|
|
Drie koningen
zijn er op reis gegaan, vlugger nog dan
de wind, van over de
bergen kwamen zij aan te
Bethlehem,
bij het Kind. Nergens hoefden
zij lang te zoeken, zij vonden de
weg vanzelf, naar het Kind
in sneeuwwitte doeken wees een ster
aan het nachtgewelf. De eerste die
er de stal betrad was
Kaspar,
waardig en wijs; de tweede was
koning Balthasar, nog moe van de
lange reis. Maar
Melchior,
zwart als een nikker, durfde niet
binnen te gaan, want het kind
begon schokkend te snikken toen Het hem
donker zag staan. Sint Jozef
maakte een vriendelijk gebaar: 'Wees niet
bang, kom stil dichterbij,' Hij kwam en
kuste het Kind, dat zowaar hem met heldere
stem iets zei: 'Ik huilde niet
om uw zwarte handen, Ik huilde
alleen om de pijn van de bittere,
zwarte zonde die straks
genezen zal zijn.' Frans,
zestiende eeuw Het Kindje lag
aan haar hart geborgen, Het sluimerde
in haar schoot. Toen drupten
tranen, hel en groot, die zacht het
Kindje raakten, waardoor Het
licht ontwaakte. Het sloeg zijn
ogen op naar 't licht, zag lachend
moeder's lief gezicht en zag toen op
haar wangen de droeve
tranen hangen. Het hief zijn
hoofdje schuin omhoog en leunend aan
haar armenboog begon Het als
zijn moeder deed, te huilen om
een bitter leed. Met lief
gebaren, ongevraagd, omhelsde Het de
zoete maagd en kuste haar
bedroefde mond met liefde
recht uit 's harten grond. Zijn kleine
handen streelden licht langs haar van
leed gegroefd gezicht en daarbij keek
Het diep haar aan met beide ogen,
warm en lang, tot al haar
tranen, droef en bang, in vreugde
waren weggedaan. Duits,
dertiende eeuw Ex ore
infantium - uit een kindermond Kleine Jezus,
waart Gij even bedeesd en schuw als ik
het ben geweest? Hoe voelde Gij
U buiten de hemel, ver daar vandaan
als ik, op een andere ster? Zijn vaak uw
gedachten daarheen gevaren, vragend waar al
die engelen waren? Vast had ik de
nacht gescheurd met gekrijs om mijn bitter
verloren lichtpaleis of nachtenlang
lag ik omhoog te staren, verwonderd waar
toch mijn engelen waren, en ontwakend
stortte ik tranen, wrede, want er was
geen engel om mij te kleden. En had Gij
niet, als de kinderen op aard', speelgoed, een
tol of een houten paard? En hebt Gij
niet in de hemel blij gespeeld met de
bonte engelenrei? Geknikkerd met
sterren? Of 'alle vogels vliegen' met hen, die
het mooist met hun vleugels wiegen? Ach, vertel mij
eens hoe uw Moeder het vond als uw kleed
besmeurd werd met ónze grond! Dat was iets
wat U d r nooit gebeuren zou, want de hemel
is altijd schoon en blauw! Hebt Gij 's
avonds ook geknield, wat moe, en uw handen
gevouwen als ik het doe? En gedaan of
Gij in de war zoudt raken om zo het
gebedje wat langer te maken? Vindt Gij fijn
dat wij vóór het slapen gaan onze handen
vouwen als Gij hebt gedaan? Vóór ik het
begreep heb ik vaak gedacht, dat zo'n
spelend gebed U geen vreugde bracht... Heeft uw Moeder
U kussend goë nacht gezegd en uw kleren
recht op de stoel gelegd? Zijt Gij ook,
gewassen, gekust, gebeden, zo hartelijk
tussen de lakens gegleden? Gij kunt toch
nog niet vergeten zijn hoe een kind
zich voelt, bedeesd en klein. Gij begrijpt
dus ook: nooit bid ik goed met zo
plechtige taal als mijn vader doet. Hebt Gijzelf
ooit kunnen bidden als Kind met woorden als
