|
|
VERLATEN liggen de oevers der genade En niemand komt om van den stroom te drinken, Alsof de mens zijn Godheid heeft verraden, Die machteloos haar schepping zag verminken. Soms dwaalt een zwerver langs de lege paden En hoort met schrik zijn eigen schreden klinken, Hij voelt zich met een zwaar geheim beladen En vlucht waar hem vertrouwde lichten blinken. Nog wordt de nacht doorbeefd van een traag ruisen Maar alle harten blijven onbewogen, Geen vraagt of ooit de bedding zal verdrogen En niemand weet meer waar de wegen kruisen. Een matte rust daalt over ziel en ogen Waar eens Gods jonge kracht den geest deed bruisen.
Yvonne Keuls TOEN zong een stem de ganse eenzaamheid: Bergen en rotsen, de woestijn van steen En' t blinde sneeuwen over alles heen; Een wildernis waardoor geen hand geleidt. De stem zong de uiterste verlatenheid En al wat maakt den mens zinloos-alleen, Doch zonder bitterheid, zonder geween, En zingend tot den ondergang bereid. Maar zingend is geen ondergang volstrekt: 't Was of de stem door eigen kracht gewekt Opeens in jubel uit zou kunnen slaan En vleugelend haar hemel binnengaan. Ontroerd werd ik een waarheid mij bewust: Dat diepste nood raakt ergens hoogsten lust.
Yvonne Keuls
Het ijle glaswerk van het middaguur
Bomen van rood glazuur Archaïseren de sneeuw Het licht staat hoog en puur Als de voetstap van een verpleegster
Men moet dit langzaam leren : Er zijn geen goden en de waarheid Is niet van sandelhout gemaakt De passie is eenzelvig als een menhir Er is geen schaduwen geen lichaamswarmte
Er is geen echo en geen weerschijn Er is geen lijn van nu naar weer-nu Er is geen pijn met bladzij zoveel Er is geen rijm op leven Het hart heeft geen geschiedenis
(het ijle glaswerk van het middaguur de sneeuw een metropool van stilte en de organen ingedeeld naar rang en ras)
Men moet dit langzaam leren : Men moet dit leren met handen als de ceremonieuze spiegels in een rococopaleis Men moet dit leren het voorhoofd een stenen bassin waarin pronkzieke duiven hun weerga van pronkzucht betichten
Men moet dit leren als de litanie van zand en zand Men moet dit leren met het maagdlijk rituaal van klimrozen De gestyleerde adem van een basilisk
Men moet dit leren als een vergezicht Men moet dit leren met de ernst waarmee een drachtige wolvin astronomie studeert Met het geduld waarmee de wijn in grijze kloosterkelders een god schept naar zijn eigen beeld Men moet dit leren als de groepsmoraal van wilde eenden Als de lucide liefde van een vogelspin Als het vóór-ijlen van een distichon Men moet dit leren met de roerloze trots van een reiger Men moet dit leren de schouders symmetrisch De lippen geslepen De ogen Exakt en teder als een kaukasische dolk
(de hemel vorstelijk van bouw de lucht een kitteling van pauweveren)
Men moet dit langzaam leren Men moet dit langzaam leren Men moet dit leren als een naam (maar wie leert er nog namen wie heeft er nog tijd voor namen wij leren de astronomie van hoeden de teleskopage van woord in waard de funktieverdeling van mond- en vrouwzeer de kybernetiek van tafel en bed wij leren het in en het uit van de treinen wij leren de straten maar niet de pleinen het scherp van een stem maar niet zijn gevest de vlam van een blik maar niet zijn kristal wij leren de massa en de gratie maar niet hun kruisiging wij leren de som en de multiplicatie maar niet de verenkelvoudiging)
