, verhemelte, was rood
Toen was het wit
Toen was hij dood
God, zegen Knak

Hij was een hond
Zijn naam was Knak
Maar in zijn hondenlichaam stak
Een beste ziel
Een verre tak
Een oud verbond
God, zegen Knak

 

Jan Hanlo (1912-1969)


OOTE

Oote oote oote
Boe
Oote oote
Oote oote oote boe
Oe oe
Oe oe oote oote oote
A
A a a
Oote a a a
Oote oe oe
Oe oe oe
Oe oe oe oe oe
Oe oe oe oe oe
Oe oe oe oe oe oe oe
Oe oe oe etc.
Oote oote oote
Eh eh euh
Euh euh etc.
Oote oote oote boe
                  etc.
                  etc. etc.
Hoe boe hoe boe
Hoe boe hoe boe
B boe
Boe oe oe
Oe oe (etc.)
Oe oe oe oe
             etc.
Eh eh euh euh euh
Oo-eh oo-eh o-eh eh eh eh
Ah ach ah ach ach ah a a
Oh ohh ohh hh hhh (etc.)
Hhd d d
Hdd
D d d d da
D dda d dda da
D da d da d da d da d da da
                                           da
Da da demband
Demband demband dembrand dembrandt
Dembrandt Dembrandt Dembrandt
Doe d doe d doe dda doe
Da do do do da do do do
Do do da do deu d
Do do do deu deu doe deu deu
Deu deu deu da dd deu
Deu deu deu deu

                  Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur
                  Kneu kneu ote kneu eur
                  Kneu ote ote ote ote ote
                  Ote ote oote
                  Ote ote
                  Boe
                  Oote oote oote boe
                  Oote oote boe oote oote oote boe

 

 

Jan Hanlo (1912-1969) 


DE MEIDEN MEEHELPEN HET WEIDEVEE MELKEN

Voor J.A.

 

't Boerenleven lijden

Met de meiden en de knechts

Doet de geest en 't lichaam sterken

't Is zo goed om flink te werken

 

Maar laten wij nu slapen

Want de rapen op het veld

Zullen zeker Toch wel groeien

En dan morgen friswat stoeien

 

En daarna met de mijden

Naar de wijden helpen melken

En de grote rodekolen

En de rode kroten rooien

 

Jan Hanlo (1912-1969)

 

 

 

 

                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

    voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.net

canandanann - 01-09-2007 15:18:47