rouw3
Start Omhoog

                 


 


 

ACHTERGELATEN

in een onbewoonbare wereld

rinkelend van kleuren

en geluiden

waar de dag te licht is

en geen nacht donker genoeg

om het verborgen tumult

te bedaren.

 

In alle straten, alle kamers

blijf ik je zoeken.

Tussen ontelbare mensen

vind ik je

nergens.

 

Verlos mij

uit dit luchtledig.

Laat mij toe tot de aarde

die je bedekt.

Dicht bij je wil ik slapen

en tot stof vergaan.


HOE KAN ik ademen

met je dood als een brok

in mijn keel?

Hoe kan ik lachen

nu het onherroepelijke vonnis

mijn mond verzegeld heeft?

 

In een houten kist

gaat de toekomst

tot ontbinding over.

Ik voel hoe ik langzaam

maar zeker bevries.

 

Toch blijf ik ademen.

Toch lach ik, oudergewoonte.

En dat is misschien

het ergste van alles.


ONZICHTBAAR

kom je mij tegemoet

op mijn moeizame tocht

door het maanlandschap

van de tijd.

 

Onhoorbaar

dringt je stem door

tot mijn geheimste

luisterpost.

 

Jij die al mijn wegen kent,

die mij ontcijferd en gelezen hebt,

blijf bij mij

onzichtbaar, onhoorbaar

en leid mij over de drempel

van de dood.


LANGZAAM beweeg ik mij voort

door windstille vlakten.

Er is niets meer te vrezen,

niets te verwachten.

 

Voetstappen blijven

zwakke geluiden in de mist.

Onbekende stemmen

dringen vaag tot mij door.

Waarom zou ik antwoorden?

 

Blindelings levend

in het verlengde van je dood

verwijder ik mij onmerkbaar

van je graf, op weg

naar het mijne.


JAREN later

op een heldere middag

vol nuchtere geluiden

en bezigheden in een huis

dat je nooit heeft gekend,

herinner ik mij plotseling

hoe zacht je ogen werden

als je me aankeek.

 

En even verschijn je mij

ten voeten uit, onverwacht

overgekomen uit het tijdloze.

Zo zacht zijn je ogen

dat ze mij verzoenen

met je weggaan, sneller

en onverwachter dan je komst.


WONDERLIJK heimwee

naar de onnozelste dingen.

 

Driftige voetstappen op de trap.

Een gestalte in tegenlicht

Ogen versluierd door de rook

van een haastig opgestoken sigaret,

Een hand op het stuur van de auto

waar nu een vreemde in rijdt,

misschien wel door hetzelfde landschap

als wij vroeger.

 

Lieve herinneringen.

Lieve dode.


De voortvluchtige oase,

trillende luchtspiegeling

boven het hete zand

van de woestijn,

liever oog in oog

met de onbewogen sfinx

die zich zijn geheim

niet af laat dwingen,

bedolven te worden

onder een pyramide

van zelfbedrog

dan de ingekapselde vrede]

van het dal zonder uitzicht

waar het leven geruisloos

wegsijpelt in de dood.


UIT Egyptische ogen

-nachtblauwe pupillen

in lichtend groen -

kijkt de poes mij aan.

Niets begrijpt ze van me,

maar ze is zacht

en warm onder haar vacht

van goed vertrouwen.


EINDELIJK verlost

van de frivole zomer

met zijn schijngestalten

en luchtkastelen, fonkelend

in het valse licht

van loze verwachtingen,

heradem ik bij de komst

van het najaar, koel

als je handen om mijn gezicht,

grijs en zachtmoedig als je ogen

in de schaarse momenten

dat je mij toelaat

tot de ingesneeuwde grot

waar je stem met zijn echo verkeert

en je spiegelbeeld roerloos rijst

in het ijs dat niet smelten wil.


ERGENS in deze stad

moet je te vinden zijn.

 

Zoveel mensen

komen je tegen

en onder hen misschien niet ‚‚n

die je zo verlangend zoekt

als ik.

 

Tot in mijn dromen

houd je je schuil.

Onvindbaar teruggetrokken

keur je mij geen wenk,

geen teken waardig.

 

Zo straft een god

de overmoedige die hem

te na dorst komen.


DE NACHT is lichter

of donkerder

dan toen.

 

Waarom laat het geheugen

zijn buit niet los

als de bron vergiftigd

en de droom bezweken is?

 

Geen andere toevlucht

dan slapen. Ruggelings

verdrinken in de oceaan

der ongeborenen.

 

Verlost te worden

van het malende denken

aan de morgen

die lichter zal zijn

of donkerder

dan toen.


IN EEN onbewaakt ogenblik

hunkerend binnengeslopen

dwaal ik in je rond.

 

Een barbaars landschap

dragend de schaarse tekens

van je aanwezigheid:

de ontbladerende boom

die geen schaduw werpt,

het zwartgeblakerd struikgewas,

de verdroogde kreek

tussen de rotsen

en diep onder de grijze

dorstige aardkorst

het gesmoorde ruisen

van murmurend water

dat geen uitweg vindt.


