rouw7
Start Omhoog

                 



Zo zal het zijn

 

Doof nu het licht en sluit je ogen

en vergeet de strijd

jouw leven hier is omgevlogen,

maar je liefde blijft.

En waar jij gaat

zijn zon en maan gelijk,

de kleinste bloem

is daar als de hoogste eik

en alle koningen en kinderen

zijn daar gelijk.

Laat nu die laatste droom maar komen

en wees niet meer bang,

jouw nacht van vrede is gekomen

na een leven "lang".

En waar jij gaat daar is geen haat of pijn,

het heetste vuur

wordt dat als van een kaars zo klein,

zoals de zon schijnt na de regen,

zo zal het zijn.

En waar jij gaat .daar zullen vriend en vijand

samen gaan,

wat stof is zal tot stof vergaan

en elke storm komt weer tot rust daar,

zo zal het gaan.

En waar jij gaat laat ik mijn hart en ziel

met jou meegaan,

jouw taak op aarde is voldaan,

zoals je was in alle liefde,

zo zal je gaan.

 


 

iets beters dan woorden of klanken.

Zoek mij in de mensen die ik

gekend en lief gehad heb".

 


"Nacht van droom en van verlangen

draagt het schemerlicht ternauwernood.

Onuitwisbaar groeit verlossing

in de barensweeën van de tijd.

Onmiskenbaar moe gedragen

wijkt het duister voor het volle licht".

 


De dood

Voor James Brockway

 

Die lompe gast zal jou niet overslaan.

Nooit belt hij op en vraagt: “kom ik gelegen?”

Hij komt te vroeg, te laat, zijn zeis stoot tegen

Je lamp of vaas. Hij laat zijn koffie staan.

 

Beloftes worden niet door hem gedaan

En hij zal nooit die knekelvoeten vegen.

Hij wil niet schaken. Er wordt stuurs gezwegen

Tot hij je vraagt om met hem mee te gaan.

 

Dat was het dan. Je bent opeens zo moe.

Hij zegt: “je wist toch dat ik ooit zou komen.

Die lamp, die vaas, doen er niet meer toe.

 

Kijk niet zo bang. Het sterven doet geen pijn.

Het zal een slapen, slapen zonder dromen zijn,

Het zal een slapen zonder weerga zijn.”

 

Patty Scholten


Als de dageraad aanbreekt

Na een poosje leer je

het subtiele verschil tussen een hand vasthouden

en een ziel aan de ketting leggen

 

en je leert…

dat liefde niet betekent leunen en

gezelschap niet betekent veiligheid.

 

En je begint te leren…

dat kussen geen contracten zijn en

geschenken geen beloftes.

 

En je begint je verlies te accepteren

met je hoofd omhoog en je ogen vooruit

met de genade van een volwassene,

niet het verdriet van een kind.

 

En je leert al je wegen te bouwen op vandaag

want de grond van morgen is te onzeker;

plannen en toekomst hebben de gewoonte

om midden in hun vlucht neer te vallen.

 

Na een poosje leer je…

dat zelfs de zon schijnt als je teveel vraagt.

Dus plant je je eigen tuin en versier je je eigen ziel

in plaats van te wachten tot iemand je bloemen brengt.

 

En je leert…

dat je werkelijk kunt verdragen

dat je werkelijk sterk bent

dat je werkelijk waarde hebt.

 

En je leert…

en je leert…

 

Bij ieder afscheid leer je...

 

auteur onbekend


Bittgedanke, dir zu füssen
Stirb früher als ich, um ein weniges
früher

Damit nicht du

den weg zum haus
allein zurückgehn mußt

 

Smeekgedachte, voor jou neergeknield
Sterf vroeger dan ik, een heel klein beetje
vroeger

Opdat niet jij
de weg naar huis
alleen terug moet gaan


Reiner Kunze


DE BOOM

Is een gedicht als een boom

dan is het mooi.

Is hij mooi dan is een boom

als een gedicht.

 

Rustig met wortels

sterk en toch

gedragen door de wind

altijd beweeglijk

zijn eigen vorm tekenend.

 

Naast de boom

staat het gedicht in de aarde geplant

groeit vol vertroosting om laag

en streeft naar de hemel.

