|
|
Welke tong kan
u, o Maagd, heilige Moeder
Gods, bezingen? Gij zijt de
Vorstentroon, gij schraagt Die zelf het
koor der cherubijnen draagt in gulden
kringen! Hoe kunnen wij
u zalig prijzen, op welke wijze? Verheven zijt
gij, in glans en duur, boven alle
natuur. O schone duif
en Moeder des Heren, uw naam zingt
tot in eeuwigheid ieder geslacht
ter ere. Verheugt u,
Moeder en reine Maagd; de engelen
prijzen Hem groot Die woonde in
uw zoete schoot. De cherubijnen
aanbidden Hem als hun
stralende midden; de
seraphijnen,
onvermoeid, wuiven hun
snelle vleugels al zingend voor Die in hun
midden bloeit: 'Hij is de
koning der heerlijkheid en naar zijn
grote ontferming is Hij der
wereld bescherming; alle zonden
schenkt Hij ons kwijt.' En daarom, o
Moeder, smeken wij dat gij ons
voor wilt spreken: al is zijn
barmhartigheid onverdiend, spreek ons tot
heil en zegen bij de
Mensenvriend. Koptische
kloosterliturgie, vierde tot zesde eeuw PARAPHRASE OP
EEN KOPTISCHE THEOTOKIE Vol van genade,
smetteloze, wees gegroet, gij hebt de
ware God gedragen terwijl het
zegel van uw maagdelijk bloed gesloten bleef
naar zijn behagen. Den groten
Koning zijt gij stad en land; Hij koos u als
zijn onbezaaide akker waarop de bloem
des levens openbrandt: uw licht slaat
alle zielen wakker. Gegroet, gij
zoete tortelduif, uw hals, van glanzend
goudgroen overtogen, weerspiegelt de
verrukking zijner ogen. O troon van de
Almachtige, gegroet, gij wagen van
de hoog verheven Heerser en woonplaats
van de Geest die leven doet. O reine
luchter, welks al-pure gloed der hemelen
hemel overspant, o geestelijke
wolk, waarin de hoge zon der eeuwige
gerechtigheid ons brandt. Kind van Anna
en Joachim, reine bloem, die recht uit
Davids wortel bloeide, gegroet, gij
zijt der volkeren roem. O ladder die
tot de hemel reikt: de Heer der
Heren vertoeft erboven, terwijl Hem
alle engelen loven. O tweede nieuwe
hemel, geestelijk gewaad, dat alle
serafijnen wil bekleden, nieuw
tabelnakel, dat eeuwig open staat, geen der
profeten kende de vrede die ons
tegenstraalt van uw heilig gelaat. Want
o, met wie
zijt gij te vergelijken? Van wie klonk
des Heren getuigenis: vol van genade?
O glorierijke, wees ons
indachtig als wij bezwjjken, - uit u is het
heil, dat ons leven is. Koptische
kloosterliturgie, negende eeuw Gij, die de
zoetste aller maagden zijt en de
beminnelijkste aller vrouwen, gij, alle
moeders kroon en zaligheid, Ave Maria, - wil gij uw
liefdesschat ontvouwen. Mijn hart
bemint u, schone, bovenal, mijn tong wil
uw geluk verhalen; u zoekt mijn
ziel in aarde's donker dal, Ave Maria, - lichter zijt
gij dan de zonnestralen. Uw bloei
straalt rijker dan het morgenrood; gij,
koninklijke vrouwe, vol genade, vreugde der
engelen, ons levensbrood, Ave Maria, - uw zoete zorg
behoedt ons voor verdwalen. Die de
verrukking aller heiligen zijt, de hulp waar
alle christenen op bouwen, glans van de
tijd en licht der eeuwigheid, Ave Maria, - bid voor mij,
beminnelijkste der vrouwen. Hildegard van
Bingen (1098-1179) O rozenknop, o
lelieblad, gij, Koningin
der hoogste stad, die nooit
betrad een vrouw als
gij te prijzen! Gij, licht in
alle somberheid en vreugd in
alle bitterheid, u zij gewijd wat wij aan eer