ALS HET NIET van ons is

wil ik het niet, dit voorjaar

met zijn springvloed van licht,

zijn rondspattende kleuren.

 

De bronzen wolken, weelderig

opgestapeld tegen vlammend blauw,

de met het allerfijnste groen

bespikkelde bomen roerloos

in de duifgrijze avond

en de opalen glimlach

van wereldomspannende regenbogen

zijn aan mij alleen

niet besteed.


ONHEILSPELLEND laag

hangt de gele zon

boven de daken.

Bomen wringen hun takken

in de opstekende wind.

 

Angst drukt een ijskoude

hand in mijn nek. Waar

ben je? Wat gebeurt

er met je?

 

Zachter dan zeeschuim

zou ik willen zijn

en ondoordringbaar als hars

om je rondom te bedekken

tegen de naaldscherpe tanden

waarmee nacht en verwording

je naar het leven staan.


DENKEND aan hoe wij samen waren

en het misschien eens weer zullen zijn,

zie ik dorstig groen

tegen een onweerslucht.

 

Windstille spanning tussen tekort

en overvloed. Ondraaglijk

opgedreven verlangen.

 

Boomtoppen rekken zich

naar de hellende hemel.

 

Adembenemend evenwicht

eer de ruimte kantelt

en de regen valt.


ONDERGEGAAN

in de vloedgolf van een omhelzing

hoor ik dicht aan mij oor

je stem bezwerend fluisteren:

denk niet aan later.

 

Omfloerste voorecho

die mij onmerkbaar vluchtig

rillen doet tegen de warmte van

je lichaam, je naakte huid.


NEERWAARTSE voetstappen.

 

Stilte daalt als een spin

van de zoldering. De kamer

hangt vol grijze draden.

Tussen de muren draalt

verouderd licht.

 

Klinkende munt van hier

en nu omgezet

in het papiergeld

van de herinnering.


NIET LANGER

drinkt mijn huid

de dauw van het voorjaar.

In mijn ogen

verschaalt het licht.

 

Moge de aarde mij verzwelgen.

Die in mijn armen sliep,

kent mij niet meer.


ONDER de rimpeling

van onverstoorbaar kabbelende

dagen blijven mijn gedachten

met je bezig. Elke glimlach,

leer gebaar van jou

naar mij en alle woorden

die je hebt gezegd,

stollen tot broze

veelkantige kristallen,

verblindend als je helle ogen

waarin ik mij voelde verdampen, lang

voordat ik door had kunnen dringen

tot waar je wortelt in de nacht.


NEEM mij tot je

als brood. Drink mij,

adem mij in.

 

De binnenkant van je huid

zal ik kussen, je gebeente

verwarmen. Je hart

dat als een getergde vogel

tegen de kooi van je ribben slaat,

zal ik liefkozen zachter dan

het licht de toppen der bomen.

 

Om alles wat mij

niet langer lief kan zijn,

smeek ik je: lijf mij in.

Buiten jou

kan ik niet leven.


ONWILLEKEURIG, bijna

zonder het te merken

heb ik je ingelijfd

bij de muziek die je niet raakt,

bij de taal die je niet spreekt

en niet verstaat, bij mij

van wie je niet houdt.


TRIEST

als het licht

van de eenzelvige maan

achter nachtelijke wolkenhagen

en even ongenaakbaar.


OMFLOERST hangt het rad

van de zon tussen berooide bomen.

 

Stilstaand water draagt

een spoor van ontbinding.

 

De dagen slepen zich voort

in slinkend licht. Het jaar

knarst in zijn gewrichten.

 

De bloesems zijn verdord,

hun vruchten bitter.


HET bladerloze licht

van een herfstdag zonder wind

maakt oude mensen

ontroerend mooi.

 

Doordat zij de worsteling

met het verval al lang

hebben gestaakt en spiegels

niet meer vrezen, zijn zij

broos geworden en doorschijnend

als gesponnen glas met de zachte

mysterieuze glans van zilver.


ONRUSTBAREND verwant

het witte gezicht

van de dag, weggedoken

in een kraag van wolken.

Het donkere wijdopen oog

van een regenplas. De vogel

die tegen de wind in zingt,

wankelend op de valreep

van het licht.


AAN OPEN ramen graast

zachtaardig de nacht,

zijn donkere vacht besprenkelend

met lichtdruppels, vage geuren.

 

De rook van een sigaret

reikt naar onzichtbare sterren.

 

Onder zomers gebladerte vaart jeugd

voorbij.


SINDS je mij voor altijd

bent binnengegaan,

ben ik tot de rand

van je vervuld.

 

Dwars door de rukwinden

van het verdriet

voel ik je onder mijn huid

bewegen, warm en goed

als vroeger

toen wij overnachten

binnen de omheining van

elkanders armen.,

 

Wat doet het er dan toe

dat de wereld leeg

en winters is geworden

nu mijn ogen

je nooit meer zullen zien

en ik mijn hoofd niet langer in je schoot kan leggen?


IEDERE morgen

word ik onwetend wakker.

Gloednieuwe wolken drijven

het raam voorbij.

