|
|
HERINNERING. Moeder, weet je
nog hoe vroeger Toen ik klein
was, wij tezaam Iedren nacht
een liedje, moeder, Zongen voor het
raam? Moe gespeeld en
moe gesprongen, Zat ik op uw
schoot, en dacht, In mijn
nacht-goed kleine jongen, Aan 't geheim
der nacht. Want als wij
dan gingen zingen 't Oude,
altijd-eendre lied, Hoe God alle,
alle dingen, Die wij doen
beziet, Hoe zijn
eeuw'ge, grote wond'ren Steeds
beschermend om ons zijn, - Nimmer zong
je, moeder, zonder 'n Beven dat
refrein - Dan zag ik de
sterren fonk'ren en de maan door
wolken gaan' d'Ouden nacht
met wijze, donk're oogen voor me
staan. Waarom waren
het herders Die hun kudde
en veld Verlieten toen
de boodschap In Bethlehem
werd verteld? Omdat er een
lam Er een Herder
kwam. Waarom waren
het visschers die van schip
en net Werden
weggeroepen Bij het meer
van Genesareth? Omdat Hij een
Visch En een Visscher
is. Weet jij waarom
de krijgsknecht Bloem en blad
afrukt En een barre
krans van steelen Op 't droevig
voorhoofd drukt? O Roos zonder
doorn Uit doornen
geboren! Ach, dat Hem de
vijand Kende met een
kus, En dat Hij zijn
vrienden Vreemd bleef
tot Emmaus? Ach, waren dat
wij niet? Ach, ik niet?
ach, jij niet? Ik droeg nog
kleine kleren, en ik lag Lang-uit met
moeder in de warme hei, De wolken
schoven boven ons voorbij En moeder vroeg
wat 'k in de wolken zag. En ik riep:
Scandinavië, en: eenden, Daar gaat een
dame, schapen met een herder - De wond'ren
werden woord en dreven verder, Maar 'k zag dat
moeder met een glimlach weende. Toen kwam de
tijd dat 'k niet meer naar boven keek, Ofschoon de
hemel vol van wolken hing, Ik greep naar
de vlucht van 't vreemde ding Dat met zijn
schaduw langs mijn leven streek. - Nu ligt mijn
jongen naast mij in de heide En wijst me wat
hij in de wolken ziet, Nu schrei ik
zelf, en zie in het verschiet De verre wolken
waarom moeder schreide - Ik zou een dag
uit visschen ik voelde mij
moedeloos. Ik maakte
tusschen de lisschen met de hand een
wak in de kroos. Er steeg licht
op van beneden uit den zwarte
spiegel grond. Ik zag een tuin
onbetreden en een kind dat
daar stond. Het stond aan
zijn schrijftafel te schrijven op
een lei. Het woord onder
de griffel herkende ik,
was van mij. Maar toen heeft
het geschreven, zonder haast en
zonder schroom, al wat ik van
mijn leven nog ooit te
schrijven droom. En telkens als
ik even klikte dat ik
het wist, liet hij het
water beven en het werd
uitgewist. De plaats waar
mijn bestaan begon. Is 't mooglijk
dat ik die weer vond? Zoo vaste
grond, zoo milde zon Alsof hiervoor
nooit iets bestond, Alsof hierna
niets komen kon. Ik ging de
kleine wegen rond. 't Bleef alles
even frisch en klaar Na 't afscheid,
na zoo menig jaar, Te wreed, te
zoet om waar te zijn - Vergeefsche
droom, verdwijn, verdwijn, 't Ligt alles
even frisch weer daar - Een schijn,
waarop ik staar en staar. De
menschen:
ook dezelfde nog. Door
'tzelfde
noodlot voortgezweept, Op
'tzelfde
leven ingescheept En meegesleept
door 'tzelfde zog. Ik vraag mij:
ben ik nu ontwaakt? Ik heb de
stammen aangeraakt. Maar alles
'tzelfde: zinsbedrog. De bank die ik
mij telkens koos. Gedoken rust ik
hier een poos, Een kranke
ziel, die half genas. De menschen
spoken dicht langs 't glas, De deuren
dreunen echoloos: 'tBleef alles,
