|
|
Als het zover is - laat me dan eindelijk weten hoe je dat kan, sterven hoe je kan weggaan, weg
zou het iets hebben van wat er in mij gebeurt wanneer een choraal van Bach klinkt er welt een gevoel op, een besef van onontkoombaar verlies maar het geeft niet, nu even niet het heeft misschien ook iets van het zien van een uitzicht over de bergen, die lucht en leegte en de huiver voor de eenzaamheid die in de verte op mij wacht, maar het geeft niet, nu even niet
af en toe is er zo'n avond dat er over de wereld het mooiste licht valt dat er is, laat laag licht en dat ik denk: dit was het dus als het zover is - laat me dan eindelijk weten hoe het is om te zeggen: ik kom. Rutger Kopland Streep hun naam niet door al zijn zij tot stof vergaan. Streep hun naamniet door alsof zij nooit hebben bestaan.
't liefste dat ik heb bezeten 't toekomstbeeld van mijn bestaan. Vraag me niet dat te vergeten en gewoon weer verder te gaan.
Want ik wil wel verder leven maar ik weet niet hoe dat moet. 'k hoor bij hen die achterbleven. Overleven vergt veel moed.
Streep daarom hun naam niet door. Noem hun naam en laat me weten dat ook jij niet zult vergeten. Zo alleen kan 'k verder gaan.
Gery den Otter
En nu nog maar alleen het lichaam los te laten - de liefste en de kinderen te laten gaan alleen nog maar het sterke licht het rode, zuivere van de late zon te zien, te volgen - en de eigen weg te gaan. Het werd, het was, het is gedaan. M. Vasalis Zwart als git
wordt het licht, aardedonker de
zon. Loodzwaar
hangen de wolken, na regen klaart
het niet op. De
huisbewaarder vlucht uit het huis en onbeheerd
blijft het achter. Bomen van
mannen beven als riet. De harde hand
van de molenaarsvrouw is moe van het
malen. Toonloos wordt
een liedje gezongen, ijl klinkt de
stem van een vogel. Iedere hoogte
is me te hoog, trappen te
steil, woorden te veel, ik durf de
schrikwekkende straten niet
meer begaan. Ach olijven, je
smaakt me niet meer, amandelbomen,
bloei niet voor mij. Ik streel je
nog wel maar voel je niet meer, zegt de ene
mens tot de ander. Weg, weg naar
je eeuwige huis, roepen de
doodgravers door de straten voort, naar
onze blijvende woning, roepen de doden
de levenden toe. Het zilveren
snoer wordt doorgeknipt, de gouden lamp
valt stuk op de vloer. De kruik barst
aan de boorden van de bron, het scheprad
schept geen water meer. Stof wordt stof
en leem wordt leem, alles keert
naar zijn oorsprong terug. De adem stroomt
naar de ademzee, tot Hem die
leeft. Deur, door jou heen kunnen wij de
aren naar de
dorsvloer dragen, onze
hartsgedachten. Naar ons toe
vloeit door jouw
duisternis licht, dat ons gebiedt
te leven, ons land te
bewerken. Jij spoort ons aan
ongewapende leerlingen van
jou te worden, leerlingen in de werkplaats
van de Verrezene. Jochen Bärner Jij hebt de weg
voor mij gebaand die
onbegaanbaar was stuurde mijn
gedachten in m'n zware
nachten hebt in m'n bos
van boze dromen de bomen
omgekapt tot ik het licht weer zag en in de dag
die aanbrak kon geloven jij die de
bergen kon verzetten leidde me zo
zachtjes door m'n diepste dal jij bedwong m'n
zwaarste stormen brak m'n val. Jij hebt de weg
voor mij gebaand die ik alleen
moet gaan wees me waar ik
zwak was wees me waar
m'n kracht lag jij hebt een
brug voor mij geslagen over al m'n
drijfzand naar een zeker land hebt me als ik
niet meer kon gedragen jij die me
eigenlijk geleerd hebt dat liefde
wegen vindt als er geen uitweg is blijft nu ik
het goed alleen kan mijn gemis. Liselore Gerritsen Sta even stil draai niet om en kijk ook
niet vooruit tel de seconden niet de uren adem in en uit. Sta even stil en leg je armen langs je eigen
lijf voel je voeten op de aarde want dit is je
verblijf. Sta even stil en weet het
weer leg het nooit
iemand uit aan liefde is niets uit te
leggen adem in en uit.
