religieus3
Start Omhoog

                 



Driekoningenlied  

Drie koningen zijn er op reis gegaan,

vlugger nog dan de wind,

van over de bergen kwamen zij aan

te Bethlehem, bij het Kind.

Nergens hoefden zij lang te zoeken,

zij vonden de weg vanzelf,

naar het Kind in sneeuwwitte doeken

wees een ster aan het nachtgewelf.

 

De eerste die er de stal betrad

was Kaspar, waardig en wijs;

de tweede was koning Balthasar,

nog moe van de lange reis.

Maar Melchior, zwart als een nikker,

durfde niet binnen te gaan,

want het kind begon schokkend te snikken

toen Het hem donker zag staan.

 

Sint Jozef maakte een vriendelijk gebaar:

'Wees niet bang, kom stil dichterbij,'

Hij kwam en kuste het Kind, dat zowaar

hem met heldere stem iets zei:

'Ik huilde niet om uw zwarte handen,

Ik huilde alleen om de pijn

van de bittere, zwarte zonde

die straks genezen zal zijn.'  

Frans, zestiende eeuw


Rust op de vlucht naar Egypte  

Het Kindje lag aan haar hart geborgen,

Het sluimerde in haar schoot.

Toen drupten tranen, hel en groot,

die zacht het Kindje raakten,

waardoor Het licht ontwaakte.

Het sloeg zijn ogen op naar 't licht,

zag lachend moeder's lief gezicht

en zag toen op haar wangen

de droeve tranen hangen.

Het hief zijn hoofdje schuin omhoog

en leunend aan haar armenboog

begon Het als zijn moeder deed,

te huilen om een bitter leed.

Met lief gebaren, ongevraagd,

omhelsde Het de zoete maagd

en kuste haar bedroefde mond

met liefde recht uit 's harten grond.

Zijn kleine handen streelden licht

langs haar van leed gegroefd gezicht

en daarbij keek Het diep haar aan

met beide ogen, warm en lang,

tot al haar tranen, droef en bang,

in vreugde waren weggedaan.  

Duits, dertiende eeuw


Ex ore infantium - uit een kindermond  

Kleine Jezus, waart Gij even bedeesd

en schuw als ik het ben geweest?

Hoe voelde Gij U buiten de hemel, ver

daar vandaan als ik, op een andere ster?

Zijn vaak uw gedachten daarheen gevaren,

vragend waar al die engelen waren?

Vast had ik de nacht gescheurd met gekrijs

om mijn bitter verloren lichtpaleis

of nachtenlang lag ik omhoog te staren,

verwonderd waar toch mijn engelen waren,

en ontwakend stortte ik tranen, wrede,

want er was geen engel om mij te kleden.

En had Gij niet, als de kinderen op aard',

speelgoed, een tol of een houten paard?

En hebt Gij niet in de hemel blij

gespeeld met de bonte engelenrei?

Geknikkerd met sterren? Of 'alle vogels vliegen'

met hen, die het mooist met hun vleugels wiegen?

Ach, vertel mij eens hoe uw Moeder het vond

als uw kleed besmeurd werd met ónze grond!

Dat was iets wat U d  r nooit gebeuren zou,

want de hemel is altijd schoon en blauw!

 

Hebt Gij 's avonds ook geknield, wat moe,

en uw handen gevouwen als ik het doe?

En gedaan of Gij in de war zoudt raken

om zo het gebedje wat langer te maken?

Vindt Gij fijn dat wij vóór het slapen gaan

onze handen vouwen als Gij hebt gedaan?

Vóór ik het begreep heb ik vaak gedacht,

dat zo'n spelend gebed U geen vreugde bracht...

Heeft uw Moeder U kussend goë nacht gezegd

en uw kleren recht op de stoel gelegd?

Zijt Gij ook, gewassen, gekust, gebeden,

zo hartelijk tussen de lakens gegleden?

Gij kunt toch nog niet vergeten zijn

hoe een kind zich voelt, bedeesd en klein.

Gij begrijpt dus ook: nooit bid ik goed

met zo plechtige taal als mijn vader doet.

Hebt Gijzelf ooit kunnen bidden als Kind

met woorden als slechts uw Vader vindt?

Ach, Jezuskind, daal neer en neem aan

een kind dat bidt als Gijzelf hebt gedaan.

