religieus6
Start Omhoog

                 



HERINNERING.  

Moeder, weet je nog hoe vroeger

Toen ik klein was, wij tezaam

Iedren nacht een liedje, moeder,

Zongen voor het raam?

 

Moe gespeeld en moe gesprongen,

Zat ik op uw schoot, en dacht,

In mijn nacht-goed kleine jongen,

Aan 't geheim der nacht.

 

Want als wij dan gingen zingen

't Oude, altijd-eendre lied,

Hoe God alle, alle dingen,

Die wij doen beziet,

 

Hoe zijn eeuw'ge, grote wond'ren

Steeds beschermend om ons zijn,

- Nimmer zong je, moeder, zonder 'n

Beven dat refrein -

 

Dan zag ik de sterren fonk'ren

en de maan door wolken gaan'

d'Ouden nacht met wijze, donk're

oogen voor me staan.


TWEESPRAAK.  

Waarom waren het herders

Die hun kudde en veld

Verlieten toen de boodschap

In Bethlehem werd verteld?

 

Omdat er een lam

Er een Herder kwam.

 

Waarom waren het visschers

die van schip en net

Werden weggeroepen

Bij het meer van Genesareth?

 

Omdat Hij een Visch

En een Visscher is.

 

Weet jij waarom de krijgsknecht

Bloem en blad afrukt

En een barre krans van steelen

Op 't droevig voorhoofd drukt?

 

O Roos zonder doorn

Uit doornen geboren!

 

Ach, dat Hem de vijand

Kende met een kus,

En dat Hij zijn vrienden

Vreemd bleef tot Emmaus?

 

Ach, waren dat wij niet?

Ach, ik niet? ach, jij niet?


DE WOLKEN.  

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag

Lang-uit met moeder in de warme hei,

De wolken schoven boven ons voorbij

En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.

 

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,

Daar gaat een dame, schapen met een herder -

De wond'ren werden woord en dreven verder,

Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.

 

Toen kwam de tijd dat 'k niet meer naar boven keek,

Ofschoon de hemel vol van wolken hing,

Ik greep naar de vlucht van 't vreemde ding

Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

 

- Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide

En wijst me wat hij in de wolken ziet,

Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet

De verre wolken waarom moeder schreide -


HET KIND EN IK.  

Ik zou een dag uit visschen

ik voelde mij moedeloos.

Ik maakte tusschen de lisschen

met de hand een wak in de kroos.

 

Er steeg licht op van beneden

uit den zwarte spiegel grond.

Ik zag een tuin onbetreden

en een kind dat daar stond.

 

Het stond aan zijn schrijftafel

te schrijven op een lei.

Het woord onder de griffel

herkende ik, was van mij.

 

Maar toen heeft het geschreven,

zonder haast en zonder schroom,

al wat ik van mijn leven

nog ooit te schrijven droom.

 

En telkens als ik even

klikte dat ik het wist,

liet hij het water beven

en het werd uitgewist.


DE GEBOORTEPLAATS.  

De plaats waar mijn bestaan begon.

Is 't mooglijk dat ik die weer vond?

Zoo vaste grond, zoo milde zon

Alsof hiervoor nooit iets bestond,

Alsof hierna niets komen kon.

Ik ging de kleine wegen rond.

 

't Bleef alles even frisch en klaar

Na 't afscheid, na zoo menig jaar,

Te wreed, te zoet om waar te zijn -

Vergeefsche droom, verdwijn, verdwijn,

't Ligt alles even frisch weer daar -

Een schijn, waarop ik staar en staar.

 

De menschen: ook dezelfde nog.

Door 'tzelfde noodlot voortgezweept,

Op 'tzelfde leven ingescheept

En meegesleept door 'tzelfde zog.

Ik vraag mij: ben ik nu ontwaakt?

Ik heb de stammen aangeraakt.

Maar alles 'tzelfde: zinsbedrog.

 

De bank die ik mij telkens koos.

Gedoken rust ik hier een poos,

Een kranke ziel, die half genas.

