|
|
Ik ben bedroefd
vandaag. Vanmorgen vroeg, toen alle ding
nachtschemer droeg, door 't
kiergordijn de dag ging blinken, hoord' ik mijn
zoon opstaan en water drinken. Dan, in mijn
bed - ik hield de ogen dicht, zijn hand ging
over mijn gezicht, zijn adem kwam
mijn lippen strelen - zei hij:
"ik wil, wat 'k droomde, met jou spelen, ik leg mij
naast je, jij bent dood".- Ik zag mijn
kleinen speelgenoot druk bezig mij
een graf te maken... De kou kroop op
onder de witte laken. Ik ben bedroefd
vandaag, den ganschen tijd, denk ik, hoe
wild hij heeft geschreid, wanhopig aan
mijn haar ging trekken, en wild zijn
moeder riep om mij te wekken. ED. HOORNIK Het landschap
met de bomen, de bomen met
het land, daar kan ik
niet uit komen, zonder dat ik
verbrand. De zon is niet
te tomen; ik lag geknield
in 't zand. De wind
vernielt de dromen; 'k sta aan den
waterkant. De psyche van
het water verrimpelt het
geklater: ik ben
gevierendeeld. De stroom gaat
naar den molen, die met mijn
flarden speelt. - Nog moet ik
verder dolen. Nu luister,
kind, wat Maria deed Die der
menschen zoet en bitter weet; - Hoe zij in een
heilige kerstnacht een kranke de
laatste Teerspijs bracht: Daar lag een
man op een verre hoef, Die man was
krank tot de dood en droef, Die vroeg met
zijn mond en oogen groot Almaar om
Hemelsch Brood. En een knaap
die zijn honger niet verstond Lei zijn handen
op zijn open mond; En als hij
sliep of zijn oogen sloot Nam de jongen
weer zijn fluit en floot... Maria, die als
avondster waakt Had in haar
kapel wat licht gemaakt; Zij kwam met
haar lamp naar het altaar gegaan En stak twee
gele kaarsen aan. Zij sprak tot
Sint Jozeph: "Ik ga met Ons Heer." Die legde zijn
bloeiende lelie neer. En met schoone,
bleeke handen nam Maria het witte
Lam. Zij hield Het
hoog aan haar rijke hart Als die eerste
nacht toen zij moeder werd, Zij sloeg er
haar vlasblauwe mantel om dicht - Sint Joseph
droeg de bel en het licht. Toen traden zij
zonder enig woord Door de open
tempelpoort; De voornacht
stond in volle schijn En blonk op dak
en plein. En plots in de
stilte viel tel om tel Het glazen
geluid van de altaarschel, De huizen
rilden,- een kleine knaap Riep:
"moeder!" - in zijn eerste slaap. Een man stak
zijn hoofd door het luik en vroeg: Ons Heer ging
voorbij - en wie Hem droeg? En menschen
kwamen, met kaarsen aan, Op de drempel
van hun woning staan. Twee vrouwen
volgden tot aan de brug, Toen kwamen ze
bleek terug; En Maria, licht
als een paradijs, dacht Aan die eerste,
verre winternacht... Een lange weg,
een lichte laan En schuin in de
hemel de wintermaan; Een toren sloeg
op een verre stad, Een beekje
ruischte, een molenrad. Zij kwamen
voorbij een oud kasteel, Toen sprong het
geluk haar als licht uit de keel, Toen zong Maria
met schoone stem Het heil van
Bethlehem: Geloofd zij
mijn Heer op deez' schoone reis, Mijn bloed werd
drank en mijn vleesch werd spijs; Geloofd zij
mijn Heer in mijn schoot en lijf. Geloof en
gedankt om zijn verblijf. Gezegend zijn
lichaam dat vleesch is van mij, Gezegend zijn
hart dat leschte aan mij, Gezegend zijn
lippen die dorsten naar mij, Gezegend zijn
oogen allebei! Gedankt zij
zijn naaktheid em zijn nood, Gedankt ook
zijn handen, arm en bloot. Gedankt ook
zijn voeten in mijne schoot, Gedankt zij
zijn eucharistische dood. Ik draag als
een appelken U in mijn hand; Gezegend de
hemel om U en het land, De
menschen, de