ik kan je niet
volgen loop niet
achter mij ik kan je niet
voorgaan loop naast mij geef mij een
hand we zullen samen
gaan. Al zwijgen de
mensen de bergen
zwijgen niet zij tonen ons
het rotsvast geheim dat er een
grond van leven moet zijn zij bewaren
voor ons het oergeheim dat wij in God
geborgen zijn al zwijgen de
mensen de bomen
zwijgen niet zij zingen ons
het kwetsbaar geheim dat er een
kracht tot leven moet zijn al zwijgen de
mensen de vogels
zwijgen niet zij zingen ons
het kostbaar geheim dat er adem tot
leven moet zijn al zwijgen de
mensen de wateren
zwijgen niet zij tonen ons
't verfrissend geheim dat er een bron
van leven moet zijn al zwijgen de
mensen de dieren
zwijgen niet zij leren ons
het veilig geheim dat er behoud
van leven moet zijn al zwijgen de
mensen de kinderen
zwijgen niet zij dromen ons
het eeuwig geheim dat ons leven
een wonder moet zijn H. Jongerius Er
hangt een huilbui als een onweer in elk van ons Er hangt een
huilbui als een onweer in elk van ons Maar je houdt
je groot Je houdt je in En als we dat
niet deden Kwam het met
bakken naar beneden Stond het water
ons al gauw tot de kin. Om al de dingen
die we slikken Waar we
stilletjes in stikken Maar waar wij
van blijven schrikken Altijd weer... Om kinderen
niet geboren Voelen nergens
bij te horen Om een jeugd
voorgoed verloren Komt niet meer. Om de kans die
is verkeken Om het plan dat
is blijven steken Om 't verzet
dat is bezweken Onder de tijd. Om bedrogen
uitgekomen Om vervlogen
mooie dromen Om illusies je
ontnomen Kwijt. Er hangt een
huilbui als een onweer in elk van ons En stel, dat
wij ons een keer lieten gaan Als de gene was
verdwenen Kreeg je het
oeverloze wenen Werd het tranen
dweilen Met een open
kraan. Om de drift die
wij bedwingen Het verdriet
dat wij verdringen Om de dingen
die niet gingen Als gedacht. Die ontglippen
en mislukken Die in scherven
en in stukken Door ons
onbegrijpelijk krukken Dag en nacht. Tijd van vloek
en tijd van zegen tijd van
droogte, tijd van regen dag van oogsten,
tijd van nood tijd van stenen,
tijd van brood tijd van liefde,
nacht van waken uur der
waarheid, dag der dagen toekomst die
gekomen is woord dat vol
van stilte is tijd van
troosten, tijd van tranen tijd van mooi
zijn, tijd van schamen tijd van jagen,
nu of nooit tijd van hopen,
dat nog ooit tijd van
zwijgen, zijn vergeten nergens blijven,
niemand weten tijd van
kruipen, angst en spijt zee van tijd en
eenzaamheid. wie aan dit
bestaan verloren nieuw begin
heeft afgezworen wie het houdt
bij wat hij heeft sterven zal hij
ongeleefd tijd van leven
om met velen brood en
ademtocht te delen wie niet geeft
om zelfbehoud leven vindt hij honderdvoud Om een strijd
voor niets gestreden Een geloof voor
niets beleden Om een
onvoltooid verknoeid Verleden tijd. Om dat steeds
weer net niet halen Om de
internationale Van het totale
menselijk falen Wereldwijd. Er hangt een
huilbui als een onweer in elk van ons Maar je houdt
't leuk Je houdt je
groot Maar als wij
zouden lozen Ging het hier
gigantisch hozen Dan had je alle
dagen watersnood. Er hangt een
huilbui als een onweer in elk van ons Tranen als het
water van de zee En heel ons
lange leven Zal die boven
blijven zweven Drijft die
huilbui als een onweer met ons mee. SPECIAAL
VOOR JOU Wees niet
wanhopig, als de hemel lijkt gesloten, als je van
ieder mens verlaten bent, als je, je
hoofd zó dikwijls hebt gestoten dat je geen
blijdschap en geen vreugd meer kent, als je verward
bent in de leugen, het bedrog: God is er toch?
God is er toch? Denk aan je
doop. Toen heeft de Heer gesproken: 'Je bent Mijn
kind. En of je wilt of niet, al heb je elke
dag je woord gebroken, toch breek Ik
Mijn belofte aan jou niet. Ik zei het toen,
Ik zeg het nu en nòg: Ik ben er toch?
Ik ben er toch? Voel op je
voorhoofd: daar brandt nog het water dat teken was
van Mijn verbond met jou. Dat gold voor
toen, dat geldt voor nu, voor later, al ben jij
ontrouw, eeuwig is Mijn trouw. Denk niet
wanhopig: 'God, wat moet ik nog?' Ik ben er toch?