bewijzen. Den hoogste God
was eens uw schoot een klein
verblijf, beminde! Gelijk een
zonnestraal doorstoot het glas zo
mocht - o wonder groot - de Geest uw
lichaam vinden. Gij rozendal,
viooltjesveld, waaruit der
harten zoetheid welt, o bloemkelk,
God-geheven, gij klaar en
fonkelend morgenrood, gij, trouwe
helpster in de nood, het Levensbrood hebt gij dit
leven rein gegeven. En vele harten,
droef en koud, kwam Het
verlichten en doordringen met zoete
liefde menigvoud: zo heeft zich
s'Heren macht ontvouwd. Dus zullen jong
en oud uw eeuwigdurend
loflied zingen! Gotfried van
Straatsburg, begin dertiende eeuw Moeder Maria,
gezegend zijt gij! Maagd Maria,
waakt over mij! Maagd en
Moeder, - gij waart het alleen, gij, Lieve
Vrouwe, en anders geen. Moeder Maria,
smetteloos rein, bescherm mij
heden voor angst en pijn. Help mij tegen
de zonde strijden, wil mij genadig
van kwaad bevrijden. Maria, om uwe
vreugde vijf, bewaar mij
zolang ik in leven blijf. Om uw tranen
bij uw Zoons bittere dood, help mij te
winnen mijn dagelijks brood, help mij te
kleden, help mij te voeden, neem gans mijn
leven in uwe hoede. Help mij,
Vrouwe, en al mijn gezellen, dat de duivel
ons niet zal kwellen. Bescherm ons
tegen s'werelds doem, tegen de
hoogmoed, de valse roem. Doe ons allen
het goede belijden en laat ons
kwaad gezelschap vermijden. Lieve Vrouwe,
gij, zoete maagd, weer f de
vijand, die mij belaagt; nimmer zal hij
mij verslaan, als ik in uw
hoede mag staan, dag en nacht,
zo lang ik mag leven, Lieve Vrouwe,
heerlijk verheven. Voor mijn
vrienden wil ik u vragen gelijke liefde
en welbehagen; wil hen, naar
ziel en lichaam beide, gelijke vreugd
en geluk bereiden. En mijn
vijanden, - Vrouwe, wil geven dat zij en ik
toch in vrede leven en dat wij
elkander vinden mogen in ware
vriendschap, met open ogen. En, Vrouwe,
laat hen die gelukkig zijn hun vreugde
behouden, - spaar hen voor pijn. En zij, die de
duivel moordend besprong, laat hen
allemaal, hetzij oud of jong, niet sterven in
hun halsstarrig kwaad. Moeder Maria,
geef hun uw raad, help hen weer
opstaan, sterk en blijde, toon hun uw
mildste medelijden. Maria, bid gij
de hemelse Koning, mij eens te
nodigen in zijn woning, mij eens te
schenken een zalige dood, - verleen mij
deze genade groot. Maria, gij,
mijn Vrouwe rein, laat mijn gebed
niet vruchteloos zijn en help mij,
door uw barmhartigheid, Gods licht te
winnen in eeuwigheid. Engels,
dertiende eeuw 'O Moedermaagd,
gij, dochter van uw Kind, verheven boven
alle creatuur, in wie Gods
plan zijn eeuwig einddoel vindt, gij zijt het,
die de menselijke natuur doorstraalde
tot haar Maker haar verkoos, zich tot haar
maaksel makend, licht en puur. Diep in uw
schoot ontstak zich eindeloos de liefde weer,
die door haar warme gloed de bloem des
vredes opent, mateloos. Hier zijt gij
't vuur, dat alle liefde voedt; beneden, in der
stervelingen kring, zijt gij de
bron der hoop, die leven doet. Gij, Vrouwe,
zijt zo groot dat wie , gering, genade zoekt en
zich tot u niet keert, wil vliegen
zonder vleugels, - een dood ding. Want niet
alleen die smekend haar begeert zendt gij uw
milde kracht, doch ongeteld zoekt gij die
