religieus8
Start Omhoog

                 


 

Voortdurend op weg naar God...

Meditaties en overwegingen rond de vraag naar God

Voorjaar 1999 H.H.Engelbewaarders Badhoevedorp

 

 

JHWH heeft u gezegd wat goed is, mens,

en wat Hij van u verlangt:

Hij wil niets anders dan dat u recht doet,

dat u de t rouw bent,

en dat u in deemoed wandelt met uw God.

 

Micha 6,8

 

 

INHOUD                                                                                                      

 

 

 

WAAR IK GA: JIJ

 

Waar ik ga - jij!

Waar ik sta - jij!

Alleen jij, weer jij, altijd jij!

Jij, jij, jij!

Gaat het mij goed - jij!

Als het mij pijn doet - jij!

Alleen jij, weer jij, altijd jij!

Jij, jij, jij!

Hemel - jij, aarde - jij,

boven - jij, beneden - jij,

waarheen ik mij wend, aan elk einde,

Alleen jij, weer jij, altijd jij!

Jij, jij, jij!

 

Levi Jizchak van Berditschew

 

Voorwoord:

 

De verzameling teksten die bijeengebracht is in deze bundel legt getuigenis af van "een zoektocht naar God".

Over God raak je nooit uitgepraat. Een aantal teksten zijn eerder gepubliceerd en soms aangepast voor deze bundel. Het zijn allemaal pogingen om op het spoor te komen van God. Maar het zijn ook allemaal getuigenissen die halverwege stranden. Want God blijft ongrijpbaar. Net zoals de ziel van de mens ongrijpbaar is.

Er zijn ook een paar bijdragen opgenomen van de hand van andere auteurs omdat zij veel indruk op mij hebben gemaakt. Het is een bundel geworden om bij tijd en wijle open te slaan. Ter verdieping, ter overweging misschien ook, om zo zelf op het spoor te komen van de (zoek)tocht naar God.

Naar God ben je voortdurend op weg...Misschien is dát ook wel een deel van de zin van ons leven. Wie weet. Een goede tocht gewenst.

 

John Hacking

1. Vooraf: Over God...

 

God? God! God als vraag en als uitroep, God als mysterie en als antwoord. Misschien is wel géén begrip zó intrigerend, zó met vraagtekens omgeven, dan het begrip God. Voor de mens op zoek naar God is er vaak een lange weg te gaan: een levensweg. Talrijk zijn de getuigenissen in de geschiedenis van de mensheid over deze zoektocht, over de vragen die gesteld worden en de antwoorden die gegeven worden.  

Wie, wat is God? Waar is God te vinden? Wanneer ervaar je iets van God? Wat zeg je eigenlijk, bedoel je eigenlijk als je het begrip God uitspreekt? Zo kunnen we veel vragen stellen. 

Maar zijn er ook antwoorden die houvast geven? Of is elk antwoord voorlopig, relatief, omdat God zich onttrekt aan onze voorstellingswereld, omdat elk woord maar een woord is, maar een gedachte die niet in staat is om de volheid van God maar in het minst te benaderen?  

Heeft elk mens zijn eigen God, zoals elk mens zijn eigen leven leidt en zijn eigen waarheid heeft? E. Jabès, een filosoof, schrijft in 'De vooruit bepaalde weg', een van zijn boeken:  "De waarheid laat zich vertellen. Zij is de geschiedenis van een leven. Ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen niet gepubliceerde vertelling."

Geldt dat óók voor God - ieder zijn eigen God, vertelbaar, bespreekbaar? Net omdat ieder mens zijn eigen leven leidt, zijn eigen waarheid ervaart en zijn eigen beeld van God heeft kunnen we dat beeld bespreken, kunnen we het uitwisselen, en erover oordelen. Maar is dat genoeg? Je kunt ook anders over God spreken, bijvoorbeeld 'God als de stilte?' Lijkt God misschien meer op de stilte, het 'niets', datgene wat buiten al onze categorieën valt?  

Jabès schrijft:  "Men kan van alles uitvinden behalve de stilte, zij vindt ons uit." In die zin kunnen wij vragen: 'Vinden wij mensen God uit in ons denken en spreken of worden wij door God uitgevonden of om met een bijbels woord te spreken, zijn wij door God geschapen?'

God schept de mens zoals wij onszelf aantreffen. Dat is een gelovige uitspraak! Maar ook dat is niet zonder vraagtekens. Niet vanzelfsprekend. Kennen wij onszelf wel goed genoeg om vandaar uit iets te zeggen over God? Want als wij geschapen zijn door God, moet er toch iets van God in ons zijn terug te vinden dat naar God terugverwijst? Wij dragen dan iets van zijn spoor mee, zijn daad. Maar wat is dát dan?  

Zou het misschien ook niet zo zijn zoals Jabès stelt dat " aan God geloven niets anders is dan geloven aan zijn 'vreemdheid'?" God als vreemde, een niet te begrijpen groot­heid, een niet te vatten werkelijkheid. Maar toch een werkelijkheid waarvan we als gelovige zeggen dat die ons omgeeft, die ons kan dragen? Hoe moeten wij dat rijmen met elkaar? Nogmaals: is er wel een echt houvast?  

Of is God zo vreemd, zo stil, zo onvatbaar als de leegte tussen de woorden, de witte ruimte tussen de letters, waardoor de woorden pas mogelijk zijn, pas kunnen spreken. Jabès probeert een antwoord te vinden  waar God dan te vinden zou zijn. Hij schrijft : "In elk mogelijke zit iets onmogelijks, dat het bespot. Dit onmogelijke intussen is niet het onmogelijke. Het is slechts het mislukken van het mogelijke."

Dat klinkt misschien erg abstract, maar er staat dat niets volmaakt is, dat er steeds een gebrek is, een onvolmaaktheid waardoor er steeds een open einde is. De dingen zijn niet af. De ervaringen zijn nooit volledig, nooit voor eens en altijd! De werkelijkheid (die bestaat en die (in principe) mogelijk is) is nooit af, nooit definitief, nooit volledig te vangen, te beschrijven.

