tekst4
Start Omhoog

                 



Hoeveel weegt een sneeuwvlok?

'Zeg, hoeveel weegt een sneeuwvlok?' vroeg een mees aan een wilde duif. 'Minder dan niks', gaf die ten antwoord. 'Dan moet ik je een merkwaardig verhaal vertellen', zei de mees. 'Ik zat op de tak van een den, dicht bij de stam, toen het begon te sneeuwen. Niet hevig, met stormgeweld, nee, als in een droom, zonder geluid of gewicht. Daar ik niks beters te doen had, begon ik de sneeuwvlokken te tellen die op de twijgen en naalden van mijn tak vielen en daaraan bleven hangen. Op de kop af driemiljoenzevenhonderdeenenveertigduizendnegen honderdtweeënvijftigste volk omlaag kwam - minder dan niks, zoals je zegt - brak de tak af'. Daarop vloog de mees weg. De duif, sedert de dagen van Noach gespecialiseerd in dit soort vragen, zei na enig nadenken bij zichzelf: 'Misschien ontbreekt er nog maar ‚‚n stem van ‚‚n enkele mens om de vrede in de wereld te verwerkelijken'.


Er zijn twee manieren van gedenken

Gedenken

Er zijn twee manieren van gedenken. De ene is een excursie maken vanuit het levende heden naar het dode verleden. Het oude baasje herinnert zich hoe het was toen jij en ik jong waren. De verre blik in zijn ogen komt gedeeltelijk van het bier en  gedeeltelijk doordat hij werkelijk ver weg is. De andere manier van gedenken is het dode verleden terugroepen in het levende heden. De jonge weduwe herinnert

Frederick Buechner


Dagelijks eten we brood

Dagelijks eten wij brood.

Bruinbrood, witbrood, grijsbrood, boerenbrood,

Knäckebrood, rozijnenbrood, suikerbrood, stokbrood.

Heel veel brood - maar wat is brood? Wat is brood werkelijk?

 

Weet je niet vanwaar het brood komt?

Het is brood van de aarde:

van onze akkers, van onze arbeid,

voor ons leven.

 

Maar wie weet wat brood is?

weet het de verzadigde, die meer heeft,

dan hij eten kan?

Weet het de verwende,

die brood omruilt voor een taart?

Weet het de hongerende,

die in de afvalbakken van de rijken zoekt?

Wat is brood werkelijk?

 

Brood wil zeggen

alles wat mensen nodig hebben om te leven.

Brood is vader en moeder.

Brood is broeder en zuster.

Brood is de vriend, de vriendin.

 

Brood is geven en nemen,

de arbeid tijdens de dag

en de slaap in de nacht.

 

Brood kunnen wij ook voor elkaar zijn.

Ons woord - brood voor iedereen.

Ons lachen - brood voor ouders en leraren,

voor bekenden en onbekenden.

Onze daden - wie heeft ze broodnodig nodig?

Zijn wij werkelijk brood?

 

Er heeft iemand geleefd die werkelijk

helemaal brood was

voor de honger van de mensen.

Zijn woord is nog altijd brood

voor elke dag. Arbeidsbrood, schoolbrood.

 

Hij heeft ons allen aan zijn tafel geroepen.

Hij zelf is het brood,

dat leven geeft, dat vrede sticht,

dat vreemden tot broeders maakt.

Wie neemt dit brood werkelijk?

 

Als je dit brood eet,

als je zijn lichaam eet: helemaal in je opneemt,

in je bloedsomloop,

in je denken en voelen,

dan heb je nieuw leven:

werkelijk leven.


Kijk en zie (Palmpasen)

Kijk en zie:

een man op een ezel, alleen,

geen erepalm meer te zien,

het verraad is begonnen.

Kijk naar beelden van mensen,

verraden, apart gezet, geïsoleerd:

een man, nagewezen,

een vrouw, vervloekt,

een kind, uitgejouwd.

Kijk en zie.

 

Hoor en versta.

Hoor het gejammer van mensen,

hun huilen van verdriet:

de sterke man, een slaaf geworden,

een sterke vrouw, klein gekregen,

het fiere jonge meisje, stom geslagen,

door niemand meer verstaan.

Hoor en versta.

 

Beleef en voel.

Beleef wat lijden is,

blijf niet op afstand, leef mee.

Er is een man,

bezweken onder marteling;

er is een vrouw verminkt;

er is een jongeman,

in de kracht van zijn leven nog,

die opgegeven is.

Beleef en voel.

 

Zie, versta en voel.