alles wat het was. Hoe vaster de
drift wordt geboeid, Hoe boozer zijn
lagen; Hoe langer het
noodweer broeit, Hoe
verwoestender slagen. Zie, hoe het
water gaat Omlaag onder de
rots! Zoo stroomt
over uw gelaat Alle gratie
Gods. Het kruis wordt
naar buiten gedragen, Het kruis wordt
naar buiten gedragen, Het kruis met
rouw bekleed; Aan het kruis
wordt ieder geslagen Die zichzelf
door liefde vergeet. Wel rijk moet
een arme heten Die 't brood
verdient als een Christen, En meer als arm
is een rijke Die niets
vermag dan verkwisten. Waar de pijn
zich in stilte smoort Zijn de
zwaarste wonden, Waar men de
rivier niet hoort Zijn de diepste
gronden. De tijden zijn
zwart. wij zijn eeuwen
en eeuwen te laat geboren. in een mantel
gehuld, door een engel op
weerlichten doortocht verloren en door het
onuitroeibaar heimwee vervult den Koning te
zien voor Wien ik had willen strijden, schrijd ik naar
den Dood en die een
krijgsman had willen zijn in de
hartstochtelijkste aller tijden, moet nu in late
verwilderde woorden gewagen van eeuwen, die
versomberden tot verhalen - duister en
vurig - van Kruistochten en Kathedralen. H. MARSMAN Tusschen het
venster en den donkren wand een eenzaam
man, een kruisbeeld in de hand. zijn hart wordt
stil en bovenwereldsch wit: het hoort hoe
hij in duizend angsten bidt. En het ivoren
Lichaam van de Man tusschen twee
zwarte kruisen wordt een vlam, die het
beslagen duister diep doorlicht: een weergaloos,
doorschijnend vergezicht: over een woest,
ontembaar bergland, groot en weerbarstig,
het donker randgebergte van den Dood Klimt langs een
wankel gemzenpad een man naar
het verborgen ontoegankelijk hart der
hemelgletschers, steil, vermetel, smal. en stijgend,
roekeloos aan zichzelf ontstegen, vindt hij, verscholen
tusschen puin en ijs, de schemerenden
bloei der edelweisz en alpenrozen,
de stille bloemen van het Paradijs. De avond daalt; er valt een
vage schemer. ik zoek de
vrede dien de dag mij nam; en
onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden naar 't stille
kerkhof waar ik na uw sterven berooid en
eenzaam iedren avond kwam. waarom? ik weet
te goed dat ik u niet kan wekken en dat gij daar
zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt; dat ik aan deze
steen niets kan onttrekken van uwen staat
van ongenaakbaarheid dooden zijn ver
en koud en dichters eenzaam, maar zij
beluisteren elkanders lied; ik zing en gij en ik
worden opnieuw gemeenzaam; zegen - en
vloek der verhoovaardiging. schuw dus dit
lied, vergeef het, blijf mij wachten; bid voor mij al
de dagen uwer eeuwigheid, opdat mijn boot
bij 't zwichten mijner krachten niet nog in 't
zicht der kust te pletter splijt. De nachten
waaien. Een vreemde regen verschrikt mijn
gedachten. Een vreemde regen raast in den
tijd. Ik denk aan U - Lichten spoken
- Ik hunker naar U die zoo ver weg
zijt... Ik zoek de sterren: de nacht staat
gesloten. En van verre komen de
winden, machtig en zwart, en breken de
rozen, die nog leven - Ik denk aan U
en de regens beven wild en
stormachtig aan mijn hart. De regens maken
de wankele huizen tot blinde
vreezen, verstild in steen. De nachten
waaien, de winden ruischen. Ik denk aan U,
en ik lig alleen... Ik lig alleen
met een verzwegen roep om U in de
duisternis. Altijd de wind.