De menschen spoken dicht langs 't glas,

De deuren dreunen echoloos:

'tBleef alles, alles wat het was.

 

Hoe vaster de drift wordt geboeid,

Hoe boozer zijn lagen;

Hoe langer het noodweer broeit,

Hoe verwoestender slagen.

 

Zie, hoe het water gaat

Omlaag onder de rots!

Zoo stroomt over uw gelaat

Alle gratie Gods.


Het kruis wordt naar buiten gedragen,  

Het kruis wordt naar buiten gedragen,

Het kruis met rouw bekleed;

Aan het kruis wordt ieder geslagen

Die zichzelf door liefde vergeet.

 

Wel rijk moet een arme heten

Die 't brood verdient als een Christen,

En meer als arm is een rijke

Die niets vermag dan verkwisten.

 

Waar de pijn zich in stilte smoort

Zijn de zwaarste wonden,

Waar men de rivier niet hoort

Zijn de diepste gronden.


HEIMWEE.  

De tijden zijn zwart.

wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren.

in een mantel gehuld, door een

engel op weerlichten doortocht verloren

en door het onuitroeibaar heimwee vervult

den Koning te zien voor Wien ik had willen strijden,

schrijd ik naar den Dood

en die een krijgsman had willen zijn

in de hartstochtelijkste aller tijden,

moet nu in late verwilderde woorden gewagen

van eeuwen, die versomberden tot verhalen

- duister en vurig - van Kruistochten

en Kathedralen.  

H. MARSMAN


CRUCIFIX  

Tusschen het venster en den donkren wand

een eenzaam man, een kruisbeeld in de hand.

 

zijn hart wordt stil en bovenwereldsch wit:

het hoort hoe hij in duizend angsten bidt.

 

En het ivoren Lichaam van de Man

tusschen twee zwarte kruisen wordt een vlam,

 

die het beslagen duister diep doorlicht:

een weergaloos, doorschijnend vergezicht:

 

over een woest, ontembaar bergland, groot

en weerbarstig, het donker randgebergte van den Dood

 

Klimt langs een wankel gemzenpad

een man naar het verborgen ontoegankelijk hart

 

der hemelgletschers, steil, vermetel, smal.

en stijgend, roekeloos aan zichzelf ontstegen, vindt

 

hij, verscholen tusschen puin en ijs,

de schemerenden bloei der edelweisz

 

en alpenrozen, de stille bloemen van het Paradijs.


VOOR EEN DOODE.  

De avond daalt;

er valt een vage schemer.

ik zoek de vrede dien de dag mij nam;

en onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden

naar 't stille kerkhof waar ik na uw sterven

berooid en eenzaam iedren avond kwam.

 

waarom? ik weet te goed dat ik u niet kan wekken

en dat gij daar zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt;

dat ik aan deze steen niets kan onttrekken

van uwen staat van ongenaakbaarheid

 

dooden zijn ver en koud en dichters eenzaam,

maar zij beluisteren elkanders lied; ik zing

en gij en ik worden opnieuw gemeenzaam;

zegen - en vloek der verhoovaardiging.

 

schuw dus dit lied, vergeef het, blijf mij wachten;

bid voor mij al de dagen uwer eeuwigheid,

opdat mijn boot bij 't zwichten mijner krachten

niet nog in 't zicht der kust te pletter splijt.


ROEP.  

De nachten waaien. Een vreemde regen

verschrikt mijn gedachten. Een vreemde regen

raast in den tijd. Ik denk aan U -

Lichten spoken - Ik hunker naar U

die zoo ver weg zijt... Ik zoek de sterren:

de nacht staat gesloten. En van verre

komen de winden, machtig en zwart,

en breken de rozen, die nog leven -

Ik denk aan U en de regens beven

wild en stormachtig aan mijn hart.

De regens maken de wankele huizen

tot blinde vreezen, verstild in steen.

De nachten waaien, de winden ruischen.

Ik denk aan U, en ik lig alleen...

Ik lig alleen met een verzwegen

roep om U in de duisternis.