Er zijn mensen, tussen ons in,

die beeld en gelijkenis

zijn van Jezus Messias,

zoals Hij dat was van God,

wiens naam is: Ik zal Er zijn.

 

Zullen wij er zijn voor al die andere dienstknechten?


DAVID EN GOLIAT

Er leefde eens een reus, Goliat was zijn naam. De mensen zeiden: hij komt uit de bergen. Natuurlijk was hij net als zij in het dal geboren, maar bergen en reuzen horen in de gedachten van mensen nu eenmaal bijeen: je ziet ertegenop!

Zijn voeten werden plat en plomp, en ze vertrapten het koren dat kleine mensen hadden uitgezaaid. Hij zag niet langer hun vreugde en verdriet, want zijn hoofd was verborgen achter dikke wolken van vanzelfsprekendheid.  

Af en toe boog hij zich toe naar de mensen in het dal, dan leende hij zogezegd zij oor, van ver, uit de hoogte. Maar omdat hij het woord had, ook als hij scherp werd ondervraagd, kwam het nooit tot een gesprek; en altijd weer moesten de mensen horen, dat hij zelf ook klein begonnen was!

En dat hij geen vlieg kwaad kon doen! Allicht, want enkel de vliegen konden hem nog bereiken! Nu leefde er in het dal van Alleman tussen al die kleine mensen, een man die David heette. En David werd de leider van het klein verzet tegen de reus.

Hij hoorde de mensen zingen: "We moeten de reus kleineren, we zullen Goliat verslaan!" Maar bij zingen was het gebleven, want wie smeedt er wapens tegen de reuzen? Toen zei David: ik ga met hem praten! Ik ga proberen om Goliat klein te krijgen! de mensen moesten er alleen maar om lachen, want David was onder hen de allerkleinste!

Maar David ging.... Hij liep het gebergte in en riep om Goliat. Hij schreeuwde en het weerkaatste dwars door de bergen: Goliat! Goliat!

Goliat!

Goliat!

Goliat!

En. .. daar verscheen de reus! Met stampende tred, zodat de aarde beefde... Goliat, riep David, kijk eens naar beneden, kijk eens goed naar beneden. En Goliat keek naar beneden, maar hij zag niets. Buigen, riep david. Toen zakte de reus door zijn knieën, maar hij zag nog steeds niets.

Nog dieper buigen, riep David. Toen boog de reus zijn hoofd tot vlak boven de grond, en....hij schrok, hij schrok voor de eerste keer van zijn leven: hij zag een mens zoals hij, en nóg een en nóg een, massa's mensen zag Goliat! Mensen waar hij al die tijd dwars doorheen was gelopen....  

Hij schrompelde ineen tot medemens, tot kleine mens in het dal van Alleman, en toen was er..... Vrede! 

Jan van Opbergen


KUIL

Er was eens een koning die in zijn tuin

een onmetelijk diepe kuil had,

zó diep dat je de bodem ervan niet kon zien.

Op een dag huurde hij een stel arbeiders in

om die kuil met aarde op te vullen.

Sommigen van hen raakten,

toen ze bij de kuil kwamen

en de onpeilbare diepte zagen,

geheel verdwaasd en zeiden:

"Hoe ter wereld is het mogelijk zo'n diepe kuil te vullen?"

En zij besloten ter plekke hun handen

aan dit karwei niet vuil te maken.

De anderen - die met meer verstand - zeiden:

"Wat kan het ons schelen dat die kuil diep is,

wij worden per dag betaald;

we mogen blij zijn dat we werk hebben,

We doen dus waarvoor we gevraagd zijn:

de kuil vullen tot zover we komen!"

Laten de mensen dus niet zeggen:

O, hoe onafzienbaar is de goddelijke Thora!

Al die voorschriften: wie kan ze bijhouden?

Al die visioenen: wie maken ze waar?

God zegt tegen zijn mensen:

Je wordt per dag betaald,

doe dus zoveel en zover als je kunt

en denk daarbij niet aan wat anderen al of niet doen.

Joods verhaal.


We hebben onze oren niet voor niets.

We hebben onze ogen niet voor nop.

We hebben ons hart niet zomaar gekregen.

Het hangt er van af wat ze zien, wat we willen horen, waar we

gevoelig voor zijn.

Naar welke kunstenaars luisteren we?

Welke artiest vinden wij onze aandacht waard?

Door elke kunstuiting laten wij onszelf raken?

Welke boodschap dringt tot oren, ogen, hart door?

