oorlog
Start

                 


 

 

 

Ik had een nieuwe driewieler, rood en geel, met een bel...

Denk je dat ze die ook kapotgemaakt hebben?  

Maida, 12 jaar, uit Skopje.

 

 

 

Dietrich Bonhoeffer:

 

 

 


Dietrich Bonhoeffer:  

NACHTELIJKE STEMMEN IN TEGEL

Uitgestrekt lig ik op mijn brits

te staren naar de grijze wand.

Buiten trekt een zomeravond

die mij niet kent

zingend door het land.

Zacht ebben de vloedgolven van de dag

op het eeuwige strand.

Ga even slapen!

Win kracht voor lichaam en ziel, hoofd en hand!

Buiten staan volken, huizen, hoofden en harten in brand.

Houd stand,

tot na de bloedrode nacht

jouw dag aanbreekt!

 

Nacht. Stilte.

Ik luister.

Alleen stappen en een roep van bewakers.

In de verte lacht heimelijk een verliefd stel.

Slaapkop hoor je niets anders?

Ik hoor het beven en twijfelen van mijn eigen ziel.

Niets anders?

Ik hoor, ik hoor

iets als stemmen, roepen,

schreeuwen als om reddingssloepen,

het zijn de onuitgesproken nachtelijke gedachten

van lotgenoten, die dromen of waken

ik hoor bedden onrustig kraken

ik hoor ketenen.

 

Ik hoor hoe ze slapeloos keren en woelen,

het verlangen naar vrijheid en daden voelen.

Als de slaap hen overmant in het morgengrauw

mompelen ze dromend van kind en vrouw.

Ik hoor gelukkige klanken van halfwassen zonen,

die zich laven aan kinderlijke dromen.

Ik hoor ze trekken aan hun deken

tot de nachtmerrie is geweken.

 

Ik hoor het zuchtend ademen van mannen oud en grijs

die zich stil toebereiden voor de grote reis.

Zij zagen recht en onrecht gaan en komen

nu zullen ze in onvergankelijke eeuwigheid wonen.

 

Nacht. Stilte.

Alleen stappen en een roep van bewakers.

Hoor je het beven, barsten en kraken

in dit zwijgende huis,

nu honderden gloeiende harten ontwaken?

 

Geen stem heeft het koor

maar ik neig mijn oor:

'wij vaders en zonen

waar wij ook wonen

wij zwakken en sterken

waar wij ook werken,

wij armen en rijken

in ongeluk gelijken

wij slechten en besten

uit alle gewesten,

wij mannen met wonden

getuigen van wie de dood vonden,

weerspannigen en belaagden,

onschuldigen en aangeklaagden,

door eenzaamheid geplaagden.

Broeder, wij zoeken, wij roepen je,

broeder hoor je mij?

 

Twaalf koude magere slagen van de torenklok

wekken mij.

Geen klank of warmte daarin

bedekken mij.

Boos blaffende honden om middernacht

verschrikken mij.

Armzalig klokgelui

scheidt een armoedig gisteren

van een arm heden.

Wat kan het betekenen,

dat dagen op elkaar volgen,

die voor niets nieuws, niets beters zorgen,

dan snel te wijken voor morgen?

 

Ik wil het keerpunt der tijden zien,

als de tekenen lichtend aan de nachtelijke hemel staan,

over de volkeren nieuwe klokken slaan

en onafgebroken luiden.

Ik wacht op een middernacht

die met verschrikking en stralende pracht

de slechten de angst laat vergaan

en de goeden in vreugde laat bestaan.

 

Booswicht,

kom in 't licht

toon je gezicht.

 

Bedrog en verraad,

slechte daad,

verzoening geeft baat.

 

Mensen merk

heilig en sterk

is het gericht aan 't werk.

 

Juicht en zegt

trouw en recht

nieuwe mensen voorzegd.

 

Hemel geef vrede,

verzoen al het wrede,

op aarde beneden.

 

Aarde gedij,

mens word vrij

wees vrij.

 

Ik heb mij plotseling opgericht

als kreeg ik op een zinkend schip land in zicht

als ware er iets te pakken, te grijpen,

als zag ik gouden vruchten rijpen.

Maar waar ik ook kijk of pak of gris

om mij is ondoordringbare duisternis.

 

Ik verzink in peinzende gedachten

verdiep mij in de diepte van het duister.