Ik ben er toch? Ik ben er
altijd. Maar je moet Mij zoeken, Ik zal je horen,
vóór je roept tot Mij; Maar roep dan
ook. Al lijkt je bidden vloeken, Ik hoor je
stem. Ik kom en maak je vrij. Al is er niets,
dat in je voordeel pleit Mijn kind, Ik
ben er toch. Voor jou. Altijd.' Naar een
gebroken hart mag enkel
iemand gaan die ook het
hoge voorrecht kent dat hij pijn
heeft doorstaan. Emily Dickinson Als god eerlijk
zei: Straks maak ik
één van mijn laatste tochten maar heden heb
ik niets geen haast Ik wring mij
nog in allerlei bochten maar moet ik
gaan, ben ik toch verbaasd Toch leef ik in
mijn laatste dagen Bijna gereed
voor de laatste reis en zal ik die
sprong eens wagen wordt ik
weggelokt van 'aardse paradijs Het wordt 'n
eindeloos gevecht Ik schijn er
soms aan te bezwijmen en heb ik niet
mijn eigen recht om te weten...wat
ligt er achter die horizontale lijnen Want ik moet
gaan, zoals zovelen Wat geeft het
of ik zeg, dat ik 't haat ik ben gedoemd
dat lot met anderen te delen en denk, mijn
god, wat is dat voor verraad? Hij is
gestorven, omdat wij zouden leven maar daar wij
nog ten onder gaan zou ik er alles
voor willen geven als god eerlijk
zei...'ik maak't ongedaan' Ja, ik weet het, grote woorden
zijn het, liefde en trouw. Dus als het
niet om jou ging, bleef ik
wijselijk zwijgen misschien. Want het leven
is lang, hopen we, en de dagen
zijn zo verschillend als het weer. En morgen zijn
wij zelf anders dan vandaag, mensen ooit
volgroeid? Dus als het
niet om jou ging.. Maar het gaat
om jou. En ik weet, ik lees het in
je ogen, dat jij me zult
aanvaarden met al wat in
mij leeft en groeit, en faalt
misschien. Ja, ik vermoed
dat liefde in je woont, te groot en te
wijd voor woorden, waarin ik thuis
mag zijn en waar ik mag
terugkeren, opdat met
vallen en opstaan ik mens mag
worden en jij je
daarover in liefde kunt verheugen. Daarom zeg ik
"ja" vandaag. En niemand meer
dan jij weet hoe ik dat
bedoel. Wie in een
spiegel kijkt, ziet zichzelf, met ogen, huis
en haar, maar niet wat
achter ogen ligt en niet wat in
hem zucht en zingt. Ziet hij
zichzelf? Wie in een
spiegel kijkt, ziet die
zichzelf? Maar als ik in
de spiegel van jouw ogen kijk, zie ik -
behalve jou - mijzelf door
jou aanvaard zoals ik ben
van binnen door jou
vermoed, bemind zoals ik ben gezocht en
gezegend. In jouw ogen
zie ik het antwoord op mijn
ongesproken vragen een die genade
vindt en vrede, mijzelf, van binnenuit
weerspiegeld in jouw ogen. Ik zal je
liefste zijn, sprak zij, jouw naam
geschreven in mijn hand, mijn hart geen
dagtocht zonder jou. Ik zal je
liefste zijn, maar vraag en
wil niet weten of ik morgen
zijn zal wie ik ben of
gisteren was. Vraag niet dat
ik van plastic word van binnen. Ik wil je graag
beminnen zoals ik ben en
worden zal, met al wat in
mij zucht, nog ooit mij
overkomt. Kom, sprak hij, wees wie je
worden zult tot in lengte
van jaren. En elke nieuwe
dag zal eender en
vertrouwd, maar ook anders
zijn. Want leven zul
je waar ik ben en zingen zul
je wat je hart je
ingeeft, tot ook ik
geworden ben een mens van
morgen, anders dan ik
was of ben. Want liefde
leeft, en nieuw zijn
al de dagen van ons leven. Hoe zal ons
huis zijn, opdat jij er
vrede vindt? Met deuren
goudbeslagen, voorzien van
sloten die een vreemde
verre houden? Granieten muren en kostbaar
hars in vaten, van oude
droomverhalen, moet zo ons
huis zijn om te kunnen wonen? Of zal ik aan
een houten tafel het brood van
vrede met je delen? Zal ik rusten
waar jij op me wachtte. En onder een
dak van eenvoud, zal ik zeggen
dat ik van je houd. Jouw handen
openen ramen naar het licht