boomen, het licht en het …l, Gezegend de
dieren in hunne stal!- Een lange weg,
maar een smaller pad, Een beekje
ruischte, een molenrad; Een lage hoeve,
met witte wand Lag stil en
puur aan de heuvelrand. De maanlicht
blonk in een gevelruit, Een jongen
blies in een herdersfluit En klaar aan de
stilte sloeg, tel om tel, Het glazen
geluid van de altaarschel. "Adeste
fideles", zong krank en dof Een stem door
een blanke bloemenhof, Een wingerd
dorde aan de witte muur, Een schaapje
blaatte in de donkere schuur. Een deur kwam
open, een deur ging dicht. En het woonhuis
stond vol zonnelicht. Maar daar lag
een man en die ging dood, Naast een
jongen, die hem de oogen sloot... Maria spreidde
een altaardwaal, En las uit een
oud, geel rituaal Met een stem,
als glas zoo rein, Het
schoone,
smeekende kerklatijn. Toen nam zij de
Hostie in hare hand, en gaf ze de
man op zijn ledikant; Toen sloot hij
zijn oogen, toen sloot hij zijn mond, Toen sloot hij
voor eeuwig zijn ogen en zijn mond... Een lange weg
en een smaller pad: Een beekje
ruischte, een molenrad; Het maanlicht
doofde in een gevelruit, Een jongen
blies in een herdersfluit. Een liedje ging
door het winterland; De maan zonk
achter de heuvelrand. En door de
nanacht klonk ver en hel, Het glazen
geluid van de altaarschel. JAC. SCHREURS Zoo teedere
schade als de bloemen vreezen Van zachten
regen in de maand van mei, Zoo koel en
teeder heeft uw sterven mij Schade gedaan,
die nimmer zal genezen. Eens, toen wij
na den nacht te saam verrezen Lagen de rozen
vochtig en gebroken, ik en gij Wisten dien
langen nacht den regen; ik noch gij Konden van
teerheid immermeer genzen. Gij hebt de
witte en roode rozebladen Gebeurd in uw
smalle hand, - zij vielen Vochtig en
sidderend weer in 't diepe gras. Hoe zal dan 't
hart van even teedere schade Genezen, nu om
u de rozen vielen, Nu uwe handen
stil zijn, diep in 't gras. J.W.F.WERUMEUS
BUBING Ik ben niet
eenzaam sinds gij zijt gegaan. Zooals het
licht gansch om de wereld is zijt gij met
mij. Alle herinnering is Vager en verder
van mij heengegaan, Overgegaan als
bloemen in hun zaad, Onder de aarde.
En dit is zoo vreemd dat nu …l
inniger de stilte neemt Aard van uw
wezen, sinds van u begon Vergetelheid
van woord en daad. Van dit gemis Drenkt zich de
lucht om mij van u En ik verlies
u, en ben gansch in u. - Lang sinds
geleden heb ik droefenis Zeer liefgehad,
om de gelijkenis Dat zij mij
smart en vrede gaf van u. Maar zij is
heen als gij, en nu moest ik toch
eenzaam zijn, nu niets gebleven is. Maar eenzaam
ben ik niet. Ik wist het niet; Ik heb gansch
op dit geheim bezonnen: Ik weet alleen
dat in de stille bronnen Van licht mij
drenken met wat mij verliet. KRISTAL Aartsengel,
eerste vlam, die zong een eigen
sombere muziek is dit kristal
de wereld niet wier werk en
kracht aan u ontsprong? Kristal,
subliem vuur, diamant, die in het
duister der natuur zichzelf
verlicht en helder brandt als fonkelende
architectuur. Kristal, vroeg
licht van het heelal alom de
helderheid verwant, die met
eenzelfde heimwee brandt in bloem en
dier en mensch en plant van ziel tot
ziel, van ster tot ster.. Uw eeuwige
arbeid, Lucifer, die bevende in
het eerste licht nog ademloos
van Gods gezicht -o, engelen
vonkelend vergaan die hier in
steen gebannen staan - werd
neergestort tot dezen plicht te hoeden deze
eigen vlam waarvan de ziel
haar heimwee kwam. Er stonden drie
kruisen op Golgotha, Maar de boer