Men moet dit leren langzaam als een naam : Het is
II Het is
Niet de gevilde god niet De Gevilde huilend In de ijzeren schroef van de ijzige stilte In de withete buik van de gietijzeren stier
Een rose beest van waanzin Zo modern
Het is drie uur, geloof ik de sterren schijnen op klaarlichte dag de sterren zijn scherpe witte messen ik heb je nog nooit zo menselijk gezien- liefste, betoverde buldog (ik moet je fotograferen)
Niet de Verstilde: Hij de spitse niet, de witte muis, de lotosbloem De zwevende op een boek als een tapijt Met de glanzende glimlach van paraffine De zwevende op een boek als water : Waterwandelaar, pierrot, poëet, gedresseerde Zeehond op het klappend wereldboek
-En Hij niet de Zitter, de wereldbuik De luisteraar met het hangende oor der wijsheid De eter van stilte als rijstebrij De hoeder van het oliën geheim der vier kwartieren Genaamd 'de draaideur der geschiedenis'
Het is Dat is Een ruimte zonder heiligen Een ruimte zonder kengetal De oude stad niet met de vier koperen ruiters trompettend Als olifanten rond de zwarte put van de moederschoot En niet de snorrende driehoek van de nomadische luchteters Ikaros stijgend, Ikaros vallend -een rat, een woord, de dood gemaskerd, hooggeschoeid En de wind bewegend in de purpren gordijnen
Het is koud, geloof ik je handen zijn haneogen, ingrijpende spiegels : ik zie een lichtrode japanse prins een open borst vol prentjes, een navel in sierschrift kijk, met een gouden lever, een erepoort sssst
Dat is (misschien: een zadelvormig ei een gouden haan van overmorgen en overmorgen een sterrebeeld een voetstap als een tornado -of wie weet hebben zij gelijk die zeggen: 'gewoon een vis in een vogelkooi'-) De wreedheid die geen gezicht heeft Zoals een fotograaf geen gezicht heeft Zoals een explosie geen gezicht heeft Maar een kuis profiel van watten;- De binnenwaartse sprong, een daverende leegte Verbaasde, verglaasde Verlamming
Het is Dat is Zien: het voorhoofd een schild, een bark Weten : een onmerkbare verdikking Zijn:... Dat is Een lang mes, een zeer langzame vis Een dom als een brandende hooimijt Een verschrikkelijke aandacht als een moederwarmte
Een ruggegraat : Engelachtig, engelachtig opgeschroefd Een woedende trompet Stilte Ja
III Woorden van brood... (Guillaume van der Graft)
Woorden van steen:
Niet de verduurzaamde, niet de gebeitelde liefde De hals de heilige toren en de stenen welpjes, de borsten Niet de betonnen zweepslag van de atletische schoonheid En geen altaar, geen pyramidale dood Geen huis van marmeren poorten op blauwlinnen luchten Napoleon laveloos onder de rozen op 't binnenplein
De stenen tafelen dan, de runen ? Spijker- Schrift van het hart, de tweekoppige adelaar Die zijn welsprekende klauwen haakt in de horizon Dromend van 't duizendjarige rijk? 'Het hart is een hamer,' spreekt Hammoerabi, 'langs Wolkloze wegen gaat de hamer het hart Geharnaste vrede stichtend, grenzen stellend.' En de lieflijke slang 1 Vermorzeld onder de hak der wegenbouwers. De klappertandende vogels 1 Verjaagd naar de engelenbak.