Reik mij uw hand en leid mij voort

al luisterend naar mijn kinderwoord,

geef mijn kindergebed aan uw Vader door

(Hij vindt U zo lief, schenkt U graag gehoor)

en zeg: 'Vader, neem aan wat uw Zoon U geeft,

een gebed als Hijzelf eens gebeden heeft.'

 

Dan lacht Hij, omdat Hij het woord van zijn Kind,

sinds Gij jong waart als ik, niet veranderd vindt.  

Francis Thompson


MYSTERIUM SACRUM  

Land van Galilea, land van ruisend graan

en bergen waar de wijnstok eeuwig bloeit,

gij hebt de Heer gezien, gewond, vermoeid,

en zag het volk verlangend tot Hem gaan.

 

Zijn ogen waart gij rust en welbehagen,

in zijn parabels leerde gij ons te beminnen,

en zowel in uw schoot dwingt tot bezinnen

dat wij uw beeld als van een altaar dragen.

 

Uit zacht gewelfde akkers, korengoud,

en uit de ranken die het sap vergaarden

van de gewijde grond, waarop mijn voeten staan,

 

richten zich op - o goddelijk vlammend woud

van gouden stammen en doorgeurde aarde -

zijn Bloed, de wijnstok, en zijn Lichaam, graan.  

Luis Felipe Contarde


PASSIE-LIED  

't Wordt zomer nu, de winter is voorbij,

de dagen worden lang;

van alle vogels blij

klinkt weer gezang,

maar bang

is mijn hart en blind

voor alle vreugd, die ik vind

op het land:

'k lijd om een Kind

hoezeer bemint

ons zijn hand.

 

Dit Kind, zo goed, van rijke stam

en kostelijke geest,

dat lang mij zoeken kwam

in wild foreest,-

't heeft mij gevonden,

aan een tak gebonden,

een appel rood:

Het maakt mij

uit mijn boeien vrij

door zijn dood.

 

Dit Kind, zo hoog en licht,

om mijnentwil zijn rijkdom liet;

Het werd voor mij ten val gericht.

Zijn beulen kenden 't niet

en zeiden: ''t Laat ons koud,

spijker Hem aan het hout

buiten de stad;

maar eerst werpen wij

om zijn kleren vrij

het lot.'

 

Jezus heet dit wondere Kind,

Koning van alle landen,

om Hem speelden zij verblind,

sloegen Hem met hun handen;

weerloos aan het hout,

wondden zijn Hem menigvoud;

toen de pijn

zijn gezicht vertrok,

gaven zij Hem een slok

bittere azijn.

 

Had Hij niet aan dit droeven hout

ons aller leven gered,

er zou ons geen enkel behoud

gebleven zijn; geen wet

sprak ons nog vrij,

ter helle voeren wij

in duister wreed

en eeuwig leed;

ons hielp geen legermacht,

geen fort, geen vestinggracht,

geen oorlogskreet.

 

Maagd en Moeder,- zo stond

Maria, vol genaden erbij;

haar tranen weekten de harde grond,

tranen van bloed weende zij.

Zijn bloed droop langs het hout,

zijn vlees werd koud

en zonder kracht.

Hij werd geslagen

als een dier na dagen

van felle jacht.

 

Zo hing zijn dierbaar lichaam dood

aan de hoge stam,

omdat Hij al onze zonden groot

op Zich nam.

Hij daalde fier ter helle af

en brak de ketens zwaar;

Hij droeg ons aller straf,

bezweerde het gevaar

met zijn koningsstaf

en zij ogen klaar.

 

Ten derden dage rees Hij weer

en besteeg zijn troon;

de oordeelsdag ziet zijn wederkeer,

dan geeft Hij ieder zijn loon.

Wie ooit zonder Hem sterven zou

draagt leed en rouw,

het is gewis.

Wil, Jezus, ons leven

de glorie geven

van uw verrijzenis!  

Engels, dertiende eeuw


DE KRUISBOOM  

Heilige kruis, van alle bomen

zijt gij de heerlijkste in 't woud;

ik ken geen kostelijker aromen

dan spelen om uw geurend hout.

Als bloemenkelken, vlam na vlam,

zijn uw drie nagelen gedreven,

en zoet is 't hout van uwe stam,

doch zoeter is de vrucht, het Lam,

aan u verheerlijkt opgeheven.  