 

Op vaste grond en zwevend

uit stof zijt gij gekomen

tot stof zult gij wederkeren

uit stof zult gij herrijzen.

 

Klaus Rifbjerg


BOMEN

Bomen spreken weinig, naar men weet.

Ze slijten heel hun leven mediterend

en hun takken bewegend.

Het volstaat om hen in de herfst te bekijken

als ze samenkomen in de parken,

alleen de alleroudsten converseren,

zij die de wolken en de vogels verdelen,

maar hun stem gaat verloren tussen de bladeren

en zeer weinig bereikt ons, bijna niets.

 

Het is moeilijk een kort boek te vullen

met gedachten van bomen.

Alles aan hen is vaag, fragmentarisch.

Vandaag bijvoorbeeld, bij het horen van de kreet

van een zwarte koevogel reeds op weg naar huis,

slotkreet van wie geen volgende zomer meer wacht,

begreep ik dat in zijn stem een boom sprak,

een van zovele,

maar ik weet niet wat te doen met die kreet,

ik weet niet hoe hem op te tekenen.

 

Eugenio Montejo 


EEN BOOM OP DE HEUVEL

laat ik nooit vergeten, dat er

een boom op de heuvel staat -

ergens, ver weg,

waar dan ook - een boom zonder naam,

bevriend met de komende avonden.

Een boom op de heuvel.

Die zal me eraan herinneren

hoe wakkere ogen zwerven in het gras,

hoe in de diepten van de dakloze nacht

de stemmen van de krekels aanzwellen.

Een boom op de heuvel.

Dat hij van me zal houden

en me nooit zal vergeten.

Hij is naamloos, ik zal hem

geduld en groene stilte noemen.

Een boom-zulk een ranke

belichaming van mijn gedachte! -

staat op de heuvel, verenigd met de wol ken,

luisterend naar de duistere sprookjes,

die de wind hem toefluistert.

 

Ivon Tzanev


OUDE BEGRAAFPLAATS IN HET BOS

wij speelden vaak op de overgroeide begraafplaats

waar we met rust werden gelaten; tweehonderd jaar

geleden dat dode mensen er kwamen liggen

 

heide en wilgen verspreid over muurtjes en graven

neergelaten lichamen in hulsels van dennenhout en handgesmede spijkers

omgevormd tot minder dan lucht: kleine verzakkingen in openlucht

 

af en toe voetbalden wij er, stelden doelpalen op

het was er oneffen, het ging niet zomaar-

maar op een of andere manier lukte het steeds

 

we waren niet talrijk, we hadden geen regels

dat was ook het beste, allen tegen allen

ik zie de bal nog naar het doel rollen: bump bump bump

 

wij liepen erachter, over de kuilen

een sprongetje maar, en we waren er

 

Paal Helge Haugen


DENNENBOSSEN

Ik verloste hem van de grote plant

die in zijn kamer niet meer paste.

De wereld om de kleine man

werd almaar kleiner.

 

Zijn vrouw kon hier niet aarden,

ze droomde van verre dennenbossen

en veranderde in een vogel

die door het raam wegvloog.

 

Haar lichaam brachten ze terug,

met de schrik van geknakte knieën

en zweetdruppels als ongepaste

tranen op hun voorhoofd.

 

Achter de glazen ruit het bed

en op het kussen een gezicht

dat het leven opheft.

 

In zijn handpalmen schepte hij het.

Hij hief het gezicht naar zijn lippen

zoals je water uit de bron schept.

 

Jana Beranová


De getrooste dood

De Dood, die onbekend en onbemind,
Zoo uit het oog, zoo uit het hart vandaan,
De weg vervolgt, die hij vanouds moet gaan,
Weg, waarop niets hem aan zijn offers bindt,

Vindt soms op stille ziekbedden, waaraan
De laatste hand hij leggen zal, een kind
Dat hem herkent en glimlachend bemint
En hem verzoent met heel zijn doodsbestaan.

Hij neemt het kind, en 't kind hangt aan zijn lippen:
Ziet dan de glimlach dralend ingeteekend
Rond de eigen lippen als hij verderschrijdt.