slechts uw Vader vindt? Ach,
Jezuskind,
daal neer en neem aan een kind dat
bidt als Gijzelf hebt gedaan. Reik mij uw
hand en leid mij voort al luisterend
naar mijn kinderwoord, geef mijn
kindergebed aan uw Vader door (Hij vindt U zo
lief, schenkt U graag gehoor) en zeg: 'Vader,
neem aan wat uw Zoon U geeft, een gebed als
Hijzelf eens gebeden heeft.' Dan lacht Hij,
omdat Hij het woord van zijn Kind, sinds Gij jong
waart als ik, niet veranderd vindt. Francis
Thompson Land van
Galilea, land van ruisend graan en bergen waar
de wijnstok eeuwig bloeit, gij hebt de
Heer gezien, gewond, vermoeid, en zag het volk
verlangend tot Hem gaan. Zijn ogen waart
gij rust en welbehagen, in zijn
parabels leerde gij ons te beminnen, en zowel in uw
schoot dwingt tot bezinnen dat wij uw
beeld als van een altaar dragen. Uit zacht
gewelfde akkers, korengoud, en uit de
ranken die het sap vergaarden van de gewijde
grond, waarop mijn voeten staan, richten zich op
- o goddelijk vlammend woud van gouden
stammen en doorgeurde aarde - zijn Bloed, de
wijnstok, en zijn Lichaam, graan. Luis Felipe Contarde 't Wordt zomer
nu, de winter is voorbij, de dagen worden
lang; van alle vogels
blij klinkt weer
gezang, maar bang is mijn hart en
blind voor alle
vreugd, die ik vind op het land: 'k lijd om een
Kind hoezeer bemint ons zijn hand. Dit Kind, zo
goed, van rijke stam en kostelijke
geest, dat lang mij
zoeken kwam in wild
foreest,- 't heeft mij
gevonden, aan een tak
gebonden, een appel rood: Het maakt mij uit mijn boeien
vrij door zijn dood. Dit Kind, zo
hoog en licht, om mijnentwil
zijn rijkdom liet; Het werd voor
mij ten val gericht. Zijn beulen
kenden 't niet en zeiden: ''t
Laat ons koud, spijker Hem aan
het hout buiten de stad; maar eerst
werpen wij om zijn kleren
vrij het lot.' Jezus heet dit
wondere Kind, Koning van alle
landen, om Hem speelden
zij verblind, sloegen Hem met
hun handen; weerloos aan
het hout, wondden zijn
Hem menigvoud; toen de pijn zijn gezicht
vertrok, gaven zij Hem
een slok bittere azijn. Had Hij niet
aan dit droeven hout ons aller leven
gered, er zou ons geen
enkel behoud gebleven zijn;
geen wet sprak ons nog
vrij, ter helle
voeren wij in duister
wreed en eeuwig leed; ons hielp geen
legermacht, geen fort, geen
vestinggracht, geen
oorlogskreet. Maagd en
Moeder,- zo stond Maria, vol
genaden erbij; haar tranen
weekten de harde grond, tranen van
bloed weende zij. Zijn bloed
droop langs het hout, zijn vlees werd
koud en zonder
kracht. Hij werd
geslagen als een dier na
dagen van felle
jacht. Zo hing zijn
dierbaar lichaam dood aan de hoge
stam, omdat Hij al
onze zonden groot op Zich nam. Hij daalde fier
ter helle af en brak de
ketens zwaar; Hij droeg ons
aller straf, bezweerde het
gevaar met zijn
koningsstaf en zij ogen
klaar. Ten derden dage
rees Hij weer en besteeg zijn
troon; de oordeelsdag
ziet zijn wederkeer, dan geeft Hij
ieder zijn loon. Wie ooit zonder
Hem sterven zou draagt leed en
rouw, het is gewis. Wil, Jezus, ons
leven de glorie geven van uw
verrijzenis! Engels,
dertiende eeuw Heilige kruis,
van alle bomen zijt gij de
heerlijkste in 't woud; ik ken geen
kostelijker aromen dan spelen om
uw geurend hout. Als
bloemenkelken, vlam na vlam, zijn uw drie
nagelen gedreven, en zoet is 't