Hij schrijft ook dat het onmogelijke niet te pakken is, het is ergens anders. Net zoals het wit tussen de woorden niet te pakken valt. "Altijd elders is het onmogelijke.

Dit onmogelijke is God. Houd niet in je hoogmoed eraan vast, het in iets duurzaam

mogelijks te willen veranderen. Men kan niet ‑ o zwijgen, o niets ‑ tot God gaan. Men kan hem alleen verlaten, zoals men altijd weer terugkeert tot zichzelf, met een leeg hoofd en lege handen."

Dit valt niet eenvoudig te begrijpen, want telkens als wij God 'niets' of 'het onmogelijke' , 'de leegte of de stilte' noemen, onvatbaar voor ons verstand, steeds elders, dan kunnen wij er ook nauwelijks over spreken en laten onze gedachten ons (als het ware) in de steek.

Jabès vergelijkt ons denken met een kaars in een donkere ruimte: "Een brandende kaars voldoet, om de ruimte van onze gedachten, onze gebaren, onze schriften te begrenzen. Bitter is onze teleurstelling, niet over de grenzen van het schijnsel uit te komen. Schrijven is dan niets anders als een beetje licht om de woorden verspreiden."

Wat hebben we dan in handen, waar ontlenen wij zekerheid aan? Wat is nog werkelijk, wat is waar? Jabès zegt dat: "De werkelijkheid altijd slechts een indrukwekkend heropleven van de herinnering is!"

Werkelijkheid beleven, hier en nu, bouwt voort op wat gisteren, op wat zonet was. Het hier en nu beleven wat er is, wat je voelt, denkt, ziet, hoort, kan niet zonder de woorden en gedachten van gisteren, het kan niet zonder herinnering.

Kunnen wij ons God herinneren? Of moeten we het hebben van verha­len, die de herinneringen van ande­ren bevatten. God die tot ons spreekt vanuit de herinneringen van anderen.

Misschien is de bijbel wel het boek van de Herinneringen! Uit die Herin­neringen kunnen ook wij putten. Er mee aan de slag gaan, ze tot wer­kelijkheid laten worden voor ons.

Herinnering van anderen die werke­lijkheid wordt in ons leven - herinne­ring van onze ouders die gestalte krijgt in ons leven - en zo verder terug in de geschiedenis. Misschien is leven dan ook wel het gestalte geven aan de herinnering - steeds weer opnieuw...een voortdurend proces van actueel worden van wat er al was...

Geschiedenis als voortdurende schepping of liefde van God in een nieuwe jas? Wie weet...  

 

2. Een oosterse christen spreekt over God - Anthony de Mello

 

In Concilium 1982 nr. 9 trof ik een artikel aan van de leraar/leidsman Anthony de Mello over de "kennis" of "ervaring" van God. Wat volgt zijn de woorden van de Mello; hij vertelt zijn verhaal in vijf korte hoofdstukken.  

I. Het zaad1  

Waarom is God onzichtbaar? Hij is het niet. Jouw zien is vertroebeld zodat het je niet lukt Hem te zien. Het bioscoopscherm wordt onzichtbaar als er een film op geprojec­teerd wordt: ofschoon je voortdurend naar het doek kijkt, zie je het niet omdat je te zeer gepakt bent door de film. De mediterende hindoe zit naar de punt van zijn neus te kijken, het feit symboliserend dat God vlak voor ons is, maar onze blik is gericht op iets anders, in de verte. Je hoeft nooit de punt van je neus te gaan zoeken en vinden. Waar je ook gaat, wat je ook doet, slapend of wakker, waarheen je je ook wendt, ze is daar vlak voor je ogen. Je raakt haar nooit kwijt. Het lukt je alleen niet haar te herkennen.  

Eeuwenlang hebben de Hindoes van India God gezien als 'dansende' schepping Het buitengewoon verbazingwekkende is dat de mensen de dans zien en er niet in slagen de Danser te herkennen.

In het zoeken naar God moet men zich realiseren dat er niets te zoeken of te bereiken is. Hoe kan je zoeken naar iets dat vlak voor je ogen is? Hoe kan je bereiken wat je al bezit? Wat we hier nodig hebben, is niet inspanning maar herkenning.

De leerlingen van Emmaüs hebben de verrezen Heer vlak voor zich, maar hun ogen moesten geopend worden. De schriftgeleerden en Farizeeën muntten uit in inspanning en faalden in herkenning. En de mensheid op de laatste dag zal uitroepen: 'U was met ons en we slaagden er niet in U te zien!' Het zoeken naar God is dus de poging om te zien.

Een man ziet een v rouw elke dag en ze lijkt niet verschillend van andere v rouw en tot hij op zekere dag verliefd op haar wordt. Dan worden zijn ogen geopend en hij is verbaasd dat hij deze aanbiddellijke godin jarenlang kon bekijken en er niet in slaagde haar te zien.  

Hou op met zoeken, hou op met reizen, en je zult arriveren. Je hoeft nergens naartoe te gaan! Weest stil en zie wat vlak vóór je ogen is. Hoe sneller je reist en hoe meer inspanning je besteedt aan het reizen, des te waarschijnlijker is het dat je het spoor bijster raakt. Mensen vragen waar zij God kunnen vinden. Het antwoord is hier. Wanneer zij Hem zullen vinden. Het antwoord is nu. Hoe zij Hem zullen vinden. Het antwoord is: wees stil en kijk.2  

II. De rotsachtige bodem  

We proberen God te 'zien'. Maar zien we ooit iets? We kijken naar een nieuwe bloem en vragen: 'Wat is dat;" Iemand zegt: 'een lotus'. Al wat we nu hebben, is een nieuwe naam, een nieuw etiket, maar we denken ten onrechte dat we een nieuwe ervaring en een nieuw begrip hebben. Zodra we ergens een naam op kunnen plakken, denken we dat we iets hebben toegevoegd aan onze voorraad kennis, terwijl we alleen iets hebben toegevoegd aan onze voorraad etiketten.  

