|
|
wees niet
wanhopig, als de hemel lijkt gesloten, als je van
ieder mens verlaten bent, als je je hoofd
zo dikwijls hebt gestoten dat je geen
blijdschap en geen vreugd meer kent, als je verward
bent in de leugen, het bedrog: God is er toch?
God is er toch? Denk aan je
doop. Toen heeft de Heer gesproken: 'Je bent mijn
kind.' En of je wilt of niet, al heb je elke
dag je word gebroken, toch breek Ik
mijn belofte aan jou niet. Ik zei het toen,
Ik zeg het nu nog: Ik ben er toch?
Ik ben er toch? Voel op je
voorhoofd: daar brandt nog het water dat teken was
van mijn verbond met jou. Dat gold voor
toen, dat geldt voor nu, voor later, al ben jij
ontrouw, eeuwig is mijn trouw. Denk niet
wanhopig: 'God wat moet ik nog?' Ik ben er
altijd. Maar je moet Mij zoeken, Ik zal je horen,
vóór je roept tot Mij; maar roep dan
ook. Al lijkt je bidden vloeken, Ik hoor je
stem. Ik kom en maak je vrij. Al is er niets,
dat in je voordeel pleit Mijn kind, Ik
ben er toch. Voor jou. Altijd.' N. Benschop uit de veilige
holte van de
moederbuik, het maakt zich
vrij om zelf mens te
worden, kome wat
komt. Pijn doet het
baren, golven pijn het
loslaten van dat stuk
van jezelf dat een nieuwe
mens wordt de uittocht van
een kind. Pijn doet aan
een kind het licht in de
ogen het geluid in
de oren de kou van de
lucht. Misschien is zo
de dood: een mens maakt
zich los uit het warme
leven uit het veilige
weten, en dringt zich
een weg naar het
onbekende buiten kome wat
komt. Pijn doet het
afscheid loslaten van
een mens die je lief is
geworden die een stuk
van jezelf was de uittocht van
een geliefde. Misschien is zo
de dood: de gang
waardoor wij ons dringen, naar vrijheid,
nieuw leven, kome wat komt. Ik heb hier
geen hoog loon gevraagd, ik heb me hier
niet rijk gerekend - ik heb alleen
mijzelf betekend, en hebt u aan
Gods woord gewaagd. Ik stuurde in
dit land de ploeg van woorden
door nog natte bodem: dat God gewoner
is en groter, dat hij die
draagt ook ons verdroeg. Slechts één
ding vroeg ik telkens: kracht, te dulden dat
ik ben geboren in
tijden, dat
wij veel verloren - geduld toch
maakt ook stenen zacht. Het oogsten
maak ik niet meer mee - maar nooit
wordt dit land nog bedolven onder de
hemelhoge golven, want niet meer
neemt en doodt de zee. Dit wordt het
laatste gedicht wat ik schrijf, nu het met mijn
leven bijna is gedaan, de
scheppingsdrift me ook wat is vergaan met letterlijk
de kanker in mijn lijf, en, Heer (ik
spreek je toch maar weer zo aan, ofschoon ik me
nauwelijks daar iets bij voorstel, maar ik praat
liever tegen iemand aan dan in de ruimte en
zo is dit wel de
gemakkelijkste manier om wat te zeggen), hoe moet het nu,
waar blijf ik met dat licht van
mij, van
jou, wanneer het vallen, weg in het onverhoeds
onnoemelijke begint? Of is het dat
jij me er een onverdicht woord dat niet
uitgesproken hoeft voor vindt. Hans Andreas komen mensen,
niet zelden langs een heel
moeilijke weg, pas echt aan
zichzelf toe. De lagen stof
die een leven lang kwamen
aangewaaid, schudden ze van
zich af en breken heen
door de schors op hun ziel
vast gekoekt. En alwat ooit
