|
|
Epicurus Zijn wij er, Dood
is er niet.
Is Dood er,
ontbreekt het aan ons.
(Vrij
naar Epicurus) Anton
Korteweg Ik
zou graag slapen deze nacht Nu
jij dood ligt, slapen, slapen,
slapen terzijde van
jouw volkomen slaap om
te zien of ik je zo bereiken
kan! Slapen,
een morgenstond in de avond bron
van de rivier, slapen; twee
dagen die samen opgaan in
het niets, twee stromen die
aan het eind samenvloeien; twee
eenheden alsof het één is tweemaal
niets alsof het niets is. Ik
zou zo graag je dood verslapen. Juan Ramón Jiménez Nee,
wij zijn niet aan het einde, ons
begin is nog innig-dichtbij, wij
zetten onze voettocht naar elkander voort,
en de nieuwe horizon is vrij. Wij
zullen vast elkander weer ontmoeten in
een spiegel: daarachter in het gras zullen
sonore cellotonen sproeien en
de spiegel zal niet zijn van glas. Niet
van glas maar van een weefsel vert daarachter
ligt een nieuw beleven en
de dood zal hangen aan een haar. Is
het dan mogelijk dat wij ons vergissen, dat
ons mooiste uur toevallig was, zal
een blinde worm dat uur wegknagen en
blijven er slechts scherven in het gras? Nee,
wij zullen vast elkander weer ontmoeten als
voorbestemde klanken in een rijm. Sonore
cellotonen zullen sproeien over
witte wouden van Oneindigheid. Abraham Sutzkever Toen
ik bij dageraad door het woud wandelde, in
mei, vroeg ik me af waar jullie waren, zielen
van de doden. Waar zijn jullie, jonge vermisten,
waar zijn jullie, de
volledig veranderden? In
het bos heerste grote stilte, en
ik hoorde de groene bladeren dromen, ik
hoorde de droom van de schors waaruit boten, schepen
en zeilen zullen ontstaan. Dan,
langzaam, begonnen de vogels te herleven, distelvinken,
lijsters, merels, verborgen op
balkons van takken, elk in een andere taal, elk
met een andere stem, niets vragend, zonder
bitterheid of spijt. En
ik besefte dat jullie zang zijn, onvatbaar
als muziek, onbegrijpelijk als
muzieknoten, ver verwijderd van ons zoals
wij van onszelf. Adam
Zagajewski Nu deze eerste dag van een nieuw jaar, nu zonder haar. Strijklicht grijpt het bevroren land. Het is niet waar dat zij daar in de diepte
ligt, dat zij is weggedaan in een besneeuwde stee van een bij twee. Maar het is waar. Wij slijpen haar in steen, wij kerven in het hout haar naam, wij schrijven tegen beter weten in haar taal; ik spreek haar stiekem toe. IJdele onzin, valse vlijt. Een plaats. En het besef dat
zij zich niet meer uitbreidt in mijn tijd. Anna Enquist Er was een lichte warmte boven zijn gezicht,
als van de aarde 's avonds als de zon
verdween. En als de wind in een gordijn, ging licht zijn adem in en uit zijn lippen heen... Hij was het leven, zichtbaar bijna zonder
schaal en niets dan leven, tot de rand geschonken en zonder smet of schaduw neergezonken en opgestegen in de broze bokaal. Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven en hoe toeganklijk voor zijn eb en vloed... Hoe licht en stil en schoon is met de dood hij op het lege strand alleen gebleven. M. Vasalis Vanavond, toen ik rustig op visite was, Woorden, als bijen glinstrend over kruiden,
zwermden, schoot als een vogel uit het dichte gras, dat hem verborgen had en hem beschermde, een heimwee rechtstreeks naar omhoog en met een kreet, die, dacht ik, iedereen
kon horen. En voor het eerst herkende ik wie er uit mij
vloog En wie mijn brand tot zijn hoog nest
verkoren. O kleine phoenix, die mij al te kort bezat, ik zie de blauwe vuren van zijn ogen, het lichte wegen op mijn hand, waarop hij
zat ik hoor zijn vleugels zingen, toen is hij
opgevlogen... Haast niet, schreeuw niet van pijn, o hand. Schrijf door totdat de vingren zijn verbrand. M. Vasalis We kruisten de Styx. De veerman lag dronken in zijn schip. Ik hield het roer en we zonken als stenen. Water bestaat als de aarde in lagen, transparante linten, glanzende
strata van steeds kleiner leven, minder warmte. In je haren bloeiden luchtbellen, de stroom trok je hoofd naar achter en streelde je hals. Stenen wuifden met armen van algen en
varens, zongen zachtjes gorgelend 'vrede'. Ze sneden je kleren los. Vissen likten het bloed van je benen. Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten maar we vielen te snel en er zijn geen
woorden die zonder lucht bestaan, mijn liefde bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor
even, de plaats markerend van het ongeluk voordat ze verder dreven. Je mond ging open.