hij ploegde voort. Magdalena,
Maria, Veronica, Maar de boer
hij ploegde voort, En toen zijn
akker ten einde was, Toen keerde de
boer den ploeg En hij knielde
naast zijn ploeg in het gras, En de boer, hij
werd verhoord. Zoo menigeen
had een schoonen droom, Maar de boer
hij ploegde voort. Thermopylae,
Troja, Salamis, Maar de boer
hij ploegde voert. Het jonge graan
werd altijd groen, De sterren
altijd licht, Gods woord
streed in de wereld voort En de boer
heeft het gehoord. Men heeft den
boer zijn hof verbrand, Zijn vrouw en
os vermoord; Dan spande den
boer zichzelf voor den ploeg. Maar den boer
hij ploegde voort. Napoleon ging
de Alpen op En hij zag den
boer aan 't werk, Hij ging voor
Sint-Helena aan boord En de boer hij
ploegde voort. En wie is er
beter dan een boer, Die van de
wereld hoort, En hij ploegt
niet, wat of er al geschiedt Op dezen akker
voort. Zoo menigeen
lei den ploegstaart om, En deed het
werk niet voort, Maar de
leeuwerik zong hetzelfde lied, En de boer hij
ploegde voort. Heer God! De
boer lag in het gras, Toen droomde
hij dezen droom: Dat er
eindelijk een rustdag was Naar apostel
Johannes' woord. En de kwaden
gingen hem links voorbij En de goeden
rechts voorbij, Maar de boer
had zijn naam nog niet gehoord En de boer hij
ploegde voort. Eerst toen de
boer dien hemel zag Zoo vol van
lichten schijn, Toen spande hij
zijn ploegpaard af, En hij veegde
het zweet van zijn aanschijn af, En hij knielde
naast zijn stilstaand paard, En hij wachtte
op God's woord. Een stem sprak
tot aarde, hemel en zee En de boer
heeft haar gehoord: -
,,Terwille
van den boer die ploegt Besta de wereld
voort!" Dat geklets
over kunst en leven Komt altijd
hierop neer: Een vogel zingt
in de boom, En wie van de
twee is meer? Als ik zie door
mijn wimpers Zie ik wat ik
heb bemind Als ik het met
open ogen zie Slaat zijn
pracht en ellende mij blind. Ik heb nog net
drie druppels inkt Ik weet hoe de
wereld stinkt IK wou ermee
schrijven in letters van goud Hoeveel ik van
de wereld houd. Eens zat ik
onder een wilgeboom Eens zat ik
onder een wilgeboom, een
wilgeboom,
een wilgeboom, de zee lag voor
mij, wijd en schoon, 't was
kerstdag, vroeg in de morgen. Ik zag drie
scheepjes, de vlag in top, de vlag in top,
de vlag in top, Jezus, Maria en
Jozef er op, 't was
kerstdag, vroeg in de morgen. Jozef die floot
wat, Maria die zong, Maria die zong,
Maria die zong, en iedere klok
op aarde die klonk want Jezus was
ons geboren. Zij zeilden
wiegend naar Bethlehem, naar
Bethlehem,
naar Bethlehem, Sint Michaël
stuurde, zijn zware stem was overal goed
te horen. Sint Jan zat
zingend hoog in de mast, hoog in de
mast, hoog in de mast, en engelen
hielden de zeilen vast, 't was
kerstdag, vroeg in de morgen. De klokken op
aarde luidden zo schoon, luidden zo
schoon, luidden zo schoon, 'Welkom, Jezus,
welkom, Gods Zoon, op kerstdag,
vroeg in de morgen!' Engels,
waarschijnlijk begin zestiende eeuw Wanneer ik in
een stillen nacht den berg beklim alleen, zelfs
zonder schaduw en blijft staan dat 'k ook den
echo van mijn stem verlies en ik een ding word tussen
aarde en hemel zonder naam. Niets dan een
bleke vlek in dezen nacht waarop het
licht van duizend sterren valt, niets dan een
mens die nog begeert en wacht wien ondanks
alles nog de aard' bevalt. Spreek dan tot
mij vanuit Uw hemels rijk, Laat er een
kruis zijn dat mijn oog verblindt, geef mij een
enkel teken maar, een blijk dat Gij mij