Altijd de regen. Altijd de nacht
en mijn hunkering. THEUN DE VRIES Goudig en
somber zwijgen heerscht in de verre dampen. Over den
donkeren akker schrijdt langzaam een donker man en zaait. De
hoeven der zware paarden stampen door de
walmende voren. De stilte huivert ervan. Geel en grauw
in het rond ontbranden aarzlende lampen. Weeklagend om
het verloren jaar zwerven winden moe. Zij strooien
het laatste zomersche purper tusschen de kekhofkruisen, sidderen en
vergeten een oogwenk verder te ruischen... Eensklaps raast
een snelle vlucht vogels voorbij. Dan sluit de dag zich toe. Soms keer ik
terug en ga als een droom langs de slingerpaden der kerk; de mannen en
vrouwen van mijn geslacht rusten onder hun grauwe zerk. De zwarte
ernstige velden dragen den eersten oogst. Een reuk van
rauwe vruchten waait. Het voorjaar is op zijn hoogst. Het gras geurt
krachtig en pasgemaaid als toen hier het leven begon; en achter de
breede hoeven staat nog een groote verblindende zon. Maar o God - de
steden, de nachten, en alles wat sinds is geschied: Ik ben een
ander geworden; de eenvoudigen groeten mij niet. Ik ga de korte
grijze straat van 't verleden op en neer. Maar levenden
en dooden erkennen mij niet meer. WENN NUR EIN
TRAUM DAS LEBEN IST... VOOR DEN
NOORMAN Het werd mijn
droom in 's werelds kring volkomen
zorgeloos een schelp te
zijn, een suizend vuur, een rank, een
wilde roos, onkundig van
geluk en leed, van plan en
overleg, het stuifmeel
dat de wind verwoei, lichtzinnig
langs de weg, een vlinder op
een lelieblad de vleugels
bijna dicht en trillende
een oogwenk eer zij opgaan in
de lucht, een dauwdrop en
een sneeuwkristal, een smettelooze
wolk, een zonnestraal
zoo flitsend als een wit
geslepen dolk, een vogel en
een varen en een held're
beek in 't woud, in het
rivierbed een nog on- gewonnen korrel
goud, de wierook en
de myrrhe, en het ruischend
requiem, doch
schuldeloos en onbevreesd, de
lout're,
pure stem - Alleen een
mensch droomt zoo vergeefs, ontwaakt zoo
moedeloos, een vreemdeling
voor schelp en vuur en rank en
wilde roos. ANTHONIE DONKER
Het was een
koude, glinsterende nacht. Wolken en
duisternis, sneeuw en sterren waren er, en
wij hoorden verre klokken. Haar
einde werd verwacht. Het venster was
in de nacht een smal, veeg licht. Zij was kleiner
geworden, lieflijker dan ooit, het blonde haar
langs het voorhoofd geplooid, en een glimlach
over haar wit gezicht. Zij was zoo ver
van ons als sneeuw en sterren. Voorbij het
smalle, verlichte raam staarden wij in
het grondelooze verre. Hier was haar
lichaam, klein en zonder naam. Zijn stille
stem verscheen tusschen het
scheem'rend hout, en alle dieren
hoorden hem, diep in het
woud. Het had een
held're klank als oud en
vroom latijn. Toen wilden zij
van heinde en verre bij hem zijn. Er gloorde door
de stammen een blauwe
morgengloed. Merels en
wielewalen streken er aan zijn
voet. Schuw gluurde
tussen blaren, terwijl
Franciscus bad, een kleine
hinde trillende als een
espenblad. Het rijzig
edelhert met hooggetakt
gewei, in lange, ranke
sprongen gleed het naderbij. Een pauw
ontplooide pralend zijn
fonkelenden pronk, een
gouddoorgloeiden waaier die weer statig
zonk. Uit bruine
blaren hief de slang zijn
gladde kop, met spitse,