Toen God weigerde zijn naam te onthullen aan Mozes of toe te staan dat er een afbeelding van Hem gemaakt werd verbande Hij niet alleen de afgoderij van de primitieven die Hem identificeerden met een beeld, maar ook de afgoderij van de moderne geleerde die Hem identificeert met een idee. Want onze ideeën‑ afgodsbeel­den van Hem zijn even zielig inadequaat om Hem te vertegenwoordigen als afgods­beelden van steen of klei.

Het woord 'Europeaan' geeft je watertandend enige kennis en absoluut geen begrip van dit individu dat voor je staat. Je zou hem onrecht doen, als je dacht dat het woord 'Europeaan' of wat dat aangaat willekeurig welk ander woord of groep van woorden, je enig begrip gaf van zijn unieke individualiteit. Want het individu is, evenals God, boven alle woorden, onuitzegbaar.  

Om deze boom te 'zien', moet ik het etiket laten vallen, want dat geeft me de illusie dat ik, omdat ik er een naam voor heb, de boom ken. Ik moet alle vroegere ervaringen met andere bomen laten vallen (zoals ik alle vroegere ervaringen met alle andere Europea­nen moet laten vallen, als ik eerlijk wil zijn jegens deze individuele Europeaan hier). Meer nog: ik moet alle vroegere ervaringen laten vallen die ik ooit gehad heb met deze boom ‑ we zijn immers allemaal vert rouw d met het feit dat we dit huidige individu geen kans geven omdat we hem voortdurend beoordelen op grond van onze vroegere ervaringen met hem. Is het dan verrassend, te horen dat, als ik God juist nu wil ervaren, ik alles moet laten vallen wat anderen mij over Hem verteld hebben, al mijn vroegere ervaringen met Hem en alle woorden en etiketten over Hem, hoe heilig ook? Waarheid is geen formule. Het is een ervaring.  

En ervaring kan niet overgedragen worden. Formuleringen zijn overdraagbaar materi­aal; ze hebben weinig waarde. Wat waarde heeft, kan niet overgedragen worden.

Het woord, de religieuze formuleringen, het dogma waren bedoeld als aanwijzingen, indicatoren, hulpmiddelen om mij te leiden bij mijn benadering van God. Vaak worden ze de laatste bar­rière. Zoals wanneer ik een bus neem om naar huis te gaan en weiger uit te stappen als ik ben aangekomen. Men denkt aan zoveel mensen die rond en rond lopen in cir­kels, omdat hun nooit ge­leerd is op te houden met hun conceptualiseren en theologiseren over het goddelijke; die weigeren hun discursieve reflectie los te laten in het gebed en binnen te gaan in de donkere nacht, de con­ceptloze wolk waarover de mystici spreken. Zij gaan door het leven en verza­melen steeds meer etiket­ten, zoals een man die steeds meer materiële bezittingen verzamelt die hij nooit zal gebruiken.  

De rivier stroomt vlak voor je ogen en je sterft van dorst, maar je staat erop een definitie te hebben van water, omdat je ervan overtuigd bent dat je je dorst niet kunt lessen zonder dat je de juiste formule hebt. Het woord 'liefde' is niet liefde, en het woord 'God' is niet God. Hetzelfde geldt voor het concept. Niemand is ooit dronken geworden van het woord 'wijn'. Niemand is ooit verbrand door het woord 'vuur'.  

De mens is meer geïnteresseerd in het bereflecteerde dan in het reële. Hij leeft dan ook in fictie. En als hij nadenkt over God, leeft hij in godsdienstige fictie. Hij wordt gefasci­neerd door zijn ideeën, omdat hij denkt dat ze het  reële weerspiegelen. Zijn spiegels moeten gebroken worden. Echt voedsel en echt water is nodig om echte honger en dorst te verzadigen. Voorstellingen van voedsel en drank zijn niet genoeg. De formule H20 zal zijn dorst niet lessen, hoe wetenschappelijk juist ze ook is. Dat geldt ook voor zijn geloof in God, hoe waar ook. Het maakt van hem misschien een religieuze fanaticus, maar zal de nood van zijn hart niet verzadigen.3  

Is het een wonder dat de christelijke kerken, omdat zij er niet in geslaagd zijn dit te begrijpen, geworden zijn als uitgeputte mijnen? Wat er nu uit de mijnen wordt opgedol­ven, zijn woorden en formules; en daarvan is de markt overladen. Maar er is gebrek aan ervaring, en wij christenen worden dan ook een volk van woorden. We leven van woorden, als een man die zich voedt met de menukaart in plaats van het voedsel. Het woord 'God', de formules over God, worden voor ons belangrijker dan de realiteit 'God'. Er is een groot gevaar dat, als we de werkelijkheid zien in vormen die niet passen bij onze formules, we er niet in zullen slagen haar te herkennen of haar zelfs zullen afwijzen uit naam van onze formules.4  

III. De goede aarde  

Deze houding is het best te zien in de soort theologie‑scholen die wij christenen drijven. Men zou verwachten dat deze scholen mensen afleveren die de dorst van de moderne mens naar God lessen. Maar het zijn kopieën geworden van wereldlijke scholen. Ze hebben professoren in plaats van meesters en ze bieden geleerdheid in plaats van verlichting. De professor doceert, de meester wekt op. De professor biedt kennis aan; de meester biedt onwetendheid aan, want hij vernietigt kennis en schept ervaring; hij biedt je kennis aan als voertuig om je er meteen weer uit te sleuren zodra de tijd komt dat kennis herkenning in de weg staat.

