|
|
Voortdurend
op weg naar God...
Meditaties
en overwegingen rond de vraag naar God
Voorjaar
1999 H.H.Engelbewaarders Badhoevedorp
JHWH
heeft u gezegd wat goed is, mens, en
wat Hij van u verlangt: Hij
wil niets anders dan dat u recht doet, dat
u de t en
dat u in deemoed wandelt met uw God. Micha
6,8
WAAR
IK GA: JIJ Waar
ik ga - jij! Waar
ik sta - jij! Alleen
jij, weer jij, altijd jij! Jij,
jij, jij! Gaat
het mij goed - jij! Als
het mij pijn doet - jij! Alleen
jij, weer jij, altijd jij! Jij,
jij, jij! Hemel
- jij, aarde - jij, boven
- jij, beneden - jij, waarheen
ik mij wend, aan elk einde, Alleen
jij, weer jij, altijd jij! Jij,
jij, jij! Levi
Jizchak van Berditschew De
verzameling teksten die bijeengebracht is in deze bundel legt getuigenis af van "een
zoektocht naar God". Over
God raak je nooit uitgepraat. Een aantal teksten zijn eerder gepubliceerd en
soms aangepast voor deze bundel. Het zijn allemaal pogingen om op het spoor te
komen van God. Maar het zijn ook allemaal getuigenissen die halverwege stranden.
Want God blijft ongrijpbaar. Net zoals de ziel van de mens ongrijpbaar is. Er
zijn ook een paar bijdragen opgenomen van de hand van andere auteurs omdat zij
veel indruk op mij hebben gemaakt. Het is een bundel geworden om bij tijd en
wijle open te slaan. Ter verdieping, ter overweging misschien ook, om zo zelf op
het spoor te komen van de (zoek)tocht naar God. Naar
God ben je voortdurend op weg...Misschien is dát ook wel een deel van de zin van ons
leven. Wie weet. Een goede tocht gewenst. God?
God! God
als vraag en als uitroep, God als mysterie en als antwoord.
Misschien is wel géén begrip zó intrigerend, zó met vraagtekens omgeven, dan
het begrip God. Voor de mens op zoek naar God is er vaak een lange weg te gaan: een
levensweg. Talrijk zijn de getuigenissen in de geschiedenis van de mensheid
over deze zoektocht, over de vragen die gesteld worden en de antwoorden die
gegeven worden. Wie, wat is God? Waar is God te vinden? Wanneer ervaar je iets van God? Wat zeg je eigenlijk, bedoel je eigenlijk als je het begrip God uitspreekt? Zo kunnen we veel vragen stellen. Maar
zijn er ook antwoorden die houvast geven? Of is elk antwoord voorlopig,
relatief, omdat God zich onttrekt aan onze voorstellingswereld, omdat elk woord
maar een woord is, maar een gedachte die niet in staat is om de volheid van God
maar in het minst te benaderen? Heeft
elk mens zijn eigen God, zoals elk mens zijn eigen leven leidt en zijn eigen
waarheid heeft? E. Jabès, een filosoof, schrijft in 'De vooruit bepaalde
weg', een van zijn boeken: "De
waarheid laat zich vertellen. Zij is de geschiedenis van een leven. Ieder zijn
eigen waarheid, zijn eigen niet gepubliceerde vertelling." Geldt
dat óók voor God - ieder zijn eigen God, vertelbaar, bespreekbaar? Net omdat
ieder mens zijn eigen leven leidt, zijn eigen waarheid ervaart en zijn eigen
beeld van God heeft kunnen we dat beeld bespreken, kunnen we het uitwisselen, en
erover oordelen. Maar is dat genoeg? Je kunt ook anders over God spreken,
bijvoorbeeld 'God als de stilte?' Lijkt God misschien meer op de stilte,
het 'niets', datgene wat buiten al onze categorieën valt? Jabès
schrijft: "Men kan van alles
uitvinden behalve de stilte, zij vindt ons uit." In die zin kunnen wij
vragen: 'Vinden wij mensen God uit in ons denken en spreken of worden wij door
God uitgevonden of om met een bijbels woord te spreken, zijn wij door God
geschapen?' God
schept de mens zoals wij onszelf aantreffen. Dat is een gelovige
uitspraak! Maar ook dat is niet zonder vraagtekens. Niet vanzelfsprekend. Kennen
wij onszelf wel goed genoeg om vandaar uit iets te zeggen over God? Want als wij
geschapen zijn door God, moet er toch iets van God in ons zijn terug te
vinden dat naar God terugverwijst? Wij dragen dan iets van zijn spoor
mee, zijn daad. Maar wat is dát dan? Zou
het misschien ook niet zo zijn zoals Jabès stelt dat " aan God geloven
niets anders is dan geloven aan zijn 'vreemdheid'?" God als vreemde,
een niet te begrijpen grootheid, een niet te vatten werkelijkheid. Maar toch
een werkelijkheid waarvan we als gelovige zeggen dat die ons omgeeft, die ons
kan dragen? Hoe moeten wij dat rijmen met elkaar? Nogmaals: is er wel een echt houvast?
Of
is God zo vreemd, zo stil, zo onvatbaar als de leegte tussen de
woorden, de witte ruimte tussen de letters, waardoor de woorden pas mogelijk
zijn, pas kunnen spreken. Jabès probeert een antwoord te vinden
waar God dan te vinden zou zijn. Hij schrijft : "In elk mogelijke
zit iets onmogelijks, dat het bespot. Dit onmogelijke intussen is niet het
onmogelijke. Het is slechts het mislukken van het mogelijke." Dat
klinkt misschien erg abstract, maar er staat dat niets volmaakt is, dat er
steeds een gebrek is, een onvolmaaktheid waardoor er steeds een open einde is.