hout van uwe stam, doch zoeter is
de vrucht, het Lam, aan u
verheerlijkt opgeheven. Engels,
veertiende eeuw Liefde heeft
Mij gebracht, Liefde gaf Mij
de kracht, o mens, uw
ridder te zijn. Liefde heeft
Mij gesterkt, liefde heeft in
Mij gewerkt en in liefde
lijd Ik hier pijn. In liefde liet
Ik Mij jagen, om liefde werd
Ik geslagen, de liefde
kruisigde Mij. Liefde is al
mijn wens, want alleen in
liefde, o mens, koop ik voor
God u vrij. O mens, zie
mijn lijden nu, altijd door
zocht Ik u, altijd door,
dag en nacht. 'k Vond u
thans,- alle pijn zal nu vergeten
zijn: Liefde heeft
het volbracht. John Grimstone (gest. 1372) Heb je geen
medelij met mijn Kind? Of met mij, van
rouw geslagen? Neem af van het
hout mijn lieve Kind of laat Het ons
samen dragen. Meer pijn dan
ik lijd zal er nimmer zijn, niets blijft
mij dan rouw en verdriet. In zijn liefde
blijven wij samenzijn, ik wil sterven
als Hij, anders niet. John Grimstone (1372) TOEN GOD DE
HEER IN DE STILLE HOF Toen God de
Heer in de stille hof zijn lijden
begon, geknield in het stof, toen treurde
alles wat daar was, de vogels, het
kruid en het groene gras. Maria hoorde
een hamer slaan.... 'O wee, mijn
Kind! Wat vang Je aan? O wee, o wee,
mijn zoon, mijn …, ik voel dat Je
mij verlaten zal!' Maria kwam
onder het kruis gegaan, daar hing haar
Kind, haar liefste aan, naakt aan het
kruis,- hoe vals, hoe wreed! Nooit kende een
moeder feller leed. 'Johannes,
liefste vriend van Mij, zorg voor mijn
moeder, sta haar bij. Ga weg met
haar, opdat zij niet mijn bittere
marteling hier ziet!' 'Ach Heer,
graag doe ik wat Gij vraagt, ik zal haar
geven wat haar behaagt, ik zal haar
troosten stil en zoet zoals een kind
het zijn moeder doet.' 'Bomen en
bloemen, buigt wenend neer, mijn Kind heeft
rust noch vrede meer. Bladeren en
vruchten, buigt neer in smart, laat dit lijden
gesneden zijn in uw hart!' De hoge bomen
bogen zwaar, de rotsen
spleten van elkaar, de zon verloor
haar fonkeling, de vogels
hielden hun zingen in. De wolken
weenden ach en wee, de steile
bergwand spleet in twee, men zag de
graven open gaan en de doden
zijn koninklijk opgestaan. Duits
volkslied, zestiende eeuw Tuinman, zeg,
wat zal hier groeien? Welke zaden
strooit gij neer? 'Wees geduldig,
kind, keer weer als voor jou
hier rozen bloeien. Dan heeft God
voor Mij gereed scherpe
doornen, fel en wreed.' Tuinman,
heerlijk kunt gij sproeien! Deze tuin zal
komend jaar dicht van
bloemen staan te bloeien. 'Ja' kind,
vlecht dan in je haar bloemenkransen
licht en blij,- andere kransen
zijn voor mij...' Tuinman, Heer,
wie zal ons kronen, wie ons tooien,
hoog en vrij? Wie uw werk met
kransen lonen? Zijn er bloemen
ook voor mij? ' Kind, de
bloemen zijn voor jou,- Mij de doornen
scherp en rauw....' Spaans lied,
zestiende eeuw Sinds Hij
stierf, de Heer des levens, Hij, mijn Zoon, is de dood mijn
enig streven en mijn loon. Moeder werd ik
als nog gene, zonder pijn en
zonder smart, smart die
dubbel mij doet wenen nu zij dubbel
snijdt mijn hart. Dubbel leed
wordt mij gegeven. Ach, waar bleef mijn geluk nu
Hij , mijn leven niet meer
leeft? Alle dood is
overwonnen, dat deed Hij,
mijn Zoon, alleen. Sterft nu voor
zijn bittere wonden van de mensen
er niet ‚‚n? Ach, ik wil