zo moest, zo nodig,
onontbeerlijk was hoeft ineens
niet langer meer. Alles staat in
ander licht. Wanneer het
einde nadert vallen alle
holle frasen, lege leuzen
door de mand. Alle
grootspraak is bedrog en bakerpraatjes
tijdverdrijf. Sprekend zijn
enkel nog de woorden die
reiken van hart tot
hart en lucht en adem
geven aan de ziel die in
ons huist. Wanneer het
einde nadert lokt geen
verwachting meer dan het totale
visioen, hoe ver en
wazig ook; gloort geen
enkele horizon dan het
eindeloze vergezicht, hoe moeilijk
ook te zien; trekt geen
enkele toekomst dan alleen de
Eeuwige nog, zo onnoembaar
als Hij is. Die laatste
weken van een leven de laatste
dagen van een mens, de laatste uren van een ziekbed.. die blijven je
bij. Wat Anne Frank, op haar kamer
benauwd, vluchtig in
haar dagboek nog heeft
neergeschreven. Wat Etty
Hillesum, wachtend op de reis naar
het einde, in Amsterdam en
Westerbork over God en
Goed onder woorden
heeft gebracht. Wat mensen op
het laatst nog zien en
zeggen... waarover zij
zich zorgen blijven
maken.. wat ze nog
willen dat wij ... Laatste woord
en gebaar, laatste blik en
oogopslag, die blijven je
bij. En de stilte
die dan volgt vult zich
langzaam zeker met dierbare
herinnering, met leven en
wezen van die zijn
heengegaan. Wat is erger dan doodgaan het leven
verliezen door
achterdocht, wanhoop,
verbittering, verliezen van
het leven wat is erger dan leven doodgaan
voordat je de liefde
kent geslagen door die
bliksemschicht geluk en nadien al
die uren gemis en
verdriet iets ergers dan leven en
doodgaan is er niet Bea Dorpema wanneer ik weer naar huis zal gaan. U zult niet in de
kamer staan en mij omhelzen,
als voor dezen. 'k Zal nooit
meer, als u zat te slapen boven een boek, boven een krant, het blad, dat glipte uit uw
hand glimlachend van de grond oprapen. 'k Zal nooit uw
"Goede nacht" meer horen, of het gestommel op de trap, wanneer uw trage, moede
stap de morgenstilte kwam verstoren. Nooit zult u
meer door de tuin lopen, waar iedere bloem en iedere plant getuigde van uw
verzorgende hand. - Nu ging de hemeltuin u open. -
O, die
vertrouwde, kleine dingen, die u zo onopvallend deed, die zal ik missen, tot dit leed
verstild is tot herinneringen. De dood
waarvoor elk mens met goede reden
huivert is als een
vlammend vuur dat alle zielen
zuivert Dat snel
verteert al wat
verblinding is en waan en tast alleen
het schone en werkelijke
niet aan. Frederik van Eeden. De bloemen
staan in 't donker bed Als porceleinen
scherven - God heeft ons
op de wereld gezet, Het leven kan
niet sterven. Ieder mens is
een hovenier, Ieder mens is
een graver: En zacht en
diep graven we hier Een kuil voor
ons cadaver. Maar 't leven
is te vast en hard: Of we al een
rustplaats graven, Nog nimmer kwam
de grote nacht En er is een
mens gaan slapen. Zie naar de
bloemen op een graf, Het leven kan
niet sterven. Nooit komen we
de wereld af, Al barsten we
tot scherven. Martinus Nijhoff De blaren
vallen in de gele grachten: Weer keert het
najaar en het najaarsweer Op de aarde,
waar de donkre harten smachten Der levenden.