Wereldlijk leren wordt verworven door reflectie, nadenken, praten. Godsdienst wordt geleerd door stille meditatie (In het Oosten betekent meditatie, 'dhyan', niet reflectie, zoals in het Westen, maar het tot zwijgen brengen van alle reflectie en gedachten). De wereldlijke school levert geleerden af. De godsdienstige school mediteerders. Tragischerwijze veranderen de meeste christelijke scholen voor theologie de godsdienstige geleerde in de wereldlijke geleerde. De wereldlijke school tracht dingen te verklaren en schept kennis. De godsdienstige school leert ons de dingen zodanig te beschouwen dat er verwondering ontstaat. De mens heeft diep gewortelde onwetendheid. Zijn wereldlij­ke leren neemt deze onwetendheid niet weg ‑ maakt die meer verborgen, geeft hem de illusie van kennis. In de godsdienstige school wordt deze onwetendheid naar voren gebracht en blootgelegd, want daarbinnen moet het goddelijke gevonden worden. Maar christelijke scholen die dit doen, zijn zeldzaam; al te vaak wordt de onwetendheid begraven onder steeds meer godsdienstige kennis.  

De christelijke godsdienstige school moet dus technieken ontwikkelen om kennis te gebruiken als middel om onwetendheid bloot te leggen, om het woord zo te gebruiken dat het zal leiden tot stilte. Zoals de 'mantra' of 'bhajan' in India, waarbij het woord of de formule eerst begrepen wordt met de geest, daarna eindeloos wordt herhaald, totdat er een stilte is geschapen waardoor de formule wordt overgebracht van de geest naar het hart en de diepere betekenis ervan gevoeld wordt ver boven alle woorden en formules uit. Godsdienststudenten moeten zo geoefend worden, dat als zij lezen of naar het woord luisteren, hun hart onophoudelijk afgestemd is op het 'woordeloze' dat klinkt in het woord. Zij moeten door een strenge discipline heengaan totdat hun geest tot rust is gebracht en zij leren in stilte 'de dingen te overwegen in hun hart.5  

Godsdienststudenten zullen hun bijbel lezen. Maar om de andere pagina van die bijbel zal blanco zijn, om aan te geven dat gewijde woorden bedoeld zijn om stilte te schep­pen en te verdiepen, een stilte die verrijkt wordt door de heilige woorden, zoals de rijke stilte die volgt op het slaan op een tempelgong. Zij zullen evenveel tijd besteden aan de blanco pagina's in hun bijbel als aan de tekst, omdat zij alleen zo in staat zullen zijn de tekst te verstaan. Want de bijbel kwam voort uit die blanco pagina's, uit mannen en v rouw en die stil genoeg waren om een onuitsprekelijke waarheid te ervaren die zij nooit konden beschrijven, maar waarnaar zij met veel worsteling trachten te wijzen in woorden die misschien anderen zouden brengen tot het ervaren van dezelfde waarheid.  

IV. De bloem  

De bijbel leert ons dat geen mens God kan zien en in leven kan blijven. Als de geest tot stilte is gebracht, wordt God gezien en sterft het eigen ik. De meesters van het Oosten stemmen hiermee in: als stilte het hart binnenkomt, sterft het eigen ik. Hoe? Niet door vernietiging maar door 'visie'. In de stilte van het zwijgen 'ziet' men dat het eigen ik een illusie is. De psychoticus die dacht dat hij Napoleon was, wordt genezen als hij 'ziet', zich realiseert dat zijn Napoleon‑ik een illusie is. De mens wordt genezen als hij 'ziet', ervaart, dat zijn ik‑als‑centrum, zijn ik‑als‑apart, 'maya' is, illusie.

Het is alsof de dans tot zichzelf zou komen en 'zien' dat ze geen centrum heeft, geen bestaan los van de danser; dat ze helemaal geen 'zijnde' is, maar een actie. Alleen de danser is zijnde. Alleen de danser bestaat. De dans niet; ze is‑in‑de‑danser. God zei tot Caterina van Siëna: 'Ik ben Hij die is. Jij bent zij die niet is.' Als je binnengaat in de stilte, ervaar je dat je niet bent; het centrum is niet langer in jou; het is in God; jij bent de periferie. Men herinnert zich de machtige woorden, toegeschreven aan meester Eckhart: 'Slechts éen wezen heeft het recht, het persoonlijk voornaamwoord 'ik' te gebruiken: God!'  

Degene die dit ervaart, wordt een ontwaakte. Hij wordt een 'niemand', een leegte, een 'incarnatie' waardoorheen het goddelijke schijnt en handelt. De dichter, de schilder, de musicus ervaart soms geïnspireerde momenten waarop hij zichzelf schijnt te verliezen en een creatieve activiteit door zich heen voelt stro­men waarvan hij meer het kanaal is dan de bron. Wat hij op deze wijze ervaart, ervaart de ontwaakte in zijn leven. Hij is actief, maar niet langer de acteur. Zijn handelingen worden gebeurtenissen. Hij ervaart zichzelf als dingen doende die tegelijkertijd niet door hem gedaan worden: ze schijnen via hem te gebeuren. Zijn inspanningen gaan zonder inspan­ning, zijn werk wordt spel, een 'lee­la', een goddelijke sport. Kan het anders als hij zichzelf ervaart als een dans die gedanst wordt door het goddelijke, als een holle fluit waardoor Gods muziek stroomt?  

V. De vrucht  

Als stilte de dood van het ik voortbrengt, wordt liefde geboren. De ontwaakte ervaart zichzelf als anders, maar niet apart van andere mensen en van de rest van de schep­ping. Want er is maar één Danser en heel de schepping vormt één dans. Hij ervaart ze alle als zijn 'lichaam', zijn ik. Hij bemint dan ook alle mensen zoals hij zichzelf bemint.