Maar Herakles, de bastaardheld, de rattenvanger Het waswijf Herakles met de ontblote dijen - Hij hangt gespietst aan de gehoornde horizon Bloedende lap aan de gehoornde horizon : 'Dank u, Hoogheid,' zegt de oude dichter buigend En knoopt zich aan Zijn nachtelijke darmen op '0 haan, o morgenrood,' zeggen de zwartgezichten En hurken smakkend voor het vettig doodshoofd Morgen
('Laten de lieve, kwijnende vlasblonde meisjes de poëzie gaan háten')
De stenen spreken een taal Die niet voor de meisjes is De stenen spreken een taal Niet voor de vromen, niet voor de goedwillenden De stenen spreken een taal (de poëzie is een gloeiende bol de poëzie is een woedende maagzweer)
Donker en afgezonderd Schroeiend en onverstaanbaar Vuistdikke eierschaal Kolom van zwijgen Gezichtloze, zwartgeblakerde Engel het woord
P. Rodenko Niet anders is de gang van
ieder leven: J.C.Bloem Het kleine huis, dat aan de
spoorbaan staat, En deze jonge moeder met het
kind - Maar zelfs al was dit
onuitzegbre mijn, J.C. Bloem Natuur is voor tevredenen of
legen. Geef mij de grauwe,
stedelijke wegen, Alles is veel voor wie niet
veel verwacht. Dit heb ik bij mijzelven
overdacht, J.C. Bloem uit:Doorschenen wolkenranden, Bert Bakker, 1983 Ik open het raam en laat het
najaar binnen, Er was in dit leven niet
heel veel te winnen. Jeugd is onrustig zijn en
een verdwaasd Dat is voorbij, zoals het
leven haast. J.C. Bloem Uit: Quiet though sad (1947) Toen ik jong was, bestond ik
in vormen Het is bij dromen gebleven;
Want ik wist door een keuze
verloren En het eind, dat ik wilde
ontvluchten, Ingelijfd bij de bedaarden
J.C. Bloem Het regent en het is
november En in de kamer, waar gelaten
De jaren gaan zoals zij
gingen, Verloren zijn de prille
wegen J.C. Bloem (uit: Het verlangen, 1921) Wat geeft het, of wij hier
of elders sterven ? J.C. Bloem
Ik heb van 't leven vrijwel
niets verwacht, J.C. Bloem Wanneer de schamele vermoeid is van het dwalen Door al de wrede dagen van zijn leven heen, Zoekt hij den blanken vreê der stille hospitalen Als eindelijke heul voor lang-verkropt geween.
Zijn handen zijn verdord in 't uurlijks-moeizaam sloven, Zijn haren zijn vergrijsd bij 't gele lampenlicht, Dat drukkend suisde in de door zon versmade alkoven, Waar hem het werk de rimpels groef in het gezicht.
Hij vlucht zijn arme straat en zijn benauwde woning, En de oude vrouw, die eens hem droom van liefde schonk - Te snel verganen droom, waar hij voor schriele loning Moest nutten 't uur, dat hem voor tederheden wonk.
Nu in het paarlen licht, dat door de hoge ruiten Der wijde zalen zeeft, ligt hij in 't witte bed, En voelt, bij 't hopeloze staren steeds naar buiten, Hoe hem een trage traan de holle wang benet.
Want hij herdenkt zijn jeugd, zijn zorgeloze dagen In 't kleine dorpje, dat hij nooit meer heeft aanschouwd: De vrijheid van de wei, den brand der zonnevlagen, De friste, die des morgens op de velden dauwt;
De spelen op het kerkplein, voor het uur van negen Hem joeg in dartIen draf naar 't donker schoolportaal; De tochten, 's zondags, langs de dijken en de wegen, De krachtge koelte van de baden in 't kanaal;
En de avonden, te midden van de trouwe dingen, Met ouders, broers en zusters om het vlammend vuur, De nachten vol van blijde dagherinneringen, Wen, wakker, hij de duisters peilde in star getuur.
Een bitre weemoed komt de' ellendige genaken, Wanneer zijn groot verlangen weg van 't ziekbed staart, Maar niet dan eindloosheid van grauwe en rosse daken En wat nooddruftig groen van bladeren ontwaart.
Dan komt de schemering zijn uitzicht overgrijzen; Hij wendt zich van het raam af met zijn wrakke kracht,
Blikt langs den kamerwand, waar vreemde schaduws rijzen, En sluit zijn ogen voor den naderenden nacht. J.C. Bloem KERKHOF IN EEN OUD STADJE AAN ZEE Het is zeerstil binnen de lage muren Van deze' alom verlaten, ouden t4in; Het gras deint hoog, waar rappe schaduws schuren, En de wind buigt de bomen, kruin na kruin.
De gaarde is als met lover volgeschonken, Dat zwaar-groen golvende muur-over bront; Een dartle dans van vlugge zonnevonken Speelt over mulle paên en weken grond.
Daarboven varen de bewogen luchten Van dezen winddoorvochten zomerdag; Van verre komt een nooit-gestild geruchten: Der zee kort-uitruisende brandingsslag.
En tussen de wild-woekerende bloemen Liggen de stenen, een verbroken rij. Vogels geluiden, blonde bijen zoemen: Men waant zich nauw den groten dood nabij.
