|
|
in een
onbewoonbare wereld rinkelend van
kleuren en geluiden waar de dag te
licht is en geen nacht
donker genoeg om het
verborgen tumult te
bedaren. In alle straten,
alle kamers blijf ik je
zoeken. Tussen
ontelbare mensen vind ik je nergens. Verlos mij uit dit
luchtledig. Laat mij toe
tot de aarde die je bedekt. Dicht bij je
wil ik slapen en tot stof
vergaan. met je dood als
een brok in mijn keel? Hoe kan ik
lachen nu het
onherroepelijke vonnis mijn mond
verzegeld heeft? In een houten
kist gaat de
toekomst tot ontbinding
over. Ik voel hoe ik
langzaam maar zeker
bevries. Toch blijf ik
ademen. Toch lach
ik, oudergewoonte. En dat is
misschien het ergste van alles. kom je mij
tegemoet op mijn
moeizame tocht door het
maanlandschap van de
tijd. Onhoorbaar dringt je stem
door tot mijn
geheimste luisterpost. Jij die al mijn
wegen kent, die mij
ontcijferd en gelezen hebt, blijf bij mij onzichtbaar,
onhoorbaar en leid mij
over de drempel van de dood. door windstille
vlakten. Er is niets
meer te vrezen, niets te
verwachten. Voetstappen
blijven zwakke geluiden
in de mist. Onbekende
stemmen dringen vaag
tot mij door. Waarom zou ik
antwoorden? Blindelings
levend in het
verlengde van je dood verwijder ik
mij onmerkbaar van je graf, op
weg naar het mijne. op een heldere
middag vol nuchtere
geluiden en bezigheden
in een huis dat je nooit
heeft gekend, herinner ik mij
plotseling hoe zacht je
ogen werden als je me
aankeek. En even
verschijn je mij ten voeten uit,
onverwacht overgekomen uit
het tijdloze. Zo zacht zijn
je ogen dat ze mij
verzoenen met je weggaan,
sneller en onverwachter
dan je komst. naar de
onnozelste dingen. Driftige
voetstappen op de trap. Een gestalte in
tegenlicht Ogen versluierd
door de rook van een haastig
opgestoken sigaret, Een hand op het
stuur van de auto waar nu een
vreemde in rijdt, misschien wel
door hetzelfde landschap als wij
vroeger. Lieve
herinneringen. Lieve dode. trillende
luchtspiegeling boven het hete
zand van de woestijn, liever oog in
oog met de
onbewogen sfinx die zich zijn
geheim niet af laat
dwingen, bedolven te
worden onder een
pyramide van zelfbedrog dan de
ingekapselde vrede] van het dal
zonder uitzicht waar het leven
geruisloos wegsijpelt in
de dood. -nachtblauwe
pupillen in lichtend
groen - kijkt de poes
mij aan. Niets begrijpt
ze van me, maar ze is
zacht en warm onder
haar vacht van goed
vertrouwen. van de frivole
zomer met zijn
schijngestalten en
luchtkastelen, fonkelend in het valse
licht van loze
verwachtingen, heradem ik bij
de komst van het najaar,
koel als je handen
om mijn gezicht, grijs en
zachtmoedig als je ogen in de schaarse
momenten dat je mij
toelaat tot de
ingesneeuwde grot waar je stem
met zijn echo verkeert en je
spiegelbeeld roerloos rijst in het ijs dat
niet smelten wil. moet je te
vinden zijn. Zoveel mensen komen je tegen en onder hen
misschien niet ‚‚n die je zo
verlangend zoekt als ik. Tot in mijn
dromen houd je je
schuil. Onvindbaar
teruggetrokken keur je mij
geen wenk, geen teken
waardig. Zo straft een
god de overmoedige
die hem te na dorst
komen. of donkerder dan toen. Waarom laat het
geheugen zijn buit niet
los als de bron
vergiftigd en de droom
bezweken is? Geen andere
toevlucht dan slapen.