van de morgen. En deuren gaan
open naar wie er
vriendschap willen delen. Mag zo ons huis
worden? Wees gerust, de
hemel zegent hen die elkaar
zegenen: jouw huis, oase
van vrede. De liefde
spreekt een ja-woord. Maar zou het
waar zijn dat liefde meer
luisteren is dan spreken? Luisteren naar
jouw ogen, naar wat jouw
hart mij zeggen wil, met of zonder
woorden? Zou het waar
zijn dat jouw
ja-woord om mijn stilte vraagt, waarin het kan
uitgolven tot een lied diep in mij van
binnen? Ik luister met
gesloten ogen Laat mij de
naklank van jouw woorden zijn, ruimte waarin
jouw woord gaat leven. Zou het waar
zijn dat liefde meer
luisteren is dan spreken? ik lees het in
je ogen. Hoe in mensen liefde
ontspringt, weet geen wijze. Zelfs geen kind
weet waar de huiver
van liefde begint. Geen wijze,
geen kind, alleen jij
misschien waarom een mens
als ik door jou wordt
bemind. Liefde, niet te
bedenken, maar wonder dat
welt als verlangen dat ik voor je
zijn mag al wat gelukkig
maakt, een leven lang jouw
morgenlicht en avondvrede. Door de hemel
aan mensen gegeven, kleurt liefde
hun wereld, net warmte en
licht, wordt zij een
lied dat in blinkt
in hun ogen. Adem van liefde, niet te
bedenken, maar een wonder dat ruimte
vindt in wie wordt
als een kind. Woorden
bestormen de hemel vandaag en roepen om
zegen. Maar grote
woorden maken mij verlegen, ware het niet
dat in jouw ogen warmte en zegen
al zichtbaar gloeit. En wat jouw
doorstroomt, raakt ook mij
van binnen. Vanwaar dit
vreemd en wonderlijk gevoel dat wij,
ondanks ons zelf, elkaar beminnen? Worden wij van
hogerhand gezegend met wat een
mens verrassend overspoelt? Maar dan zal
ook, zo bidden wij, de hemel aan
ons blijvend schenken wat ooit in ons
is neergelegd en wat aan
liefde in ons leeft en
bloeit. Zijn wil
geschiede dus op aarde dat wij,
volkomen voor elkaar bevrijd, in liefde
blijvend vreugde vinden en voor de
hemelpsalmen van erkenning en van vrede
zingen. als
een blad van een boom valt Als een blad
van een boom valt Kijkt niemand
op of om Een boom een
blad ach wat Een speelbal in
de wind Maar nu valt
geen blad Geen boom zelfs Nee nu valt een
kind Als een bom op
een dorp valt Veert iedereen
boos op Om uitgebreid
te melden Wat hij ervan
vindt Nu valt een
stilte Geen bom valt Nee nu valt een
kind Ach God hou me
staande Ach God anders
val ik om Zeg me God waar
ik je vind Ach God hij was
drie maanden Ach God hij
huilde soms Ach God ben jij
dat kind Sprakeloze
mensen kijken Zwijgend naar
het kistje Van spaanplaat
met fineer Dat schommelend
wegzakt In de betraande
aarde Een kind niet
meer Geen schuld
treft hen Maar ze zijn
gedoemd De moeder
wankelt De vader houdt
zich groot Hij denkt had
ik Mijn kind maar
God genoemd Dan had ik
kunnen zeggen God is dood. Freek
de Jonge Wij kunnen u
niet meer bereiken, wij komen een
zintuig tekort, wij leggen ons
neer bij de feiten dat gij minder
en minder wordt. De enkele keren
dat ge in dromen ons
nog verschijnt, wordt gij al
ijler en ijler tot ge voor
altijd verdwijnt. Straten houden
uw namen voor heden en
morgen in stand, maar onze
kinderen brengen ze niet meer
met u in verband. Het land ligt
nog net als het toen lag van polder tot
polder te kijk; de mensen die
er in wonen blijven
zichzelve gelijk. Maar éénmaal
per jaar is de stilte tot de hemel
toe van u vervuld en belijden wij
zonder woorden onze
dankbaarheid, onze schuld. Ed. Hoornik Stil aan je bed
te staan en geen woord weten te zeggen verlegen zijn
met onze eigen kans, gezondheid, geest en kracht weten dat jij
nog maar zo kort van het leven mag getuigen dat je, je taak
als mens bijna volwaardig hebt volbracht. |