De dingen zijn niet af. De ervaringen zijn nooit volledig, nooit voor eens en
altijd! De werkelijkheid (die bestaat en die (in principe) mogelijk is) is nooit
af, nooit definitief, nooit volledig te vangen, te beschrijven. Hij
schrijft ook dat het onmogelijke niet te pakken is, het is ergens anders. Net
zoals het wit tussen de woorden niet te pakken valt. "Altijd elders
is het onmogelijke. Dit
onmogelijke is God. Houd niet in je hoogmoed eraan vast, het in iets duurzaam mogelijks
te willen veranderen. Men kan niet ‑ o zwijgen, o niets ‑ tot God
gaan. Men kan hem alleen verlaten, zoals men altijd weer terugkeert tot
zichzelf, met een leeg hoofd en lege handen." Jabès
vergelijkt ons denken met een kaars in een donkere ruimte: "Een
brandende kaars voldoet, om de ruimte van onze gedachten, onze gebaren, onze
schriften te begrenzen. Bitter is onze teleurstelling, niet over de grenzen van
het schijnsel uit te komen. Schrijven is dan niets anders als een beetje licht
om de woorden verspreiden." Werkelijkheid
beleven, hier en nu, bouwt voort op wat gisteren, op wat zonet was. Het hier
en nu beleven wat er is, wat je voelt, denkt, ziet, hoort, kan niet zonder
de woorden en gedachten van gisteren, het kan niet zonder herinnering. Misschien
is de bijbel wel het boek van de Herinneringen! Uit die Herinneringen
kunnen ook wij putten. Er mee aan de slag gaan, ze tot werkelijkheid laten
worden voor ons. Herinnering
van anderen die werkelijkheid wordt in ons leven - herinnering van onze
ouders die gestalte krijgt in ons leven - en zo verder terug in de geschiedenis.
Misschien is leven dan ook wel het gestalte geven aan de herinnering - steeds
weer opnieuw...een voortdurend proces van actueel worden van wat er al was... Geschiedenis
als voortdurende schepping of liefde van God in een nieuwe jas? Wie weet... 2.
Een oosterse christen spreekt over God - Anthony de Mello In
Concilium 1982 nr. 9 trof ik een artikel aan van de leraar/leidsman Anthony de
Mello over de "kennis" of "ervaring" van God. Wat volgt zijn
de woorden van de Mello; hij vertelt zijn verhaal in vijf korte hoofdstukken. I.
Het zaad1 Waarom
is God onzichtbaar? Hij is het niet. Jouw zien is vertroebeld zodat het je niet
lukt Hem te zien. Het bioscoopscherm wordt onzichtbaar als er een film op
geprojecteerd wordt: ofschoon je voortdurend naar het doek kijkt, zie je het
niet omdat je te zeer gepakt bent door de film. De mediterende hindoe zit naar
de punt van zijn neus te kijken, het feit symboliserend dat God vlak voor ons
is, maar onze blik is gericht op iets anders, in de verte. Je hoeft nooit de
punt van je neus te gaan zoeken en vinden. Waar je ook gaat, wat je ook doet,
slapend of wakker, waarheen je je ook wendt, ze is daar vlak voor je ogen. Je
raakt haar nooit kwijt. Het lukt je alleen niet haar te herkennen. Eeuwenlang
hebben de Hindoes van India God gezien als 'dansende' schepping Het buitengewoon
verbazingwekkende is dat de mensen de dans zien en er niet in slagen de Danser
te herkennen. In
het zoeken naar God moet men zich realiseren dat er niets te zoeken of te
bereiken is. Hoe kan je zoeken naar iets dat vlak voor je ogen is? Hoe kan je
bereiken wat je al bezit? Wat we hier nodig hebben, is niet inspanning maar
herkenning. De
leerlingen van Emmaüs hebben de verrezen Heer vlak voor zich, maar hun ogen
moesten geopend worden. De schriftgeleerden en Farizeeën muntten uit in
inspanning en faalden in herkenning. En de mensheid op de laatste dag zal
uitroepen: 'U was met ons en we slaagden er niet in U te zien!' Het zoeken naar
God is dus de poging om te zien. Een
man ziet een v Hou
op met zoeken, hou op met reizen, en je zult arriveren. Je hoeft nergens naartoe
te gaan! Weest stil en zie wat vlak vóór je ogen is. Hoe sneller je reist en
hoe meer inspanning je besteedt aan het reizen, des te waarschijnlijker is het
dat je het spoor bijster raakt. Mensen vragen waar zij God kunnen vinden.
Het antwoord is hier. Wanneer zij Hem zullen vinden. Het antwoord
is nu. Hoe zij Hem zullen vinden. Het antwoord is: wees stil en kijk.2 II.