Ruggelings verdrinken in
de oceaan der ongeborenen. Verlost te
worden van het malende
denken aan de morgen die lichter zal
zijn of donkerder dan toen. hunkerend
binnengeslopen dwaal ik in je
rond. Een barbaars
landschap dragend de
schaarse tekens van je
aanwezigheid: de
ontbladerende boom die geen
schaduw werpt, het
zwartgeblakerd struikgewas, de verdroogde
kreek tussen de
rotsen en diep onder
de grijze dorstige
aardkorst het gesmoorde
ruisen van murmurend
water dat geen uitweg
vindt. wil ik het niet,
dit voorjaar met zijn
springvloed van licht, zijn
rondspattende kleuren. De bronzen
wolken, weelderig opgestapeld
tegen vlammend blauw, de met het
allerfijnste groen bespikkelde
bomen roerloos in de
duifgrijze avond en de opalen
glimlach van
wereldomspannende regenbogen zijn aan mij
alleen niet besteed. hangt de gele
zon boven de daken. Bomen wringen
hun takken in de
opstekende wind. Angst drukt een
ijskoude hand in mijn
nek. Waar ben je? Wat
gebeurt er met je? Zachter dan
zeeschuim zou ik willen
zijn en
ondoordringbaar als hars om je rondom te
bedekken tegen de
naaldscherpe tanden waarmee nacht
en verwording je naar het
leven staan. DENKEND aan hoe
wij samen waren en het
misschien eens weer zullen zijn, zie ik dorstig
groen tegen een
onweerslucht. Windstille
spanning tussen tekort en overvloed.
Ondraaglijk opgedreven
verlangen. Boomtoppen
rekken zich naar de
hellende hemel. Adembenemend
evenwicht eer de ruimte
kantelt en de regen
valt. in de vloedgolf
van een omhelzing hoor ik dicht
aan mij oor je stem
bezwerend fluisteren: denk niet aan
later. Omfloerste
voorecho die mij
onmerkbaar vluchtig rillen doet
tegen de warmte van je lichaam, je
naakte huid. Stilte daalt
als een spin van de
zoldering. De kamer hangt vol
grijze draden. Tussen de muren
draalt verouderd licht. Klinkende munt
van hier en nu omgezet in het
papiergeld van de
herinnering. drinkt mijn
huid de dauw van het
voorjaar. In mijn ogen verschaalt het
licht. Moge de aarde
mij verzwelgen. Die in mijn
armen sliep, kent mij niet
meer. van
onverstoorbaar kabbelende dagen blijven
mijn gedachten met je bezig.
Elke glimlach, leer gebaar van
jou naar mij en
alle woorden die je hebt
gezegd, stollen tot
broze veelkantige
kristallen, verblindend als
je helle ogen waarin ik mij
voelde verdampen, lang voordat ik door
had kunnen dringen tot waar je
wortelt in de nacht. als brood.
Drink mij, adem mij in. De binnenkant
van je huid zal ik kussen,
je gebeente verwarmen. Je
hart dat als een
getergde vogel tegen de kooi
van je ribben slaat, zal ik
liefkozen zachter dan het licht de
toppen der bomen. Om alles wat
mij niet langer
lief kan zijn, smeek ik je:
lijf mij in. Buiten jou kan ik niet
leven. zonder het te
merken heb ik je
ingelijfd bij de muziek
die je niet raakt, bij de taal die
je niet spreekt en niet
verstaat, bij mij van wie je niet
houdt. als het licht van de
eenzelvige maan achter
nachtelijke wolkenhagen en even
ongenaakbaar. van de zon
tussen berooide bomen. Stilstaand
water draagt een spoor van
ontbinding. De dagen slepen
zich voort in slinkend
licht. Het jaar knarst in zijn
gewrichten. De bloesems
zijn verdord, hun vruchten
bitter. van een
herfstdag zonder wind maakt oude
mensen ontroerend mooi. Doordat zij de
worsteling met het verval
al lang hebben gestaakt
en spiegels niet meer
vrezen, zijn zij broos geworden
en doorschijnend als gesponnen
glas met de zachte mysterieuze
glans van zilver. het witte
gezicht van de dag,
weggedoken in een kraag
van wolken. Het donkere
wijdopen oog van een
regenplas. De vogel die tegen de
wind in zingt, wankelend op de
valreep van het licht. zachtaardig de
nacht, zijn donkere
vacht besprenkelend met
lichtdruppels, vage geuren. De rook van een
sigaret reikt naar
onzichtbare sterren. Onder zomers
gebladerte vaart jeugd voorbij. bent
binnengegaan, ben ik tot de
rand van je vervuld. Dwars door de
rukwinden van het
verdriet voel ik je
onder mijn huid bewegen, warm
en goed als vroeger toen wij
overnachten binnen de
omheining van elkanders armen., Wat doet het er
dan toe dat de wereld
leeg en winters is
geworden nu mijn ogen je nooit meer
zullen zien en ik mijn hoofd niet langer in je schoot kan leggen? word ik
onwetend wakker. Gloednieuwe
wolken drijven het raam
voorbij. Veelbelovend
glimlacht de dag: alles is mogelijk. Maar iedere
avond gaat in rook en
vlammen de wereld onder. Het langst rekt
de stad haar held
bestaan, vuurspuwend van
leven tegen de
intzware achtergrond van je dood. dat je was
weggegaan en mij zonder
leeftocht alleen had
gelaten in een
verdroogde steppe, heb ik mij
vergist. Nu weet ik dat
je mij hebt uitgekozen om je voorgoed
te herbergen veilig besloten
in mijn duisternis Wanneer ik mij
aandachtig over mezelf
heenbuig, ontmoet ik je
oogopslag helder en diep
als water en je glimlach
overrompelt mij met de ernstige
vreugde van vroeger. Dat is genoeg voor een heel leven. Onder water grif ik je naam in de granieten
bedding van mijn
stroomgebied. Tussen de
wieren van het
verleden flitsen
pijlsnelle vissen als mensen
voorbij. Alleen in de
diepte mag ik je
voortaan ontmoeten: mijn warme
tegenstroom, mijn lief. Het staat vast dat je dood
bent. Maar wat is dood? Kokhalzend
wakker worden tussen de
gestolde feiten van gisteren en
eergisteren. Opstaan, het
licht trotseren. Onder het
oorverdovend carillon van
herinneringen optornen tegen
een geheugen dat geen
duimbreed wijkt. Lachen, praten,
overmoedig denken dat het
zo wel gaat. Merken dat men
zich vergist ook hierin.