kronkelende tong geruischloos
op. En and'ren
vossen waren er, de haas, de
wilde ezel, een aap met
witte bakkebaard, eekhoorn en
wezel. En om dit
helder zingen had elk van
hen, zijn aard en eigenzin
vergetend, zich erbij
geschaard. Zoo teeder zong
Franciscus hun van het
dierenlot, zij stonden
onbeweeg'lijk in het witte licht
van God. In den
striemenden regen, langs zwarte akkers is hij den
langen dag gegaan van het ene
dorp naar het andere dorp, er komt geen
einde aan. Zijn zolen
zuigen de natten weg, de regen dringt
door zijn huid. Schuilende
onder een druipende heg at hij gulzig
een scheepsbeschuit. Met den harden,
verfloozen bak op zijn rug is hij dan weer
verder gegaan de hutten langs
en de heiden door, er komt geen
einde aan dit gaan door
den wind en den mist en den regen, bij duister,
bij helle zon, grauw en
verwaarloosd langs alle wegen. Maar vóór
zijn reis begon, waren eens zijn
lippen verliefd en week en zijn voeten
snel en licht? En waren zijn
ogen als andere ogen fel op geluk
gericht? Met den harden,
houten bak op den rug zal hij verder
gaan. Er komt geen
liefde, geen jeugd terug. Van het ene
dorp naar het andere dorp blijven zijn
voeten gaan, tot een
lentenacht, of een winternacht, zijn last wordt
afgedaan en hij haveloos
over den horizon den hemel in
zal gaan. Het doel en de
roes van het leven en de wedren
van den tijd zijn mij
langzamerhand om het even. Het haastig
horloge ten spijt zijn wij hier
achtergebleven, gelukkig en
eigengereid. Van wat ik
wellicht moest weten is mij
velerhand ontgaan. Doch mooi en om
nooit te vergeten is de zon door
de berkenlaan, en het beekje,
een smalle Lethe, waarlangs onze
voeten gaan. Het is of ons
niets ontbrak. In den avond
het lief bekoren van je hand die
het licht ontstak. De hond richt
soms even de oren om een vogel
onder het dak of de wind in
de dennen te horen. Voor de
zoveelste maal heb ik Botticelli over het land zien gaan die bloemen
zaait. En weer
strekken de bomen hun geweldig bottende takken, levensdrift die
de Japanezen begrepen. De avond
weerhoudt te vallen, de mensen haasten zich in dit jong getij, arme
schelpvissers met de wilde hoop: tans zal de
vloed hun rijkdom zijn. De huizevlakten
en toonprojekties, die zijn de afstand tussen hen en mij, verdringen mij
naar 't diepst van mijn geweten. Doch niet meer
een roes is tans de Lente die van mij gaat, niet meer het
zwak geloof: dit is zich geven. Mocht het
mij tans worden het bruidsgetij der wijze maagden; God in mij moet
ik wekken, - Jezus en Lazarus tevens, - moesten ook
mijn nagels in mijn vlees de vreselijkste beproeving enten: de snik, het
"alles is volbracht" en de drie-dagen-dood. Nog niet heb ik
het leed, het grote godsgeschenk begrepen. Nog sta ik
dwaas vóór al de wonderen en ben nog steeds mijn eigen demoed zoekend. die mij de
sleutel geven moet. Thans zal ik
enkel daarvoor zorgen: olie te hebben
ten allen tijde, want wanneer de bruidegom komt weet geen. Een ieder heeft
gereed te zijn, want plots
kunnen de lichten de schaduwen van de bomen doen zinken, dan is de
bruidegom dichtbij. Hij die de
bruidegom van het Leven voor de poort laat staan, zal blijven
onbevrucht een ganse leven. Doch hij, - o
mocht ik reeds ver een Hosannah horen!- die olie had,
