tekst1
Start Omhoog

                 


 


Verdraagt elkander 

Verdraagt elkander Draagt elkander ver.

Ontferm je over vluchtelingen, slachtoffers van rampen,

van honger of geweld.Wees mild en vol zachtheid

voor de eenzamen dicht om je heen,

voor hen die wanhopen en vol angst de toekomst tegemoet zien.

Heb geduld met hen die je niet begrijpen,

je misschien zelfs onrecht aandoen.  

Zoveel groot en klein leed kan gevoelens van onmacht oproepen.

Je zou willen helpen, maar veel wat je doet

is slechts een druppel op een gloeiende plaat.

En soms wordt de machteloosheid

ondragelijk voor je. Door de kwetsbaarheid van al die mensen

komt je eigen broosheid aan het licht.

Je stoot op je grenzen. Irritatie, soms zelfs boosheid

om eigen falen, boosheid om onrecht een ander of jou aangedaan,

kunnen je dan isoleren.

Je wordt eenzaam. En de eenzaamheid van de ander,

die je had willen dragen, wordt erdoor vergroot.  

Je kunt in een impasse raken. Je dwaalt in een donkere tunnel.

Blijf even staan ook al moet je er dóórheen.

Wanneer je wat gewend raakt aan het donker,

krijg je langzaam weer wat ruimte om je heen.

Je gaat scherper zien en je ontdekt kleine lichtpuntjes.

Dat licht is er altijd geweest, de ruimte is niets veranderd,

maar er is iets opengebroken in jezelf.

Je bent wat meer vertrouwd geraakt

met je eigen broosheid en je grenzen. Er is een groei ingezet

tot het accepteren ervan.  

Het licht ga je ontdekken als het licht van God, 

de Schepper die alle mensen als broze wezens

geboetseerd heeft. 

Door het besef dat je gedragen wordt door Gods overvloedige genade

en zijn barmhartigheid, komt er ook ruimte in jezelf.

Wanneer je openstaat voor die genadegaven kan Gods woord,

die Mens van vrede, woning vinden in je hart. Zijn wijsheid, zijn geest,

kunnen je vullen met hernieuwde tederheid en kracht.  

Vanuit de hernieuwde kracht,

de openheid voor Gods genade en vrede

kun je komen tot oprechte vergeving jegens de ander.

En dan kun je elkaar leren en vermanen op opbouwende wijze.

Een nieuw begin wordt mogelijk en zo groei je naar elkaar.

Je laat je weer raken

door het leed dichtbij en veraf.

De machteloosheid is niet opgeheven.

Maar het is een spanningsveld in je leven,

dat je niet langer wilt ontwijken.

Je probeert opnieuw het vele leed mede te dragen.

De kracht waarmee je dat doet

is Gods kracht die dóór jou heen gaat stromen.

Die kracht zal je bekleden met tedere ontferming,

zachtheid en geduld.

Met liefde zul je de ander verdragen en verder dragen.


Zusje, kom eens bij me zitten 

Zusje, kom eens bij me zitten. Ik moet je iets vertellen. Ik had een droom vannacht, een schitterende droom. Ik woonde in een heel nieuw land, in een prachtig huis. De mensen waren vrolijk. Er werd feest gevierd en er was eten en drinken in overvloed voor iedereen.

Ik hoorde de prachtigste muziek. Overal was licht, openheid en ruimte. Het was zo mooi... Ik had wel uren, maanden, jaren door willen blijven slapen. Ik had de droom vast willen houden, erin willen blijven. Maar helaas ... Ik werd wakker, zoals iedere ochtend. Zodra ik mijn ogen open deed wist ik dat het maar een droom was geweest.

Een luchtspiegeling, een visioen van een wereld zoals God die zou willen. Dromen zijn bedrog, en God kan wel willen, maar de werkelijkheid is anders. Heel anders. Ik voelde de kou, ik rook de schroeilucht, ik hoorde de slang sissend zijn weg banen. Ik zag het allesverwoestende monster en ik voelde me hopeloos.

