roos
Start Omhoog roosbeeld roosgedicht rosegarden

                 


R.M.Rilke: De rozen

Weergave Nederlands: Maria de Groot

 

 

1.

Si ta fraîcheur parfois nous étonne tant,

heureuse rose,

c'est qu'en toi-même, en dedans,

pétale contre pétale, tu te reposes.

 

Ensemble tout éveillé, dont le milieu

dort, pendant qu'innombrables, se touchent

les tendresses de ce coeur silencieux

qui aboutissent à l'extrême bouche.

 

Hoe komen wij zo verwonderd

over je frisheid, roos van geluk?

Omdat je bloembladsgewijze

in jezelf rust.

 

Wakker sta je maar in je midden

slaap je. De talloze tederheden

van je roerloze hart

vloeien je naar de lippen.

 

2.

Je te vois, rose, livre entrebâillé,

qui contient tant de pages

de bonheur détaillé

qu'on ne lira jamais. Livre-mage,

 

qui s'ouvre au vent et qui peut être lu

les yeux fermés...,

dont les papillons sortent confus

d'avoir eu les mêmes idées.

 

Ik zie je openkieren, roos,

boek zo vol bladen

verfijnd geluk,

dat niemand het ooit lezen zal. Toverboek,

 

dat zich opent op de wind om te worden gelezen

met gesloten ogen ...,

waar vlinders van opfladderen, verward

dezelfde ideeën te hebben gehad.

 

3.

Rose, toi, ô chose par excellence complète

qui se contient infiniment

et qui infiniment se répand, ô tête

d'un corps par trop de douceur absent,

 

rien ne te vaut, ô toi, suprême essence

de ce flottant séjour;

de cet espace d'amour où à peine l’on avance

ton parfum fait le tour.

 

Roos, jij, o allermeest volledige

die zich eindeloos inhoudt

en openvouwt eindeloos, o hoofdje

van een Lichaam dat in zoetheid vervliegt,

 

niets is je waardig, jij verheven levensadem

van dit verwijlende;

dit liefdedomein, het wordt nauwelijks betreden

of je geur is alom.

 

4.

C'est pourtant nous qui t'avons proposé

de remplir ton calice.

Enchantée de cet artifice,

ton abondance l'avait osé.

 

TU étais assez riche, pour devenir cent fois toi-même

en une seule fleur;

c'est l'état de celui qui aime ...

Mais tu n'as pas pensé ailleurs.

 

Toch zijn wij het die je hebben aangezegd

je kelk te vullen.

Betoverd door dit vermogen

greep je in weelde boven je uit.

 

Je was rijk genoeg om honderd maal jezelf te worden

in een enkele bloem;

zo kan het wie liefheeft gaan ...

Maar het is voor jou vanzelfsprekend.

 

5.

Abandon entouré d'abandon,

tendresse touchant a w tendresses...

C'est ton intérieur qui sans cesse

se caresse, dirait-on;

 

se caresse en soi-même,

par con propre reflet éclairé.

Ainsi tu inventes le thème

du Narcisse exaucé.

 

verlatenheden die elkaar omgeven,

tederheid die aan tederheden raakt...

Het is alsof je binnenste onverpoosd

zichzelf liefkoost;

 

zich innerlijk liefkoost

in wederkerige weerschijn.

Zo ontdek je het thema

van de verhoorde Narcissus.

 

6.

Une rose seule, c'est toutes les roses

et celle-ci: l'irremplaçable,

Ie parfait, le souple vocable

encadré par le texte des choses.

 

Comment jamais dire sans elle

ce que furent nos espérances,

et les tendres intermittences

dans la partance continuelle.

 

Een enkele roos is al de rozen

en deze ene: de onvervangbare,

de volmaakte, het wiegende woord

door al het zijnde omlijst.

 

Hoe zouden we zonder haar ooit

kunnen uitspreken wat wij hoopten

en wat ons teder heeft onderbroken

in het voortdurend vertrek.

 

7.