Hij gaat niet noodzakelijkerwijze uit om te dienen. Hij weet dat iedereen die tracht te dienen, in het gevaar verkeert te worden zoals zoveel 'liefdadige' mensen die helemaal niet religieus zijn; zij zijn schuldig; goed‑doeners die zich altijd bemoeien met het leven van anderen.

Het is helaas mogelijk je goederen te geven om de armen te voeden en je lichaam te laten verbranden en toch nog de liefde niet te hebben. De beste manier om de wereld te dienen is dat JIJ verdwijnt. Dan word je een voertuig van het goddelijke. Dan zal dienst spontaan gebeuren, maar alleen als het goddelijke je ertoe drijft. Het zou je er evengoed toe kunnen drijven liederen te zingen of je terug te trekken in de woestijn, en de hele wereld zal verrijkt worden door jouw liederen of door jouw stilzwijgen, in plaats van gekwetst te worden door jouw dienst.6  

In wat je ook doet, dienst of stilzwijgen of lied, je zal totaal opgeslorpt worden, want je 'ik' zal niet langer in de weg staan en je zal aan elke activiteit heel je wezen geven. Dit is godsdienst op zijn hoogtepunt. Niet zitten in eenzaamheid, niet zingen van gebeden, niet naar de kerk gaan, maar het leven ingaan. Elke handeling van je vloeit nu voort uit stilte, uit een tot zwijgen gebracht ik. Elke handeling van je is nu meditatie geworden.  

Christelijk handelen is tegenwoordig in gevaar, voort te vloeien uit praten en reflectie, meer dan uit stilte. Christendom is in het gevaar een pratende en denkende godsdienst te worden. Over de eucharistie wordt gesproken als over een celebratie (feestelijk vieren), maar is meestal een cerebratie (vanuit het verstand spreken) geworden‑ de priester spreekt tot het volk, het volk spreekt antwoorden tot de priester of tot elkaar, en priester en volk spreken tot God. Als we van godsdienst weer een celebratie zouden willen maken, moeten we minder denken en minder spreken, en meer zwijgen en dansen.7  

(Uit het Engels vertaald door H. Wagemans)  

NOTEN:

1. Steeds meer christenen in het Westen keren zich naar het Oosten voor leiding in het gebed. Dit artikel probeert hun te laten zien wat het Oosten hun kan Ieren ‑ of liever wat het hun kan helpen herontdekken in hun eigen traditie.

2. Een oosters verhaal gaat over een oceaan‑vis die op zoek gaat naar de oceaan; waar de vis ook heengaat, hij vindt geen spoor van de oceaan, alleen maar water!

3. Een Arabische mysticus vertelt over een man die in de woestijn dreigt te sterven van honger; in de verte ziet hij een zak en rent erheen, in de hoop dat ze iets eetbaars bevat, maar ze zit vol edelstenen.

4. Een soefi‑meester zegt: 'Een ezel die gehuisvest wordt in een bibliotheek, wordt niet wijs. Zo heeft al mijn godsdienstige kennis mij niet beter gemaakt, zoals een verlaten plek ook niet vruchtbaar wordt doordat er een schat in begraven ligt.'

5. Een regeerder vroeg de grote Rinzai naar het geheim van godsdienst in een woord. 'Stilzwij­gen,' zei Rinzai. 'En hoe komt iemand tot stilzwijgen?' 'Door meditatie.' 'En wat is meditatie?' 'Stilzwijgen.'

6. 'Neem me niet kwalijk,' zei de aap terwijl hij de protesterende vis op een boomtak legde. 'Ik zorg er alleen maar voor dat je niet verdrinkt.' Dienst kan vermoorden!

7. Aan een goeroe werd door een leerling gevraagd hoe hij God bereikt had, en hij antwoordde: 'Door het hart wit te maken met stille meditatie, niet door papier zwart te maken met godsdiensti­ge opstellen.' Noch, mogen we hieraan toevoegen, door de lucht dik te maken met geestelijke gesprekken.    

 

3. "2050 en onze vrijheid".  

'Zijn de dagen van God geteld?' Zo luidt de titel van een boek dat ik onlangs in handen kreeg. 'Geloof en vert rouw en na Auschwitz', de titel van een ander. Twee boeken, beiden over geloven, over God, over mens‑zijn in deze wereld als christen.

De schrijvers van het laatste boek vragen zich af of geloof en vert rouw en nog wel mogelijk zijn na de verschrikkelijke ervaringen van de Tweede Wereldoorlog waar miljoenen werden opgeofferd in naam van een onmenselijke ideologie die om God noch gebod gaf.  

De schrijvers van het eerste boek geven de stand van zaken weer op hun eigen vakgebied, dat van de theologie en de ethiek. Is er in de nabije toekomst nog wel ruimte om in God te geloven, laat de 'maakbare samenleving' die velen voor ogen staat nog een plaatsje over voor het religieuze bewustzijn? Of staat alles in het teken van een nieuwe 'moderniteit' , het volslagen nieuwe ook en vooral op technisch gebied?  

Ik kan mij zo voorstellen dat over 50 jaar de wereld volslagen is veranderd: de compu­tertechnologie verbindt iedereen met iedereen, ons woonhuis is een groot informatie­scherm geworden dat zelfs op het toilet kan worden geraadpleegd; voor elke kortstondi­ge ziekte, elk gevoel van onbehagen slikken we een pilletje of een drankje en een 'vreugdevolle en opgewekte' stemming keert terug. Niemand lijdt meer honger, want er zijn genoeg vervangende middelen, weliswaar kunstmatig, maar het werkt, de honger is voorbij. Er is ook geen oorlog meer want de wapens zijn zo geavanceerd dat toepas­sing onmogelijk wordt zonder zelf veel schade te ondervinden. Ook is er geen verplicht werken meer want het meeste wordt door robots gedaan. De mensen vullen hun tijd met leren, informatie‑uitwisseling en reizen. Maar dat laatste is eigenlijk niet meer echt nodig want in je huiskamer kun je de mooiste landschappen en steden tevoorschijn toveren. En de kerk? De godsdienst?