Je gezicht werd rood, je handen zochten evenwicht, zochten mijn armen. Je probeerde in me omhoog te klimmen. Je was een glasblazer met een wolk van
diamanten aan zijn mond. Ik hield je vast als een
katje. Ik aaide je vingers. Je liet niet los. Je sliep en ik aaide je vingers, liet los. Esther Jansma 1 Het is herfst nu, fruit ligt in het gras, tijd voor de lange reis naar het einde. De appels vallen als grote druppels dauw, kneuzen zich een uitgang uit zichzelf. En het is de tijd van heengaan, om zichzelf vaarwel te zeggen, een uitgang te vinden uit het gevallen ik. 2 Uw dood-schip, hebt ge het gebouwd? Zeker? Bouw het, uw dood-schip, de tijd dringt. De norse vorst nadert, wanneer alle appels vallen, zwaar vallen op de hardere grond. Dood is aanwezig als de geur van as. Wordt ge hem gewaar? En in het gekneusde lichaam krimpt de angstige ziel, huivert in de kou die door de openingen binnendringt. 3 Kan een mens zijn eigen stille dood zelf
maken eenvoudig met een priem ? Met dolken, priemen, kogels, kan hij kwetsen en een uitgang voor zijn leven
maken; maar is dat het stille einde, zeg mij, is
dat het stille einde? Neen. Want hoe kunnen doodslag, zelfs
zelfdoding ooit een eigen stil einde brengen ? 4 Laat ons spreken van de stilte die we
kennen, die we begrijpen, de diepe en lieve stilte van vrede in een sterk hart. Hoe maken we dit, ons eigen stil einde? 5 Bouw uw dood-schip, uw langste reis vangt aan, naar het einde. En sterf de dood, de lange pijnlijke dood die ligt tussen het oude ik en het nieuwe. Onze lichamen zijn reeds gevallen, gekneusd, onze zielen glijden reeds weg door de
opening van de wonde. De donkere en éindeloze oceaan van het
einde Stroomt in ons lichaam door de bressen van
onze wonden, de vloed dreigt. Bouw uw dood-schip, uw kleine ark, voorzie het van voedsel en wijn voor de donkere vlucht naar het einde. 6 Langzaam sterft het lichaam, en de
beschroomde ziel heeft geen steun meer in de stroming nu de zwarte vloed stijgt. We sterven, allen gaan we dood en niets houdt de rijzende vloed in ons
tegen, nog even en hij stijgt over de wereld, over de wereld daar, buiten ons. We sterven, langzaam sterven onze lichamen onze kracht ebt weg, en onze ziel krimpt ineen onder de zwarte regen over de vloed, angstig klampt ze zich vast aan de laatste
takken van de boom van ons leven. 7 We gaan dood, al wat overblijft is gewillig zijn en het dood-schip bouwen dat de ziel zal dragen tijdens de langste
reis. Een bescheiden schip, met roeispanen en
voedsel met schoteltjes en de nodige kledij passend en klaar voor de ziel die heengaat. Laat uw klein schip te water nu het lichaam sterft en het leven
wegglijdt; ga nu, de fragiele ziel in het fragiele moedige schip, de ark van het geloof, met zijn voorraad voedsel en kookgerei en nieuwe kleren, op de zwarte leegheid van de vloed op de wateren van het einde op de zee van de dood waar we varen, blind, want een roer hebben we niet, en geen thuishaven. Er is geen thuishaven, we kunnen nergens
heen, niets dan het altijd dieper wordend zwart over deze geluidloze stroom, donker op donker, boven en onder en opzij, volledige duisternis : welke koers we volgen weten we niet. En het scheepje is er nog, en toch is het
verdwenen. Het is onzichtbaar, want om te zien bestaat
er niets meer. Het is verdwenen. En toch ergens is het aanwezig. Nergens. 8 En alles is verdwenen, het lichaam
verdwenen, ten onder gegaan, alles. De zwarte bovenlaag weegt op de zwarte
onderlaag; daartussen is het scheepje verdwenen, het bestaat niet meer. Dit is het einde, alle herinnering is verdwenen. 9 En toch, uit de eeuwigheid maakt een draad zich los, op de duisternis een horizontale draad, op het zwart een bleke klaarte. Illusie? of hangt de schemering hoger? Wacht, wacht, het is dageraad, de pijnlijke dageraad: het herleven uit de dood. Wacht, het scheepje drijft mee onder de asgrijze lucht van deze dageraad over de stroom. Wacht, er rijst onmiskenbaar een gele gloed en, vreemd, een roze schemering. Een roze schemering, en alles begint
opnieuw. 10 De vloed zinkt, en het lichaam als een gesleten zeeschelp herrijst, mooi en vreemd. En het scheepje, als op vleugels, drijft