Altijd de wind. Altijd de regen.

Altijd de nacht en mijn hunkering.  

THEUN DE VRIES


 BOEREN  

Goudig en somber zwijgen heerscht in de verre dampen.

Over den donkeren akker schrijdt langzaam een donker man

en zaait. De hoeven der zware paarden stampen

door de walmende voren. De stilte huivert ervan.

Geel en grauw in het rond ontbranden aarzlende lampen.

Weeklagend om het verloren jaar zwerven winden moe.

Zij strooien het laatste zomersche purper tusschen de kekhofkruisen,

sidderen en vergeten een oogwenk verder te ruischen...

Eensklaps raast een snelle vlucht vogels voorbij. Dan sluit de dag zich toe.


HET DORP.  

Soms keer ik terug en ga als een droom langs de slingerpaden der kerk;

de mannen en vrouwen van mijn geslacht rusten onder hun grauwe zerk.

De zwarte ernstige velden dragen den eersten oogst.

Een reuk van rauwe vruchten waait. Het voorjaar is op zijn hoogst.

Het gras geurt krachtig en pasgemaaid als toen hier het leven begon;

en achter de breede hoeven staat nog een groote verblindende zon.

Maar o God - de steden, de nachten, en alles wat sinds is geschied:

Ik ben een ander geworden; de eenvoudigen groeten mij niet.

Ik ga de korte grijze straat van 't verleden op en neer.

Maar levenden en dooden erkennen mij niet meer.  


WENN NUR EIN TRAUM DAS LEBEN IST...  

VOOR DEN NOORMAN

 

Het werd mijn droom in 's werelds kring

volkomen zorgeloos

een schelp te zijn, een suizend vuur,

een rank, een wilde roos,

 

onkundig van geluk en leed,

van plan en overleg,

het stuifmeel dat de wind verwoei,

lichtzinnig langs de weg,

 

een vlinder op een lelieblad

de vleugels bijna dicht

en trillende een oogwenk eer

zij opgaan in de lucht,

 

een dauwdrop en een sneeuwkristal,

een smettelooze wolk,

een zonnestraal zoo flitsend als

een wit geslepen dolk,

 

een vogel en een varen en

een held're beek in 't woud,

in het rivierbed een nog on-

gewonnen korrel goud,

 

de wierook en de myrrhe, en

het ruischend requiem,

doch schuldeloos en onbevreesd,

de lout're, pure stem -

 

Alleen een mensch droomt zoo vergeefs,

ontwaakt zoo moedeloos,

een vreemdeling voor schelp en vuur

en rank en wilde roos.  

ANTHONIE DONKER


HET GESTORVEN MEISJE.  

Het was een koude, glinsterende nacht.

Wolken en duisternis, sneeuw en sterren

waren er, en wij hoorden verre

klokken. Haar einde werd verwacht.

Het venster was in de nacht een smal, veeg licht.

Zij was kleiner geworden, lieflijker dan ooit,

het blonde haar langs het voorhoofd geplooid,

en een glimlach over haar wit gezicht.

Zij was zoo ver van ons als sneeuw en sterren.

Voorbij het smalle, verlichte raam

staarden wij in het grondelooze verre.

Hier was haar lichaam, klein en zonder naam.


FRANCISCUS IN HET WOUD.  

Zijn stille stem verscheen

tusschen het scheem'rend hout,

en alle dieren hoorden hem,

diep in het woud.

 

Het had een held're klank

als oud en vroom latijn.

Toen wilden zij van heinde en verre

bij hem zijn.

 

Er gloorde door de stammen

een blauwe morgengloed.

Merels en wielewalen streken

er aan zijn voet.

 

Schuw gluurde tussen blaren,

terwijl Franciscus bad,

een kleine hinde trillende

als een espenblad.

 

Het rijzig edelhert

met hooggetakt gewei,

in lange, ranke sprongen gleed

het naderbij.

 

Een pauw ontplooide pralend

zijn fonkelenden pronk,

een gouddoorgloeiden waaier die

weer statig zonk.