De rotsachtige bodem We
proberen God te 'zien'. Maar zien we ooit iets? We kijken naar een nieuwe bloem
en vragen: 'Wat is dat;" Iemand zegt: 'een lotus'. Al wat we nu hebben, is
een nieuwe naam, een nieuw etiket, maar we denken ten onrechte dat we een nieuwe
ervaring en een nieuw begrip hebben. Zodra we ergens een naam op kunnen plakken,
denken we dat we iets hebben toegevoegd aan onze voorraad kennis, terwijl we
alleen iets hebben toegevoegd aan onze voorraad etiketten. Toen
God weigerde zijn naam te onthullen aan Mozes of toe te staan dat er een
afbeelding van Hem gemaakt werd verbande Hij niet alleen de afgoderij van de
primitieven die Hem identificeerden met een beeld, maar ook de afgoderij van de
moderne geleerde die Hem identificeert met een idee. Want onze ideeën‑
afgodsbeelden van Hem zijn even zielig inadequaat om Hem te vertegenwoordigen
als afgodsbeelden van steen of klei. Het
woord 'Europeaan' geeft je watertandend enige kennis en absoluut geen begrip van
dit individu dat voor je staat. Je zou hem onrecht doen, als je dacht dat het
woord 'Europeaan' of wat dat aangaat willekeurig welk ander woord of groep van
woorden, je enig begrip gaf van zijn unieke individualiteit. Want het individu
is, evenals God, boven alle woorden, onuitzegbaar. Om
deze boom te 'zien', moet ik het etiket laten vallen, want dat geeft me de
illusie dat ik, omdat ik er een naam voor heb, de boom ken. Ik moet alle
vroegere ervaringen met andere bomen laten vallen (zoals ik alle vroegere
ervaringen met alle andere Europeanen moet laten vallen, als ik eerlijk wil
zijn jegens deze individuele Europeaan hier). Meer nog: ik moet alle vroegere
ervaringen laten vallen die ik ooit gehad heb met deze boom ‑ we zijn
immers allemaal vert En
ervaring kan niet overgedragen worden. Formuleringen zijn overdraagbaar materiaal;
ze hebben weinig waarde. Wat waarde heeft, kan niet overgedragen worden. Het
woord, de religieuze formuleringen, het dogma waren bedoeld als aanwijzingen,
indicatoren, hulpmiddelen om mij te leiden bij mijn benadering van God. Vaak
worden ze de laatste barrière. Zoals wanneer ik een bus neem om naar huis te
gaan en weiger uit te stappen als ik ben aangekomen. Men denkt aan zoveel mensen
die rond en rond lopen in cirkels, omdat hun nooit geleerd is op te houden
met hun conceptualiseren en theologiseren over het goddelijke; die weigeren hun
discursieve reflectie los te laten in het gebed en binnen te gaan in de donkere
nacht, de conceptloze wolk waarover de mystici spreken. Zij gaan door het
leven en verzamelen steeds meer etiketten, zoals een man die steeds meer
materiële bezittingen verzamelt die hij nooit zal gebruiken. De
rivier stroomt vlak voor je ogen en je sterft van dorst, maar je staat erop een
definitie te hebben van water, omdat je ervan overtuigd bent dat je je dorst
niet kunt lessen zonder dat je de juiste formule hebt. Het woord 'liefde' is
niet liefde, en het woord 'God' is niet God. Hetzelfde geldt voor het concept.
Niemand is ooit dronken geworden van het woord 'wijn'. Niemand is ooit verbrand
door het woord 'vuur'. De
mens is meer geïnteresseerd in het bereflecteerde dan in het reële. Hij leeft
dan ook in fictie. En als hij nadenkt over God, leeft hij in godsdienstige
fictie. Hij wordt gefascineerd door zijn ideeën, omdat hij denkt dat ze het
reële weerspiegelen. Zijn spiegels moeten gebroken worden. Echt
voedsel en echt water is nodig om echte honger en dorst te verzadigen.
Voorstellingen van voedsel en drank zijn niet genoeg. De formule H20
zal zijn dorst niet lessen, hoe wetenschappelijk juist ze ook is. Dat geldt ook
voor zijn geloof in God, hoe waar ook. Het maakt van hem misschien een
religieuze fanaticus, maar zal de nood van zijn hart niet verzadigen.3 Is
het een wonder dat de christelijke kerken, omdat zij er niet in geslaagd zijn
dit te begrijpen, geworden zijn als uitgeputte mijnen? Wat er nu uit de mijnen
wordt opgedolven, zijn woorden en formules; en daarvan is de markt overladen.
Maar er is gebrek aan ervaring, en wij christenen worden dan ook een volk van
woorden. We leven van woorden, als een man die zich voedt met de menukaart in
plaats van het voedsel. Het woord 'God', de formules over God, worden voor ons
belangrijker dan de realiteit 'God'. Er is een groot gevaar dat, als we de
werkelijkheid zien in vormen die niet passen bij onze formules, we er niet in
zullen slagen haar te herkennen of haar zelfs zullen afwijzen uit naam van onze
formules.4 III.
De goede aarde Deze
houding is het best te zien in de soort theologie‑scholen die wij
christenen drijven. Men zou verwachten dat deze scholen mensen afleveren die de
dorst van de moderne mens naar God lessen. Maar het zijn kopieën geworden van
wereldlijke scholen. Ze hebben professoren in plaats van meesters en ze bieden
geleerdheid in plaats van verlichting. De professor doceert, de meester wekt op.