Zoo wordt zijn weg naar kinderen berekend:
Zachte oasen tusschen zand en klippen
Der menschelijke onverschilligheid.

S. Vestdijk


Sterfbed

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen één voor één hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

Jean Pierre Rawie


Het einde

Vroeger toen 'k woonde diep in 't land,
Vrat mij onstilbaar wee;
Zooals een gier de lever, want
ik wist: geen streek geeft mij bestand,
En 'k zocht het ver op zee.

Maar nu ik ver gevaren heb
En lag op den oceaan alleen,
Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen
Niet boren door de kimmen heen
Voel ik het trekken als een eb

Naar 't verre, vaste, bruine land......
Nu weet ik: nergens vind ik vree,
Op aarde niet en niet op zee,
Pas aan die laatste smalle ree
Van hout in zand.

J.J. Slauerhoff


Het kind

Sedert de droomspin mij omspon
met duizend parelende webben
zie ik hem spelen in de zon,
het kind dat wij nooit zullen hebben.

Zijn ogen die het zonlicht vangen,
zijn klaar en helder als kristal
en onvertroebeld door verlangen:
ogen van voor de zondeval.

Hij glimlacht schuldeloos en wijs.
Zijn vogelstem streelt licht mijn oren.
Zijn wereld is het paradijs,
want hij is rein en ongeboren.

Ik mag mijn armen niet uitstrekken,
hem smeken met ons mee te gaan.
Waarom ook zouden wij hem wekken
tot een ontluisterd, aards bestaan?

Nimmer zal hij behoren bij
de uitgebloeiden, de verdorden
en nimmer lijden zoals wij
die nooit zijn ouders zullen worden.

Hanny Michaelis


Aan Rika

Slechts eenmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die den trein,
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg, om mij
Het eindloos levenspad met fletsen lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zoo voorbijgesneld,
En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder helsch geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

Piet Paaltjens


het einde

oud de tijd en vele vogels sneeuwen
in de leegte in de verte
wordt men moe en de stemmen
staan stijf om zelfs de zuiverste lippen

ruw en laag wandelt de regen
waarheen zijn de lichte dagen gegaan
waar zijn de wolken gebleven
alles is stom en van steen

alleen die in zijn engte de elementen telde
buigend bevend als geselslagen
geeft het laatste geluid: het lied
heeft het eeuwige leven

lucebert


Je zoenen zijn zoeter dan ...

Je zoenen zijn zoeter dan
zoeter dan honing en ik vind je
mooier en liever, liever
en aardiger nog dan de koning.
We gaan samen liggen
een eind hier vandaan
we maken van takken
van takken en blaadjes
een vloer en een dak,
dat was onze woning,
of ik was het tuintje
en jij was de tent
daar gingen wij wonen
en blijven en horen
o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag.

Judith Herzberg


Het brandende wrak

In de schaduw der zwellende zeilen verborgen
Voor de maan, die de mast op de wateren mat,
In den slaap van het licht, tusschen avond en morgen.
Stond ik, slaaploos, ter reeling van 't reilend fregat.

Toen verblindde mijn' blik, naar den einder ontloken,
Tusschen wolken en water een vuren kolon,
Als van magischen morgen, in 't zuiden ontstoken.
De bloedige bloesem midnachtlijker zon:

Een wrak, verlaten, ten halve bedolven
In het maanlichtbeglansd emeralden azuur,
Dat in laatste agonie, boven 't graf van de golven,
Naar den hemel vervlucht in een passie van vuur!

Zóó ons hart: Naar den droom van ons leven begeerend.
Boven diepten des doods nog in purperen pracht
Van laayend verlangen zich langsaam verteerend
In de eenzame uren der eindlooze nacht.

Geerten Gossaert


Weggaan

Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.

Rutger Kopland


Woningloze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard voelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door de stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór de nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.

J.J. Slauerhoff


Afscheid

Zul je voorzichtig zijn?

Ik weet wel dat je maar een boodschap doet hier om de hoek
en dat je niet gekleed bent voor een lange reis.

Je kus is licht,
je blik gerust
en vredig zijn je hand en je voet.

Maar achter deze hoek
een werelddeel, achter dit ogenblik
een zee van tijd.