Engels, veertiende eeuw


DE LIEFDE AAN HET KRUIS  

Liefde heeft Mij gebracht,

Liefde gaf Mij de kracht,

o mens, uw ridder te zijn.

Liefde heeft Mij gesterkt,

liefde heeft in Mij gewerkt

en in liefde lijd Ik hier pijn.

 

In liefde liet Ik Mij jagen,

om liefde werd Ik geslagen,

de liefde kruisigde Mij.

Liefde is al mijn wens,

want alleen in liefde, o mens,

koop ik voor God u vrij.

 

O mens, zie mijn lijden nu,

altijd door zocht Ik u,

altijd door, dag en nacht.

'k Vond u thans,- alle pijn

zal nu vergeten zijn:

Liefde heeft het volbracht.  

John Grimstone (gest. 1372)


MATER DOLOROSA  

Heb je geen medelij met mijn Kind?

Of met mij, van rouw geslagen?

Neem af van het hout mijn lieve Kind

of laat Het ons samen dragen.

 

Meer pijn dan ik lijd zal er nimmer zijn,

niets blijft mij dan rouw en verdriet.

In zijn liefde blijven wij samenzijn,

ik wil sterven als Hij, anders niet.  

John Grimstone (1372)


TOEN GOD DE HEER IN DE STILLE HOF  

Toen God de Heer in de stille hof

zijn lijden begon, geknield in het stof,

toen treurde alles wat daar was,

de vogels, het kruid en het groene gras.

 

Maria hoorde een hamer slaan....

'O wee, mijn Kind! Wat vang Je aan?

O wee, o wee, mijn zoon, mijn …,

ik voel dat Je mij verlaten zal!'

 

Maria kwam onder het kruis gegaan,

daar hing haar Kind, haar liefste aan,

naakt aan het kruis,- hoe vals, hoe wreed!

Nooit kende een moeder feller leed.

 

'Johannes, liefste vriend van Mij,

zorg voor mijn moeder, sta haar bij.

Ga weg met haar, opdat zij niet

mijn bittere marteling hier ziet!'

 

'Ach Heer, graag doe ik wat Gij vraagt,

ik zal haar geven wat haar behaagt,

ik zal haar troosten stil en zoet

zoals een kind het zijn moeder doet.'

 

'Bomen en bloemen, buigt wenend neer,

mijn Kind heeft rust noch vrede meer.

Bladeren en vruchten, buigt neer in smart,

laat dit lijden gesneden zijn in uw hart!'

 

De hoge bomen bogen zwaar,

de rotsen spleten van elkaar,

de zon verloor haar fonkeling,

de vogels hielden hun zingen in.

 

De wolken weenden ach en wee,

de steile bergwand spleet in twee,

men zag de graven open gaan

en de doden zijn koninklijk opgestaan.  

Duits volkslied, zestiende eeuw


HET LOON VAN DE TUINMAN  

Tuinman, zeg, wat zal hier groeien?

Welke zaden strooit gij neer?

'Wees geduldig, kind, keer weer

als voor jou hier rozen bloeien.

Dan heeft God voor Mij gereed

scherpe doornen, fel en wreed.'

 

Tuinman, heerlijk kunt gij sproeien!

Deze tuin zal komend jaar

dicht van bloemen staan te bloeien.

'Ja' kind, vlecht dan in je haar

bloemenkransen licht en blij,-

andere kransen zijn voor mij...'

 

Tuinman, Heer, wie zal ons kronen,

wie ons tooien, hoog en vrij?

Wie uw werk met kransen lonen?

Zijn er bloemen ook voor mij?

' Kind, de bloemen zijn voor jou,-

Mij de doornen scherp en rauw....'  

Spaans lied, zestiende eeuw


SINDS HIJ STIERF  

Sinds Hij stierf, de Heer des levens,

Hij, mijn Zoon,

is de dood mijn enig streven

en mijn loon.

 

Moeder werd ik als nog gene,

zonder pijn en zonder smart,

smart die dubbel mij doet wenen

nu zij dubbel snijdt mijn hart.

Dubbel leed wordt mij gegeven.

Ach, waar bleef

mijn geluk nu Hij , mijn leven

niet meer leeft?

 

Alle dood is overwonnen,

dat deed Hij, mijn Zoon, alleen.

Sterft nu voor zijn bittere wonden

van de mensen er niet ‚‚n?