 

Uit bruine blaren hief

de slang zijn gladde kop,

met spitse, kronkelende tong

geruischloos op.

 

En and'ren vossen waren er,

de haas, de wilde ezel,

een aap met witte bakkebaard,

eekhoorn en wezel.

 

En om dit helder zingen

had elk van hen, zijn aard

en eigenzin vergetend, zich

erbij geschaard.

 

Zoo teeder zong Franciscus

hun van het dierenlot,

zij stonden onbeweeg'lijk in

het witte licht van God.


MARSKRAMER.  

In den striemenden regen, langs zwarte akkers

is hij den langen dag gegaan

van het ene dorp naar het andere dorp,

er komt geen einde aan.

Zijn zolen zuigen de natten weg,

de regen dringt door zijn huid.

Schuilende onder een druipende heg

at hij gulzig een scheepsbeschuit.

Met den harden, verfloozen bak op zijn rug

is hij dan weer verder gegaan

de hutten langs en de heiden door,

er komt geen einde aan

dit gaan door den wind en den mist en den regen,

bij duister, bij helle zon,

grauw en verwaarloosd langs alle wegen.

Maar vóór zijn reis begon,

waren eens zijn lippen verliefd en week

en zijn voeten snel en licht?

En waren zijn ogen als andere ogen

fel op geluk gericht?

Met den harden, houten bak op den rug

zal hij verder gaan.

Er komt geen liefde, geen jeugd terug.

Van het ene dorp naar het andere dorp

blijven zijn voeten gaan,

tot een lentenacht, of een winternacht,

zijn last wordt afgedaan

en hij haveloos over den horizon

den hemel in zal gaan.


LANDHUISJE.  

Het doel en de roes van het leven

en de wedren van den tijd

zijn mij langzamerhand om het even.

Het haastig horloge ten spijt

zijn wij hier achtergebleven,

gelukkig en eigengereid.

 

Van wat ik wellicht moest weten

is mij velerhand ontgaan.

Doch mooi en om nooit te vergeten

is de zon door de berkenlaan,

en het beekje, een smalle Lethe,

waarlangs onze voeten gaan.

 

Het is of ons niets ontbrak.

In den avond het lief bekoren

van je hand die het licht ontstak.

De hond richt soms even de oren

om een vogel onder het dak

of de wind in de dennen te horen.


 HET STILLE LIED.  

Voor de zoveelste maal heb ik Botticelli over het land zien gaan

die bloemen zaait.

En weer strekken de bomen hun geweldig bottende takken,

levensdrift die de Japanezen begrepen.

 

De avond weerhoudt te vallen, de mensen haasten zich in dit jong getij,

arme schelpvissers met de wilde hoop:

tans zal de vloed hun rijkdom zijn.

De huizevlakten en toonprojekties, die zijn de afstand tussen hen en mij,

verdringen mij naar 't diepst van mijn geweten.

 

Doch niet meer een roes is tans de Lente die van mij gaat,

niet meer het zwak geloof: dit is zich geven.

Mocht het  mij tans worden het bruidsgetij der wijze maagden;

God in mij moet ik wekken, - Jezus en Lazarus tevens, -

moesten ook mijn nagels in mijn vlees de vreselijkste beproeving enten:

de snik, het "alles is volbracht" en de drie-dagen-dood.

 

Nog niet heb ik het leed, het grote godsgeschenk begrepen.

Nog sta ik dwaas vóór al de wonderen en ben nog steeds mijn eigen demoed zoekend.

die mij de sleutel geven moet.

Thans zal ik enkel daarvoor zorgen:

olie te hebben ten allen tijde, want wanneer de bruidegom komt weet geen.

Een ieder heeft gereed te zijn,

want plots kunnen de lichten de schaduwen van de bomen doen zinken,

dan is de bruidegom dichtbij.

Hij die de bruidegom van het Leven voor de poort laat staan,

zal blijven onbevrucht een ganse leven.