Zul je voorzichtig zijn?

Adriaan Morriën


Ik heb van-nacht mijn kussen nat geweend

Ik heb van-nacht mijn kussen nat geweend.
Van u droom ik zoveel en zoveel uren
Heb ik geschreid met op uw beeld te turen.
Ik heb zo vaak, in stilte alleen, gemeend,

Dat gij van elke kant, door alle muren,
Verschijnen zoudt en wij tesaam vereend
Verbleven tot ge uw hart mij had geleend
Om 't nimmer, nimmer, nimmer terug te sturen.

Maar deze nacht, de eerste na uw brief,
Hebt ge in mijn zaalgen droom mij toegesproken.
Ik zag uw mond, die zei: ik heb u lief.

En toen ik me uit mijn slaap al bevend hief
En uwen brief had aan mijn borst gestoken,
Is heel mijn hart in tranen weggebroken.


Ergens moet het zijn

ergens moet het zijn
een soort verwilderde tuin
van oude stilte
de boom voor het huis
zacht wazelt hij zijn verhaal
niemand begrijpt het

het heeft geregend
de tuin dampt goede geuren
aarde die verlangt

J.C. van Schagen


de zeer oude zingt

er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
als het hart van de tijd

lucebert


Ligstoel 1

Er is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt
als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:
je beide handen. Geuren lanterfanteren door de tuin.
Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar

in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig.

Hoe is dit liggen? Zoals je een cognac afmeet door het glas
horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf
nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig.

Er is te weinig weinig. De vergevensgezindheid
van het iets waarin wij, als we eveneens
niets zouden zijn, zouden passen.

De lucht is blauw als vergeetachtigheid.
De lucht is zo blauw als blauwsel waarmee destijds
linnen werd gewassen om witter te zijn.

Herman de Coninck


Lange afstand

Innig vertrouwd met steeds hetzelfde elkaar,
daarvan met almaar minder volle teugen
genietend, steeds meer mondjesmaat, maar toch,
daarvan toch mooi nog altijd steeds genietend -

geef ons maar zonnebloemen, weken lang
maar zonnebloemen links en rechts, met hier
en daar een korenveld, of maïs desnoods, met hier
en daar een wei, een stukje bos desnoods,
desnoods een korenveld en zonnebloemen,

wij krijgen daar niet makkelijk genoeg van,
wij zijn allang elkaars grande randonnée.

Anton Korteweg


Ontwerp voor een grafschrift

Van jou blijft niets,

alleen deze gebroken fragmenten.

 

Dat iemand ze liefdevol verzamelt, wens ik je toe,

ze koestert en ze niet geheel en al

laat sterven in deze nacht

van gulzige schaduwen, waarin jij al weerloos

blijft trillen.

 

José Angel Valente 


Wijken voor de trage zon die naar de avond

neigt, zich eraan overgeven.

Verval.

De stroom van leven

is stilaan onmerkbaar opgedroogd

zoals de rand van vlucht of streling.

Ijl duurt nog wat van zijn lichte aanraking

een spoor was.

 

Ik weet niet of ik vertrek of terugkeer .

Waarheen'?

Het einde is het begin.

Niemand

zegt me vaarwel. Niemand die op me wacht.

 

Nu binnengaan in de ondergaande zon,

opgeslorpt worden in licht,

tot schaduw geroepen.

 

En jij, die mij hebt liefgehad, offer

aan de goden van de nacht

het zuiverste deel van mij

dat in je geheime rijk zal overleven.

 

José Angel Valente


Als we na de dood opstaan,

als ik na de dood

naar jou kom zoals ik vroeger kwam

en in mij is er iets wat jij niet herkent

omdat ik niet dezelfde ben,

wat een pijn doet sterven, weten dat ik nooit

de randen zal bereiken

van het wezen dat jij voor mij was zo diep binnen

in mijzelf,

als jij ik zou zijn en jij mij helemaal doordrong

waarom is deze grens dan zo blind,

zo rampzalig deze muur van woorden

die plotseling bevroren

nu ik je het hardst nodig heb,

ik zeg je kom en soms

kijkje me nog aan met een tederheid

alleen uit de herinnering geboren.