Die komt ook aan huis, via het scherm, een opwekkend praatje in de ochtend, om bij de les te blijven, en in de avond om kort alles op een rij te zetten, want men heeft inmid­dels ontdekt dat die 'oude gewoonten' van ochtend‑ en avondgebed nog niet eens zo slecht zijn. En Jezus, die spreekt ons toe vanaf de huiskamermuur, omringd met leerlingen en al, in de setting van 2000 jaar geleden.

Maar het zullen waarschijnlijk niet de woorden van de bergrede zijn. Die zal men beschouwen als achterhaald.  En ook niet de woorden van de profeet Jesaja over het Rijk van God, want dat hoeft niet meer aan te breken. Iedereen is tevreden.  

Zijn de dagen van God geteld? Ja, die zijn geteld, in een samenleving waar alleen het genoegen, de lust en de bevrediging tellen. God speelt niet meer mee, hij staat buiten spel waar alles voor de wind gaat.

Maar de dagen van God zijn niet geteld, in een samenleving waar verdriet, rouw en lijden nog steeds de overhand hebben, want pijn en smart zijn de bronnen voor het geloof in en de hoop op een betere wereld. Zij tillen ons uit boven onze grenzen, boven onze onmacht als wij de uitdaging durven aan te gaan om de hindernissen die wij in ons leven tegenkomen te beschouwen als aanmoediging tot verandering.  

Is er nog geloof en vert rouw en na Auschwitz? Ja, dat is er in het concrete leven van mensen die niet alleen dromen van de technische maakbaarheid van deze wereld maar ook van het opheffen van alle onrecht en geweld.

Want 'maakbaar' of niet, onze wereld en onze daden blijven ambivalent. Met veel goede bedoelingen kunnen toch veel mensen ongelukkig worden gemaakt. Dat gebeurt bijna elke dag.

Wij mensen blijven sterfelijk, wij blijven kwetsbaar en het grootste geschenk dat wij van God hebben gekregen is onze taal, de woorden waarmee wij onze menselijke vrijheid kunnen uitdrukken en gestalte geven. We kunnen en mogen  'nee' zeggen, zelfs tegen God.

Dat is het risico dat God wilde lopen (en nog steeds loopt) toen hij een begin maakte met de schepping van de mens. Deze vrijheid is kostbaar. Zij is tevens de garantie dat de mens zijn leven zal kunnen leiden in het voetspoor van Gods aanwijzingen, de tien geboden. De rest is eigenlijk opsmuk, versiering, maar zeker géén noodzaak.  

"Alle lust wil diepe, diepe eeuwigheid" , schreef de dichter Goethe eens. Maar het is slechts God die in de bijbel 'de Eeuwige' wordt genoemd. Buiten Hem leiden alle wegen slechts naar kortstondig geluk want de mens is niet in staat om aan zijn leven 'eeuwige' zin te geven en daarmee 'eeuwig geluk'.

De mens staat niet aan zijn eigen wieg ‑ in dit leven geworpen zal hij tastend en moeizaam zijn weg moeten ontdekken naar een zinvol en waardevol leven. Zijn medemensen kunnen hem hierbij behulpzaam zijn, zij kunnen het goede voorbeeld geven, net als de 'zeldzame' mensen die in de situatie van Auschwitz met de dood voor ogen toch nog hun brood durfden te delen, die in het aangezicht van de gaskamer uitriepen dat ze op God bleven vert rouw en, ondanks alles, nét ondanks alles wat hen werd aangedaan. Niet de ó zo menselijke drang om te overleven, een natuurlijke drang die wij delen met de dieren, bepaalde op dat moment hun leven, maar hun onverwoest­bare wil, hun diep vert rouw en, dat de dood het einde níet is, dat God staat aan gene zijde van de grens om hen op te vangen, te koesteren en te troosten.

Is er nog vrijheid in 2050, of anders uitgedrukt is er nog geloof en vert rouw en in God? Ja, dat zal er zijn, als mensen durven sterven voor hun vrijheid, voor hun vert rouw en op God. Want dat is de prijs die Jezus moest betalen toen het puntje bij paaltje kwam, en het is de prijs die van ons wordt gevraagd als de tijden hard worden, en iedereen alleen maar aan zichzelf zal denken.

Menselijkheid is niet alleen een kwestie van mensen; humanisme is voorwaarde en noodzaak voor een menselijke samenleving, maar het is niet genoeg; de onmenselijk­heid vormt maar al te vaak een te hoge muur.

Dat laat het verhaal over de uittocht van Egypte zien, onder leiding van Mozes, de uittocht uit het slavenland, het land van de angst. Zonder aanmoediging van de kant van God, zonder diens hulp zou er géén sprake geweest zijn van een nieuw Israël, en een Jezus van Nazareth. Dan zou de hoop die eeuwenlang in de harten van de mens is gezaaid al lang zijn verstikt, doodgebloed; de wereld zou een groot concentratiekamp zijn. Wij mensen moeten het zelf doen, maar wij hebben een steuntje in de rug nodig, we hebben verhalen, beelden nodig die ons op de been houden. En al zou God alleen maar een 'idee', een beeld zijn, maar een beeld dat ons in leven houdt, het zou (misschien) genoeg zijn.  

Het meest vluchtige en vergankelijke, het meest vage en onduidelijke, het meest kortstondige en relatieve blijkt misschien wel de meeste eeuwigheidswaarde te bezitten ‑ want zeggen wij niet telkens weer opnieuw: 'maak geen beeld, geen afbeelding van God, zo gauw je Hem vastlegt maak je Hem machteloos'.

God is onzichtbaar, onkenbaar en alles overstijgend wat een mens kan bedenken. Misschien is dat wel zijn grootste kracht, dat wij mensen het helemaal zelf mogen uitzoeken, dat wij zelf het lot van de wereld in handen hebben gekregen. Hoeveel vrijheid, hoeveel geluk is er dan niet mogelijk?