mijn lichaam geven, want om niet rek ik hier
mijn lege leven in verdriet. Vogels in de
bloesemhagen, dieren vrij in
bos en veld, zegt mij, wilt
gij met mij klagen om de doodsnood
die mij kwelt? Want die mij
zijn troost kon geven, Hij alleen, Hij, de Heer
van dood en leven, ging nu heen. Later zal Hij
weder komen, ja, Hij heeft
het mij gezegd! Zoete troost om
van te dromen,- doch nu is Hij
weggelegd. Ja, kom terug,
o Heer des levens, 'k kan niet
meer.... Gij zult mij
mijn kracht hergeven, keert Gij weer. Ja, Gij zult
mijn jeugd verblijden, alles maakt Gij
nieuw en goed! Weggevaagd is
alle lijden, doornen,
ketens, kruis en bloed. Ja, Hij stierf,
de Heer des levens, doch zijn dood heeft ons leven
hoog geheven, maakt ons
groot! Spaans,
zestiende eeuw In stille nacht ving
wonderzacht een stemme aan
te klagen. 'k Stond stil
en hief mijn hoofd,-
wat riep zij daar
sidderend vlagen? Het was de
Heer, stil lag Hij
neer, zijn hoofd diep
in zijn armen. Het was zo wit als
sterrenlicht,- een steen zou
zich erbarmen. 'Ach, Vader
mijn, ach, Vader
mijn, moet Ik die
beker drinken? Kan 't anders
niet, uw wil
geschied', doch laat mijn
kracht niet zinken! Laat God
vannacht u troosten
zacht, Maria, Moeder
pure.... Is géén
hierbij die waakt met
Mij in deze bange
ure? De zilveren
maan wil ondergaan,- van angst is
zij verdwenen. De sterren zijn nu bleek van
pijn, zij willen met
Mij wenen.' Friedrich von
Spee (1591-1635) Een
schemeravond in April, de lucht was
zacht en blij, kwam een grote
kudde schapen mij onderweg
voorbij. Er waren ook
kleinere lammeren bij de stoet
die langs mij kwam, in April, op
een schemeravond, en ik dacht aan
het goddelijk Lam. Moe waren de
lammeren, zij blaatten luid door de
schemering. Stil dacht ik
aan het goddelijk Lam dat zwijgend
sterven ging. Hoog in de
blauwe bergen zijn de weiden
mals en zoet, daar vinden de
klagende lammeren geluk in
overvloed. Maar ach, Gods
eigen liefste Lam bracht de
bergtop geen gewin: niets vond het
daar dan een bittere kruis tussen twee
moordenaars in. 't Was April,
een schemeravond, dat die kudde
langs mij kwam. Ik zag de
schapen, groot en klein, en ik dacht aan
het goddelijk Lam. Katherine Tynan Hinkson (1861-1931) De haan, de
bode van de dag, verkondigt ons
't ontwakend licht, doch Christus
roept tot nieuwe plicht de geest, die
lang te slapen lag. Ontwaakt, gij
zieken, traag van geest, weest fier en
eerlijk, sterk en rein, staat op, weest
nuchter allermeest, en waakt: dra
zal Ik met u zijn. Dus roepen wij
de Christus aan het oog
betraand, de ziel benard: wil ons gebed,
o God, verstaan, verdrijf de
slaap uit 's werelds hart. Verjaag de
nacht, die ons omhult, de duisternis
omsluit ons dicht: bevrijd ons van
de zonden schuld en schenk ons
uw vernieuwend licht! Aurelius Prudentius Clemens (348-405) HYMNE OP DE
MORGEN VAN DE EERSTE PAASDAG De rode glans
van 't ochtendlicht doorstraalt het
hemels vergezicht, de wereld
juicht vol blijde kracht, de hel slaakt
zuchtend klacht na klacht, want Christus,
onze sterke held, heeft fier de
macht des doods geveld; de ziel, die
zonde's boeien droeg, werd vrij nu
Hij de hel versloeg. De Heer, wiens
graf verzegeld werd, heeft ook geen
wacht de weg versperd; als
overwinnaar, stralend groot, verrijst Hij