De professor biedt kennis aan; de meester biedt onwetendheid aan, want hij
vernietigt kennis en schept ervaring; hij biedt je kennis aan als voertuig om je
er meteen weer uit te sleuren zodra de tijd komt dat kennis herkenning in de weg
staat. Wereldlijk
leren wordt verworven door reflectie, nadenken, praten. Godsdienst wordt geleerd
door stille meditatie (In het Oosten betekent meditatie, 'dhyan', niet
reflectie, zoals in het Westen, maar het tot zwijgen brengen van alle reflectie
en gedachten). De wereldlijke school levert geleerden af. De godsdienstige
school mediteerders. Tragischerwijze veranderen de meeste christelijke scholen
voor theologie de godsdienstige geleerde in de wereldlijke geleerde. De
wereldlijke school tracht dingen te verklaren en schept kennis. De
godsdienstige school leert ons de dingen zodanig te beschouwen dat er verwondering
ontstaat. De mens heeft diep gewortelde onwetendheid. Zijn wereldlijke leren
neemt deze onwetendheid niet weg ‑ maakt die meer verborgen, geeft hem de
illusie van kennis. In de godsdienstige school wordt deze onwetendheid naar
voren gebracht en blootgelegd, want daarbinnen moet het goddelijke gevonden
worden. Maar christelijke scholen die dit doen, zijn zeldzaam; al te vaak wordt
de onwetendheid begraven onder steeds meer godsdienstige kennis. De
christelijke godsdienstige school moet dus technieken ontwikkelen om kennis te
gebruiken als middel om onwetendheid bloot te leggen, om het woord zo te
gebruiken dat het zal leiden tot stilte. Zoals de 'mantra' of 'bhajan' in India,
waarbij het woord of de formule eerst begrepen wordt met de geest, daarna
eindeloos wordt herhaald, totdat er een stilte is geschapen waardoor de formule
wordt overgebracht van de geest naar het hart en de diepere betekenis ervan
gevoeld wordt ver boven alle woorden en formules uit. Godsdienststudenten moeten
zo geoefend worden, dat als zij lezen of naar het woord luisteren, hun hart
onophoudelijk afgestemd is op het 'woordeloze' dat klinkt in het woord. Zij
moeten door een strenge discipline heengaan totdat hun geest tot rust is
gebracht en zij leren in stilte 'de dingen te overwegen in hun hart.5 Godsdienststudenten
zullen hun bijbel lezen. Maar om de andere pagina van die bijbel zal blanco
zijn, om aan te geven dat gewijde woorden bedoeld zijn om stilte te scheppen
en te verdiepen, een stilte die verrijkt wordt door de heilige woorden, zoals de
rijke stilte die volgt op het slaan op een tempelgong. Zij zullen evenveel tijd
besteden aan de blanco pagina's in hun bijbel als aan de tekst, omdat zij alleen
zo in staat zullen zijn de tekst te verstaan. Want de bijbel kwam voort uit die
blanco pagina's, uit mannen en v IV.
De bloem De
bijbel leert ons dat geen mens God kan zien en in leven kan blijven. Als de
geest tot stilte is gebracht, wordt God gezien en sterft het eigen ik. De
meesters van het Oosten stemmen hiermee in: als stilte het hart binnenkomt,
sterft het eigen ik. Hoe? Niet door vernietiging maar door 'visie'. In de stilte
van het zwijgen 'ziet' men dat het eigen ik een illusie is. De psychoticus die
dacht dat hij Napoleon was, wordt genezen als hij 'ziet', zich realiseert dat
zijn Napoleon‑ik een illusie is. De mens wordt genezen als hij 'ziet',
ervaart, dat zijn ik‑als‑centrum, zijn ik‑als‑apart,
'maya' is, illusie. Het
is alsof de dans tot zichzelf zou komen en 'zien' dat ze geen centrum heeft,
geen bestaan los van de danser; dat ze helemaal geen 'zijnde' is, maar een
actie. Alleen de danser is zijnde. Alleen de danser bestaat. De dans niet; ze
is‑in‑de‑danser. God zei tot Caterina van Siëna: 'Ik ben Hij
die is. Jij bent zij die niet is.' Als je binnengaat in de stilte, ervaar je dat
je niet bent; het centrum is niet langer in jou; het is in God; jij bent de
periferie. Men herinnert zich de machtige woorden, toegeschreven aan meester
Eckhart: 'Slechts éen wezen heeft het recht, het persoonlijk voornaamwoord 'ik'
te gebruiken: God!' Degene
die dit ervaart, wordt een ontwaakte. Hij wordt een 'niemand', een leegte, een
'incarnatie' waardoorheen het goddelijke schijnt en handelt. De dichter, de
schilder, de musicus ervaart soms geïnspireerde momenten waarop hij zichzelf
schijnt te verliezen en een creatieve activiteit door zich heen voelt stromen
waarvan hij meer het kanaal is dan de bron. Wat hij op deze wijze ervaart,
ervaart de ontwaakte in zijn leven. Hij is actief, maar niet langer de acteur.
Zijn handelingen worden gebeurtenissen. Hij ervaart zichzelf als dingen doende
die tegelijkertijd niet door hem gedaan worden: ze schijnen via hem te
gebeuren. Zijn inspanningen gaan zonder inspanning, zijn werk wordt spel, een
'leela', een goddelijke sport. Kan het anders als hij zichzelf ervaart als een
dans die gedanst wordt door het goddelijke, als een holle fluit waardoor Gods
muziek stroomt? V.
De vrucht Als
stilte de dood van het ik voortbrengt, wordt liefde geboren.