Wat een pijn doet sterven, naar jou komen, je kussen

wanhopig

en voelen dat de spiegel

mijn aangezicht niet weerspiegelt

noch voel jij

van wie ik zielsveel heb gehouden

mijn hunkerende onaanwezigheid.

 

José Angel Valente


Misschien in het dorstige, donkere, haastige

verbrokkelen van de dag

ben je langzaam veranderd in iets anders,

in iets wat aan je grenst,

niet jij.

Je komt niet

tot jezelf terug

als je tastend terugkeert

naar het lichaam dat je had,

naar de plek waar tot in het wit

van de droom het metaal

van de liefde schroeide.

Leg neer je aangezicht

dat je nu niet meer kent.

Laat je woorden vluchten,

bevrijd ze van jou

en stap traag,

onheuglijk en blind,

onder de vergulde boog

die de weidse herfst daarboven spant

als laatste eer aan de schaduwen.

 

José Angel Valente


Iemand zegt me

dat een jongeman

van tijd tot tijd je graf komt bezoeken.

 

Hij wiedt het onkruid.

 

Een jongeman. zeggen ze, mooi,

met een boerenhoed.

 

Toen ze het hem vroegen zei hij

dat hij een vriend van je familie is.

 

Wie is die gedaante die zo opdaagt'?

 

Misschien ben jij het wel die terugkomt

om te zien waar je bent en die

aan de voet van je as,

nat, een takje

regen of verdriet neerlegt.

 

José Angel Valente


Je plotselinge aanwezigheid.

Al je licht stroomt binnen, duurzaam, hard

als steen.

Je komt

zo onbeweeglijk, zo in jezelf gekeerd.

Het diepe.

In je enige bestaan,

je enige licht,

brand je voor altijd.

 

'De gevoelens springen over de gedachten.'

ECKHART

José Angel Valente


Je bent daar

in je licht niet zichtbaar, niet verwekt,

enig, de enige.

Je blik legt zich

op de afwezigheid van jou of in het niet ontcijferbar,

onverhoedse binnenstromen van je vorm in je leegte

 

En daar laat je je stapspoor achter.

 

Ik liep achter je aan.

Geef me terug aan je ogen

die ik draag in mijn ingewanden gegrift.

 

José Angel Valente


Die zuurte streelt mijn hart

hoewel ik bijna sterf.

 

Open nog het raam waartegen de lucht

vogels werpt uit het gele bos

waar het licht nog klaart.

 

Klop op mijn deur.

Zeg me

wie je bent jij die nu komt

wanneer alles lijkt te eindigen.

 

De haardos van de tijd rukt nachten weg

als rivieren eindeloos

op weg naar vaarwel.

 

Vriendin, kom tot

het leven terug, jij kunt het nog.

 

Rechtop, op de andere oever, bewaart

je witte gedaante het enige zekere

getuigenis van mij.

 

José Angel Valente


Rouw om het jaar
Maanden, komt, brengt bloemen aan,
De lucht is bleek met de laatste maan,
En het jaar, het jaar is dood!
Het jaar is een koud, dood man in huis,
En ik wil het begraven met zang en geruis
Van vallende bloemen...
Het jaar, ach 't jaar is dood!...
Blijde maanden van 't dode jaar,
Volgt zachter achter de baar
Dan toen gij volgde na elkaar,
Armvollen dragend van blijde bloemen...
Eerste en laatste maanden, treedt
Langs de baar met slepend kleed -
Uw preevlende lippen noemen
Spelend de naam van 't jaar...
Ach, 't schone jaar is dood!...

Maanden, die als maagden zijt,
Strooit rondóm hem bloemen en kruid, -
Hij was een schoon, groot man in zijn tijd,
Draagt hem met zangen en klagen uit!...
Bloemen liggen om 't schone hoofd,
Bloemen over de baar -
Maar het licht, ach het licht is gedoofd
In de ogen van 't dode jaar.

Gaat nog eenmaal rond de baar,
Komt dan weér...
Ziet nog eens naar 't dode jaar,
Dan niet meer...