 

Doch hij, - o mocht ik reeds ver een Hosannah horen!-

die olie had, de bruidegom zal in hem de lichten omzetten en hij zal zijn hooglied

mogen zingen, de klare stem van God.

Dit lied dat staan zal in de werkelijkheid der dingen

als een gebeurtenis van een ruimere Lente, na de hopeloze wentelingen van een

lange jarenreeks.


KNIELEN ZAL IK...  

Knielen zal ik

tussen Uw simpele luiden.

Het tempo van hun hart

in de rustige regelmaat

van koperen slingers,

in antieke klokkasten

van eikenhout.

Ik zal het jagen stilleggen

van mijn hart,

met kalme riemslag

roeien naar Uw meren van licht.

Daar is geen rimpel

in het meervlak,

lijk daar geen rimpel groeft

door Uw effen gelaat.

Knielen zal ik

tussen Uw simpele luiden.

Zij dragen ruige baard

en spuwen op de vloer van Uw heiligdom;

maar in hun ogen is

de eenvoud der kleinen,

terwijl zij luisteren naar Uw woord.

Ik zal de wortel der ijdelheid

rukken uit mijn oogappel,

de hoge pracht der begeerlijkheid

wassen van mijn netvlies:

dat mijn ogen worden gewijd

voor het aanschouwen van wintermisŠre

en de bespotting

van dompelaars langs de straatweg.  

WIES MOENS


LAAT MIJ MIJN ZIEL DRAGEN...  

Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang!

Tussen geringen staan en hun ogen richten

naarboven, waar blinken Uw eeuwige sterren.

Ik wil een snoeier zijn in de wijngaard,

een werkman bij de druivenpersen.

 

Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang!

Mijn woord in de mond van stamelaars,

mijn hand voor die liggen langs het pad.

En voor het raam van mijn woning

een vlam in de nacht

richt zijn schreden

naar het Huis van Toevlucht.

 

Ik zal het wasbekken klaar zetten,

brood en wijn op tafel -

en het Boek geopend

aan de parabel van de Goede Herder.


DE BOOM.  

Godsliefde is als een fruitboom

in deze aard geplant

- de sterren staan te lichten in de kruin -

de forse takken in de wereldrand

van het gewicht der vruchten nijgen diep en zwaar.

 

Eens in Italië viel een gouden vrucht

een sjofele minnezanger in de schoot.

Een jaculator werd hij voor de Heer op markt op plein:

de wereld gooide hij naar de hemel toe

en ving haar, druipende van dauw en licht,

weer in zijn handen op

en duwde haar in het ruim!

Zijn woorden stonden overal als vlaggen uit,

en met gestrekte boeg schoot de aarde

rakelings Gods bloemend hart voorbij!

 

Ofwel het was een boeremeisje

in Duitsland in een dorp:

zij plok de vrucht en ziet:

seizoenen uit Gods leven wandelden uit haar,

het oud verhaal uit Golgotha,

en van de straten van Jeruzalem

die dronken bloed en zweet

van Hem die bracht het leven en het leven heeft.

 

En overal,

waar uit de boom een vrucht viel in de mens

sprong op een helle vreugd gelijk een hemellicht

of gingen wonden open in het kranke vlees:

en telkens spoelden stromen licht

of bloed en tranen de oude wereld rein.

 

Daar leefden vrouwen op een grauwe brits

die lagen lijk melaatsen aan de zoom der stad

maar uit wier keel gezang als uit een woud van nachtegalen brak.

En mannen die zich rolden in de sneeuw

op hoge bergen in de gure wind.

Landlopers vuil en vaal,

die geurden op hun sterfbed lijk een lelieveld.

Soldaten en matrozen,

kinderen ook, in wie de vrucht haar wondersappen goot.

 

Dan de miljoenen van wie niemand weet:

de droeven, in een duister minneleed

gedompeld, zonder zucht noch klacht,

de vrolijken die dansen in het klare gras

onder de boom van God

die strooit zijn vruchten

in het Morenland en langs de Ganges