Slechts weinge kleine, halfverzakte kruisen Sombren den vreemdeling, die afgedwaald Van lege stadsstraat peinst, waar stilten ruisen, Tot hem een weemoed in .het harte daalt.
Een weemoed om u, ongekende mensen, Wier graven hij met vromen voet betreedt, Waar hij vermoedt uw lijden en uw wensen, Want alle leven heeft zijn wens en leed.
Gij tuurdet lange zondagnamiddagen De zonge straat langs door een blauwe hor. Kwam geen verlangen dan uw hart bevragen? Kreundet gij niet in onderdrukt gemor?
Gij die uw dagen teldet naar het tampen Der schaardge klok, die brekende uren kloeg, Was er niets dat, na 't doven van de lampen, Met de nachtschaduw om uw hart heen sloeg?
Neen, want vaak traadt gij langs de keien wering, Waar 't bitre schuim tot aan uw lippen woei; Gij hebt de zee in iedere schakering Gekend, van morgendamp tot avondgloei.
Uw poovre levens hebben wêl geweten Het grootse, dat elk leven eêlt en wijdt; Zo mochten reeds uw dagen zijn: vergeten; Zo zij uw dood: schone vergetelheid. J.C. Bloem Een voorjaarsdag van wind- en zonnespelen En wolken stormend langs 't verscheurde blauw, Waaruit, het land langs, vreemde schijnen gelen; Als 't kil in schaduw is, in zon reeds lauw -
Toen toog hij uit in 't bootje, storm-bevlogen. De wind floot door de rieten langs den stroom. Hij zat aan 't roer, gelukkig en bewogen, Alsof hij voer naar een beloofden droom.
De dag verstreek. De wolken bleven jachten. De wind floot immer nog door 't suizend riet. De schemer kwam 't vervagend land omnachten, Men tuurde in 't duister uit: hij keerde niet.
Was het de kracht des winds, de macht der golven? Hijzelf heeft wel zijn sterven niet gewild. Maar toen de koele stromen hem bedolven Heeft geen verzet zijn brekend hart doortrild.
Want in hem leefde een drang, als in ons allen, Die staag in daden om verlossing schreit, En, als weerstrevinge' alzijds ons omvallen, Niet minder brandt, maar nu den dood gewijd.
Dien vlood hij niet, toen hem dat beeld kwam dagen; Het lokte hem met een bekende stem - Midden in 't voorjaar lag hij daar, verslagen, En al de dromen in zijn hart met hem.
O aarde, spreid hem diep en zacht en teder Een bed waar 't groen van vochte zoden is, En bloesemschaduw wiegelt heen en weder In stilte, die gewijd door doden is.
Want hij was een van die rampzaalge velen, Die krampen in de grens van hun bestaan, Om wie de nevelen zich nergens delen, Wier paden nimmer naar hun dromen gaan.
Gij gaaf t de donkers hun om te bewonen; Tranen, die loutrend wel, maar bitter zijn. Toch, hoe ze ook klaagden om hun poovre lonen, U smeekten zij vanuit hun stervenspijn.
Want zij beminden u: de goede koelte Van uwe waatren en uw welig loof; De vreugde om maneschijn of zonnezwoelte; De oogstdroom, dicht aan uw hart, op warme schoof;
De schoonheid uwer paden na den regen, Als in de plassen 't blauw weerspiegeld ligt, Alsof de mensen waden door de wegen Des hemels met een stralend aangezicht;
De brand der steden, die de levens slorpen En bannen in de kilte van hun schijn; En de vergeten weemoed van uw dorpen, Wier huizen hurken om de kerk op 't plein.
Dan, andren waren er die daarvan spraken, Met een bewogen en een schoon geluid, In zangen, die hun dromen konden slaken - Niet zij: gij doofdet zacht hun harten uit.
Zo was ook hij een. Toen zijn zinkende ogen Braken, 't water zijn reutlende' aêm verdreef, Heeft slechts één pijn zijn zwijmend brein doorvlogen: Dat nu de droom zijns harten woordloos bleef.