de bruidegom zal in hem de lichten omzetten en hij zal zijn hooglied mogen zingen,
de klare stem van God. Dit lied dat
staan zal in de werkelijkheid der dingen als een
gebeurtenis van een ruimere Lente, na de hopeloze wentelingen van een lange
jarenreeks. Knielen zal ik tussen Uw
simpele luiden. Het tempo van
hun hart in de rustige
regelmaat van koperen
slingers, in antieke
klokkasten van eikenhout. Ik zal het
jagen stilleggen van mijn hart, met kalme
riemslag roeien naar Uw
meren van licht. Daar is geen
rimpel in het
meervlak, lijk daar geen
rimpel groeft door Uw effen
gelaat. Knielen zal ik tussen Uw
simpele luiden. Zij dragen
ruige baard en spuwen op de
vloer van Uw heiligdom; maar in hun
ogen is de eenvoud der
kleinen, terwijl zij
luisteren naar Uw woord. Ik zal de
wortel der ijdelheid rukken uit mijn
oogappel, de hoge pracht
der begeerlijkheid wassen van mijn
netvlies: dat mijn ogen
worden gewijd voor het
aanschouwen van wintermisŠre en de
bespotting van dompelaars
langs de straatweg. WIES MOENS Laat mij mijn
ziel dragen in het gedrang! Tussen geringen
staan en hun ogen richten naarboven, waar
blinken Uw eeuwige sterren. Ik wil een
snoeier zijn in de wijngaard, een werkman bij
de druivenpersen. Laat mij mijn
ziel dragen in het gedrang! Mijn woord in
de mond van stamelaars, mijn hand voor
die liggen langs het pad. En voor het
raam van mijn woning een vlam in de
nacht richt zijn
schreden naar het Huis
van Toevlucht. Ik zal het
wasbekken klaar zetten, brood en wijn
op tafel - en het Boek
geopend aan de parabel
van de Goede Herder. Godsliefde is
als een fruitboom in deze aard
geplant - de sterren
staan te lichten in de kruin - de forse takken
in de wereldrand van het gewicht
der vruchten nijgen diep en zwaar. Eens in Italië
viel een gouden vrucht een sjofele
minnezanger in de schoot. Een jaculator
werd hij voor de Heer op markt op plein: de wereld
gooide hij naar de hemel toe en ving haar,
druipende van dauw en licht, weer in zijn
handen op en duwde haar
in het ruim! Zijn woorden
stonden overal als vlaggen uit, en met
gestrekte boeg schoot de aarde rakelings Gods
bloemend hart voorbij! Ofwel het was
een boeremeisje in Duitsland in
een dorp: zij plok de
vrucht en ziet: seizoenen uit
Gods leven wandelden uit haar, het oud verhaal
uit Golgotha, en van de
straten van Jeruzalem die dronken
bloed en zweet van Hem die
bracht het leven en het leven heeft. En overal, waar uit de
boom een vrucht viel in de mens sprong op een
helle vreugd gelijk een hemellicht of gingen
wonden open in het kranke vlees: en telkens
spoelden stromen licht of bloed en
tranen de oude wereld rein. Daar leefden
vrouwen op een grauwe brits die lagen lijk
melaatsen aan de zoom der stad maar uit wier
keel gezang als uit een woud van nachtegalen brak. En mannen die
zich rolden in de sneeuw op hoge bergen
in de gure wind. Landlopers vuil
en vaal, die geurden op
hun sterfbed lijk een lelieveld. Soldaten en
matrozen, kinderen ook,
in wie de vrucht haar wondersappen goot. Dan de
miljoenen van wie niemand weet: de droeven, in
een duister minneleed gedompeld,
zonder zucht noch klacht, de vrolijken
die dansen in het klare gras onder de boom
van God die strooit
zijn vruchten in het
Morenland en langs de Ganges |