Niks droom, niks visioen, niks koninkrijk van God. Ik sta voor een draak, alleen en ongewapend. Ik kan deze wereld niet aan. Overal dreiging van oorlog en geweld. Mensen die elkaar veroordelen omdat ze een andere taal spreken, andere relaties hebben, anders denken. Mensen waar je niet op kunt rekenen. Ieder voor zich en God voor ons allen. Ik zie geen weg die ons daaruit leidt.

Waar blijft die barmhartige God? Toch zijn er mensen die gaan waar geen weg is. Die blijven protesteren, blijven roepen, blijven hopen. Tegen alle hoop in. De weg van Gods woord is geen gebaand pad, maar woestijn. Woestijn: geen druppel water, droogte, eenzaamheid.

Maar je leeft en je kunt roepen. Een roep in de woestijn. Een druppel in het hete zand. Wij zullen onze eigen weg moeten banen, maar God zal bij ons zijn. Ik zal er zijn zal bij ons blijven, zal ons dragen en voeden.

Eén was er die uit God zoveel kracht putte dat hij het ons vóór kon doen. Hij ging waar geen weg was, tot het einde toe. Hij was het teken, het visioen van het koninkrijk van God. Een droom van een mens, die ongewapend de draak versloeg. Er zijn er die ons voorgingen, er zullen er zijn die na ons komen.

Nu wij nog ... nu wij nog. Het heeft geen zin ons op een eilandje terug te trekken en ons een eigen paradijs te dromen. De wereld is geen paradijs, allerminst. De draak staat ons grijnzend aan te kijken. We worden uitgelachen in ons gezicht. Maar we hebben onze droom voor ogen. Dezelfde droom als de droom van God, die met ons is. God voedt ons en zorgt voor ons, met moederlijke barmhartigheid. Hoe het ook zij, we zijn niet alleen.  We zijn een keten van druppels, die de woestijn tot vruchtbaar land zal maken.


Laten wij stilstaan bij de grootste dingen die Jezus Christus aan ons deed 

Hij, de veelgeliefde Zoon van God die alleen zijn weg ging ongezien door ons mensen; enkel een vreemdeling kwam bij Hem terug en zei: 'Door u is de Vader geloofd en geprezen'.

In de buurt van een dorp leven de tien melaatsen hun huis is verrot, hun ledematen zijn verminkt niemand wenst hen te zien, ze zijn uitgestoten. Wie zal hen genezen en onder de mensen terugbrengen? Hoor, daar komt de Heer en op afstand roepen zij luid: 'Meester, ontferm u over ons!'

En Jezus ziet hen daar staan  Hij laat hen niet in de steek. Hij spreekt hen aan alsof zij al zijn genezen alsof hun klacht al was gehoord, eer die werd uitgesproken. Hij kent hun verlatenheid en angst. Hij is op weg naar Golgota. Hij die zegt: 'Gaat u laten zien aan de priesters'.  

Daar gaan zij op weg naar de priesters en terwijl zij gaan op Jezus' woord, worden ze gereinigd hun huid wordt gaaf, hun lichaam heel.

Slechts één van de tien doorziet het één ziet het wonder en verheugt zich jubelend keert hij terug, verheerlijkt God en dankt Jezus en zegt: 'Door u is de Vader geloofd en geprezen'.

Vreemdeling ben jij de enige?  Waar zijn de negen anderen? Zagen zij niet wat er met hen gebeurde of dachten zij: wij hebben geluk gehad? Zijn zij vergeten dat zij baden tot God en dat God hen heeft verhoord, toen zij zeiden: 'Meester, ontferm u over ons'. Of vinden de negen het heel gewoon: 'Jezus is toch een wonderdoener wij hadden niet anders verwacht'. Heeft het leven hen zo verhard en afgestompt dat niet tot hen doordringt wat een weldaad God door Jezus aan hen deed? Dat zij niet zeiden:  'Door Jezus is God geloofd en geprezen'. Ook wij die hier bijeen zijn bidden tot God, de Heer van al wat leeft  om ons dagelijks brood, om vrede en gezondheid. Wij bidden tot God, omdat Jezus ons dat leerde en heeft laten zien hoe mild en goed onze God is die naar ons omziet als wij zeggen: 'Heer, ontferm u over ons'.