Hij ziet het nimmermeer. Hoe had hij dit
bemind, die duistre straten, Die atmosfeer
van mist en zaligheid, Wanneer het
avond wordt en het verlaten Plaveisel
vochtig is en vreemd en wijd. Hij was geboren
voor de stille dingen, Waarmee wij
leven - maar niet even lang - Waarvan wij 't
wezen slaken in ons zingen, Totdat wij
zinken, en met ons de zang. Het was een
herfst als nu: de herfsten keren, Maar niet de
harten, na hun korte dag; Wij stonden,
wreed van menselijk begeren, In de ademloze
kamer, waar hij lag. En voor altijd
is dit mij bijgebleven: Hoe zeer veel
stiller dood dan slapen is; Dat het een
dagelijks wonder is, te leven, En elk ontwaken
een herrijzenis. Nu weer hervind
ik mij in het gewijde Seizoen, waar
de gevallen blaren zijn Als het veeg
zonlicht van een dood getijde, En denk: hoe
lang nog leef ik in die schijn? Wat blijft ons
over van dit lange derven, Dat leven is?
Wat, dat ik nog begeer? Voor hem en mij
een herfst, die niet kan sterven: Zon, mist en
stilte, en dan voor immermeer. J.C.Bloem Zou hij
begrijpen dat ik niet aan zijn graf was omdat ik
verkouden was, als ik verkouden was; En zou hij
weten dat dit een smoes was, mij toeknikken van ja natuurlijk, en dat het helemaal niet hoefde? Dat het geen zin had deze
regen op zijn kist te horen vallen, dat hij zelf niet was gekomen als hij hier
niet toch toevallig - Hij met zijn schemerlampje opvouwschaartje thermostaat. Die deuren dicht hield voor de tocht,
zijn ogen open vooral voor het
zien openvouwen van de zachte blaadjes zijn oren alleen nog voor het vrolijk gekwetter van vogeltjes in de volière - Zou hij
begrijpen, als hij nog iets begreep, wat mij hier bracht,
onder deze onbetamelijk gehaaste wolken, terwijl hij nergens was? Judith Herzberg Ten overstaan
van het einde en met het oog
op U beleef ik de
laatste termijn, de stilte van het
uur U. Omdat ik niet
meer kan leven en nochtans
leven moet, heeft God mij
met U verweven, liefste en dit
voorgoed. En wil ik bij U
verblijven, liefste en dit
voortaan, Hij zal mij van
U verdrijven tot Hem vandaan. GUILLAUME VAN
DER GRAFT Onzichtbaar maar des te
meer voelbaar is in deze
dagen ons gemis. Dat maakt deze
dagen donkerder en
langer dan de nacht. In ons huis branden we een
lichtje bij Wilriekes
foto. Ze
is nooit uit onze
gedachten. Spreken over
haar geeft troost. Jullie aandacht, het noemen van
haar naam. Jullie delen
van herinneringen. Het soms stil
ziin met ons doet goed en
geeft licht in onze nacht Jullie aandacht is als een
zachte hand op onze
schouder. Een zachte hand
van de Eeuwige M. v.d. Berg Sluipend
ongemerkt raakte jij uit
onze tijd. Je ging in je
eigen tijd leven. Je trok je niet
zoveel meer aan van onze
gewoontes. Je ging je
eigen gang. Jij doorbrak
steeds meer onze gang van
zaken. Sluipend
ongemerkt raakte jij uit
onze tijd. Je ging weer op
zoek naar waar je
vandaan kwam. Je vergat
gewoon even dat je gehuwd
was en kinderen
had. Je zocht je
eigen kindertijd weer op. Je was boos als wij dat
niet begrepen. Sluipend en
ongemerkt raakte jij uit
onze tijd. Je liet ons
leven in twee tijden
tegelijk: die van jou en die van ons. Zo waren wij soms meer
verward dan jij. We keken elkaar
aan en vroegen ons
af: hoe kon dit
toch? In ons hart
voelden we ons in de steek
gelaten. Jij liet ons
zomaar zitten in onze tijd met de handen
in het haar Soms, als er