T'appuyant, fraîche claire

rose, contre mon mil fermé -,

on dirait mille paupières

superposées

 

contre la mienne chaude.

Mille sommeils contre ma feinte

sous laquelle je rôde

dans l'odorant labyrinthe.

 

Als ik jou, sprankelend frisse roos,

tegen mijn gesloten oog aan houd -,

lijken het wel duizend oogleden

over elkaar

 

tegen het mijne dat warm aanvoelt.

Duizend maal slaap tegen dichterlijk dromen

dat mij laat zwerven

in doolhof van geur.

 

8.

De ton rêve trop plein,

fleur en dedans nombreuse,

mouillée comme une pleureuse,

tu te penches sur le matin.

 

Tes douces forces qui dorment,

dans un désir incertain,

développent ces tendres formes

entre joues et seins.

 

Te vol van je droom,

bloem, talrijk van binnen,

doorweekt als een klaagvrouw,

hel je over naar ochtend.

 

Je zachte krachten die slapen

in onzeker verlangen

geven vorm aan dit tedere

tussen wang en borst.

 

9.

Rose, toute ardente et pourtant claire,

que l'on devrait nommer reliquaire

de Sainte-Rose ..., rose qui distribue

cette troublante odeur de sainte nue.

 

Rose plus jamais tentée, déconcertante

de son interne paix; ultime amante

si loin d'Ève, de sa première alerte -,

rose qui infiniment possède la perte.

 

Roos, volkomen doorgloeid en toch helder,

die reliekschrijn van Sint Rosa

heten mocht ..., roos die bedwelmende

geur verspreidt als omwolking heilig.

 

Roos, nooit meer verzocht, overweldigend

van innerlijke vrede, liefste verkorene

zo ver van Eva, van haar eerste misgreep -,

roos die het verlies oneindig te boven gaat.

 

10.

Arnie des heures où aucun être ne reste,

où tout se refuse au coeur amer;

consolatrice dont Ia présence atteste

tant de caresses qui flottent dans l'air.

 

Si l'on renonce à vivre, si l'on renie

ce qui était et ce qui peut arriver,

pense-t-on jamais assez à l'insistante amie

qui à côté de nous fait son oeuvre de fée.

 

Vriendin van uren dat geen levend wezen rest,

dat alles het bitter hart tegenstaat,

troosteres, van wie zoveel luchtige liefkozingen

getuigen dat zij er is.

 

Wie het opgeeft te leven, wie ontkent

wat was en wat kan gebeuren,

denkt nooit genoeg aan de volhardende vriendin

die naast ons haar feeërieke werk verricht.

 

11.

J'ai une telle conscience de ton

être, rose complete,

que mon consentement te confond

avec mon ceur en fête.

 

Je te respire comme si tu étais,

rose, toute la vie,

et je me sens l'ami parfait

d'une telle amie.

 

Ik ben mij zo bewust van je wezen,

volkomen roos,

dat ik je beaam en verwar

met mijn eigen hart in tooi.

 

ik adem je in alsof jij, roos,

heel het leven was

en ik voel me zo volmaakt de vriend

van een vriendin als jij.

 

12.

Contre qui, rose,

avez-vous adopté

ces épines?

Votre joie trop fine

vous a-t-elle forcée

de devenir cette chose

armée?

 

Mais de qui vous protège

cette arme exagérée?

Combien d'ennemis vous ai-je

enlevés

qui ne la craignaient point.

Au contraire, d'été en automne,

vous blessez les soins

qu'on vous donne.

 

Tegen wie, roos,

hebt u zich gewapend

met deze dorens?

Dwong uw fijngevoeligheid u

tot harnas

te worden?

 

Maar tegen wie

moet dit teveel u beschermen?

Van hoeveel vijanden heb ik u

bevrijd

die deze wapenrusting niet vreesden?

integendeel, van zomer tot herfst

kwetst u hen die u met hun zorgen

omringen.

 

13.