Rijk zijn wij mensen in het westen wij hebben iedere dag te eten en te drinken en niemand verbaast zich er meer over. Als het ons goed gaat en rijkdom ons deel is dan denken wij dat wij dat zelf verdiend hebben vergeten wij dat alle goeds van God komt vergeten wij te zeggen: 'Door Jezus bent u, Vader, geloofd en geprezen.'  

Genezen leven de melaatsen weer onder de mensen zij die eerst gemeden werden, mijden nu Jezus. Hoe erg is het met ons mensen gesteld als wij degenen die vrede brengen goedheid, genezing en troost in de wereld, als wij Gods Heiligen buiten sluiten en niet zeggen: 'Door Jezus en al uw heiligen bent u, Vader, geloofd en geprezen'.  

Overal ter wereld zijn tekenen te zien dat God begaan is met ons mensen. Overal waar vrede wordt gesticht waar nieuw leven ontkiemt en opbloeit. Overal waar armen hun recht krijgen en waar de roep wordt verhoord: 'Heer, ontferm u over ons'. Danken wij de Heer, onze God gedenken wij de daden van Jezus, zijn Zoon openen wij onze ogen voor Gods heil en laten wij weten dat alle goeds van God komt. Brengen wij dank aan Goddoor het goede te doen en Hem te eren en te zeggen: 'Door Jezus bent u, Vader, geloofd en geprezen.'

Laat ons bidden. Heer onze God wij danken u omwille van uw Zoon, Jezus Christus die lammen deed lopen blinden het zicht gaf en melaatsen weer gaaf deed zijn. Door Hem is uw Rijk gekomen vrede en gerechtigheid. Wij bidden u om uw Geest open onze ogen voor uw heil en goedheid ontsteek uw vuur in ons dat wij ons niet afkerig houden van al wie arm is of afzichtelijk; geef ons kracht en moed om op te komen voor armen en verdrukten voor vrede en recht; dat uw goedheid door onze handen ter wereld komt hier en overal nu en altijd. Amen.


Uit de diepten, o Heer, roep ik tot u

Luister Heer, naar mijn klagen. Ik smeek u open Gij uw hart voor mij.

Al mijn klachten stort ik voor u uit. Wend uw ogen niet van mij af. 

Overal waar ik kom vind ik de deuren gesloten.

Iedereen wendt zich van mij af. Nergens kan ik meer terecht.

Ik lijk wel een melaatse, die door iedereen gemeden wordt.

Niemand luistert meer naar mij. Ik heb geen vriend,

geen toevlucht meer. Zij, die eerst mijn vrienden waren - bij wie ik mij thuis voelde

met wie ik optrok, bij wie ik binnenwandelde, laten mij nu in de steek. Zij keren mij de rug toe

en laten mij vallen. Wat heb ik misdaan?

Heb ik misdaan? Luister dan Heer, naar mijn klagen - zie naar mijn eenzaamheid,

trek u mijn lot aan, neig uw oor naar mij en wil aandachtig luisteren;

beschaam mijn vertrouwen niet. Uit de diepten, o Heer, roep ik tot u

ik smeek u om genade.  

Als Gij zonden gaat tellen houdt geen mens het uit,

ook ik niet, God. Mijn zonden zijn talrijk

ik werd al in zonden geboren

wil niet aan mijn zonden denken, Heer.  

Nu ik verlaten en eenzaam ben,

niemand meer die iets om me geeft,

word ik op mezelf teruggeworpen,

moet ik bij mezelf te rade gaan.

Ik wil mijn leven weer

voor uw aanschijn brengen, Heer

in uw licht plaatsen. En zie telkens weer zondig ik.

Wend ik me van u af, ga ik mijn eigen gang,

trek ik me niets meer van u aan. Kan ik wel buiten u en

ga ik ook buiten u om. Op mijn goddelijke weg

bepaal ikzelf wel wat goed voor mij is,

neem zelf mijn leven in handen,

mik ik op menselijke eer en glorie,

zoek ik mijn geluk in eten en drinken, in macht,

maak ik vrienden om mijn leegheid te verdrijven,

leef ik oppervlakkig en eigenzinnig.

Ik sluit me van u af, keer u de rug toe,

ik verwacht niets van u - verwacht alleen iets van mezelf.

Hoop niet op u - al mijn hoop is op mezelf gericht.