Veelbelovend glimlacht

de dag: alles

is mogelijk.

 

Maar iedere avond

gaat in rook en vlammen

de wereld onder.

Het langst rekt de stad

haar held bestaan,

vuurspuwend van leven

tegen de intzware achtergrond

van je dood.


TOEN ik dacht

dat je was weggegaan

en mij zonder leeftocht

alleen had gelaten

in een verdroogde steppe,

heb ik mij vergist.

 

Nu weet ik dat je mij

hebt uitgekozen

om je voorgoed te herbergen

veilig besloten in

mijn duisternis

 

Wanneer ik mij aandachtig

over mezelf heenbuig,

ontmoet ik je oogopslag

helder en diep als water

en je glimlach overrompelt mij

met de ernstige vreugde

van vroeger.

 

Dat is genoeg

voor een heel leven.


'Onder water'

 

Onder water

grif ik je naam

in de granieten bedding

van mijn stroomgebied.

 

Tussen de wieren

van het verleden

flitsen pijlsnelle vissen

als mensen voorbij.

 

Alleen in de diepte

mag ik je voortaan ontmoeten:

mijn warme tegenstroom,

mijn lief.

 

Het staat vast

dat je dood bent.

Maar wat is dood?

 


Kokhalzend 

 

Kokhalzend wakker worden

tussen de gestolde feiten

van gisteren en eergisteren.

 

Opstaan, het licht trotseren.

Onder het oorverdovend

carillon van herinneringen

optornen tegen een geheugen

dat geen duimbreed wijkt.

 

Lachen, praten, overmoedig

denken dat het zo wel gaat.

Merken dat men zich vergist

ook hierin. Heel het treiterend bedrijf

van deze dag en alle volgende

in vier woorden samengebald:

iemand is niet gekomen.

 


Oktober

 

In oktober is het licht dun

als de blauwe doorschijnende

huid van een stervende.

 

De boom kan zijn bladeren

niet langer vasthouden

en de hand opent zich

om het tot as verteerde

amulet los te laten.

 

Tegen de onvergankelijke hemel

het witte skelet van onze liefde.

  


HET KIND  

Sedert de droomspin mij omspon

met duizend parelende webben,

zie ik hem spelen in de zon -

het kind dat wij nooit zullen hebben.

 

Zijn ogen die het zonlicht vangen,

zijn klaar en helder als kristal

en onvertroebeld door verlangen:

ogen van voor de zondeval.

 

Hij glimlacht schuldeloos en wijs.

Zijn vogelstem streelt licht mijn oren.

Zijn wereld is zijn paradijs,

want hij is rein en ongeboren.

 

Ik mag mijn armen niet uitstrekken,

hem smekend met ons mee te gaan.

Waarom ook zouden wij hem wekken

tot een ontluisterd, aards bestaan?

 

Nimmer zal hij behoren bij

de uitgebloeiden, de verdorden

en nimmer lijden zoals wij

die nooit zijn ouders zullen worden.  

bovenstaande gedichten zijn van de hand van Hanny Michaelis


OM DE GRAVEN GESCHAARD  

Die toen zijn doodgegaan

zwijgen een gat

in de aarde

 

daar staan wij dan

om de graven geschaard

 

met het woord god als een hoge hoed

hoed in de hand

of het woord Nederland

of het woord voorgoed

 

die toen zijn voorgegaan

zwijgen voorgoed

 

Omdat wij huilen moesten

lachen wij uitgelaten

lachen wij met de gaten

in ons gezicht, met de knoesten

in ons hart, lachen wij

bij nacht en ontij.

 

Laten wij liever

lachen dan

stijf staan van moed

laten wij

liever dom zijn

dan haarfijn

weten hoe het moet.

 

Het gaat nog altijd door

Er is geen einde aan.

Joden en negers genoeg

om dood te slaan,

mensen te over om

één voor één te verraden,

woorden genoeg in de taal

om alles goed te praten

Wat is de hel dan

kou, nacht en leegte?

 

En de hemel? Een

dag in Mei.

 

Maar wat is de aarde dan?

Allebei.

 

Laten wij, Jezus

Christus, in godsnaam,

verdomme, laten wij

voorzichtig wezen,

doorgaan met liefhebben

ademen, ebbe en vloed.  

Willem Barnard


Het glanzend zwarte water stroomde  

Het glanzend zwarte water stroomde

zwijgend uit de nacht

Kringen werden zichtbaar

Draaiden

Bewogen

Als tranen in ogen

En zogen

Dampend 't daglicht op

En tussen

Dauwnatte oevers

Met druipende bomen

Lag een waas

Een winterse vacht.

 

En gele stralen kropen stiekem door de mist

Sluiers kleurden, dansten

nevels

vervlogen

Zon in water, blauwe lucht

Scherpe lijnen en bogen

Een pad

Langs bomen zonder blad

Hoorbare stappen

Een dag

Een rivier

Die wist en zag.

 

Het kille en heldere landschap kleurde dieper in

lage stralen, zilver water

Doofden

Glanzende schaduwen

Vingen vlak voor de nacht

De schittering

Van tranen zonder macht

Het pad