naar zijn tehuis, onzeker, verdwalend soms, op de roze stroom, en de broze ziel bewoont haar huis opnieuw en brengt het hart vrede. Ze haalt het in vrede hernieuwde hart uit het niets terug. Bouw uw dood-schip, bouw het, het is dringend. Want ook U wacht de reis naar het einde. David Herbert Lawrence Als paarden sterven-snuiven ze, Als grassen sterven -verdrogen ze, Als zonnen sterven -doven ze uit, Als mensen sterven-zingen ze liederen. Velimir Chlebnikov Er is een stoppelveld waarin een zwarte
regen valt. Er is een bruine boom die er eenzaam staat. Er is een lispelwind die om lege hutten
draait. Hoe treurig deze avond. Voorbij het gehucht Raapt de goedige wees nog schaarse aren. Haar ogen kijken zich uit en goudachtig in
de schemer En haar schoot verwacht de hemelse
bruidegom. Bij de terugkeer Vonden de herders het zoete lijf Vergaan in de doornstruik. Een schaduw ben ik ver van duistere dorpen. Gods zwijgen Dronk ik uit de bron van het woud. Op mijn voorhoofd komt koud metaal Spinnen zoeken mijn hart. Er is een licht dat mijn mond uitdooft. ‘s Nachts vond ik mij op een heide, Vol vuil en stof der sterren. In het hazelaarsbos Klonken weer kristallen engelen. Georg Trakl ALLES
WAT DOOD IS,IS WONDERBAAR De maan, achter het meer tot staan gekomen, Doet denken aan een raam dat open staat In een verlicht, stil huis, des avonds laat, Waar 't lot een nare wending heeft genomen. Ging daar de eigenaar zo-even dood, Of nam zijn v Of is het kleine dochtertje verdwenen, En vonden ze haar schoentje bij de sloot. .. We kunnen het niet zien vanaf de aarde, Maar delen zwijgend in de droefenis. De uilen krijsen luid een dodenmis, Een zoele wind raast heftig in de gaarde. Anna Achmatova Wanneer de lente komt, En als ik dan al dood ben, Zullen de bloemen net zo bloeien En de bomen zullen niet minder groen zijn
dan het vorig voorjaar. De werkelijkheid heeft mij niet nodig. Ik voel een enorme vreugde Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt
onbelangrijk is. Als ik wist dat ik morgen zou sterven En het was overmorgen lente, Zou ik tevreden sterven, omdat het
overmorgen lente was. Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze
moeten komen tenzij op haar tijd ? Ik houd ervan dat alles werkelijk is en
alles zo als het moet zijn; Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook
als ik er niet van hield. Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden, Want alles is werkelijk en alles is zo als
het moet zijn. Men mag Latijn bidden boven mijn kist,
indien men wil. Indien men wil, mag men rondom dansen en
zingen. Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch
geen voorkeur meer kan hebben. Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal zijn dat wat het is. Fernando Pessoa ZWARTE STEEN OP EEN WITTE STEEN 'Ik zal sterven in Parijs bij striemende
regen, op een dag die ik me nu al herinner. Ik zal sterven in Parijs - en ik heb geen
haast - wellicht een donderdag, zoals vandaag, in de
herfst. Een donderdag, omdat vandaag, donderdag,
terwijl ik deze regels opschrijf, mijn vingers
weerspanniger zijn dan ooit en ik vandaag, zoals nog nooit
voordien, omkijk en mezelf met heel mijn weg alleen
vind. César Vallejo is dood. Ze mishandelden hem, allemaal, zonder dat hij hen wat gedaan had; ze sloegen op hem met knuppels en ook met een riem. Getuigen daarvan zijn de donderdagen, de stroeve vingers, de eenzaamheid, de regen, de wegen...' César Vallejo Ik zou mijn hart zó het dak op kunnen gooien : het rolde dan ongezien weg. Ik zou mijn pijn kunnen uitschreeuwen tot mijn lijf zou breken : dat zou dan verglijden in de stroom van de rivier. Ik zou op het platte dak de zwarte dans van de dood kunnen dansen: de wind zou mijn dans meevoeren. Gaf ik de vlam in mijn borst vrij spel, dan kon ik die laten tollen als een dwaallicht: de straatlantaarns zouden hem doven. Alfonsina Storni In mijn verdriet niets dat beweegt Ik wacht en geen mens komt Overdag noch I s nachts En ook nooit meer wat ik zelf was Mijn ogen zijn gescheiden van jouw ogen Zij raken hun vert Mijn mond is gescheiden van jouw mond Mijn mond is gescheiden van het plezier En van de zin in de liefde en de zin in het