Ik trek mijn eigen plan en ik word onrustig, als ik aan u herinnerd word.

Want dan moet ik me bekeren

toegeven dat ik verkeerde wegen ga

dat ik op het verkeerde paard wed

mijn hart aan de verkeerde kant open en sluit

omga met vrienden die geen ware vrienden zijn

ja, zelfs wegraak van mijn diepste zelf

dat ik vastloop in mijn eigen starheid

stukloop omdat ik niet om wil keren

aanloop tegen door mijzelf opgetrokken muren

weg glijd in mijn eigen afgrond.  

Als Gij dit alles zou tellen, Heer

houd ik het niet uit

maar bij u is vergeving

en daarop reken ik - daarvan leef ik.

Uit de diepten, O Heer, roep ik tot u

ik wacht op u, heer en ik hoop op uw woord.  Ik zie naar u uit

van u verwacht ik vergeving

telkens opnieuw - bij u hoop ik op verlossing.

Gij zult mij weer genade schenken

mij weer opnemen en ontvangen.

Gij zult mij bevrijden

mij optrekken uit de diepten waarin ik zelf ben afgedaald

als ik blijf vertrouwen op u

zult Gij de macht van het kwaad in mij breken

vol vertrouwen wacht ik op u - zie ik uit naar u

zoals een mens op wacht - uitziet naar de morgen. Uitziet naar de morgen. 


Geroepen worden is ook geen pretje.

Godsmannen mogen de kastanjes uit het vuur halen.

Profeten krijgen stank voor dank.

Elia, wat heb je je toch op de hals gehaald?

Wat voor juk heb je toch op je schouders genomen?

Alles heb je gedaan wat in je vermogen lag.

En dat is niet mis bij een mannetjesputter als jij.

En daar lig je nu voor dood in de woestijn.

Alsof de Heer zijn eigen ruiten ingooit;

alsof jouw weg doodloopt; alsof je wegzinkt in drijfzand. 

Waar zijt Gij nu, Heer?

Ge hebt mij immers geroepen!

Kan ik u terugvinden in de woestijn?

Gaan waar geen wegen gaan;

een pad banen, één dagreis ver?

Daar hebt u zich toch vertoond aan die schaapherder

en dat plukje nomaden - gastarbeiders

die hij meesleepte uit Egypte vandaan.

Moet ik hier ronddolen, net als zij

veertig jaar of veertig dagen; en wat maakt het uit?  

Waar zijt Gij nu, Heer?

Ik leg het bijltje erbij neer. Ik geef de moed op.

Mijn plannen en idealen liggen aan scherven,

dorre bladeren, meegevoerd op de wind.

Terug wil ik; schuilen in de grot

de schoot van moeder aarde

om voorgoed in te slapen, diep in de grond.

Hoeveel van mezelf ligt daar al begraven?  

Waar zijt Gij? Wie zijt Gij? Hoe laat is het?

Bent u dan geen geweldenaar?

U bent toch de God van donder en bliksem;

u bent toch de God die rotsen doet splijten;

u bent toch de God van het verzengende vuur!

Waar zijt Gij nu, Heer? Terug wil ik; schuilen in de grot.  

Dat ik Je daar nu terug moet vinden

waar ik zacht word en teder - waar ik broos ben en breekbaar

waar ik me verschuil omdat het daar zo'n pijn kan doen.

Schuilen in de grot om opnieuw te worden geboren

uit de schoot van moeder aarde.

Zeker-onzeker, wankelend, leer ik weer lopen

ik voel grond onder mijn voeten.

Zachte bries van nieuw leven.

Ik kijk dat mijn ogen tuiten

de zon verwarmt en verlicht mij in hart en nieren.

Ik voel in mij een nieuwe geest die blaakt van energie.

Gisteren is voorbijgegaan er is alleen nog maar morgen.