Nacht, vol kwaad en boze krachten,

zeg me je naam, ik luister.

 

Waarom, hoe lang nog tart je ons geduld?

Diep en lang zwijgen.

Dan hoor ik de nacht zich tot mij neigen:

Ik ben niet duister, duister is alleen de schuld.

 

De schuld! Ik hoor een beven en hijgen

ik hoor gemompel en geweeklaag oprijzen.

Ik hoor woede en misbaar

talloze stemmen door elkaar

vormen een geluidloos koor

dat opstijgt naar Gods oor.

 

"Door mensen gepijnigd en opgejaagd

weerloos gemaakt en aangeklaagd,

al moeten we zware lasten dragen,

toch zijn wij het die aanklagen.

 

Wij klagen hen aan die ons tot zonde porden

die ons medeschuldig lieten worden.

Zij maakten ons van het onrecht getuige

om medeschuldigen voor hen te laten buigen.

 

Veel kwaad sloegen onze ogen gade

zo werden wij met schuld beladen.

Toen stopten ze onze monden dicht

en maakten het zwijgen tot onze plicht.

 

Wij leerden al snel hun hielen te likken

en openlijk onrecht zomaar te slikken.

Werd weerloze mensen geweld aangedaan

dan bleef ons oog koud, het liet geen traan.

 

De brandende vragen, die het hart ons gebood,

noemen wij niet, we zwegen ze dood.

We beteugelden ons vurig bloed

en doofden de innerlijke gloed.

 

Al wat mensen ooit heilig had verbonden,

hebben wij verscheurd en geschonden.

Verraden waren vriendschap en trouw

bespottelijk tranen en berouw.

 

Wij zonen uit vrome geslachten,

die vochten voor recht en ware gedachten

verachten nu God en de mensen.

Wat meer kan de hel zich wensen?

 

Maar ook al zijn wij van vrijheid en eer beroofd,

voor mensen heffen wij trots het hoofd,

ondanks alle kwaadsprekerij,

voor mensen spreken wij ons vrij.

 

Rustig kunnen we voor hen staan

wij worden beklaagd? Wij klagen aan!

Maar voor u, voor wie geen geheimen bestaan,

kunnen wij slechts als zondaars staan.

 

Wij zijn bang om te lijden, arm aan daden,

zo hebben we u bij de mensen verraden.

 

We zagen de leugen de kop opsteken

maar zijn de waarheid niet waard gebleken.

 

We zagen broeders in grote nood

maar waren bang voor de eigen dood.

 

We hebben de weg tot u gevonden

door het belijden van onze zonden.

 

Heer, in de onrust van deze tijden

wil ons in alles begeleiden.

 

Laat ons na zoveel schuldig falen

een nieuwe dag mogen binnen halen.

 

Maak, zover ons oog kan gaan

met uw woord voor ons vrij baan.

 

Geef ons rust en veel geduld

tot u vergeeft van alle schuld.

 

Dat wij ons in stilte voorbereiden

op uw roep in nieuwe tijden.

tot u stillegt storm en vloed

en met uw wil wonderen doet.

 

Broeder, tot de nacht voorbij is,

bid voor mij!

 

Het eerste ochtendgloren sluipt mijn venster binnen

bleek en grauw.

Een zuchtje wind strijkt langs mijn voorhoofd

zomers lauw.

Zomerse dag, mooie zomerse dag! was het enige dat ik zei.

Zomerse dag, wat breng je mij?

Buiten hoor ik iemand haastig, ingehouden gaan

in mijn buurt blijft hij plotseling staan.

Ik word koud en heet,

ik weet het, ja ik weet...

Een snijdende koude stem leest iets voor, heel zacht

Houd je goed, broeder, het is nu gauw volbracht.

Ik hoor je stappen, moedig, ongebogen.

Niet dit moment, maar de toekomst heb je voor ogen.

Ik ga met je mee, broeder, daarheen

en hoor je laatste woorden:

Broeder, als de zon ondergaat voor mij,

leef dan in plaats van mij!

 

Uitgestrekt lig ik op mijn brits

te staren naar de grijze wand.

Buiten trekt een zomerse morgen,

die de mijne nog niet is

zingend door het land.

Broeder, we houden stand

tot na een lange nacht

onze dag aanbreekt.