leven Mijn handen zijn gescheiden van jouw handen Mijn handen laten alles los Mijn voeten zijn gescheiden van jouw voeten Zij verzetten geen stap er zijn geen wegen
meer Zij kennen mijn gewicht niet meer noch de
rust Ik kan mijn leven een einde zien nemen Samen met het jouwe Mijn leven in jouw kracht Die ik oneindig dacht En de toekomst mijn enige hoop is mijn graf Net als het jouwe omringd door een
onverschillige wereld Ik was je zo na dat ik het koud heb bij de anderen. Paul Éluard De keuken is zo stil Een restje kille regen Maakt van de rust een zegen Die zondag in april. De lente leunt naar binnen, Lacht als zij in de kast Die glanst zoals het past Haar spiegelbeeld ziet glimmen. De stoelen staan verlegen De tafel slaapt weer in De kroppen sla gaan wegen De dauw hangt er nog in. En amper opgeschrikt Door 't klokje, stille hoeder, Hoor je het hart van moeder Dat in de kamer tikt. Maurice Caręme een begrafenislied Misschien ben je echt moe van het huilen, misschien wil je even slapen -misschien - laat dan de uil niet krassen, kikvorsen niet kwaken, vleermuizen niet vliegen. Het zonlicht mag je wimpers niet beroeren, de koele wind mag niet langs je voorhoofd
strijken, niemand mag jou wakker maken. Laat een parasol van dennenloof je beschutten terwijl je slaapt. Misschien hoor je de wormen de aarde
omwoelen, wortels van jong gras water opzuigen, misschien zijn zulke klanken voor jou mooier dan vloekende mensenstemmen. Knijp nu je ogen stijf toe, dan zal ik je laten slapen, ik laatje
slapen; ik zal je zachtjes met gele aarde toedekken en geld van papier laten neerdwarrelen. Wen Yiduo Buiten ons sterven de dingen. Uit de nacht hoor je waar je ook gaat een
fluistering Bijna komen uit de straten die je niet
betrad, Uit de huizen die je niet binnenging, Uit de ramen die je niet opende, Uit de rivieren die je niet naderde in
dorst, Uit de schepen die je niet bevoer, Buiten ons sterven de bomen die we niet
leerden kennen. De wind gaat door kaalgeslagen bossen. Buiten ons sterven de bomen die we niet leerden kennen. De wind gaat door de kaalgeslagen bossen. De dieren sterven uit naamloosheid, en uit stilte de vogels. De lichamen sterven gaandeweg uit verlatenheid. Samen met onze oude kleren in de linnenkast. De handen sterven die we niet aanraakten, uit eenzaamheid. De dromen, die we niet zagen, uit gebrek aan licht. Buiten ons begint de woestenij van de dood. Y. Themelis Ik klopte op de poort van de verloren tijd,
niemand deed open. Ik klopte een tweede keer en nog een keer en
nogmaals. Geen antwoord. Het huis van de verloren tijd is voor de
helft bedekt met klimop; de andere helft is as. Een huis waar niemand woont, en ik maar
kloppen en maar roepen om het verdriet van roepen zonder iemand die
mij hoort. Alleen maar kloppen. De echo weerkaatst mijn aandrift deze ijspaleizen op een kier
te zetten. Dag en nacht versmelten in het wachten, in het kloppen en kloppen. De verloren tijd bestaat waarschijnlijk
niet. Ze is het lege en verdoemde herenhuis. Carlos Drummond de Andrade in
memoriam Hans Henny Jahnn De sneeuw jaagt, het grote sleepnet van de hemel, het zal de doden niet vangen. Nu heeft de sneeuw zich weer bedacht. Hij stuift van tak tot tak. De blauwe schaduwen van vossen loeren vanuit de hinderlaag. Ze ruiken de witte keel van de eenzaamheid. Peter Huchel Twee handen waren als een huis. Ze zeiden : trek bij mij in. Geen regen, geen vorst, geen angst. Ik heb in dat huis gewoond zonder regen, zonder vorst, zonder angst tot de tijd het af kwam breken. Nu zwerf ik weer langs de wegen. Mijn jas is dun. Er is sneeuw op komst. Rolf Jacobsen De dood zal komen en jouw ogen hebben - deze dood die altijd bij ons is van de ochtend tot de avond, wakend, doof, als een oud gevoel van spijt, of een dwaze ondeugd. En jouw ogen zullen een ijdel woord zijn, een verzwegen schreeuw, een stilte. Zo zie je ze elke ochtend als je je naar jezelf toebuigt in de spiegel. O dierbare hoop, die dag zullen ook wij weten datje het leven bent en het niets. Voor iedereen heeft de dood een blik. De dood zal komen en jouw ogen hebben. Het zal zijn als het stoppen met een