Iedere programmamaker van radio en televisie,

iedere platenfabrikant, iedere kunstgalerij, iedere kitschwinkel, iedere schrijver, schilder, muzikant kan het je vertellen:

het publiek bepaalt wat er gekocht wordt of als onverkoopbaar

bij het groot vuil een plaats krijgt.

We hebben onze oren niet voor niets, hooggeëerd publiek.

We hebben onze ogen niet voor nop, hooggeprezen aanwezigen.

We hebben ons hart niet zomaar gekregen, hooggewaardeerde menigte.

Welke emmer zal door onze druppel overlopen?

De emmer van het onbenul en de inhoudsloosheid, of de emmer

van het verzet en het tomeloze gevecht voor gerechtigheid?

Een druppel zal de laatste zijn. Het kan de onze, de uwe zijn.

Ton Smits


In het gewone leven ben je je niet bewust

In het gewone leven ben je je niet bewust dat je oneindig veel meer krijgt dan weggeeft. Dankbaarheid zou ons leven veel rijker maken: je overschat immers zo gemakkelijk wat je zelf doet en bereikt, als veel belangrijker dan wat je door anderen hebt gekregen. 

Dietrich Bonhoeffer


PROFETEN

Ik heb eens een bijbelcursus van zes dagen aan honderd boeren gegeven. Op ‚‚n van die dagen hadden we het over de profeten. Nadat er uitgebreid over gediscussieerd was, voerden de boeren zelf een toneelstukje op.

In het eerste bedrijf zag je de president van Brazilië aan zijn bureau, plechtig en gewichtig. Het liet aan duidelijkheid niets te wensen over. De president tekende contracten, het een na het ander: voor grondstoffen die het land uitgingen en voor fabrieken waar arbeiders voor een hongerloon moesten werken. De president en de Amerikaanse zakenman zaten er warmpjes bij. In het tweede bedrijf zag je de resultaten van die koehandel: een familie diep in de armoede, zonder eten, zonder  huis, zonder medicijnen: één brok ellende, In het derde bedrijf kwam de profeet ten tonele: een boer met een lange baard en een oud kazuifel om. Amos, de profeet, speelde hij. Haarscherp legde hij het verband tussen de eerste twee bedrijven: de rijkdom van de macht en de armoede van de zwakke boer. "Wie is de schuldige?" riep hij. En zo hard als hij kon: "De regering, de regering." De toehoorders keken bang om zich heen. Sommigen keken naar de ramen, of er misschien geheime politie in de buurt was. De volgende dag, bij de nabespreking, kwam het voorval weer ter tafel. De profeet had toch wel wat hard geschreeuwd, vond men. De profeet zelf, achter in de zaal tegen de muur geleund, zei, en hij meende het echt: "Dat doen profeten nu eenmaal!"

Carlos Mesters


ZONDER WEEGSCHAAL

Een bakker kreeg boter van een boer en de boer brood van de bakker. Na een tijdje kwam het de bakker voor dat de stukken boter van de boer - die drie pond zouden moeten wegen - steeds lichter werden. Zijn weegschaal gaf hem gelijk, en hij klaagde zijn boterleverancier aan bij de rechter. "Uw stukken boter zouden niet het vereiste gewicht hebben", zei de rechter tegen de boer. "Dit stuk zou drie pond moeten wegen, nietwaar? Het weegt echter veel minder. "Dat is uitgesloten, meneer de rechter", zei de boer, "ik heb het elke keer nagewogen." "Misschien kloppen uw gewichten niet", meende de rechter.

"Hoezo gewichten?" zei de boer stomverwonderd. "Ik heb helemaal geen gewichten, die gebruik ik nooit". "Maar waar weegt u dan mee als u geen gewichten heeft"? "Heel eenvoudig, meneer de rechter, en heel rechtvaardig. Ziet u, ik krijg mijn brood van de bakker en hij krijgt boter van mij. Zo'n brood weegt drie pond, nietwaar? Nou dan - ik leg mijn boter links op de weegschaal en een brood rechts, en zo weeg ik dat af."

Zo sprak hij en haalde een driepondsbrood van de bakker tevoorschijn. De rechter woog het na - de boter was precies even zwaar als het brood. De rechter lachte, de boer glimlachte en de bakker was woedend. De boer werd vrijgesproken en de bakker veroordeeld.


De twaalfde koning

Er leefde eens in een rijk land een koning, Democratio was zijn naam. Hij regeerde tot tevredenheid van bijna allen en de faam van zijn wijsheid was bekend tot ver over de grenzen. Op een dag gaf koning Democratio, zoals vaker zijn gewoonte was, een groot diner. Twaalf lange tafels waaraan tevreden etende mensen. Er speelde ook muziek, maar zo zacht, dat het haast onhoorbaar was, maar van de andere kant toch weer zo, dat men het gemerkt zou hebben als 't er niet was. De koning was ‚‚n en al beheerste verrukking. De tafelgenoten spraken onderhoudend met elkaar, terwijl men genoot van de heerlijke gerechten.