haar, nog onbewust, ontbeert. Erbarming is de
titel, die u geldt; u is
grootmoedigheid en al wat ooit aan goedheid
enig sterveling ontwelt.' Dante Alighieri
(1265-1321) Maria, spreid
uw mantel wijd, ons tot een
schild en zekerheid, laat ons
daaronder veilig staan, tot onze vijand
is heengegaan. Uw kleed is zo
verrukkelijk wijd, het dekt de
ganse Christenheid; tot aan het
uiterst wereldend is 't aller
toevlucht, aller tent. Als alle
vijanden samengaan en grimmig in
onze rijen slaan, blijf ons dan
bij, wees onze speer, dan leggen we
iedere vijand neer. Maria, kom,
help ons, hoor ons lied, neem uw Kind op
uw arm en aarzel niet, zend ons uw
engelen, sterk en geducht, dan slaan onze
vijanden op de vlucht. O Moeder der
barmhartigheid, houd boven ons
uw kleed gespreid; wij zijn dan
goed beschermd, voorwaar, bij dag en
nacht, voor alle gevaar. Zoete en
al-goede, neem ons in uw
hoede. Soldatenliedje
uit de dertigjarige oorlog De zoete vogels
in het bos doen 's morgens
vroeg hun kelen los, het jubelt in
het lover; zodra het
ochtendrood de nacht verdrijft,
betrekken zij de wacht en strooien 't
bos uit alle macht met gouden
klankgetover. Komt, mensen,
aldus naderbij, wilt u niet
schamen, jubelt vrij om 't kindje te
vereren. Het werd
geboren deze nacht en zij, die het
ter wereld bracht, Sint Anna,
heeft u al verwacht, - wat kunt ge
méér begeren? De morgendauw
laaft koel en nat de frisse
velden, bloem en blad, want alles wil
nu stralen om 't kleine
kind gebenedijd, dat alles
drenkt in zaligheid, met overvloed
van dankbaarheid en vreugde in
te halen. Doch puurder
dan de morgendauw verkwikt thans
Onze Lieve Vrouw ons aller
mensen harten. Deemoedig groet
zij iedereen,- gaat daarom
aller tot haar heen want weet dat
zij, en zij alleen, ons troost in
alle smarten. Uit 'Des Knaben
Wunderhorn' Er kwamen drie
wezen over de weg, Maria stond bij
de bloemenheg, zij lachte de
kinderen vriendelijk toe: 'Waar ga je
heen? Je bent al zo moe.' 'Wij lopen naar
het kerkhof heen, onze moeder
ligt daar koud en alleen.' 'Hier heb je
een stok van zuiver goud, zorg dat je die
goed in je handen houdt. Als je daarmee
naar het kerkhof gaat en zacht er mee
tegen de grafsteen slaat, hoor je al wat
je moeder je zeggen wil. Vraag haar
alles en luister dan stil.' De kinderen
gingen er dansend heen en tikten tegen
de zware steen. 'Wat zullen we
vragen?' zei de jongste toen, en de oudste:
'Ik zal het woord wel doen.' 'Moeder, red
ons van ons ongeluk, sta op, sta op,
onze kleren zijn stuk.' -Mijn zoon, hoe
zou op kunnen staan? Al mijn spieren
zijn spoorloos vergaan. Mijn spieren
verteerden een voor een, mijn handen,
mijn voeten, mijn arm en been, mijn stromende
bloed werd als stof zo grauw, mijn ziel
verdampte als morgendauw. 'Geef mij de
sleutel,' zei de tweede toen, 'dan zal ik uw
kist wel open doen, dan kus ik uw
voeten alle twee, dan staat u op
en gaat met ons mee.' -Zie, kind,
daar wandelt een jonge vrouw, haar wangen
geverfd, haar ogen helblauw; als stiefmoeder
zal zij met je gaan, zij trekt je
wel schone kleren aan. 'Maar, moeder,
dan bloeien fonkelend rood drie rozen op
uit uw lege schoot, en geeft zij
ons ieder een harde korst dan druppelen
tranen warm, op uw bordt.' -Ach, kinderen,