De ontwaakte ervaart zichzelf als anders, maar niet apart van andere mensen en
van de rest van de schepping. Want er is maar één Danser en heel de
schepping vormt één dans. Hij ervaart ze alle als zijn 'lichaam', zijn ik. Hij
bemint dan ook alle mensen zoals hij zichzelf bemint. Hij
gaat niet noodzakelijkerwijze uit om te dienen. Hij weet dat iedereen die tracht
te dienen, in het gevaar verkeert te worden zoals zoveel 'liefdadige' mensen die
helemaal niet religieus zijn; zij zijn schuldig; goed‑doeners die
zich altijd bemoeien met het leven van anderen. Het
is helaas mogelijk je goederen te geven om de armen te voeden en je lichaam te
laten verbranden en toch nog de liefde niet te hebben. De beste manier om
de wereld te dienen is dat JIJ verdwijnt. Dan word je een voertuig van het
goddelijke. Dan zal dienst spontaan gebeuren, maar alleen als het goddelijke je
ertoe drijft. Het zou je er evengoed toe kunnen drijven liederen te zingen of je
terug te trekken in de woestijn, en de hele wereld zal verrijkt worden door jouw
liederen of door jouw stilzwijgen, in plaats van gekwetst te worden door jouw
dienst.6 In
wat je ook doet, dienst of stilzwijgen of lied, je zal totaal opgeslorpt worden,
want je 'ik' zal niet langer in de weg staan en je zal aan elke activiteit heel
je wezen geven. Dit is godsdienst op zijn hoogtepunt. Niet zitten in
eenzaamheid, niet zingen van gebeden, niet naar de kerk gaan, maar het leven
ingaan. Elke handeling van je vloeit nu voort uit stilte, uit een tot zwijgen
gebracht ik. Elke handeling van je is nu meditatie geworden. Christelijk
handelen is tegenwoordig in gevaar, voort te vloeien uit praten en reflectie,
meer dan uit stilte. Christendom is in het gevaar een pratende en denkende
godsdienst te worden. Over de eucharistie wordt gesproken als over een
celebratie (feestelijk vieren), maar is meestal een cerebratie (vanuit
het verstand spreken) geworden‑ de priester spreekt tot het volk, het
volk spreekt antwoorden tot de priester of tot elkaar, en priester en volk
spreken tot God. Als we van godsdienst weer een celebratie zouden willen maken,
moeten we minder denken en minder spreken, en meer zwijgen en dansen.7 (Uit
het Engels vertaald door H. Wagemans) NOTEN: 1.
Steeds meer christenen in het Westen keren zich naar het Oosten voor leiding in
het gebed. Dit artikel probeert hun te laten zien wat het Oosten hun kan Ieren
‑ of liever wat het hun kan helpen herontdekken in hun eigen traditie. 2.
Een oosters verhaal gaat over een oceaan‑vis die op zoek gaat naar de
oceaan; waar de vis ook heengaat, hij vindt geen spoor van de oceaan, alleen
maar water! 3.
Een Arabische mysticus vertelt over een man die in de woestijn dreigt te sterven
van honger; in de verte ziet hij een zak en rent erheen, in de hoop dat ze iets
eetbaars bevat, maar ze zit vol edelstenen. 4.
Een soefi‑meester zegt: 'Een ezel die gehuisvest wordt in een bibliotheek,
wordt niet wijs. Zo heeft al mijn godsdienstige kennis mij niet beter gemaakt,
zoals een verlaten plek ook niet vruchtbaar wordt doordat er een schat in
begraven ligt.' 5.
Een regeerder vroeg de grote Rinzai naar het geheim van godsdienst in een woord.
'Stilzwijgen,' zei Rinzai. 'En hoe komt iemand tot stilzwijgen?' 'Door
meditatie.' 'En wat is meditatie?' 'Stilzwijgen.' 6.
'Neem me niet kwalijk,' zei de aap terwijl hij de protesterende vis op een
boomtak legde. 'Ik zorg er alleen maar voor dat je niet verdrinkt.' Dienst kan
vermoorden! 7.
Aan een goeroe werd door een leerling gevraagd hoe hij God bereikt had, en hij
antwoordde: 'Door het hart wit te maken met stille meditatie, niet door papier
zwart te maken met godsdienstige opstellen.' Noch, mogen we hieraan toevoegen,
door de lucht dik te maken met geestelijke gesprekken. 'Zijn
de dagen van God geteld?' Zo luidt de titel van een boek dat ik onlangs in handen
kreeg. 'Geloof en vert De
schrijvers van het laatste boek vragen zich af of geloof en vert De
schrijvers van het eerste boek geven de stand van zaken weer op hun eigen
vakgebied, dat van de theologie en de ethiek. Is er in de nabije toekomst nog
wel ruimte om in God te geloven, laat de 'maakbare samenleving' die velen voor
ogen staat nog een plaatsje over voor het religieuze bewustzijn? Of staat alles
in het teken van een nieuwe 'moderniteit' , het volslagen nieuwe ook en
vooral op technisch gebied? Ik
kan mij zo voorstellen dat over 50 jaar de wereld volslagen is veranderd: de
computertechnologie verbindt iedereen met iedereen, ons woonhuis is een groot
informatiescherm geworden dat zelfs op het toilet kan worden geraadpleegd;
voor elke kortstondige ziekte, elk gevoel van onbehagen slikken we een
pilletje of een drankje en een 'vreugdevolle en opgewekte' stemming keert terug.