niets wordt gezegd, jij even rust
vindt op je eindeloze
dwaalwegen, dan even
ontmoeten onze handen en onze ogen
elkaar: alles lijkt
vergeten, de pijn en de
onrust, onze ontmoeting
is vrede. De tijd staat
even stil. M. v.d. Berg van 't verdriet
om 't verlies je overvalt als 'n overval, als je in je
levensboot alleen verder
moet beroofd van wie
jouw liefste en warmste
licht was, dan word je
zoeker naar licht en
troost, tastend als 'n
blinde, beroofd van
licht. Als je liefste
licht sterft, sterf je mee en word je
ondergedompeld in 't donkere
water van 't verdriet. Als die dingen
gebeuren, ontsteek dan
dit licht, omdat ons
beloofd is dat de nacht
zal overgaan in troostend ochtendlicht. Hoe lang is het
al geleden dat jij de trap
afkwam, gewoon om de
nieuwe dag te beginnen, koffie te
zetten en naar je werk
te gaan, - onbezorgd. Hoe lang is het
al geleden dat jij de trap
opkwam, gewoon om de
dag te besluiten, tanden te
poetsen, en je lichaam
neer te leggen - wel te rusten. Toen kwam de
tijd dat het steeds
drukker werd op de trap. Vreemden kwamen, vreemden gingen. Velen kwamen de
trap op en gingen de
trap af, jij betrad de
trap niet meer. Nu komt alleen
nog de stilte van de trap af: Soms denk ik
dat het nu lang genoeg heeft
geduurd, dat je wel weer
gewoon de trap af kunt komen, om de dag te
beginnen. Dan voel ik nog
steeds meer dat alleen nog
de stilte van de trap
afkomt. M.v.d.Berg Voor
wie niet verder kon leven Bij wie kan ik
schuilen in dit uur in deze vreemde
dagen, de dood om mij
heen, nog zo
onverwacht toch na alles. Bij wie kan ik
huilen in deze dagen bij dit
afscheid van jou, die als
levensdood geen plek meer
vond om te schuilen. Jij verlangde
zo naar een plaats om te schuilen. Nergens kon jij
die vinden. Jij huilde van
binnen al jouw jonge
jaren totdat je nog
slechts naar de dood kon
verlangen. Jij ging stil
van ons weg, eenzaam en
zonder gerucht, in de vroege
ochtend. Jij kon niet
meer opstaan. Jij ging een
ander licht tegemoet, vriendelijk en
veilig om bij te
schuilen. Mag dat Licht
jou groeten en omarmen, een
schuilplaats voor jou zijn. Niemand gaat
echt dood Iedereen leeft
voort In andermans
denken, doen en voelen En als je goed
geleefd hebt Dan leef je na
de dood Meer dan ooit
tevoren. Onzichtbaar
voor anderen maar des te
meer voelbaar voor ons, voor
mij, gaat ons kind met ons mee op de levensweg. Ons kind dat ons leven
veranderde bij de geboorte, maar nog meer voor altijd ons
leven veranderde, toen de dood
ons van het
kostbaarste beroofde. Onzichtbaar
voor anderen, maar des te
meer voelbaar voor ons, voor
mij, is ons kind afwezig-aanwezig bij ons, bij
mij als een wond die schreiend
schrijnt. Weer zijn er de barensweeën om opnieuw
geboren te worden uit
de pijn van ons
verdriet: vaak
onzichtbaar maar des te
meer voelbaar. M. v.d. Berg Zo graag zou ik
trots op je willen
kunnen zijn: 'n trotse vader Zo graag zou ik
willen zien hoe je als 'n
jonge boom openbloeit en
omhoogschiet. Zo graag zou ik
willen zien hoe je 'n lust
voor het oog wordt in 't
landschap van de mensen Zo graag zou ik
met je willen praten, horen wat jij
vindt van de dingen van vandaag. Zo weinig
mensen begrijpen dat ik je niet
minder maar steeds
meer mist Sinds die dag
dat je niet terugkeerde. Nu
we jou dit huis uit huis waar
je zo graag was, uit huis dat je
tot een thuis maakte, |