Préfères-tu, rose, être l'ardente compagne

de nos transports présents?

Est-ce le souvenir qui davantage te gagne

lorsqu'un bonheur se reprend?

 

Tant de fois je t'aivue, heureuse et sèche,

- chaque pétale un linceul

dans un coffret odorant, à côté d'une mèche,

ou dans un livre aimé qu'on relira seul.

 

Verkies jij, roos, onze vurige gezellin te zijn

in vervoeringen die wij nu beleven?

Of is het eerder herinnering die je trekt

als het geluk verkeert?

 

Zoveel malen heb ik je gezien, gedroogd en gelukkig,

-elk bloemblad een lijkwa -

in een geurend kistje, naast een haarlok,

of in een lievelingsboek

dat men eenzaam herlezen zal.

 

14.

Été: être pour quelques jours

le contemporain des roses;

respirer ce qui flotte autour

de leurs âmes écloses.

 

Faire de chacune qui se meurt

une confidente,

et survivre à cette soeur

en d'autres roses absente.

 

Zomer: voor enkele dagen

tijdgenoot van de rozen zijn;

inademen wat zweeft rond

hun ontloken zielen.

 

Van elk die sterft

een vertrouwelinge maken

en deze afwezige zuster

overleven in andere rozen.

 

15.

Seule, ô abondante fleur,

tu crées ton propre espace;

tu te mires dans une glace

d'odeur.

 

Ton parfum entoure comme d'autres pétales

ton innombrable calice.

Je te retiens, tu t'étales,

prodigieuse actrice.

 

Alleen, o weelderige bloem,

schep je je eigen ruimte;

je spiegelt je in glas

van geur.

 

Je parfum omkranst als bloemblad doet

je kelk veelvuldig.

ik weerhoud je, jij vertoont je,

wonderbaarlijke actrice.

 

16.

Ne parlons pas de toi. Tu es ineffable

selon ta nature.

D'autres fleurs ornent la table

que tu transfigures.

 

On te met dans un simple vase -,

voici que tout change:

c'est peut-être la même phrase,

mais chantée par un ange.

 

Laten wij niet van jou spreken.

Jij bent onuitsprekelijk van nature.

Andere bloemen sieren de tafel,

jij tovert haar om.

 

In een simpele vaas gezet

verander je alles op slag:

misschien is het dezelfde zin,

maar gezongen door een engel.


17.

C'est toi qui prépares en toi

plus que toi, ton ultime essence.

Ce qui sort de toi, ce troublant émoi,

c'est ta danse.

 

Chaque pétale consent

et fait dans le vent

quelques pas odorants

invisibles.

 

Ô musique des yeux,

toute entourée d'eux,

tu deviens au milieu

intangible.

 

Jij bent het die in jou bereidt

wat meer is dan jezelf, je ware wezen.

Wat uitgaat van jou, deze ontroering die vervoert,

het is je dans.

 

Elk bloemblad stemt in

en zet in de wind

een paar geurende passen

onzichtbaar.

 

O ogenmuziek,

door al ogen omringd

word je in het midden

ontastbaar.

 

18.

Tout ce qui nous émeut, tule partages.

Mais ce qui t'arrive, nous l'ignorons.

Il faudrait être cent papillons

pour lire toutes tes pages.

 

Il y en a d'entre vous qui sont comme des dictionnaires;

ceux qui les cueillent

ont envie de faire relier toutes ces feuilles.

Moi, j'aime les roses épistolaires.

 

Al wat ons ontroert, daarin deel je.

Maar wat jij ervaart, dat ontgaat ons.

Er zouden honderd vlinders nodig zijn

om al je bladzijden te lezen.

 

Er zijn er onder jullie als woordenboeken;

zij die ze plukken

zouden al deze bladen willen samenbinden.

Ik, ik houd van de rozenbrieven.

 

19.

Est-ce en exemple que tu te proposes?

Peut-on se remplir cornme les roses,

en multipliant sa subtile matière

qu'on avait faite pour ne rien faire?