Niemand lijdt meer honger, want er zijn genoeg vervangende middelen, weliswaar
kunstmatig, maar het werkt, de honger is voorbij. Er is ook geen oorlog meer
want de wapens zijn zo geavanceerd dat toepassing onmogelijk wordt zonder zelf
veel schade te ondervinden. Ook is er geen verplicht werken meer want het meeste
wordt door robots gedaan. De mensen vullen hun tijd met leren,
informatie‑uitwisseling en reizen. Maar dat laatste is eigenlijk niet meer
echt nodig want in je huiskamer kun je de mooiste landschappen en steden
tevoorschijn toveren. En de kerk? De godsdienst? Die
komt ook aan huis, via het scherm, een opwekkend praatje in de ochtend, om bij
de les te blijven, en in de avond om kort alles op een rij te zetten, want men
heeft inmiddels ontdekt dat die 'oude gewoonten' van ochtend‑ en
avondgebed nog niet eens zo slecht zijn. En Jezus, die spreekt ons toe vanaf de
huiskamermuur, omringd met leerlingen en al, in de setting van 2000 jaar
geleden. Maar
het zullen waarschijnlijk niet de woorden van de bergrede zijn. Die zal men
beschouwen als achterhaald. En ook
niet de woorden van de profeet Jesaja over het Rijk van God, want dat hoeft niet
meer aan te breken. Iedereen is tevreden. Zijn
de dagen van God geteld? Ja, die zijn geteld, in een samenleving waar alleen het
genoegen, de lust en de bevrediging tellen. God speelt niet meer mee, hij staat
buiten spel waar alles voor de wind gaat. Maar
de dagen van God zijn niet geteld, in een samenleving waar verdriet, Is
er nog geloof en vert Want
'maakbaar' of niet, onze wereld en onze daden blijven ambivalent. Met veel goede
bedoelingen kunnen toch veel mensen ongelukkig worden gemaakt. Dat gebeurt bijna
elke dag. Wij
mensen blijven sterfelijk, wij blijven kwetsbaar en het grootste geschenk dat
wij van God hebben gekregen is onze taal, de woorden waarmee wij onze menselijke
vrijheid kunnen uitdrukken en gestalte geven. We kunnen en mogen
'nee' zeggen, zelfs tegen God. Dat
is het risico dat God wilde lopen (en nog steeds loopt) toen hij een begin
maakte met de schepping van de mens. Deze vrijheid is kostbaar. Zij is tevens de
garantie dat de mens zijn leven zal kunnen leiden in het voetspoor van Gods
aanwijzingen, de tien geboden. De rest is eigenlijk opsmuk, versiering, maar
zeker géén noodzaak. "Alle
lust wil diepe, diepe eeuwigheid" , schreef de dichter Goethe eens. Maar
het is slechts God die in de bijbel 'de Eeuwige' wordt genoemd. Buiten
Hem leiden alle wegen slechts naar kortstondig geluk want de mens is niet in
staat om aan zijn leven 'eeuwige' zin te geven en daarmee 'eeuwig
geluk'. De
mens staat niet aan zijn eigen wieg ‑ in dit leven geworpen zal hij
tastend en moeizaam zijn weg moeten ontdekken naar een zinvol en waardevol
leven. Zijn medemensen kunnen hem hierbij behulpzaam zijn, zij kunnen het goede
voorbeeld geven, net als de 'zeldzame' mensen die in de situatie van Auschwitz
met de dood voor ogen toch nog hun brood durfden te delen, die in het aangezicht
van de gaskamer uitriepen dat ze op God bleven vert Is
er nog vrijheid in 2050, of anders uitgedrukt is er nog geloof en vert Menselijkheid
is niet alleen een kwestie van mensen; humanisme is voorwaarde en
noodzaak voor een menselijke samenleving, maar het is niet genoeg; de
onmenselijkheid vormt maar al te vaak een te hoge muur. Dat
laat het verhaal over de uittocht van Egypte zien, onder leiding van Mozes, de
uittocht uit het slavenland, het land van de angst. Zonder aanmoediging van de
kant van God, zonder diens hulp zou er géén sprake geweest zijn van een nieuw
Israël, en een Jezus van Nazareth. Dan zou de hoop die eeuwenlang in de harten
van de mens is gezaaid al lang zijn verstikt, doodgebloed; de wereld zou een
groot concentratiekamp zijn. Wij mensen moeten het zelf doen, maar wij hebben
een steuntje in de rug nodig, we hebben verhalen, beelden nodig die ons op de
been houden. En al zou God alleen maar een 'idee', een beeld zijn, maar
een beeld dat ons in leven houdt, het zou (misschien) genoeg zijn. Het
meest vluchtige en vergankelijke, het meest vage en onduidelijke, het meest
kortstondige en relatieve blijkt misschien wel de meeste eeuwigheidswaarde te
bezitten ‑ want zeggen wij niet telkens weer opnieuw: 'maak geen beeld,
geen afbeelding van God, zo gauw je Hem vastlegt maak je Hem machteloos'. God
is onzichtbaar, onkenbaar en alles overstijgend wat een mens kan bedenken.
Misschien is dat wel zijn grootste kracht, dat wij mensen het helemaal zelf
mogen uitzoeken, dat wij zelf het lot van de wereld in handen hebben gekregen.