laat mij hier maar alleen, ik lig hier
onder mijn grauwe steen, ik lig hier
stil, ik ben al zo moe,- kinderen, ga
naar Maria toe. Zij zal je
verzorgen, zij neemt je aan, beter dan ik
ooit heb gedaan. 'Moeder, o
moeder...'-Ach, laat mij alleen, ik lig hier
onder mijn zware steen.' Hongaars
volksliedje Hoog op de
bergen in de wind zit met haar
Kind Onze Lieve
Vrouw. Zij schommelt
het kleine ledikant met haar
sneeuwwitte hand zonder
wiegetouw, wiegetouw, Lieve Vrouw - Uit 'Des Knaben
Wunderhorn' Wie, Moeder,
eens u heeft aanschouwd, wordt nimmer
door verderf benauwd. Scheiding van u
verscheurt zijn zinnen, eeuwig zal hij
u vurig minnen. Uw
heerlijkheid, hem eens ontbloeid, blijft de
verrukking die zijn geest doorgloeit. Mijn hart is
warm u toegewijd, gij zijt al wat
ik mis of lijd. Wil, zoete
moeder, tot mij spreken, geef mij nog
eens een zalig teken. Gij zijt mij
rust in alle pijn, laat mij en
ogenblik uw woning zijn. Vaak, als ik
droomde, heeft uw beeld mijn hart met
innig schoon gestreeld. Het kleine
Godskind op uw armen toonde mijn,
speelgenoot, erbarmen; gij echter
wendde hoog uw blik en trok u terug
in wolken koninklijk. Wat heb ik,
arme, u misdaan? Mijn liefde
blijft om u begaan. Tot de
kapellen, die u eren, blijven toch
steeds mijn gangen keren. Vorstin,
gebenedijde, kom, mijn hart en
leven zijn uw eigendom. Ach, Koningin,
gij weet het nu, al wat ik heb,
het is van u. Mocht ik al
niet sinds lange jaren in stilte uw
geluk ervaren? Ja, voor ik
zien of denken kon, was mij uw
borst een zalige levensbron. Gij waart zo
dikwijls mij nabij, mijn kinderblik
aanschouwde u vrij. Uw Kindje
strekte blij zijn handen, dat ik weer
veilig zou belanden. Uw glimlach was
vol tederheid, uw kus vol
liefde, hemelzoete tijd! Voorbij is nu
dit zalig uur, lang zijn mijn
wegen kil en guur, droefenis leidt
mij alle dagen. Heb ik mij dan
zo zwaar misdragen? Zacht als een
kind raak ik uw zoom, wek mij uit
deze radeloze droom. Als slechts een
kind een beeld aanschouwt en op uw
bijstand vrij vertrouwt, verlos mij dan
van leeftijds boeien, laat als een
kind mij voor u bloeien. Want
kindertrouw en kindermin bewonen sinds
die gouden tijd mijn zin. Novalis
(1772-1801) Als het
noodweer aarde's flanken geselt en de
mens doortrilt, zijt Gij 't,
die als klokkenklanken biddend alle
stormen stilt. Als het veld na
zware regen zijn betraande
vruchten tilt, straalt de
regenboog uw zegen, - Moeder, ach,
wat zijt gij mild. Eens, als 't
donker mij zal komen en de koele
avond zacht nederruist in
blad en bomen, dan, Maria:
heilige nacht! Laat mij
anderer hoogmoed derven, dek mijn
lichaam, oud en moe, eindelijk
rustend van mijn zwerven met uw
sterrenmantel toe. Joseph von
Eichendorff (1788-1857) 't Is middag
nu. de kerkdeur zie ik open. Men kan er binnengaan. Moeder van
Jezus, niet als smekeling kom ik voor u staan. Ik heb u niets
te bieden, ik kan u niet verrijken, Ik kom alleen,
Moeder, om naar u te kijken. U aan te zien,
te wenen van gelukzaligheid, te weten dat ik
uw zoon ben en dat gij er nog zijt. Niets zoek ik
op dit ene ingehouden moment: Middag! - dan
bij u te zijn, Maria, hier, waar ik mij tot u wend. Zonder woorden,