David je bent als de rijke

begeerte heeft je hart verwond

niets en niemand ontziend joeg je je droom na

geen prijs was je te hoog  

je verschuilt je

achter een wolk van bedrog

je wapent je met wat je hebt

je geld je goed

je vrouw je kind  

maar Nathan weet je zwakke plek te vinden

de felheid waarmee je oordeelt, verraadt je

je velt je eigen vonnis

'die man die dat gedaan heeft, verdient de dood'

dacht je dat je leugen je een schuilplaats bood

dat je kon vluchten in je bedrog?

de woorden van Nathan

ze brengen je terug tot jezelf

'die man, dat bent u'

er breekt iets in je  

hoelang al hield je misstap je gevangen

heeft je zelf gegrepen geluk je benauwt

hoe heb je je kunnen verbergen voor je God

met wie je zo goed bevriend was

die altijd voor je opkwam

maar aan wie je nu voorbijging?

was je weg niet eenzaam

voor je in je oordeel over de rijke

je afkeer van jezelf uitschreeuwde:

nu ik dit gedaan heb, verdien ik de dood  

er is iets in je gebroken

de woorden van Nathan

ze geven je terug aan jezelf

hij heeft heimelijk de weg naar je hart gevonden

en het doen smelten als was

de muur om je hart is neergehaald

je hoeft niet langer de rijke te spelen

de man die van niemand iets nodig heeft

maar nooit tevreden is met wat hij heeft

die niets en niemand ontziet

je hebt je hart weer laten spreken

je bent aan het licht gekomen

je hoeft niet meer te vluchten

je te verbergen voor je God

je groot te houden

je kunt weer zijn die je bent en leven.


Heer, uw staan aan de grond van mijn wezen

maakt mij tot een vrij mens. 

Gij kent mijn gaan en staan mijn reizen en rusten.

Hoe ik me ook wend of keer ik kan niet buiten u om.

Gij kent al mijn wegen al voor ik ze betreed.

Nergens kan ik mij verbergen of in duister hullen

Gij ziet mij overal. Wil ik vluchten

weg van uw beschermende hand

in de verte vind ik u weer. Soms roep ik om u:

bedek mij, omhul mij, beschut mij,

laat me verdwijnen voor andermans ogen.

Dan weer roep ik: Ga weg, weg van mij, laat me los, laat me gaan.

Heer, u blijft staan aan de grond van mijn wezen. 

Heer, uw staan aan de grond van mijn wezen

maakt mij tot een vrij mens. 

Of ik nu slaap of waak werk of rust

Gij doorgrondt mijn wezen

Gij weet wat er in mij omgaat

Gij kent mij beter dan ik mezelf ken

Gij weet wat ik nodig heb ook al roep ik om iets anders

Gij hebt mijn naam geschreven in de palm van uw hand.

Gij hebt mij gemaakt, gevormd

mij leven ingeblazen. 

Hoe weinig weet ik ervan. Ik ken mezelf maar amper. Wat wil ik dan? 

Soms wil ik u niet kennen

ik voel me achtervolgd, bekeken en ingesloten. Ik wil me losmaken van mijn grond

wil zelf de grond van mijn bestaan zijn

en eigen weg gaan - onbeschermd, ongezien en ongehoord.

Ik scheur me los ontruk me aan mijn grond. 

Na enkele stappen reeds worden mijn schreden aarzelend en stuntelig.

Het leven ontglipt me tastend, zonder vreugde

zoek ik mijn weg als een blinde, een kreupele

bijna dood. Langzaam kom ik tot inzicht

zonder u loop ik dood. Wie u kent, leeft

hij kent ook zichzelf. Dan wil ik u weer kennen met geheel mijn zijn.

Gij, God, zijt de spil van mijn wezen ik erken:

Uw staan aan de grond van mijn wezen maakt mij tot een vrij mens.


De derde vermaning van Franciscus 

De Heer zegt in het evangelie: 'Wie geen afstand gedaan heeft, van alles wat hij bezit, kan mijn leerling niet zijn'. En: 'Wie zijn leven wil redden, zal het te gronde richten.' Die mens verlaat alles wat hij bezit en richt zijn leven te gronde, die zichzelf helemaal geeft tot gehoorzaamheid in de handen van zijn overste.

En wat hij ook doet of zegt, wanneer hij weet, dat het niet tegen diens wil is - terwijl het iets goeds is wat hij doet - dat is echte gehoorzaamheid. En als ooit een onderdaan dingen ziet, die beter en nuttiger zijn voor zijn ziel dan wat de overste hem voorschrijft, zal hij de dingen van zichzelf vrijwillig aan God offeren; maar wat van de overste is, moet hij metterdaad proberen te volbrengen.