Ach, ik wil mijn lichaam geven,

want om niet

rek ik hier mijn lege leven

in verdriet.

 

Vogels in de bloesemhagen,

dieren vrij in bos en veld,

zegt mij, wilt gij met mij klagen

om de doodsnood die mij kwelt?

Want die mij zijn troost kon geven,

Hij alleen,

Hij, de Heer van dood en leven,

ging nu heen.

 

Later zal Hij weder komen,

ja, Hij heeft het mij gezegd!

Zoete troost om van te dromen,-

doch nu is Hij weggelegd.

Ja, kom terug, o Heer des levens,

'k kan niet meer....

Gij zult mij mijn kracht hergeven,

keert Gij weer.

 

Ja, Gij zult mijn jeugd verblijden,

alles maakt Gij nieuw en goed!

Weggevaagd is alle lijden,

doornen, ketens, kruis en bloed.

Ja, Hij stierf, de Heer des levens,

doch zijn dood

heeft ons leven hoog geheven,

maakt ons groot!  

Spaans, zestiende eeuw


IN STILLE NACHT  

In stille nacht

ving wonderzacht

een stemme aan te klagen.

'k Stond stil en hief

mijn hoofd,- wat riep

zij daar sidderend vlagen?

 

Het was de Heer,

stil lag Hij neer,

zijn hoofd diep in zijn armen.

Het was zo wit

als sterrenlicht,-

een steen zou zich erbarmen.

 

'Ach, Vader mijn,

ach, Vader mijn,

moet Ik die beker drinken?

Kan 't anders niet,

uw wil geschied',

doch laat mijn kracht niet zinken!

 

Laat God vannacht

u troosten zacht,

Maria, Moeder pure....

Is géén hierbij

die waakt met Mij

in deze bange ure?

 

De zilveren maan

wil ondergaan,-

van angst is zij verdwenen.

De sterren zijn

nu bleek van pijn,

zij willen met Mij wenen.'  

Friedrich von Spee (1591-1635)


EEN SCHEMERAVOND IN APRIL  

Een schemeravond in April,

de lucht was zacht en blij,

kwam een grote kudde schapen

mij onderweg voorbij.

 

Er waren ook kleinere lammeren

bij de stoet die langs mij kwam,

in April, op een schemeravond,

en ik dacht aan het goddelijk Lam.

 

Moe waren de lammeren, zij blaatten

luid door de schemering.

Stil dacht ik aan het goddelijk Lam

dat zwijgend sterven ging.

 

Hoog in de blauwe bergen

zijn de weiden mals en zoet,

daar vinden de klagende lammeren

geluk in overvloed.

 

Maar ach, Gods eigen liefste Lam

bracht de bergtop geen gewin:

niets vond het daar dan een bittere kruis

tussen twee moordenaars in.

 

't Was April, een schemeravond,

dat die kudde langs mij kwam.

Ik zag de schapen, groot en klein,

en ik dacht aan het goddelijk Lam.  

Katherine Tynan Hinkson (1861-1931)


HYMNE OP PAASMORGEN  

De haan, de bode van de dag,

verkondigt ons 't ontwakend licht,

doch Christus roept tot nieuwe plicht

de geest, die lang te slapen lag.

 

Ontwaakt, gij zieken, traag van geest,

weest fier en eerlijk, sterk en rein,

staat op, weest nuchter allermeest,

en waakt: dra zal Ik met u zijn.

 

Dus roepen wij de Christus aan

het oog betraand, de ziel benard:

wil ons gebed, o God, verstaan,

verdrijf de slaap uit 's werelds hart.

 

Verjaag de nacht, die ons omhult,

de duisternis omsluit ons dicht:

bevrijd ons van de zonden schuld

en schenk ons uw vernieuwend licht!  

Aurelius Prudentius Clemens (348-405)


HYMNE OP DE MORGEN VAN DE EERSTE PAASDAG  

De rode glans van 't ochtendlicht

doorstraalt het hemels vergezicht,

de wereld juicht vol blijde kracht,

de hel slaakt zuchtend klacht na klacht,

 

want Christus, onze sterke held,

heeft fier de macht des doods geveld;

de ziel, die zonde's boeien droeg,

werd vrij nu Hij de hel versloeg.

 

De Heer, wiens graf verzegeld werd,

heeft ook geen wacht de weg versperd;

als overwinnaar, stralend groot,

verrijst Hij edel van de dood.