met mijn ogen stil naar uw gelaat, met niets dan
het eigen lied, dat mijn harte slaat. Zonder woorden,
met niets dan een lied, daar mijn hart van verrukking hijgt, als de merel,
die niet dan zichzelve volgend, zijn klanken tezamen rijgt. Omdat gij
schoon zijt, omdat gij zijt de smetteloze, de vrouw in
genade hersteld, daartoe gekozen. Het schepsel in
zijn eerste glorie en zijn uiteindelijke pracht, zoals het God
verliet op de morgen van zijn oorspronkelijke kracht. Onuitsprekelijk
zuiver, omdat gij de moeder van Jezus zijt, Die de Waarheid
is in uw armen, onze enige hoop en zaligheid. Omdat gij zijt
de Vrouw, het Eden der oude, vergeten tederheden, wier aanblik
aller hart overrompelt tot het bitterst leed is beleden. Omdat gij mij
gered hebt, omdat gij Frankrijk hebt gered, omdat gij op
dit land als ik, uw gedachten hebt gezet, omdat gij, toen
alles verloren scheen, tussenbeide zijt gekomen, omdat gij
Frankrijk n¢g eens in bescherming hebt genomen, omdat het
middag is, omdat wij op dit moment van de tijd zijn aangekomen. Omdat gij hier
altijd blijven zult, alleen omdat Maria zijt, alleen omdat gij zijt, Moeder van
Jezus Christus, wees gebeneijd! Paul Claudel
(geb. 1868) Jezus, die
nooit uw pijn door 't eigen
hart voelt snijden, die vlucht voor
uw kruis, uw lijden, zal nooit in
vrede zijn. Heer, schenk
mij uw genƒ, laat mij de
wereld vluchten, de wereld vol
valse geruchten, tot ik uw wegen
ga. Geef mij veel
leed, veel pijn. Wie kan zonder
smart beginnen uw vreugde op
aarde te winnen? 't Zal tijd
verloren zijn. Want, Heer, in
U alleen is geluk en
liefde en vrede, - daarom wil ik
uw paden treden en anders wil
ik geen. Leg in mijn
hart uw gloed en laat mij uw
dood verteren, laat mijn hart
tot ‚‚n vuur verkeren, dan is mij 't
sterven zoet. Want, Heer, wie
nooit uw pijn door 't eigen
hart voelt snijden, die vlucht voor
uw kruis, uw lijden, zal nooit in
vrede zijn. Girolamo
Beniveni (1453-1542) Kom, troost der
wereld, stille nacht, hoe stijgt gij
van de bergen zacht, de wind rust
vol erbarmen. Alleen een
schipper waakt aan 't stuur. zingt over zee
van 't avonduur en Vaders
havenarmen. Als wolken snel
de jaren gaan zij laten mij
hier eenzaam staan, geen wil nog
van mij weten. Alleen uw zegen
bracht mij thuis als onder 't
wonder boomgeruis ik peinzend was
gezeten. O troost der
wereld, stille nacht, de dag ontstal
mij al mijn kracht, de verre
branding monkelt... Laat mij hier
rusten van mijn nood totdat het
eeuwig morgenrood het stille bos
doorfonkelt. Joseph von
Eichendorff (1788-1857) Totdat Hij komt
zal het hier zo gebeuren: 's morgens de
melkboer tweemaal bellen, dan gordijnen open
en met grauwe kleuren breekt het
eerste licht de nachtelijke ban. Het heldere
ontbijt iedere morgen, dan naar de
stad, de tram zingt langs de rand heen van je
dromen en je kleine zorgen, en 's avonds
staan de grote in de krant. Zo zal het
eindeloos zich hier herhalen, liefelijkheid
der huiselijke haard, kinderen,
zorgen en de angst rondom. En eind'lijk
met het vege lijf betalen de koorts des
levens en diep in de aard wachten en
luisteren, totdat Hij komt. J.W. SCHULTE NORDHOLT
|
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 31-01-2007 18:35:56 |