Want dat is liefdevolle gehoorzaamheid omdat die aan God en de naaste recht doet. Maar als de overste iets in strijd met zijn ziel voorschrijft, mag hij, ook al gehoorzaamt hij hem niet, hem toch niet loslaten. En als hij daarom door sommigen vervolging zou hebben ondergaan, moet hij hen om God des te meer beminnen. Want wie liever vervolging ondergaat, dan dat hij van zijn broeders afgescheiden zou worden, volhardt werkelijk in volmaakte gehoorzaamheid, omdat hij zijn leven prijs geeft voor zijn broeders.

Er zijn namelijk veel religieuzen, die onder het voorwendsel iets beters te zien dan datgene, wat hun overste voorschrijven, omzien naar wat achter hen ligt en terugkeren naar het braaksel van hun eigen wil. Zij zijn moordenaars en door hun slechte voorbeeld richten zij veel zielen te gronde.


Een kus van vrede

maakt het leven zoet en goed.

Er zijn kussen van verraad of vol van heimelijke bijbedoeling.

Er zijn kussen voor een vlot begin

of voor een haastig afscheid.

Ze worden gestolen of vervluchtigd in een sleur.

Kussen zijn brandend van verlangen

en vurig van hartstocht of ze zijn koud

alsof een dode mond je heeft beroerd.

Kussen wil je lachende ogen,

glanzende haren, uitdagende borsten

en rozenrode lippen.  

Een kus van vrede alleen droogt tranen

van verdriet, heft in het licht

wie in het donker wegzakt,

gloeit tegen doffe ellende

en beademt al wat aangeraakt is door de dood.  

Een kus van vrede wordt geboren uit een droom.

Een droom van leven midden in de dood,

van liefde die gesloten harten openbreekt

en ledematen heelt die zijn verminkt.

Een kus van vrede is vol van geloof in wat niet zichtbaar is,

vol van hoop op wat niet kan en vol van liefde

voor wie nooit gekust wordt.


De kus van de melaatse

Bitter noemt Franciscus alwat kwaad is

en wat leven aantast: twist en tweedracht tussen mensen

is hem steeds een bittere ervaring; wat mensen

mensen aandoen, tyranniek en achteloos

en wat mensen dieren aandoen, trappend en slaand om zich heen,

het is alles enkel bitterheid.

Lijden kan niet zijn wat onze goede God bedoeld heeft.

Daarom had Franciscus een afschuw van het lijden.

Het allerbitterst werd hij gestemd als hij ergens een melaatse zag:

dat was de ergste misvorming 

het afgrijselijkste teken van verwording van Gods goede schepping.

Op een dag rijdt Franciscus te paard ergens in Noord-Italië. Het is er stil en eenzaam. Onverwachts is er toch iemand op zijn weg: een melaatse, duidelijk te herkennen zoals niet aan uitdrukkelijk voorgeschreven kleding, dan toch in elk geval aan het mismaakt gelaat en de afgestompte vingers. Heeft de zieke man gewaarschuwd met zijn ratel zoals de wet het hem gelastte of was het ook voor hem een onvoorziene confrontatie? In een natuurlijke reflex wendt Franciscus zijn paard. Maar bijna terzelfder tijd keert hij opnieuw naar de bittere verschijning. Hij stijgt af van zijn rijdier en kust de me­laatse. Wederkerig geeft die aan Franciscus de 'vredeskus'. Daarna gaat ieder verder op zijn weg. Maar voortaan zoekt Franciscus de melaatsen. 


Over het lichaam van de Heer 

1. De Heer Jezus zegt tot zijn leerlingen: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.

2. Als jullie Mij zouden kennen, zouden jullie ook mijn Vader kennen; van nu af zullen jullie Hem leren kennen en jullie hebben Hem al gezien'.

3. Filippus zegt tot Hem: 'Heer, toon ons de Vader en dat is ons genoeg'.

4. Jezus zegt tot hem: 'Zolang ben Ik al bij jullie en toch hebben jullie Mij niet leren kennen? Filippus, wie Mij ziet, ziet ook mijn Vader'. (Joh. 14, 6‑9).