-Nu is het herfst en gaat de tooi verglimmen, Die nog als laatste om de aardse dingen lag. Mijn peinzen drijft naar dood en verre kimmen En ik gedenk hem, dien ik nimmer zag.
Ik vind geen rust meer bij den vreê der lampen, Mijn hart is vol en droef in 't nachtgeruis. Maant mij zijn schim in de onbestendge dampen, Die sluieren en weven om mijn huis? J.C. Bloem
'toen ik nog leefde' zei de stoel
'maar toen ik nog niet was bedacht hoe ondraagbaar vond ik toen het gevoel van onder te zijn gebracht in het almachtige gewoel van houtgroeikracht
nu ben ik de bast en de dictatuur binnen die dikke bomen en dat gestuurd worden door de natuur eindelijk heelhuids ontkomen
nu wordt mijn buik door het zoet geschuur van zitvlakken ingenomen voordat ik mijn meer verlichte dood in dit heelal onderga overwin ik zo dadelijk de tijd kom maar eens lekker op mijn schoot dan laat ik vier pootafdrukken na in het peinzen van je tapijt'
Leo Vroman uit: “Toen ik nog leefde” 1991
Stad die ik nalaat mijn haar en tanden Duizend gedachten, verwaaid op de wind
Hazelaar plantte ik voor haar vier poorten, al haast vervluchtigd; voor haar rose bloesem
Zink droeg de wind… Barnsteen en goud diep onder je straten Goud bleef het goud
H.H. ter Balkt
zoals de koelte 's nachts langs lelies en langs rozen als wit koraal en parels diep in zee zoals wat schoon is rustig schuilt maar straalt wanneer ik schouwen wil zo meen ik dat ook jij bent als melk als leem en 't bleke rood van vaal gesteente of porselein zoals wat ver is en gering en lang vergeten voor het oud is zoals een waskaars en een koekoek en een oud boek en een glimlach en wat onverwacht en zacht is en het eerste en wat schuchter en verlangend en vrijgevig gaaf maar broos is zo meen ik dat ook jij bent Jan Hanlo (1912-1969)
Tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
Tjielp etc. Jan Hanlo (1912-1969)
(Uit 1949; opgenomen in Verzamelde Gedichten, Amsterdam 1958)
WAT ZAL IK VOOR JE KOPEN, ZOON?
Jan Hanlo (1912-1969)
ik noem je: bloemen ik noem je: merel in de vroegte ik noem je: mooi ik noem je: narcissen in de nacht waaroverheen de wind strijkt naar mij toe ik noem je: bloemen in de nacht Jan Hanlo (1912-1969)
1947 Jan Hanlo (1912-1969)
Aan de Winter Jan Hanlo (1912-1969)
Bedoel je Josje met de kleine ogen? Nee, met de grote. Bedoel je Josje met de schelle stem? Nee met de mooie. Bedoel je Josje met het haar dat naar niets ruikt? Nee, met dat fijn ruikt. Bedoel je Josje aan wie je nooit denkt? Nee, aan wie ik altijd denk. Bedoel je Josje, die nooit Engelse woorden wil opschrijven? Nee, die dat juist wel graag doet. Maar die dan met met schrijfletters schrijft? Nee, die met grote drukletters schrijft. Maar die de woorden van een zin altijd van elkaar schrijft? Nee, die veel woorden van de zin aan elkaar schrijft. Bedoel je Josje, die voor een scheepje spaart? Nee, die voor een zaklantaarn spaart. Bedoel je Josje, die niets om je geeft? Nee, ik bedoel Josje die graag bij mij is. Jan Hanlo (1912-1969) God, zegen Knak
Jan Hanlo (1912-1969) OOTE
Jan Hanlo (1912-1969) DE MEIDEN MEEHELPEN HET WEIDEVEE MELKEN Voor J.A.
't Boerenleven lijden Met de meiden en de knechts Doet de geest en 't lichaam sterken 't Is zo goed om flink te werken
Maar laten wij nu slapen Want de rapen op het veld Zullen zeker Toch wel groeien En dan morgen friswat stoeien
En daarna met de mijden Naar de wijden helpen melken En de grote rodekolen En de rode kroten rooien
Jan Hanlo (1912-1969)
|
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 01-09-2007 15:18:47 |