duldt, en, als het kan, bemint. Zo roep ik U,
terwijl de stilte rond mij op de loer
ligt en mijn woorden hoort, geen antwoord
dan in 't diepe dal een hond door de eeuwge
onrust in mijn slaap gestoord. Gij zendt tot
dezen mens geen teken meer, want onze
tijden zijn U vreemd en ver; hier in den
nacht voel ik opnieuw hoezeer de aard'
verdwaalde van haar tweelingster. LOUIS DE BOURBON (geb. 1908) Ik zing van een
maagd als een witte
roos, die God uit
allen tot moeder
koos. Hij kwam zo
stil waar zijn
moeder was als dauw in
April zich vlijt aan
het gras. Hij kwam zo
stil naar een kleine
prieel, als dauw in
April op een
bloemflueel. Hij kwam zo
stil,- een wonderlijk
licht, als dauw in
April, lag op zijn
gezicht. Moeder en
Maagd, niemand was het
dan zij, Daarom koos Hij
haar - Moeder, bid
voor mij. Engels, begin
zestiende eeuw De Eeuwige
wilde een kindje worden, toen sprak Hij
tot Gabriël, vriendelijk blij: Ga naar
Galilea, en daar zal je vinden een vredig,
klein dorp in een groene vallei. Nazareth heet
het, een naam om te zingen, een huisje met
bloeiende wingerd staat daar en binnen in,
waar eens David mocht wonen, woont nu een
meisje van vijftien jaar. Een timmerman
werd zij tot vrouw gegeven, doch al is zij
arm, mijn liefde is groot; zeg haar, dat
Ik geen woning kan vinden, die heerlijker
is dan haar reine schoot.' Gabriël ging,
door de winden gedragen, vlug kwam hij
aan bij het nederig huis en van Maria's
heerlijkheid bevend, sprak hij zijn
woord, - 't klonk als vleugelgeruis. 'God laat u
groeten,' zo sprak hij verlegen, 'God groet u,
Koningin zalig en trouw, Hij is met u,
machtig zijt gij gezegend, rijker zijt gij
dan enige vrouw. Gezegend is ook
wat in u zal ontbloeien, de vrucht van
uw lichaam, Jezus de Heer, Koning des
hemels en Heerser der aarde, vroeger en
heden en immermeer.' Spaans,
zestiende eeuw De ongeworden
God wordt midden in de tijd wat Hij nooit
is geweest in alle eeuwigheid. Het ongeschapen
Licht wordt een geschapen wezen, dat door
Zichzelf zijn schepsel kan genezen. Maria,
Nazareth, de bode Gabriël, zij zijn: mijn
ziel, mijn hart, Gods licht, - maar weet het wel. mijn hart moet
dan een dal vol pure bloemen zijn, mijn ziel moet
wezen als een maagd, verblindend rein, en wonen in dit
dal; tot hemels licht ontspruit als God diep in
haar geest zijn eeuwig Woord ontsluit. Angelus
Silesius (1624-1677) De dag valt ons
uit handen, zo donker zijn
de landen; in sneeuw en
toegevroren licht alle
bloei verloren. Tussen de lange
nachten ligt bang de
dag te wachten, als had voor 't
laatst geschenen de zon, en is
verdwenen. Ach, alle
lichten Vader, snel komt uw
oordeel nader. Breek 't
duister onzer uren! Wie kan dit
ooit verduren? Niet één of
hij moet sterven, valt eeuwig in
verderven, tenzij Gij wilt
ontsteken uw schitterend
hemelteken. Doe, Heer,
opnieuw ontvonken de troost,
vanouds geschonken, het licht, dat
onze nachten stralend uw
heil doet wachten. Wil, Heer, ons
hart verblijden en zend ons ten
geleide uw ster, die
ons komt leren dat alle tijden
keren en die ons
zegt: 'De pijnen van 't oude
gaan verdwijnen. Ik kom en neem
u mede naar een
nieuwjaar van vrede.' Rudolf
Alexander Schröder Een schip komt,
zwaar geladen, het water staat
tot de boord, het brengt de
Zoon des Vaders, het eeuwig ware
Woord. Het scheepje
komt gedreven op vloeden
zacht en stil, met een
geschenk verheven, de liefste
Koningin. Maria , edele
roze, hemelse