Hoeveel vrijheid, hoeveel geluk is er dan niet mogelijk? Daar
kan niemand ooit genoeg van krijgen, vrijheid als stromen levend water, vrijheid
als eeuwig licht, vrijheid als onbeperkte liefde, dat is God. Dat is een
geschenk van God aan ons mensen, voor ieder van ons bereikbaar, ook in 2050. God
heeft vele namen, ook in de bijbel. Een van die namen is God als leven
gevende adem. God geeft adem aan alles wat leeft, ook aan de mens. Misschien
zou je ons als mensen daarom kunnen beschouwen als een stukje God. Jezus
noemde God zelfs 'Vader'. Dat wil zeggen dat hij een heel speciale en intieme
band met Hem voelde. Misschien is het wel 'n deel van de taak van de mens om
in het leven te ontdekken wie God voor hem/haar is en wie hij/zij als mens
voor God is en voor de naaste medemens. Want
God en mens horen voor de gelovige mens bij elkaar als onverbrekelijke delen
van één geheel. Maar dat moet je ontdekken, daar is veel tijd en vooral
veel goede wil voor nodig. Misschien ben je daar wel een heel leven mee
bezig: deze ontdekkingstocht naar God en daaronder verborgen de ontdekkingstocht
naar wie je zelf bent. Wij
mensen hebben God vele namen gegeven. Elke naam drukt iets bijzonders uit, iets
specifieks, en vaak ook iets persoonlijks. Toch zijn wij eigenlijk allemaal
kinderen van dezelfde God ongeacht hoe wij staan ten opzichte van Hem. In
onze gelovige taal kennen wij ook veel verhalen over God en de mens, verhalen
die sleutels kunnen zijn tot het verstaan van ons leven. Maar vaak passen die
sleutels niet altijd op de situaties in ons leven. Zo moet je niet met
bijbelverhalen aankomen als een soort compendium (antwoordboek) voor alle
levensvragen. Zo makkelijk ligt dat niet. 'Verhalen'
wil ook zeggen zin zoeken, zin leren ontdekken, antwoorden zoeken die weer
nieuwe vragen oproepen. En wat blijkt dan: het leven staat niet stil, er is
verandering, en ook de betekenissen veranderen, de mens verandert en óók God
verandert. Als je dan als mens zegt dat jij de enige én juiste betekenis hebt,
zeg je eigenlijk met andere woorden dat jij het beste en de slimste bent ‑
veel slimmer en beter dan al die andere mensen om je heen en de mensen die voor
jou hebben geleefd en gesproken. Je
vergeet dat je ook maar een stukje van het geheel bent, en dat je echt niet
alles kunt overzien of doorzien. En als je slechts één klein stukje van het
geheel bent, als je leven en alles wat je meemaakt slechts een 'milli‑milli‑milliseconde'
(en nog veel kleiner) is op de tijd van het ontstaan van de kosmos dan hoef je
echt geen grote pretenties overeind te houden. Maar
toch ben je ook een stukje van God, geboren uit zijn adem en daarom een stukje
God in jou zelf. Als we daar nou eens zouden starten, bij dat besef dat je een
stukje God in je hebt, en die ervaring met elkaar delen en uitdiepen.Dan zouden
er heel wat minder woordenwisselingen plaatsvinden die te vaak uitlopen op
intolerantie en bloedvergieten. Kenmerkend
voor een mens is dat hij kan huilen. Er is geloof ik geen dier bekend dat tranen
huilt van verdriet. Alleen de mens is daartoe in staat. Hoe zou het met God
zijn? Zou hij kunnen huilen? Misschien zijn de zoute zeeën wel de tranen van
God: vergoten om zoveel onbegrip en hardvochtigheid aan de kant van de mens,
zijn dierbaarste schepsel? Vrijheid
wordt vaak begrepen als vrij van uiterlijke dwang, van plichten en moeten. Maar
"ware vrijheid is altijd innerlijke vrijheid", vrij van innerlijke
dwang, van behoeftes en verlangens. Niet dat verlangens en behoeftes verkeerd
zijn, maar ze kunnen je van het doel afleiden, het doel van je leven. "Wat
is dat doel dan?", zult u misschien vragen, "wat kan een doel zijn
waar je jouw verlangens en je behoeftes voor opzij schuift?" Opzij
schuiven is eigenlijk niet het juiste woord, eigenlijk komt het erop aan dat je
jouw leven niet vollédig laat bepalen door je verlangens, maar dat je er de
baas over blijft. Als
je de maag zijn gang laat gaan blijf je eten, als je een kind alles toestaat wat
het verlangt dan krijg je een vreemd soort mens ‑ dát kind zal nauwelijks
uit kunnen groeien tot een evenwichtige persoonlijkheid. Wat
kan een nastrevenswaardig doel zijn in een mensenleven? Een
goede carrière? Een goed inkomen, van alle materiële zorgen vrij? Natuurlijk dát
kan, tallozen streven tegenwoordig níets anders na en offeren al hun vrije tijd
en hun creativiteit op aan de zaak of het werk waar zij betrokken zijn. Maar
brengt dit doel ook 'geluk'? Misschien
is het woord 'geluk' een te groot woord, maar ik geloof dat wij op de een of
andere wijze toch proberen om in dit (soms korte) leven gelukkig te worden. En
als werk, een huis, een carrière niet altijd genoeg geluk verschaffen om jezelf
'gelukkig' te kunnen noemen, wat kan dán een nastrevenswaardig doel in je leven
zijn? Misschien
moeten wij het antwoord wel dieper in ons zelf zoeken? In de trant van: "gelukkig
word je pas als je ontdekt wie jezelf ten diepste bent, en als je in die ontdekking
mag ervaren dat je als mens geschapen bent naar de ander toe". Ik