ondeugd, als in de spiegel een dood gezicht opnieuw te zien verschijnen, als luisteren naar gesloten lippen. Stom zullen we afdalen in de stroom. Cesare Pavese WIJ ZIJN MAAR EEN AKKOORD IN HET CONCERT Ga in die nacht niet al te licht Ga in die goede nacht niet al te licht. De oude dag moet laaien en weerstaan; Raas, raas tegen het sterven van het licht. De wijze, die eens voor het duister zwicht, Omdat zijn woord geen bliksemstraal kon
slaan, Gaat in die goede nacht niet al te licht. De goede, na de laatste golf, wellicht Trok hem een groene baai tot dansen aan, Raast, raast tegen het sterven van het
licht. De woeste, die zong van de zonneschicht, Tot ook hij leerde treuren om haar baan, Gaat in die goede nacht niet al te licht. De sombere, die met doods verblind gezicht Ogen als meteoren op ziet gaan, Raast, raast tegen het sterven van het
licht. En jij, mijn vader, die daar droevig ligt, Vloek, zegen, mij met een verbeten traan. Ga in die goede nacht niet al te licht. Raas, raas tegen het sterven van het licht. Dylan Thomas Mijn leven had de vorm genomen van dat
kleine plein In die herfst waarin je dood meticuleus werd
uitgezet Ik klampte me aan dat plein jij hield van De bescheiden en weemoedige menselijkheid
van kleine winkels Waar bedienden garen band en stoffen vouwen
en ontvouwen Ik probeerde jou te worden omdat jij sterven
ging En heel mijn leven hield daar op van mij te
zijn Ik probeerde te lachen zoals jij lachte Tegen de krantenventer en de sigarenman En de v Ik vroeg de v Ik brandde kaarsen op alle altaren Van alle kerken op dit plein Want nauwelijks gingen mijn ogen open of ik
las De aanleg voor de eeuwigheid op je gezicht
geschreven Ik deed een beroep op straten plaatsen
mensen Die ooit je gezicht hadden gezien Om je te roepen om het weefsel te ontrafelen Dat de dood in jou vervlocht Sophia de Mello Breyner Zwarte melk van de vroegte we drinken haar
's avonds we drinken haar 's middags en 's morgens we
drinken haar 's nachts we drinken en drinken we graven een graf in de lucht daar ligt men
niet krap Er woont een man in dit huis hij speelt met
de slangen hij schrijft hij schrijft als het schemert aan Duitsland
je goudblonde haar Margarete hij schrijft het en komt uit z'n huis en de
sterren beginnen te flonkeren hij fluit z'n honden naar buiten hij fluit z'n joden naar voren beveelt ze
een graf in de aarde te graven hij beveelt ons speel dat de dans kan
beginnen Zwarte melk van de vroegte we drinken je 's
nachts we drinken je 's morgens en 's middags we
drinken je 's avonds we drinken en drinken Er woont een man in dit huis hij speelt met
de slangen hij schrijft hij schrijft als het schemert aan Duitsland
je goudblonde haar Margarete Je asgrauwe haar Sulamith we graven een graf
in de lucht daar ligt men niet krap Hij roept steek dieper de grond in jullie
hier jullie daar zing en speel hij rukt aan het staal van z'n riem hij
zwaait het z'n ogen zijn blauw steek dieper d.e spaden blijf spelen opdat
men zal dansen Zwarte melk van de vroegte we drinken je 's
nachts we drinken je 's middags en 's morgens we
drinken je 's avonds we drinken en drinken er woont een man in dit huis je goudblonde
haar Margarete je asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de
slangen Hij roept speel de dood eens wat zoeter de
dood is een meester uit Duitsland hij roept strijk de violen wat triester dan
stijg je als rook naar de hemel dan krijg je een graf in de wolken daar ligt men niet krap Zwarte melk van de vroegte we drinken je 's
nachts we drinken je 's middags de dood is een
meester uit Duitsland we drinken je 's avonds en 's morgens we
drinken en drinken de dood is een meester uit Duitsland en
blauw zijn z'n ogen hij raakt je met kogels van lood hij staat
daar onbewogen er woont een man in dit huis je goudblonde
haar Margarete hij hitst z'n bloedhonden tegen ons op hij
schenkt ons een graf in de lucht hij speelt met de slangen en droomt dat de