Juni 1944               


MORGENGEBED

Tot U, God, roep ik in de vroege morgen

help mij te bidden

en mijn gedachten te richten op U,

ik kan het niet alleen.

 

In mij is duisternis

maar bij U is licht.

Ik ben eenzaam, maar Gij verlaat mij niet

ik ben bevreesd, maar bij U is hulp

ik ben onrustig, maar bij U is vrede

in mijn hart is bitterheid, maar bij U is geduld

ik begrijp U wegen niet, maar Gij kent mijn weg.

 

Vader in de hemel,

ik prijs U en ik dank U voor de nieuwe dag

ik prijs U en ik dank U voor al Uw goedheid

en trouw, die ik in mijn leven ervaren heb.

Gij hebt mij veel goeds gegeven,

laat mij nu ook wat zwaar is

uit Uw hand aanvaarden.

Gij zult mij niet meer opleggen

dan ik kan dragen.

Gij doet alles ten goede keren

voor Uw kinderen.

 

Heer Jezus Christus,

Gij leefde in armoe en ellende

gevangen en verlaten zoals ik.

Gij kent alle nood van de mensen.

Gij blijft bij mij

ook als niemand naast mij staat.

Gij vergeet mij niet, Gij zoekt mij,

Gij wilt dat ik U zie

en mij tot U wend.

Heer, ik hoor roep en volg U,

help mij !

Heilige Geest,

geef mij het geloof dat mij bevrijdt

van vertwijfeling, ziekelijk verlangen en zonde,

geef mij liefde tot God en de mensen,

een liefde die alle haat en bitterheid uitbant.

Geef mij de hoop, die mij bevrijdt

van vrees en moedeloosheid.

Heilige, barmhartige God,

mijn Schepper en mijn Heiland

mijn Rechter en mijn Verlosser

Gij kent mij en alles wat ik doe

Gij haat en straft het kwaad in deze

wereld en in gene, zonder aanzien des persoons.

Gij vergeeft ons onze zonden,

als wij het U oprecht vragen.

Gij hebt het goede lief en beloont het

op deze aarde met een getroost geweten

en in de komende wereld

met de kroon van gerechtigheid.

Voor U staand denk ik aan al de mijnen,

aan mijn medegevangenen aan allen,

die in dit huis hun zware dienst verrichten.

Heer, erbarm U!

Schenk mij de vrijheid terug

en laat mij nu zo leven,

dat ik het kan verantwoorden

tegen over U en de mensen.

Heer, wat deze dag ook brengt,-

Uw Naam zij geprezen!

Amen.

 

'Had God mij niet bijgestaan

had Zijn aangezicht mij niet geleid,

ik zou van angst al zijn vergaan.

Alle dingen hebben tijd

Maar Gods liefde eeuwigheid'.  

Voor Paul Gerhardt


AVONDGEBED

Heer, mijn God, ik dank U

dat Gij deze dag ten einde hebt doen gaan,

ik dank U, dat Gij mijn lichaam en ziel

tot rust laat komen.

Uw hand rustte op mij,

Gij hebt mij beschermd en bewaard.

Vergeef mij mijn kleingelovigheid

en al het onrecht van deze dag

en help mij, dat ik allen vergeef,

die mij onrecht hebben aangedaan.

 

Laat mij in vrede slapen

onder Uw bescherming

en bewaar mij voor de aanvechtingen

van de duisternis.

 

Ik beveel U aan wie ik lief heb,

dit huis, mijn lichaam en mijn ziel.

God, Uw heilige naam zij geprezen.

Amen.

 

'De dagen zeggen tot elkaar

mijn leven is een reizen naar

de grote eeuwigheid.

Eeuwigheid met al Uw pracht

geef dat mijn hart al op U wacht,

ik hoor niet thuis in deze tijd'.


IN GROTE NOOD

Heer, God,

ik ben in grote nood geraakt.

Mijn zorgen dreigen mij te verstikken

ik zie geen uitweg meer.

God, wees genadig en help mij.

Geef kracht, dat ik kan dragen wat gij zendt.

Laat de vrees geen macht hebben over mij,

zorg als een vader voor de mijnen

voor vrouw en kinderen.

 

Barmhartige God, vergeef mij alles,

waarin ik zondigde tegen U

en de mensen.

Ik vertrouw op Uw genade en geef mijn leven

helemaal over in Uw hand.