5. De Vader woont in ontoegankelijk licht (vgl. 1 Tim. 6, 16) en God is Geest (Joh. 4, 24) en niemand heeft God ooit gezien (Joh. 1, 18).

6. Daarom kan Hij alleen maar in de Geest gezien worden, want het is de Geest, die levend maakt; het vlees is van geen nut (Joh. 6, 63).

7. Maar ook de Zoon wordt in datgene waarin Hij gelijk is aan de Vader of op een andere manier dan de Heilige Geest.

8. Daarom zijn allen verdoemd die de Heer Jezus overeenkomstig zijn mensheid gezien hebben en niet overeenkomstig zijn Geest en Godheid gezien en geloofd hebben dat Hij de ware Zoon van God is.

9. Zo zijn ook nu allen verdoemd die in de gestalte van brood en wijn het sakrament zien dat wordt geheiligd door de woorden van de Heer op het altaar door de hand van de priester; en die niet overeenkomstig zijn Geest en Godheid zien en geloven dat het werkelijk het allerheiligste Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus is.

10.Dit betuigt de Allerhoogste zelf, die zegt: 'dit is mijn Lichaam en Bloed van mijn nieuwe verbond dat voor velen vergoten zal worden' (Mc. 14, 22‑24);

11.en: 'Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, heeft het eeuwige leven' (vgl. Joh. 6,55).

12.Daarom is het de Geest van de Heer die in zijn gelovigen woont; Hij is het, die het allerhoogste Lichaam en Bloed van de Heer ontvangt.

13.Alle anderen, die geen deel hebben aan diezelfde Geest en het wagen Hem te ontvangen eten en drinken zich een oordeel (vgl. 1 Kor. 11,29).

14.Daarom kinderen van mensen hoelang blijft jullie hart verstokt (ps. 4,3a)?

15.Waarom erkennen jullie de waarheid niet en geloven jullie niet in de Zoon van God (vgl. Joh. 9,35)?

16.Zie, dagelijks vernedert Hij zich (vgl. Fil. 2,8) zoals toen Hij van de koningstroon (Wijsh. 18,15) in de schoot van de Maagd kwam;

17.dagelijks komt Hij zelf bij ons en toont zich in nederige gestalte;

18.dagelijks daalt Hij van de schoot van de Vader neer (vgl. Joh. 9,35) op het altaar in de handen van een priester.

19.En zoals Hij zich aan de heilige apostelen toonde in echt vlees zo toont Hij zich nu ook aan ons in heilig Brood.

20.En zoals zij met de kijk van hun vlees alleen maar zijn vlees zagen maar, met geestelijke ogen schouwend geloofden, dat Hij God is

21.laten zo ook wij die met lichamelijke ogen brood en wijn zien, zien en vast geloven, dat het zijn levende en echte allerheiligst Lichaam en Bloed is.

22.En op dezelfde wijze is de Heer altijd bij zijn gelovigen zoals Hij zelf zegt: 'Zie ik ben bij jullie tot de voltooiing van de wereld' (vgl. Mg. 28,20).


Wij die met eigen ogen de aarde zien verscheurd in 4 episodes

Ik spreek voor een aarde, pas onlangs gedroogd

pas onlangs koel van bloemen

van stuifmeel, van mortel.

Ik spreek voor vlakten van weiden

die niet van hun naam weten

voor dampen pas kort uit de afgrond gestegen.

Ik spreek voor de aarde, pas onlangs gedroogd...

Onomwonden spreek ik mij uit

voor wat amper komt drijven.

Waar ben ik vandaan

anders dan uit die tastende elementen?

Wij die met eigen ogen de aarde zien verscheurd... 