Daar kan niemand ooit genoeg van krijgen, vrijheid als stromen levend water, vrijheid als eeuwig licht, vrijheid als onbeperkte liefde, dat is God. Dat is een geschenk van God aan ons mensen, voor ieder van ons bereikbaar, ook in 2050.  

4. Wie is God? Wie ben ik?  

God heeft vele namen, ook in de bijbel. Een van die namen is God als leven gevende adem. God geeft adem aan alles wat leeft, ook aan de mens. Misschien zou je ons als mensen daarom kunnen beschou­wen als een stukje God.

Jezus noemde God zelfs 'Vader'. Dat wil zeggen dat hij een heel spe­ciale en intieme band met Hem voel­de. Misschien is het wel 'n deel van de taak van de mens om in het le­ven te ontdekken wie God voor hem/haar is en wie hij/zij als mens voor God is en voor de naaste me­demens.

Want God en mens horen voor de gelovige mens bij elkaar als onver­brekelijke delen van één geheel. Maar dat moet je ontdekken, daar is veel tijd en vooral veel goede wil voor nodig. Misschien ben je daar wel een heel leven mee bezig: deze ontdekkingstocht naar God en daaronder verborgen de ontdekkingstocht naar wie je zelf bent.  

Wij mensen hebben God vele namen gegeven. Elke naam drukt iets bijzonders uit, iets specifieks, en vaak ook iets persoonlijks. Toch zijn wij eigenlijk allemaal kinderen van dezelfde God ongeacht hoe wij staan ten opzichte van Hem.

In onze gelovige taal kennen wij ook veel verhalen over God en de mens, verhalen die sleutels kunnen zijn tot het verstaan van ons leven. Maar vaak passen die sleutels niet altijd op de situaties in ons leven. Zo moet je niet met bijbelverhalen aankomen als een soort compendium (antwoordboek) voor alle levensvragen. Zo makkelijk ligt dat niet.  

'Verhalen' wil ook zeggen zin zoeken, zin leren ontdekken, antwoorden zoeken die weer nieuwe vragen oproepen. En wat blijkt dan: het leven staat niet stil, er is verandering, en ook de betekenissen veranderen, de mens verandert en óók God verandert. Als je dan als mens zegt dat jij de enige én juiste betekenis hebt, zeg je eigenlijk met andere woorden dat jij het beste en de slimste bent ‑ veel slimmer en beter dan al die andere mensen om je heen en de mensen die voor jou hebben geleefd en gesproken.

Je vergeet dat je ook maar een stukje van het geheel bent, en dat je echt niet alles kunt overzien of doorzien. En als je slechts één klein stukje van het geheel bent, als je leven en alles wat je meemaakt slechts een 'milli‑milli‑milliseconde' (en nog veel kleiner) is op de tijd van het ontstaan van de kosmos dan hoef je echt geen grote pretenties overeind te houden.  

Maar toch ben je ook een stukje van God, geboren uit zijn adem en daarom een stukje God in jou zelf. Als we daar nou eens zouden starten, bij dat besef dat je een stukje God in je hebt, en die ervaring met elkaar delen en uitdiepen.Dan zouden er heel wat minder woordenwisselingen plaatsvinden die te vaak uitlopen op intolerantie en bloedvergieten.

Kenmerkend voor een mens is dat hij kan huilen. Er is geloof ik geen dier bekend dat tranen huilt van verdriet. Alleen de mens is daartoe in staat. Hoe zou het met God zijn? Zou hij kunnen huilen? Misschien zijn de zoute zeeën wel de tranen van God: vergoten om zoveel onbegrip en hardvochtigheid aan de kant van de mens, zijn dierbaarste schepsel?  

5. Vrijheid zoeken  

Vrijheid wordt vaak begrepen als vrij van uiterlijke dwang, van plichten en moeten. Maar "ware vrijheid is altijd innerlijke vrijheid", vrij van innerlijke dwang, van behoeftes en verlangens. Niet dat verlangens en behoeftes verkeerd zijn, maar ze kunnen je van het doel afleiden, het doel van je leven.

"Wat is dat doel dan?", zult u misschien vragen, "wat kan een doel zijn waar je jouw verlangens en je behoeftes voor opzij schuift?"

Opzij schuiven is eigenlijk niet het juiste woord, eigenlijk komt het erop aan dat je jouw leven niet vollédig laat bepalen door je verlangens, maar dat je er de baas over blijft.

Als je de maag zijn gang laat gaan blijf je eten, als je een kind alles toestaat wat het verlangt dan krijg je een vreemd soort mens ‑ dát kind zal nauwelijks uit kunnen groeien tot een evenwichtige persoonlijkheid.

Wat kan een nastrevenswaardig doel zijn in een mensenleven?

Een goede carrière? Een goed inkomen, van alle materiële zorgen vrij? Natuurlijk dát kan, tallozen streven tegenwoordig níets anders na en offeren al hun vrije tijd en hun creativiteit op aan de zaak of het werk waar zij betrokken zijn.

Maar brengt dit doel ook 'geluk'?

Misschien is het woord 'geluk' een te groot woord, maar ik geloof dat wij op de een of andere wijze toch proberen om in dit (soms korte) leven gelukkig te worden. En als werk, een huis, een carrière niet altijd genoeg geluk verschaffen om jezelf 'gelukkig' te kunnen noemen, wat kan dán een nastrevenswaardig doel in je leven zijn?  

Misschien moeten wij het antwoord wel dieper in ons zelf zoeken? In de trant van:

"gelukkig word je pas als je ontdekt wie jezelf ten diepste bent, en als je in die ontdek­king mag ervaren dat je als mens geschapen bent naar de ander toe".  