zet deze zin bij voorkeur tussen aanhalingstekens omdat ze geïnspireerd is door
de woorden van de mystici. Zij stellen dat in elk mens een kern aanwezig is, een
kern van liefde die daar door God is neergelegd, een kern ook die je als mens op
de been houdt, die onaantastbaar is voor hen die je willen bedreigen, (Abel
Herzberg zegt ongeveer hetzelfde in zijn boek Amor Fati, een neerslag van zijn
concentratiekampervaringen). Die
innerlijke kern van liefde is de oorzaak ervan dat je als mens vol verlangen zit
naar de ander, verlangen naar acceptatie en naar liefde. Ontdekking van die
eigen kern is een wonderlijke ervaring. Een gevoel van grote vrijheid, want
niets kan je uiteindelijk echt bedreigen. Puur geluk! "Maar
waarom ontdekken wij die kern dan zo moeilijk, of met andere woorden waarom zijn
wij niet allemaal gelukkig?", zult u misschien vragen. Omdat
wij bang zijn. Omdat in ons leven ook een tegengestelde kracht aanwezig is, als gevolg
van onze geschapenheid, omdat wij ook lichamelijk zijn. Je zou het een soort
oerdrang, een instinct om te overleven kunnen noemen, de angst om te kort te
komen. De
mystici zeggen dat deze twee grote krachten, de innerlijke liefde, en de angst
om te verliezen voortdurend in gevecht zijn met elkaar. Echt vrij kun je pas
worden als je de oerkracht die de angst voedt, in toom kunt houden. De
mystici zeggen níet dat de ene kracht helemaal moet verdwijnen, dat is
onmogelijk, dat vindt waarschijnlijk pas plaats bij onze dood, als wij ons
lichaam moeten verlaten; maar zij pleiten voor een sterke zelfbeheersing, een
zoektocht ook in je leven naar de diepe innerlijke kern van liefde. En
dát is het fijne, als je die kern gevonden hebt, ontdek je niet alleen hoe vrij
je eigenlijk bent, maar ook hoe die liefde iedereen en alles doortrekt. Dat is
het getuigenis van de mystici. Misschien
wordt het ook ons getuigenis, onze vrijheid, als wij maar durven, als wij onze
angst om te verliezen kunnen loslaten. Wie weet dan hoeveel liefde en geluk wij
kunnen verspreiden, hoeveel macht in onze handen is gelegd om het goede te doen;
alvast een goede zoektocht gewenst. "Fernando
Silva leidt het kinderziekenhuis in Managua. Op de avond voor Kerstmis had hij
tot heel laat doorgewerkt. De vuurpijlen knalden al en vuurwerk begon de hemel
in kleurig licht te zetten, toen Fernando besloot om weg te gaan. Thuis werd er
op hem gewacht om het feest te vieren. Hij maakte een laatste ronde langs de
zalen om te zien of alles in orde was. En
terwijl hij daarmee bezig was, hoorde hij voetstappen die hem volgden.
Voetstappen van watten: hij draaide zich om en zag dat een van de zieke kinderen
achter hem aanliep. In het halfdonker herkende hij hem. Het was een jongetje dat
alleen was. Fernando herkende zijn reeds door de dood getekende gezichtje en die
ogen die excuus vroegen of misschien toestemming. Fernando
ging naar hem toe en het jongetje raakte zijn hand aan: 'Zeg
tegen...,'
fluisterde hij, 'zeg tegen iemand dat ik hier ben...'" Uit:
Eduardo Galeano, Het boek der omhelzingen, Novib 1991 'Zeg
tegen iemand dat ik hier ben...' Deze
woorden sneden door mijn ziel toen ik dit kleine verhaal las op de achterkant
van het decembernummer van Jota, een bijbels tijdschrift. Waarom
raakten ze me zo diep, zelfs tot tranen toe? Identificeerde
ik me misschien met het kleine jongetje die daar alleen was, en die toch durfde
vragen om een beetje aandacht? Of was het eerder met de arts, de laatste
persoon in het gebouw die nog langskwam? En
als ik zo diep geraakt wordt, dan moet er iets in mij zijn dat zich raken laat,
dat geraakt kan worden door deze indringende woorden. Wat is dat dan? Hoe
heeft de arts gereageerd? Er wordt niets over gezegd in het verhaal. Maar hoe
zou ik zelf reageren? Thuis zou er op me gewacht worden. De werktijd zat
erop met overuren en al en dan deze stille zachte stem. Misschien
spreekt God wel zo tot ons, onverwacht, vanuit het zwakke, vanuit de
zwakke mens. Misschien kijkt de hemel mee hoe we reageren, of we de stem
verstaan, of we het antwoord geven dat gevraagd wordt van ons? Wie weet. Ik
ben vaak geneigd het laatste te geloven. Ik geloof dat God zo tot
ons kan spreken, rechtstreeks, recht tot in onze ziel. Dan is er eigenlijk géén
ontsnappen meer. Want elke ontsnapping veroorzaakt heel veel pijn: bij de mens
die je links laat liggen en bij jezelf, diep in je ziel, omdat je geen antwoord
gaf waardoor een mens "gered" werd voor dat moment. 'Zeg
tegen iemand dat ik hier ben...' De
woorden laten me niet los. En dat is goed zo. Zo houd ik de ontroering vast,
vergeet ik niet, dat ik nodig ben. Óók dat is goed. Want leven doe je altijd
samen, altijd met het oog óók op de ander! Nooit zal dat laatste anders zijn.
Zo is het goed. Partnerschap
tussen God en mens Vriendschap
tussen gelijken Jij
en Ik, Ik en Jij Gesprek Dialoog dat
is wat wij leren uit
de ontmoeting tussen God en Mozes God
en Elia God
en Samuël God
en Jezus En
God spreekt de
mens antwoordt De
mens spreekt vraagt smeekt God
geeft antwoord zwijgt stilte de
stilte als Aanwezigheid |