dood is een meester uit Duitsland je goudblonde haar Margarete je asgrauwe haar Sulamith Paul Celan Mijn dood is van geldstukken gemaakt en van papiergeld Mijn dood is van wegen gemaakt naar school en naar het werk Mijn dood is van een prikklok gemaakt en van plichten Mijn dood is van kranten gemaakt en van agenten van sigaretten en jenever van suiker en brood en boter van liefde van geluk en van ongeluk van woede en geduld Mijn dood is van mijn ouders gemaakt en van mijn kinderen van mijn mislukken en van mijn slagen van mijn horigheid en van mijn vrijheid van mijn gezelschap en van mijn alleen zijn van mijn ongeloof en van mijn geloof van mijn hoop en van mijn teleurstelling van mijn denken en van mijn vergeten Mijn dood is van mijn geslacht gemaakt en van mijn hart Mijn dood is van mijn nachten gemaakt en van mijn dagen Van mijn leven en van jullie leven en sterven Erich Fried Op het soms bewoonde eiland dat we zijn,
zijn er avonden, nachten en ochtenden waarop we niet hoeven te
sterven. Dan weten we alles wat was en zal zijn. De wereld is definitief verklaard en er welt
een grote rust in ons op, en voor alles is een woord. We pakken een handvol aarde en drukken de
aarde samen. Zachtjes. Daarin zit de hele verdraaglijke waarheid
gevat: de omtrek, de wil en de begrenzing. Dan kunnen we zeggen dat we vrij zijn, met
de vredigheid en de glimlach van iemand die zichzelf herkent
en onvermoeibaar de hele wereld is rondgereisd, omdat hij in
de ziel heeft gebeten tot op het bot. Laten we langzaam de aarde bevrijden waar
wonderen gebeuren zoals het water, het steen en de wortel. leder van ons is voorlopig het leven. Daar hebben we genoeg aan. José Saramago Drie grote droefenissen kent deze wereld Drie droefenissen zo groot en niemand weet Hoe deze grote droefenissen te ontwijken De eerste droefenis Ik weet niet waar ik
doodga De tweede droefenis Ik weet niet wanneer En de laatste Ik weet niet waar ik aan gene
zijde beland Zo hoorde ik het in een lied Laat maar zo Laat maar zoals het lied het zingt Durf De huiver als een deurknop te pakken en binnengaan Jan Skácel De afdeling kleine graven op het kerkhof. Wij die lang leven lopen deze stil voorbij, zoals rijken de armenbuurt voorbijlopen. Hier liggen ze, Zosia, Jacek en Dominik, vroegtijdig aan de zon, de maan ontnomen, aan de rondgang van het jaar, de wolken. In hun retourbagage hebben ze niet veel
verzameld. Flarden van uitzichten, in een niet al te menigvuldig meervoud. Een handvol lucht met een vlinder die
voorbijvliegt. Een lepeltje bittere kennis, met de smaak
van medicijn. Kleine ongehoorzaamheden, waarvan er eentje dodelijk was. Een vrolijke ren de bal achterna, over de
weg. Het geluk van glijden op nog breekbaar ijs. Hij hier en zij ernaast, en de hele rij: voor ze bij de deurknop konden komen, een horloge kapot maken, hun eerste ruitje breken. Malgorzatka: vier jaar, waarvan twee liggend en kijkend naar het
plafond. Rafaël: een maand later zou hij vijf zijn
geworden, en Zuzia : vlak voor de kerstdagen met hun waas van adem in de vorst. Maar wat kun je dan zeggen over één dag
leven, één minuut, seconde: donker, dan een lampflits en weer donker? KOSMOS MAKRÓS CHRONOS PARÁDOKSOS Alleen het stenen Grieks heeft hiervoor woorden. Wislawa Szymborska Schrijf de winter staat stil, lees een dag
zonder dood spel de sneeuw als een kind, smelt de tijd als een klok die zich spiegelt in ijs het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men
schrijft in een klok die niet loopt, in het vlees dat bestaat als sneeuw voor de zon en schrijf hoe haar lichaam bestond en zich
boog gelenigd in vlees en keek achterom in het oog van vandaag, en lees wat hier
staat de zon op de sneeuw, het kind in de slee het dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood - Gerrit Kouwenaar o vader wij zijn samen geweest in de langzame trein zonder bloemen die de nacht als een handschoen aan - en uittrekt wij zijn samen geweest vader terwijl het donker ons dichtsloeg. waar ben je nu op een klein ritje in de vrolijke bries van een groene auto of legde de dag haar handschoen niet op een tafel waar schemering en zachte genezing zeker zijn in de toekomst. mijn lippen mijn tedere lippen dicht. 16
juli 1950 Hans
Lodeizen 1
Heb zopas mijn allang gestorven moeder
opgegraven. En wat ik opgroef was een kist vol rozen, vers