Ik zet deze zin bij voorkeur tussen aanhalingstekens omdat ze geïnspireerd is door de woorden van de mystici. Zij stellen dat in elk mens een kern aanwezig is, een kern van liefde die daar door God is neergelegd, een kern ook die je als mens op de been houdt, die onaantastbaar is voor hen die je willen bedreigen, (Abel Herzberg zegt ongeveer hetzelfde in zijn boek Amor Fati, een neerslag van zijn concentratiekampervaringen).  

Die innerlijke kern van liefde is de oorzaak ervan dat je als mens vol verlangen zit naar de ander, verlangen naar acceptatie en naar liefde. Ontdekking van die eigen kern is een wonderlijke ervaring. Een gevoel van grote vrijheid, want niets kan je uiteindelijk echt bedreigen. Puur geluk!

"Maar waarom ontdekken wij die kern dan zo moeilijk, of met andere woorden waarom zijn wij niet allemaal gelukkig?", zult u misschien vragen.

Omdat wij bang zijn. Omdat in ons leven ook een tegengestelde kracht aanwezig is, als gevolg van onze geschapenheid, omdat wij ook lichamelijk zijn. Je zou het een soort oerdrang, een instinct om te overleven kunnen noemen, de angst om te kort te komen.

De mystici zeggen dat deze twee grote krachten, de innerlijke liefde, en de angst om te verliezen voortdurend in gevecht zijn met elkaar. Echt vrij kun je pas worden als je de oerkracht die de angst voedt, in toom kunt houden.

De mystici zeggen níet dat de ene kracht helemaal moet verdwijnen, dat is onmogelijk, dat vindt waarschijnlijk pas plaats bij onze dood, als wij ons lichaam moeten verlaten; maar zij pleiten voor een sterke zelfbeheersing, een zoektocht ook in je leven naar de diepe innerlijke kern van liefde.  

En dát is het fijne, als je die kern gevonden hebt, ontdek je niet alleen hoe vrij je eigenlijk bent, maar ook hoe die liefde iedereen en alles doortrekt. Dat is het getuigenis van de mystici.

Misschien wordt het ook ons getuigenis, onze vrijheid, als wij maar durven, als wij onze angst om te verliezen kunnen loslaten. Wie weet dan hoeveel liefde en geluk wij kunnen verspreiden, hoeveel macht in onze handen is gelegd om het goede te doen; alvast een goede zoektocht gewenst.  

6. "Nodig zijn"  

"Fernando Silva leidt het kinderziekenhuis in Managua. Op de avond voor Kerstmis had hij tot heel laat doorgewerkt. De vuurpijlen knalden al en vuurwerk begon de hemel in kleurig licht te zetten, toen Fernando besloot om weg te gaan. Thuis werd er op hem gewacht om het feest te vieren. Hij maakte een laatste ronde langs de zalen om te zien of alles in orde was.

En terwijl hij daarmee bezig was, hoorde hij voetstappen die hem volgden. Voetstappen van watten: hij draaide zich om en zag dat een van de zieke kinderen achter hem aanliep. In het halfdonker herkende hij hem. Het was een jongetje dat alleen was. Fernando herkende zijn reeds door de dood getekende gezichtje en die ogen die excuus vroegen of misschien toestemming.

Fernando ging naar hem toe en het jongetje raakte zijn hand aan:

'Zeg tegen...,' fluisterde hij, 'zeg tegen iemand dat ik hier ben...'"  

Uit: Eduardo Galeano, Het boek der omhelzingen, Novib 1991

 

'Zeg tegen iemand dat ik hier ben...'  Deze woorden sneden door mijn ziel toen ik dit kleine verhaal las op de achterkant van het decembernummer van Jota, een bijbels tijdschrift.  

Waarom raakten ze me zo diep, zelfs tot tranen toe?

Identificeerde ik me misschien met het kleine jongetje die daar alleen was, en die toch durfde vragen om een beetje aan­dacht? Of was het eerder met de arts, de laatste persoon in het gebouw die nog langs­kwam?

En als ik zo diep geraakt wordt, dan moet er iets in mij zijn dat zich raken laat, dat geraakt kan worden door deze indringende woorden. Wat is dat dan?

Hoe heeft de arts gereageerd? Er wordt niets over gezegd in het verhaal. Maar hoe zou ik zelf reageren? Thuis zou er op me gewacht worden. De werktijd zat erop met overuren en al en dan deze stille zachte stem.

Misschien spreekt God wel zo tot ons, onverwacht, vanuit het zwakke, vanuit de zwakke mens. Misschien kijkt de hemel mee hoe we reageren, of we de stem verstaan, of we het antwoord geven dat gevraagd wordt van ons? Wie weet.

Ik ben vaak geneigd het laatste te geloven. Ik geloof dat God zo tot ons kan spreken, rechtstreeks, recht tot in onze ziel. Dan is er eigenlijk géén ontsnappen meer. Want elke ontsnapping veroorzaakt heel veel pijn: bij de mens die je links laat liggen en bij jezelf, diep in je ziel, omdat je geen antwoord gaf waardoor een mens "gered" werd voor dat moment.

 

'Zeg tegen iemand dat ik hier ben...'  De woorden laten me niet los. En dat is goed zo. Zo houd ik de ontroering vast, vergeet ik niet, dat ik nodig ben. Óók dat is goed. Want leven doe je altijd samen, altijd met het oog óók op de ander! Nooit zal dat laatste anders zijn. Zo is het goed.  

7. Partnerschap  

Partnerschap tussen God en mens

Vriendschap tussen gelijken

Jij en Ik, Ik en Jij

Gesprek

Dialoog

dat is wat wij leren

uit de ontmoeting tussen God en Mozes

God en Elia

God en Samuël

God en Jezus

 

En God spreekt

de mens antwoordt

 

De mens spreekt

vraagt

smeekt

 

God geeft antwoord

zwijgt

 

stilte

 

de stilte als Aanwezigheid