edel van de dood. Nu wijken
klachten, eens zo fel, nu vlucht de
angst voor straf en hel; een lichtende
engel kondigt aan: 'De Heer is
waarlijk opgestaan!' Aurora lucis
rutilat Drie
jonkvrouwen zijn er vroeg opgestaan om vroom naar
het heilige graf te gaan; zij hielden
haar kostelijke balsem gereed als ook
eertijds Maria van Magdala deed. De jonkvrouwen
gingen bedrukt naar het graf: 'Wie wentelt
ons toch de steen er af? Wij willen het
lichaam van onze Heer zorgvuldig
zalven ter zijner eer.' Toen zij bij
het graf waren aangekomen met de balsem,
die zij hadden meegenomen, ontdekten zij
angstig de open poort; twee stralende
engelen stonden ervoor. 'Gij
jonkvrouwen, blijft er niet roerloos staan, snel moet gij
naar Galilea gaan; gaat snel
Galilea berichten, jonkvrouwen, dan doe ik u uw
Heer Jezus aanschouwen.' Doch Maria van
Magdala liet niet af, zij zocht naar
haar Meester nog in het graf waar gelegen
hadden zijn leden zoet; maar toen kwam
Heer Jezus haar zelf tegemoet. Hij kwam
getreden al over het gras in een mantel
alsof Hij een tuinman was, Hij droeg een
spade vast in zijn hand alsof hij ging
arbeiden op het land. 'Ach tuinman,
ik bid u, dat gij het mij zegt: waar hebt gij
mijn Meester toch neergelegd? Hebt gij hem
gezien? Ach, wil toch spreken, angst en
verdriet doet mijn hart haast breken.' Doch toen Hij
haar met zijn woord begroette, herkende zij
Hem en viel aan zijn voeten; zij knielde
neer op de harde steen, want zij vond
haar Meester, zij alleen. 'Maria van
Magdala, raak Mij niet aan, het is nog te
vroeg, gij moet verder gaan. Ga heen en raak
Mij niet aan met uw hand vóórdat Ik
zal zijn in mijns Vaders land.' Duits,
veertiende eeuw Ik ging
bedroefd de stadsmuur langs en liep de
heuvel op: ik zag - hoe
kwelde mij de angst - daar op de kale
top het kruis,
waaraan zijn lichaam hing. Ik zag het
bevend aan: de lijdensweg,
die Jezus ging, is Hij voor mij
gegaan. Drie droeve
dagen stond ik daar, Hij was al
afgenomen, toen werd 'k
een kleine stoet gewaar: ik zag drie
vrouwen komen. Zij liepen
haastig langs mij heen, haar kruiken
aan haar borst geprest, geen groet, een
fluisteren alleen: Filius Regis mortuus est. Bedrukt en
zwijgend volgde ik haar naar 't graf,
waar Jezus lag: een engel,
licht en goddelijk klaar, kwam van de
grafsteen af. De vrouwen
schrokken en zeiden hem: 'Hier legden
wij Hem toch neer.' Toen zei de
engel met gouden stem: 'Dien gij
zoekt, is hier niet meer. Hij rees uit de
dood, zoals Hij zeide, licht als een
vogel uit zijn nest. Gaat, zegt het
voort en wilt u verblijden, want:
Resurrexit! Non mortuus est!' Snel ging ik
heen om blij van zin de wondere
tijding voort te dragen, doch bij een
tempel, waarlangs ik ging, vernam ik een
bitter klagen. Ik zocht en zag
een arme vrouw, gans in haar
leed verdoken; zij keek mij
aan vol diepe rouw nog vóór ik
had gesproken. 'Ach,' weende
zij, 'wie zag ooit als ik haar eigen Kind
gekwetst?' Ik zei haar het
zelfde ogenblik: 'Filius Regis non mortuus est!' Sint Thomas
zegt, en anderen met hem, dat Hij eerst
verscheen Onze Lieve Vrouw; geen was Hem
nader sinds Bethlehem en geen droeg
dieper rouw. Hij was in
lichtglans opgestaan, en morgen, diep
en klaar, Hij kwam
eerbiedig op haar aan en groette en zeide |