Heel het treiterend bedrijf van deze dag en
alle volgende in vier woorden
samengebald: iemand is niet gekomen. In oktober is
het licht dun als de blauwe
doorschijnende huid van een
stervende. De boom kan
zijn bladeren niet langer
vasthouden en de hand
opent zich om het tot as
verteerde amulet los te
laten. Tegen de
onvergankelijke hemel het witte
skelet van onze liefde. Sedert de
droomspin mij omspon met duizend
parelende webben, zie ik hem
spelen in de zon - het kind dat
wij nooit zullen hebben. Zijn ogen die
het zonlicht vangen, zijn klaar en
helder als kristal en
onvertroebeld door verlangen: ogen van voor
de zondeval. Hij glimlacht
schuldeloos en wijs. Zijn vogelstem
streelt licht mijn oren. Zijn wereld is
zijn paradijs, want hij is
rein en ongeboren. Ik mag mijn
armen niet uitstrekken, hem smekend met
ons mee te gaan. Waarom ook
zouden wij hem wekken tot een
ontluisterd, aards bestaan? Nimmer zal hij
behoren bij de
uitgebloeiden, de verdorden en nimmer
lijden zoals wij die nooit zijn
ouders zullen worden. bovenstaande gedichten zijn van de hand van Hanny Michaelis Die toen zijn
doodgegaan zwijgen een gat in de aarde daar staan wij
dan om de graven
geschaard met het woord
god als een hoge hoed hoed in de hand of het woord
Nederland of het woord
voorgoed die toen zijn
voorgegaan zwijgen
voorgoed Omdat wij
huilen moesten lachen wij
uitgelaten lachen wij met
de gaten in ons gezicht,
met de knoesten in ons hart,
lachen wij bij nacht en
ontij. Laten wij
liever lachen dan stijf staan van
moed laten wij liever dom zijn dan haarfijn weten hoe het
moet. Het gaat nog
altijd door Er is geen
einde aan. Joden en negers
genoeg om dood te
slaan, mensen te over
om één voor één
te verraden, woorden genoeg
in de taal om alles goed
te praten Wat is de hel
dan kou, nacht en
leegte? En de hemel?
Een dag in Mei. Maar wat is de
aarde dan? Allebei. Laten wij,
Jezus Christus, in
godsnaam, verdomme, laten
wij voorzichtig
wezen, doorgaan met
liefhebben ademen, ebbe en
vloed. Willem Barnard Het
glanzend zwarte water stroomde Het glanzend
zwarte water stroomde zwijgend uit de
nacht Kringen werden
zichtbaar Draaiden Bewogen Als tranen in
ogen En zogen Dampend 't
daglicht op En tussen Dauwnatte
oevers Met druipende
bomen Lag een waas Een winterse
vacht. En gele stralen
kropen stiekem door de mist Sluiers
kleurden, dansten nevels vervlogen Zon in water,
blauwe lucht Scherpe lijnen
en bogen Een pad Langs bomen
zonder blad Hoorbare
stappen Een dag Een rivier Die wist en zag. Het kille en
heldere landschap kleurde dieper in lage stralen,
zilver water Doofden Glanzende
schaduwen Vingen vlak
voor de nacht De schittering Van tranen
zonder macht Het pad |