Zoete mei, die altijd lacht,
Ween niet meer met hangend haar -
Gij zijt de schoonste van ieder jaar,
Ween niet meer, maar wacht:
Wacht met uw zusters ter wederzij,
Hand in hand:
Ik hoor op mijn drempel gelach en gevlei:
't Is het nieuwe jaar en de blijde mei
Wenkt het met bloemen naderbij -
De koude maand schuilt weg aan de wand:
't Nieuwjaar gaat haar voorbij...

Albert Verwey Uit de bundel: Persephone en andere gedichten


Ik heb bericht ontvangen

Ik heb bericht ontvangen
de afstand tussen jou en mij
hebben ze opgemeten -
ik kan me daar en daar vervoegen
tussen dan en dan,
maar ik moet niet schrikken,
schrijven ze,
en als ik het niet met ze eens ben kan ik omvallen
of anderszins in het ongerede raken -
wat zal ik doen,
wil ik het wel weten,
en als hij onbruikbaar is, als ze zeggen
meneer
die afstand is immens,
of juist verschrikkelijk klein, een afstandje van niets,
zal ik dan omvallen
of anderszins ten onder gaan?
Wat moet ik doen
waar moet ik rekening mee houden
wat voor afstanden zijn er trouwens,
lichtjaren, millimeters,
en ook nog iets daar tussenin?

Toon Tellegen (Uit: Een langzame val, opgenomen in: Daar zijn woorden voor, 2005) 


De ploeger 
Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren - 
Ik sta in uwen dienst, zonder bezit - 
Maar ik ben rijk in dit: 
Dat ik de ploeg van uw woord mag besturen, 
En dat gij mij hebt toegewezen 
Dit afgelegen land en deze 
Hooge landouwen, waar - als in het uur 
Der schafte bij de paarden van mijn wil 
Ik leun vermoeid en stil - 
De zee mij zichtbaar is zoover ik tuur. 

Ik vraag maar een ding: kracht 
Te dulden dit besef, dat ik geboren ben 
In 't najaar van een wereld 
En daarin sterven moet - 
Gij weet hoe, als de ritselende klacht 
Van die voorbije schoonheid mij omdwerelt, 
Weemoed mij talmen doet 
Tot ik welhaast voor u verloren ben - 

Ik zal de halmen niet meer zien 
Noch binden ooit de volle schoven, 
Maar doe mij in den oogst geloven 
Waarvoor ik dien - 

Opdat, nog in de laatste voor, 
Ik weten mag dat mij uw doel verkoor 
Te zijn een ernstige ploeger op de landen 
Van een te worden schoonheid; eenzaam tegen 
Der eigen liefde dalend avondrood, - 
Die ziet beneden aan de sprong der wegen 
De hoeve van zijn deemoed, en het branden 
Der zachte lamp van een gelaten dood - 

A. Roland Holst, Voorbij de wegen (1920). 


KERKJE VAN FRANSUM
Bestaat nog god, kleine sarcofaag
van het geloof, even leeg 
als de dorische tempels van Paestum:
hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels 
dan goden - als ik naar hem vraag?

Kleine mummie van steen
zonder hart, tabernakel, 
zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je 
met jouw lichaam ons landschap 
als bodem voor hemel? ik vraag maar.

Stille klankkast voor buiten, voor grutto's
in juni, het loeiende melkvee bij 't hek - 
zo gesloten, een avond, ik zit in het gras 
tussen jouw zerken, zo ben je het mooist: 
dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn. 

C.O. Jellema


De Tuinman en de dood, 
Een Perzisch Edelman: 
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik, 
Mijn woning in: "Heer, Heer, één ogenblik! 
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot 
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood. 
Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant, 
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand. 
Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan, 
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!" 

Van middag (lang reeds was hij heengespoed) 
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet. 
"Waarom," zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt, 
"Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?" 
Glimlachend antwoord' hij: "Geen dreiging was ‘t, 
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast, 
Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan, 
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan." 

P.N. van Eyck. 