Doe met mij naar Uw wil

en zoals het beste is voor mij.

In leven en sterven ben ik bij U

en Gij zijt bij mij, mijn God.

Heer, ik wacht op Uw heil

en op Uw rijk.

Amen.

 

'In alles, wat er mogen komen

sterk van geest, bevreesd,

zal een christen zich steeds tonen.

Mocht de dood hem willen pakken,

hij houd zich goed, en vol moed,

hij zal niet verzwakken.

Geen dood kan ons meer doden,

hij geneest, onze geest

van talloos vele noden

hij sluit de deur van bitter lijden,

maakt ruim baan om te gaan

naar het hemelse verblijden'.


VERLEDEN

Je bent gegaan, geliefd geluk, geliefde zware pijn,

hoe noem ik je? Mijn nood, mijn leven, zaligheid,

een deel van mij, mijn hart, - verleden tijd?

De deur is in het slot gevallen,

ik hoor je stap verdwijnen, sterven.

Wat rest mij? Vreugde, kwelling of verlangen?

Ik weet slechts dit: je bent gegaan - en alles is voorbij.

 

Voel je, hoe ik naar je grijp?

Hoe ik me aan je vastklamp

dat het je pijn moet doen?

Hoe ik je wonden open rijt,

dat je bloed vloeit

alleen om zeker te zijn dat je dicht bij blijft,

mijn lijfelijk, aards, vol leven?

Begrijp je, dat ik nu verschrikkelijk verlang

naar zelf pijn lijden,

dat ik mijn eigen bloed wil zien

alleen om alles niet te laten wegglijden

in het verleden?

 

Leven, wat heb je me aangedaan?

Waarom ben je gekomen? Waarom ging je weer?

Verleden, als je mij ontloopt -

je blijft toch mijn verleden, mijn?

 

Zoals de zon boven de zee steeds sneller zakt,

alsof het duister haar omlaag trekt

zo zakt onophoudelijk

het beeld van jou in de zee van het verleden,

de golven begraven het.

Zoals een waas van warme adem

oplost in de koude morgenlucht,

zo vervluchtigt het beeld van jou,

ik weet je gezicht niet meer, je handen, je gestalte.

Een glimlach, een blik, een groet,

ze schijnen, maar vallen uiteen,

lossen op

zonder troost, zonder nabijheid

verbrokkeld en enkel verleden.

 

Ik zou je geur willen inademen

opzuigen, erin wonen -

zoals zware bloesems op een hete zomerdag

bijen uitnodigen

die zich bedwelmen,

zoals nachtvlinders dronken worden van de liguster

maar een ruwe windvlaag verstoort geur en bloesems,

zo sta ik verdwaasd

bij mijn ontglipt verleden.

 

Het is alsof er met vurige tangen

stukken uit mijn lichaam gereten worden

nu jij, mijn verleden leven wegrent.

Drift en toorn razen door mij heen,

wilde nutteloze vragen roep ik in de leegte.

Waarom? Waarom? zeg ik steeds.

Waarom kunnen mij zintuigen je niet vasthouden

verlopen, verleden leven?

Ik wil blijven denken

tot ik vind wat ik verloren heb.

Maar ik voel, dat alles boven mij, naast mij, onder mij

raadselachtig en onbewogen glimlacht

om mijn zwoegen zonder hoop,

wind vangen -

verleden terugveroveren.

 

Oog en ziel worden kwaadaardig.

Ik haat wat ik zie,

ik haat wat in mij woelt,

ik haat wat leeft en mooi is -

smartengeld voor het verlorene.

 

Mijn leven wil ik, ik eis mijn leven terug

mijn verleden. Jou.

Jou - een traan welt in mijn oog.

Zou ik onder de sluier van tranen

jou, helemaal,

kunnen terugvinden?

Maar ik wil niet huilen.

Tranen helpen slechts de sterken,

zwakken worden er ziek van.

 

Moe bereik ik de avond,

het bed is mij welkom,

het belooft mij vergetelheid

voor wat ik niet bezitten kan.

Nacht, wis uit wat scheiding brengt,

schenk mij vergetelheid,

wees mij barmhartig, nacht, doe je milde plicht,

ik vertrouw me aan jou toe.

Maar de nacht is wijs en machtig,

wijzer dan ik en machtiger dan de dag.