 

Nu wijken klachten, eens zo fel,

nu vlucht de angst voor straf en hel;

een lichtende engel kondigt aan:

'De Heer is waarlijk opgestaan!'  

Aurora lucis rutilat


DE DRIE JONKVROUWEN  

Drie jonkvrouwen zijn er vroeg opgestaan

om vroom naar het heilige graf te gaan;

zij hielden haar kostelijke balsem gereed

als ook eertijds Maria van Magdala deed.

 

De jonkvrouwen gingen bedrukt naar het graf:

'Wie wentelt ons toch de steen er af?

Wij willen het lichaam van onze Heer

zorgvuldig zalven ter zijner eer.'

 

Toen zij bij het graf waren aangekomen

met de balsem, die zij hadden meegenomen,

ontdekten zij angstig de open poort;

twee stralende engelen stonden ervoor.

 

'Gij jonkvrouwen, blijft er niet roerloos staan,

snel moet gij naar Galilea gaan;

gaat snel Galilea berichten, jonkvrouwen,

dan doe ik u uw Heer Jezus aanschouwen.'

 

Doch Maria van Magdala liet niet af,

zij zocht naar haar Meester nog in het graf

waar gelegen hadden zijn leden zoet;

maar toen kwam Heer Jezus haar zelf tegemoet.

 

Hij kwam getreden al over het gras

in een mantel alsof Hij een tuinman was,

Hij droeg een spade vast in zijn hand

alsof hij ging arbeiden op het land.

 

'Ach tuinman, ik bid u, dat gij het mij zegt:

waar hebt gij mijn Meester toch neergelegd?

Hebt gij hem gezien? Ach, wil toch spreken,

angst en verdriet doet mijn hart haast breken.'

 

Doch toen Hij haar met zijn woord begroette,

herkende zij Hem en viel aan zijn voeten;

zij knielde neer op de harde steen,

want zij vond haar Meester, zij alleen.

 

'Maria van Magdala, raak Mij niet aan,

het is nog te vroeg, gij moet verder gaan.

Ga heen en raak Mij niet aan met uw hand

vóórdat Ik zal zijn in mijns Vaders land.'  

Duits, veertiende eeuw


FILIUS REGIS NON MORTUUS EST  

Ik ging bedroefd de stadsmuur langs

en liep de heuvel op:

ik zag - hoe kwelde mij de angst -

daar op de kale top

het kruis, waaraan zijn lichaam hing.

Ik zag het bevend aan:

de lijdensweg, die Jezus ging,

is Hij voor mij gegaan.

Drie droeve dagen stond ik daar,

Hij was al afgenomen,

toen werd 'k een kleine stoet gewaar:

ik zag drie vrouwen komen.

Zij liepen haastig langs mij heen,

haar kruiken aan haar borst geprest,

geen groet, een fluisteren alleen:

Filius Regis mortuus est.

 

Bedrukt en zwijgend volgde ik haar

naar 't graf, waar Jezus lag:

een engel, licht en goddelijk klaar,

kwam van de grafsteen af.

De vrouwen schrokken en zeiden hem:

'Hier legden wij Hem toch neer.'

Toen zei de engel met gouden stem:

'Dien gij zoekt, is hier niet meer.

Hij rees uit de dood, zoals Hij zeide,

licht als een vogel uit zijn nest.

Gaat, zegt het voort en wilt u verblijden,

want: Resurrexit! Non mortuus est!'

 

Snel ging ik heen om blij van zin

de wondere tijding voort te dragen,

doch bij een tempel, waarlangs ik ging,

vernam ik een bitter klagen.

Ik zocht en zag een arme vrouw,

gans in haar leed verdoken;

zij keek mij aan vol diepe rouw

nog vóór ik had gesproken.

'Ach,' weende zij, 'wie zag ooit als ik

haar eigen Kind gekwetst?'

Ik zei haar het zelfde ogenblik:

'Filius Regis non mortuus est!'

 

Sint Thomas zegt, en anderen met hem,

dat Hij eerst verscheen Onze Lieve Vrouw;

geen was Hem nader sinds Bethlehem

en geen droeg dieper rouw.

Hij was in lichtglans opgestaan,

en morgen, diep en klaar,

Hij kwam eerbiedig op haar aan

en groette en zeide