ZONDAGMIDDAG

Het licht is op een baar

de kamer ingedragen

heel stijf en onnoemelijk zwaar

en veel engelen hebben geweend

hun tranen vormen beken langs het raam

die langzaam samenstromen in de oceaan

van deze grauwe middag

 

De winkels van je ogen staan

leeg en verlaten

de koopwaar is verzonken

de klanten zijn verdronken

diep in de grauwe oceaan

van deze middag

 

Zijn dat mijn handen die als zwammen aan

je lichaam groeien

is dat mijn stem die als een paraplu

omhoog staat .

 

O de leegte van deze grauwe middag

wie zal de bergen der gebaren

beklimmen

wie brengt het lange wenen tot bedaren

 

Geen meesterhand zal ons meer redden

wij zijn twee logge waterbeesten

stom op elkander ingedreven

in deze grauwe oceaan

ik heb mij zachtjesaan

en met een eindeloze draaiïng van mijn romp

een vormeloze zwarte klomp

 

traag aan je vastgezogen.

 

P. Rodenko

 


De moeilijkste wegen

 

De moeilijkste wegen

worden alleen gegaan,

de teleurstelling, het verdriet,

het offer

zijn eenzaam.

Zelfs de dode die elk roepen beantwoordt

en geen verzoek verzaakt

staat ons niet bij

en ziet toe

of wij het redden.

De handen van de levenden die zich uitstrekken

zonder ons te bereiken

zijn als de takken van de bomen in de winter.

Alle vogels zwijgen.

Je hoort slechts je eigen voetstap

en de stap die je voet

nog niet is gegaan maar nog gaan zal.

Stil blijven staan en je omkeren

helpt niet. Er moet

worden gegaan.

 

Neem een kaars in je hand

als in de catacomben,

het vlammetje ademt nauwelijks.

En toch, als je lang bent gegaan,

blijft het wonder niet uit

omdat het wonder altijd geschiedt

en omdat wij zonder genade

niet kunnen leven:

de kaars vlamt op in de vrije adem van de dag,

je blaast hem lachend uit

als je de zon in treedt

en onder de bloeiende tuinen

de stad voor je ligt,

en de tafel in je huis

wit voor jou is gedekt.

En de verliesbare levenden

en de onverliesbare doden

het brood voor je breken en de wijn aanreiken

en jij hun stemmen weer hoort

heel dicht

bij je hart.

 

Hilde Domin

Uit het Duits vertaald door Kees Kok


Nereïden

 

Licht van onze dagen

Wij geven je uit handen

 

Dat de waternimfen je onthalen op een teder feest

Dat zij je stil ontdoen van je omhulsel

De draden van degene die je bent geweest

langzaam afwikkelen

 

Licht van onze dagen

Wij geven je uit handen

 

Dat zij je daar beneden blijven aanzien

totdat je slaakt een eerste zucht

je ogen opent en verwonderd

in een nieuwe huid ontwaakt

 

Mariët Mesdag


Waterspiegel

 

Ben ik nog zichtbaar

Vraag ik aan het water

En neem een voorschot

Op het antwoord

 

Ik zie een tuimelende val

En zuig de toekomst naar me toe

Ze lijkt zo ongerept en roerloos

Af te wachten tot ik kom.

 

Voor elke lijn die nu verschijnt

Bedenk ik curven zekerheid

Als: toen en vroeger, weet je nog?

 

Voorbij mijn twijfels is een

Straks verborgen. Eergens.

Steeds en dichterbij.

 

Annette v.d. Bosch

 


Kringen in het water

 

Jouw dood maakt kringen

In het koude water,

Kringen waarin ook ik gevat ben

En die mij dragen

Als een web van liefde

Om de stil bloeiende lotus heen.

Eindeloos schijnt

de zon in het water.

 

 


Het doet je goed

 

Het doet je goed eens aan de dood te denken;

Je dagen worden er wat duidelijker van.

Je dient te weten dat geen mens voor je kan leven;

Maar ook dat niemand anders voor je sterven kan.

 

Ik spreek er s’avonds wel ‘ns over met de kind’ren,

Of  ‘k maak ’n grapje met de dood, dat kan geen kwaad.

Als j’overpeinst waar je tenslotte komt te “liggen”,

Dan weet je af en toe wat beter waar je “staat”.

 


 

 


 

                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

    voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.net

canandanann - 02-11-2007 14:44:21