Wat geen aardse kracht vermag,

waar gedachten en zintuigen, toorn en tranen moeten wijken,

de nacht stort het in volheid over mij uit.

Niet belaagd door de vijand tijd

zuiver, vrij en totaal

brengt de droom jou bij me,

jij verleden, jij mijn leven,

jij dag van gisteren, uur van gisteren.

 

In je nabijheid ontwaak ik,

midden in de diepe nacht en schrik,

ben je weer weg? zoek ik je dan altijd vergeefs,

mijn verleden?

 

Ik bid met uitgestrekte handen,

het nieuws komt onverwacht,

verleden wordt je teruggegeven

als kloppend hart van je leven,

als je dank en berouw betracht.

Grijp Gods goedheid en vergeving in het verleden,

bid, dat God je vasthoudt, morgen en heden.

Juni 1944


GELUK EN ONGELUK

Geluk en ongeluk

treffen ons plotseling en bij verrassing

en lijken in het begin bijna sprekend op elkaar

zoals hitte en kou bij plotseling aanraken.

 

Als meteoren geslingerd uit bovenaardse verten

trekken ze een dreigende lichtende baan

over onze hoofden.

Getroffenen staan als versteend bij de puinhopen van hun alledaags, glansloos

bestaan.

 

Groot en verheven, vernietigend, overweldigend

houden geluk en ongeluk, gevraagd of ongevraagd

zegevierend hun intocht bij de verbijsterde mensen.

Ze omkleden en tooien de getroffenen

met ernst en gewijde sfeer.

 

Geluk is vol huivering, ongeluk vol zoetheid.

Ongescheiden lijken ze beide

uit het Eeuwige voort te komen.

Groot en verschrikkelijk beide.

 

Mensen komen van heinde en ver, kijken en staren

half jaloers, half huiverend

naar het ijzingwekkende gebeuren,

waar het bovenaardse

tegelijk zegenend en vernietigend

een verwarrend, onontwarbaar

aards schouwspel opvoert.

Wat is geluk? Wat ongeluk?

 

De tijd zal hen scheiden.

Als het onvoorstelbaar opwindende

plotselinge gebeuren

verandert in vermoeiend voortdurende druk,

als de langzaam voortglijdende uren van de dag

pas de ware gedaante van het ongeluk onthullen

dan wenden de meesten

zich teleurgesteld en verveeld af.

Ze hebben genoeg van de eentonigheid,

het ongeluk is oud geworden.

 

Dat is het uur van de trouw,

het uur van de moeder en de geliefde

het uur van de vriend en de broer.

Trouw zet elk ongeluk in het licht,

omhult het zacht met milde bovenaardse glans.


WIE BEN IK

Wie ben ik? Ze zeggen mij vaak

dat ik uit mijn cel treed

gelaten, opgewekt, vast

als een hereboer uit zijn slot.

 

Wie ben ik? Ze zeggen mij vaak

dat ik met mijn bewakers spreek

vrij, vriendelijk, helder

als gaf ik de bevelen.

 

Wie ben ik? Ze zeggen mij ook

dat ik de dagen van het ongeluk draag

gelijkmoedig, glimlachend, trots

als iemand, gewend te winnen.

 

Ben ik dat werkelijk

wat anderen van mij zeggen?

Of ben ik slechts

wat ik weet van mijzelf?

Onrustig, verlangend, ziek

als een vogel in een kooi,

smachtend naar levensadem,

alsof iemand mijn keel wurgt

hongerend naar kleuren, bloemen,

naar vogelstemmen

dorstend naar goede woorden

naar menselijke nabijheid

bevend van toorn over willekeur

en de minste krenking,

opgejaagd door wachten op grote dingen,

machteloos bezorgd om vrienden

eindeloos ver,

te moe en te leeg om te bidden, denken

werken

mat en bereid

van alles afscheid te nemen?

 

Wie ben ik? Deze of gene?

Ben ik dan vandaag deze

en morgen een ander?

Ben ik beiden tegelijk

Voor mensen een huichelaar

en voor mijzelf

een verachtelijk klagende slappeling?

Of lijkt wat in mij nog rest

een verslagen leger

dat wanordelijk wijkt

bij een reeds gewonnen slag?

 

Wie ben ik? Eenzaam vragen drijft de spot met mij

Wie ik ook ben, Gij kent mij

U behoor ik toe, o God!

Juni 1944

<