(eerste episode: de vreemd geworden ziel) 

Zo wordt de vreemd geworden ziel gevormd: 

met gesplitste kernen en overvolle piekerhoofden

zonder de stilte te horen, waarin de grauwe leeuwerik zijn lied ten hemel zingt

met de metalen schoonheid van havenkranen en containers

zonder de zilte smaak van de zee vermengd met het zweet van het zwoegen

met rokende schoorsteenpijpen van Babel

zonder met handen te wroeten in plompe plakken aarde

met grote grauwe blokkendozen en mensen achter de vensters als in een automatiek

zonder de ruwe gekloofde handen die de wijze warmte van de ouderdom in zich bergen

met lood en kwik en verkalkte aderen en vergif in de grond

zonder de geur van mest en warme koeiemelk

met lommerrijke beken verarmd tot kale waterlopen

zonder een middelpunt en zonder grond onder de voeten

met de koele wreedheid van een legbatterij

zonder vrolijkheid en zonder het delen van een homp brood

en met meer en meer en meer en meer nog

en zonder iemand, zonder iemand, zonder wie dan ook

zonder gezel, zonder vreugde en zonder lied

met gesloten deuren, met hoge muren, met gesloten hart

en zonder het volk in de rij voor de bakkerswinkel

met touwen en met knopen gevangen

zonder de handen te openen en zonder bloemen te zien

met de ballingschap, met de koude, met de hel

zonder jou, zonder ziel, alleen, met de dood.

Zo wordt de vreemd geworden ziel gevormd... 

(twee episode: slaan van woede, van verdriet) 

Cyclamen in de grauwe rotsspleet

waar vond je de kleuren om te bloeien

en een steel om mee te zwaaien?

Groen gras, waar vond je de kracht om te ontspruiten

voedsel te worden voor het vee?

Adelaar, waar vond je de vleugels

om je jong mee op te vangen en het vliegen te leren?

Wie schreeuwde het uit van vreugde

toen het blauw geboren werd?

Is het waar dan de zwaluwen

op de maan willen gaan wonen

dat ze de lente mee zullen nemen

die ze uit hun lijst hebben gehaald?

Laat de uitgeputte aarde protesteren

dat ze geen vruchten meer voortbrengt

en het nooit meer lente wordt.

Laten de bomen protesteren

geen zaden meer produceren

hun bladeren vasthouden

zodat het geen herfst meer wordt.

Laten de vogels protesteren

tegen de olie, tegen het schuim.

Laten de dieren protesteren

dat ze ophouden met paren

en het stil op aarde wordt.

Laten de auto's protesteren

dat ze zich tegen hun makers keren.

Laten de schepselen zich verschuilen

in de nesten van het donker

laten ze zweetdruppels worden in de oksels van de nacht.

En laten de mensen zich bekeren

met hun woorden slaan van woede

met hun hart slaan van verdriet

dat de hemel stroomgebied

van de diepzee is geworden.

(tussenspel: moed, broeders en zusters) 

Moed, broeders en zusters

een beetje meer moed

strek de rug

aan jullie is het leven.

Ik heb de regen en de wind verloren

en wat heb ik gewonnen

ik vraag het me af.

Ik heb de geur verloren

van de ploeg in de voren

en wat heb ik gewonnen

ik vraag het me af.

Ik heb de zon verloren en het zand

de zilte speldeprikken van de zee

en wat heb ik gewonnen - ik vraag het me af.

Moed, broeders en zusters

een beetje meer moed - strek de rug - aan jullie is het leven.

(derde episode: wij zijn een deel van de aarde) 

Wij zijn een deel van de aarde

en de aarde is een deel van ons.

De geurende bloemen zijn onze zusters

het rendier, het paard

de grote adelaar zijn onze broeders

de schuimkoppen in de rivier

het sap van de weidebloemen

het zweet van de pony en van de man

het is allemaal van ons geslacht.

Wat er met de aarde gebeurt

gebeurt er met de kinderen van de aarde.

Het glinsterend water dat stroomt in beken en rivieren

is het bloed van onze voorouders

de stem van mijn vaders vader.

Wat er met de aarde gebeurt

gebeurt er met de kinderen van de aarde.

Het land dat u bewerkt is gewijde grond

en u moet uw kinderen leren dat het heilig is.

Wat er met de aarde gebeurt

gebeurt er met de kinderen van de aarde.

Heilig, heilig, heilig. De aarde is heilig.

Alle tijd is heilig. Overal is heilig.

Iedere dag is in eeuwigheid. 

(vierde episode: vrede over al wat leeft) 

Vrede over de komende avondschemering

Vrede over de brug

die overzijden met elkaar verbindt

Vrede over de bloedrode wijn

die het hart verheugt

Vrede over de stad in de morgen