bloesemtwijg, lentebloem,
smetteloze, met ons van
zonden vrij. Het scheepje
vaart haast binnen met kostelijke
last; het zeil Gods
eigen minne, de Heilige
Geest de mast. Johannes Tauler (gest.1361) De maan
verbleekt in het grijze licht, de nacht wijkt
voor de dag, en God roept
ons op; zijn stem beduidt dat niemand
meer slapen mag. Staat op, wordt
wakker, overal! Hoort allen
zijn woorden aan! God stierf aan
het kruis,- wie doet voor Hem, wat Hij voor
ons heeft gedaan? O blinkende
stad Jeruzalem, wanneer bereik
ik uw poort? Wanneer wordt
mijn lijden uitgewist in het lied,
dat mijn hart al hoort? Groen zijn de
velden, zo groen, zo groen, en zoet als het
hemelrijk. God wandelt
over de wegen en drenkt met zijn dauw
ons allen gelijk. Ons leven is
niet dan een handbreed lang, in de zomer
wordt het gemaaid. Nu zijn wij
hier en morgen daar, waar de wind
van de dood ons waait. Gij rijken
viert feest, want gij hebt geen zorg, gij hebt uw
geld, uw goed, maar morgen,
als gij gestorven zijt, blijft niets
van uw overvloed. Wat mager gras
aan uw hoofdeneind en om uw lijf
wat hout Dan staat gij
boven, naakt als een kind, met zonden
duizendvoud. Mijn lied is
uit, ik ga naar huis, maak al Gods
woorden waar! Zijn zegen voor
u, voor arm en rijk, zijn licht in
het nieuwe jaar! Engels,
achttiende eeuw De bergen op,
de bergen af, de ezel in een
sukkeldraf, Sint Jozef
loopt te hijgen, en daar beneden
in het dal zijn dat
Herodes' knechten al? Zij zullen 't
Kind niet krijgen! En weer een
lang, verschroeiend pad, het zonlicht
brandt het stoffig blad, de dag heeft
duizend uren. Sint Jozef
zoekt een veilig land, zijn voeten
zijn bebloed, verbrand, zijn ogen blind
van 't turen. Hier is het
stil, zo leeg en hoog; niets is er dan
de hemelboog, de bergtop ligt
verlaten. Wie hier ooit
kwam en liep en zocht al dorstend
naar een druppel vocht, het zou hem
toch niet baten. Maar plotseling
duikt met licht gerucht een grijze duif
hoog uit de lucht, strijkt neer
voor Jozefs voeten. Die mompelt
wat, maar hoort de maagd die trouw het
slapend Kindje draagt, de vogel
vriendelijk groeten. Het dier, met
ogen blinkend fel, kijkt schrander
en verstaat het wel, want dadelijk
hoort zij vragen: 'Waar gaat de
reis zo schielijk heen? Wie durft zich
hier zo gans alleen in 't barre
land te wagen?' Maria, niet
verwonderd, staart de vogel
aan:'Egypte waart, wij moeten
ijlings vluchten. Herodes zoekt
dit kleine Kind en zal het
doden als hij 't vindt.' 't Gedenken
doet haar zuchten. De duif knikt
met haar grijze kop, kijkt naar het
Kind, maar vliegt snel op, want daar
klinkt dof rumoeren. Een verre
stofwolk, dicht en zwaar, verraadt
Herodes' legerschaar die op het Kind
moet loeren. Dus verder,
vlug, de berg weer af, de ezel in zijn
snelste draf, Sint Jozef
loopt te blazen. Maria zelve
ongerust, lacht stil nu
zij haar Kindje zust. Wie zou d r
nu op azen? Weer is het
stil: de rots was steil, hier is de
lucht zo wonder ijl,- hier zal toch
niemand zoeken. Maar eensklaps
fladdert uit het blad der lage
struiken langs het pad een kwartel op,
een kloeke, die staat nu
midden op de weg en blaast zich
op en kakelt: 'Zeg, wat loop jij
hier te zweten? Hier komt haast
nooit een sterveling en …is er een
dit pad langs ging, daar mocht men
't niet van weten.' Sint Jozef
kijkt de kwartel aan: 'Wel, ijdel
beest, ga hier vandaan! Wat doe je ons
te kwellen?' Maar dan hoort
hij - waarom, waartoe? - |