en geurig, als kwamen ze uit kassen. Wat is dit alles vreemd! 17 Je zult regenen bij regenweer, je zult warmte geven 's zomers, je zult koelte zenden 's avonds. Je zult nóg sterven duizend maal. Je zult bloeien in de bloeimaand. Je bent niets, niemand, moeder. Van ons zal blijven een zelfde spoor, een zaadje van wind in het water, het skelet van bladeren op de aarde. Over de rotsen, tatoeage van schaduwen. In het hart van de bomen het woord liefde. We zijn niets, niemand, moeder. Leven is nutteloos maar nog nuttelozer is sterven. Jaime gestorven
in een inrichting voor geesteszieken, één jaar oud Iets heeft opgehouden bij mij te blijven, iets als een persoon, iets dat daar veel op
leek. Toch was er geen adeldom in of iets dergelijks. Er was iets als een huis, gebouwd een jaar geleden, stom als steen. Terwijl de gebouwen
ernaast zongen als vogels en lachten omdat zij met de stilte een dwingende afspraak hadden. Maar hij zong niet en lachte niet. Hij zegende de
stilte niet als brood, met woorden. Hij brak de stilte niet. Eigenlijk, als een huis in oog naar binnen om op de stilte te letten
terwijl de andere huizen als vogels zongen om hem heen. En de ademende stilte bewoog niet, maar was ook niet stil. Ik heb hardsteen gezien, ik heb baksteen
gezien, maar dit huis was niet van hardsteen of
baksteen, het was een huis van vlees en bloed met vlees van hardsteen en bloed als baksteen. Een huis van steen en bloed, met adem van stilte, en
de andere vogels waanzinnig zingend op zijn
schoorsteen. Maar dit was stilte, dit was iets anders, dit was iets luisterend en sprekend, hoewel het een huis
was, gehuld in stilte, er was iets godsdienstigs in zijn stilte, iets dat glansde in zijn rust. Dit was iets anders, dit was iets volstrekt
anders; hoewel hij nooit sprak, had dit iets van doen met de dood. En toen hield het oog langzaam op naar
binnen te kijken. De stilte rees en viel stil. De blik keerde zich naar buiten en keek, de vogels kwetterend om hem heen. En alsof hij kon spreken keerde hij zich om op zijn zijde met zijn
ene jaar rood als een wond, hij keerde zich om alsof hij er zich voor
schaamde, en uit zijn ogen rolden twee grote tranen,
als stenen, en hij stierf. Jon Silkin Ik droomde dat je thuis was lief je kwam licht uit de auto, ik sliep, ik hoorde vogels, rook seringen, jij draaide aan de knop van de radio die aan mijn hoofdeind stond. Uit elk station kwamen verwonderlijk belangwekkende fragmenten. Ik droomde ook dat ik gedroomd had dat ik in de keuken stond en dat het aanrecht in stukken brak - marmeren brokken. Ik nam in elke hand een scherf want dacht ik, misschien is"dit een droom, en bracht mijn handen langzaam bij elkaar, om het marmer te horen ketsen, maar het ketste niet. Ik vond het prettig datje thuis was kon je de droom vertellen. Ja zei jij, ja dat doet een droom, je voelt iets in je
hand dat er niet is, dat is bekend. Toen ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik dat jij thuis bent, ik slaap nog even door. .Jij neemt wel op. Ik hoorde je spreken. Hij rinkelde en rinkelde totdat ik wakker
werd en rende. Verdriet om sterven is bekend verdriet van scheiden niet geacht. En doden weten niet hoe ze ontbreken. Judith Herzberg Tijd -het is vreemd, het is vreemd mooi ook nooit te zullen weten wat het is en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is
ouder dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het
kijkt naar iets in zichzelf, iets ziet daar wat het meekreeg zoals Rembrandt kijkt op de laatste
portretten van zichzelf alsof hij ziet waar hij
heengaat een verte voorbij onze ogen het is vreemd maar ook vreemd mooi te
bedenken dat ooit niemand meer zal weten dat we hebben geleefd te bedenken hoe nu we leven, hoe hier maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder de echo's van de onbekende diepten in ons
hoofd niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik buiten onze gedachten is geen tijd we stonden deze zomer op de rand van een dal om ons heen alleen wind Rutger Kopland O DUISTER DAT MIJ KOMT VERFRISSEN Morgen, zodra het gloort Ik weet dat jij daar op mij wacht. Dus zal
ik gaan, Morgen, zodra het gloort, zodra de velden
lichten. Hier blijven kan ik niet, zo ver bij jou
vandaan. Door 't bos, over de berg, zal ik mijn
schreden richten. Ik zie niets om mij heen, ik hoor ook geen
gedruis, Ik loop maar en heb enkeloog voor mijn