Car ce n'est pas travailler que d'être

une rose, dirait-on.

Dieu, en regardant par la fenetre,

fait la maison.

 

Wil je ons tot voorbeeld dienen?

Kunnen wij vol worden als de rozen,

door al maar meer subtiele materie

bijeen te brengen als deden we niets?

Meer wezen dan werken is immers

een roos, zou men zeggen.

Al kijkend door het raam

bouwt God het huis.

 

20.

Dis-moi, rose, d'où Gent

qu'en toi-même enclose,

ta lente essence impose

à cet espace en prose

tous ces transports aériens?

Combien de fois cet air

prétend que les choses Ie trouent,

OU, avec une moue,

i1 se montre amer.

Tandis qu'autour de ta chair,

rose, il fait la roue.

 

Zeg mij, roos, hoe komt het

dat jij, in jezelf besloten,

aan deze onopgesmukte ruimte

zoveel vervoering geeft?

Hoeveel maal beweert de lucht

dat de dingen haar doorboren,

of, met een lelijk gezicht,

toont zij zich verbitterd.

Terwijl zij rond jouw lichaam

blijft pronken als een pauw.

 

21.

Cela ne te donne-t-il pas le vertige

de tourner autour de toi sur ta tige

pour te terminer, rose ronde?

Mais quand ton propre élan t'inonde,

tu t'ignores dans ton bouton.

C'est un monde qui tourne en rond

pour que son calme cenhe ose

le rond repos de la ronde rose.

 

Duizelt het je niet

op je stengel rond te draaien

tot je vol bent, ronde roos?

Maar overrompelt je elan je,

dan ontken je je in knop.

Een wereld is het die wervelt

opdat haar kalme midden moed vat

tot ronde rust van ronde roos.

 

22.

Vous encor, vous sortez

de la terre des morts,

rose, vous qui portez

vers un jour tout en or

ce bonheur convaincu.

Eautorisent-ils, eux

dont le crâne creux

n'en a jamais tant SU?

 

Gij nogmaals, gij komt voort

uit aarde van doden,

roos, gij die draagt

naar een gouden dag

dit onbetwistbaar geluk.

Vergunnen zij het,

de leeghoofden

die hiervan nooit zoveel hebben geweten?

 

23.

Rose, venue tres tard, que les nuits amères arrêtent

par leur trop sidérale clarté,

rose, devines-tu les faciles délices complètes

de tes saeurs d'été?

Pendant des jours et des jours je te vois qui hésites

dans ta gaine serrée trop fort.

Rose qui, en naissant, à rebours imites

les lenteurs de la mort.

Ton innombrable état te fait-i1 connaître

dans un mélange où tout se confond,

cet ineffable accord du néant et de l'être

qiie nous ignorons?

 

Roos, zo laat gekomen, die de bittere nachten

tegenhielden door hun sterrenhelderte,

roos, kun jij de volle, lichte heerlijkheden

van je zomerzusters raden?

Dagen en dagen zie ik je aarzelen

in je te nauw toegesnoerde foedraal.

Koos van wie de geboorte het spiegelbeeld is

van langzame dood.

Maakt je veelvoudige staat je vertrouwd

in een vervloeiing van alles inéén,

met deze onzegbare overeenstemming van niet zijn en zijn

die wij ontkennen?

 

 

24.

Rose, eût-il fallu te laisser dehors,

chère exquise?

De fait une rose là où le sort

sur nous s'épuise?

Point de retour. Te voici

qui partages

avec nous, éperdue, cette vie, cette vie

qui n'est pas de ton âge.

 

Roos, was het Net beter geweest je buiten te laten,

liefste verkorene?

Wat doet een roos daar waar het noodlot

zich over ons leeg stort?

Het zij zo. Daar ben je

die deelt

met ons, radeloos, dit leven, dit leven

dat niet van jouw leeftijd is.

 

 

 


                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

    voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.net

canandanann - 29-06-2008 17:59:31