gedachten, Triest en gekromd, de handen op de rug
gekruist, Alleen, geen die mij kent, mijn dagen zijn
als nachten. Ik zie het avondgoud dat neerdaalt zelfs
niet meer, Ook niet de zeilen ginds die op Harfleur
afglijden- En als ik bij haar graf kom, leg ik voor
haar neer Een tuiltje groene hulst met wat bloeiende
heide. Victor Hugo Eén van de kleine dingen te zijn een druppel water of in de nachtelijke keuken een kikkererwt op tafel zijn over de grond te gaan ongebonden en donker als een draad losgeraakt van de klos maar niet te sterven van vermoeidheid en
verlangen vlak voor het licht van het raam als een bij gedwarsboomd door het glas Homero Aridjis De doden kijken altijd op ons neer, zegt
men, terwijl wij onze schoenen aantrekken of een
broodje smeren, zij kijken neer door de glasbodemboten van
de hemel wanneer ze zichzelf langzaam door de
eeuwigheid roeien. Zij kijken naar onze kruinen die beneden op
aarde bewegen, en liggen wij neer in een veld of op een
bank, misschien bedwelmd door het gezoem van een
warme namiddag, dan denken zij dat wij terugkijken naar hen, waardoor zij de riemen lichten en stilvallen en wachten, zoals ouders, op ons om onze ogen te sluiten. Billy Collins Laat ik nooit vergeten, dat er een boom op de heuvel staat - ergens, ver weg, waar dan ook-een boom zonder naam, bevriend met de komende avonden. Een boom op de heuvel. Die zal me eraan herinneren hoe wakkere ogen zwerven in het gras, hoe in de diepten van de dakloze nacht de stemmen van de krekels aanzwellen. Een boom op de heuvel. Dat hij van me zal houden en me nooit zal vergeten. Hij is naamloos, ik zal hem geduld en groene stilte noemen. Een boom-zulk een ranke belichaming van mijn gedachte! - staat op de heuvel, verenigd met de wolken, luisterend naar de duistere sprookjes, die de wind hem toefluistert. Ivan Tzanev De eikenbladeren bij de begraafplaats Fluisteren profetisch En de gerstekorrels komen tot rijping Als toneelspelers die Voor de honderdste keer in dezelfde rol Voor het voetlicht treden. Maar verhef niet je vaderland tot in de
hemel. Verheffen moet het jou. Vanaf deze wolk bekeken Zijn al die akkers en velden Een album vol postzegels Maar een mier ziet een kringetje rook Opstijgend van je sigaret Als een landschap zonder einde. Dreig nu niet langer Dit stuk land zonder geschiedenis Dat je slechts, maar dan voorgoed, Terug zult keren als een bronzen beeld. Voordat je vertrekt: Streel de schors van deze bomen Die jou zonder betaling leerden Zo fier rechtop te blijven staan. Morko Vesovic Witte rotsen steken uit de beek, Door kilte zijn de rode blaren schaars. Het bergpad -toch valt er geen regen: Het hemelblauw doorweekt je kleren. Wang Wei OP DE WIJZE VAN EEN UITGEKNIPTE PRUNUS De rode lotus geurt niet meer, de jade mat
werd herfst - Ik leg mijn zijden mantel af En ga alleen de loopplank op. Wie zendt vanuit de wolken een brokaten
brief aan mij? Wanneer de ganzen zuidwaarts trekken Vervult de maan de westelijke toren. De bloemen zijn vanzelf verstrooid, het
water blijft maar stromen - Een en hetzelfde verlangen, IJdele smart in twee plaatsen. Ik zou niet weten hoe ik dit verdriet kan
laten slijten - Pas daalt het van mijn voorhoofd, Of stijgt weer in mijn hart! Li Qingzhao Grauwe wolken boven de stad. Op zoek naar een roest strijken de raven neer en krassen tussen de takken. Op haar getouw weeft zij brokaat zoals de v Achter het gordijn van groene tule spreekt zij in zichzelf. Ze laat de schietspoel zinken en denkt aan haar man. Het is leeg in de kamer, haar tranen vallen met de regen. Li bo De waterkant die zij verdichtte, ligt zacht na al die jaren. Nog altijd fluistert daar het riet wat ons zal wedervaren. De oeverrand, de overwal, het zachtgekleurde land. Het zwijgend veld, de horizon, verstilde waterkant. De wind roept het de halmen toe ginds van de overzijde; verdrijft met zachte bries de waas boven de groene weide. Haar hand die naar de mijne reikt, terwijl we samen zwijgen, trekt mij stil van de waterkant ginds naar de overzijde. Andreas Inderwisch dec. 2003 in
antwoord op een gedicht van Ida Gerhardt
|
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 31-01-2007 18:35:58 |