Toen bij toeval hief de koning het hoofd van het bord, en keek de zaal in. Zijn blik werd plotseling streng: in de open vleugel deuren stond een stoffige, bezwete man, hijgend naar adem. `Heidaar,' riep de koning met zijn vork wuivend, `wat moet dat?' `heer, heer...' `Wat, vroeg de koning uit zijn zetel oprijzend.  De man beefde. `Sire', zei hij 'de Crisis is over het land gekomen.' 'De w…t?' vroeg de koning. 'De Crisis, heer...' 'Wel', zei de koning, 'dat is lelijk.' Hij wist in 't geheel niet wat een Crisis was, maar hij vermoedde iets droevigs en daarom keek hij zoals van een koning vewacht kon worden. Ook de tafelgenoten keken ernstig. 'Wel, wel', zei de koning, 'wat is dat nu vervelend.'  Hij ging langzaam zitten en roerde in zijn bord: doch in zijn hart groeide de onrust.

De volgende morgen in zijn praalbed werd de koning wakker, gelijk alle andere mensen. Hij sloeg zijn ogen langzaam op naar de satijnen troonhemel en dacht na over de crisis. Hij moest vooreerst zien te achterhalen wat een crisis eigenlijk was. Wat was de crisis? De koning kleedde zich snel aan en riep de wijzen van het land bijeen. Zij kwamen. Omstuwd door een eerbiedige volk schreden zij door de straten naar het paleis, stap voor stap, de lange baarden over de schouders geslagen en zuchtend van wijsheid. Bij ‚‚n wijze was het hoofd zó zwaar van alles wat er in zat, dat het wiegelde op de dunne hals. Je begrijpt dat zoiets indruk maakt. En zij vertelden de koning wat dat was: de Crisis. Het duurde drie uren voor zij eindigden. En reeds na enkele minuten stonden de ogen van de koning vol tranen. Want zijn hart was goed en mild. Hij luisterde aandachtig, drie uren. Toen zwegen de wijzen. De koning zat ineen gedoken op de troon, het gelaat in de handen verborgen. Hij rilde.... 'Zijt gij klaar?' vroeg hij zacht. 'Ja, Sire,' zeiden de wijzen, 'dat is het'. Zij streken hun baard glad en vertrokken. En de koning bleef zitten op zijn troon, alleen. In de grote lege zaal begon de avond  te vallen. Het late licht viel dralend door de ramen en het werd donker. En de koning zat daar eenzaam op zijn troon, gebogen en bedroefd. Een kleine, triestige figuur. Zo eindigde de dag.

Het land was nu in rep en roer. Er móest een oplossing komen. Vooreerst was er Koninklijk Bevel gegeven om boeken te schrijven over de Crisis aan ieder die de pen kon hanteren. En dat waren er heel wat. Het behoefde helemaal niet precies waar te zijn, als ze maar dik en goedkoop waren. Voorts moesten er vergaderingen gehouden worden, veel vergaderingen. En er moesten commissies worden ingesteld, veel commissies. Vol moed togen de onderdanen aan het werk. Wat betreft de boeken, verdeelden de burgers zich in twee hardzwoegende partijen: zij die ze schreven, en zij die ze lazen. Maar de meeste tijd werd toch aan de vergaderingen besteed. Avond na avond zaten de onderdanen geduldig te luisteren, klapten in de handen en stelden verstandige vragen. De koning zelf werkte het allerhardst. Hij deed niets dan lezen wat er geschreven werd, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat. En dit alles in pyama. Want tijd om zich aan te kleden was er natuurlijk niet. Het gebeurde weleens, dat hij even opstond om zijn neus te snuiten; maar dan las hij weer heel snel door om de verloren tijd in te halen. Hij leerde wat geld was. Wie het had. Wie het niet had. Wie het moest hebben. Hij leerde wat arbeiders waren. Hoe ze er uit zagen. Hij leerde de grote wetten kennen van vraag en aanbod, van prijs en waarde. En nog veel meer. 'En nu,' zei de koning, verheugd opstaande, 'zullen wij al deze kennis toepassen'. En daar vlogen de wetten over het land. Goede wetten, verstandige wetten, edele wetten.

Maar jullie allen die dit lezen, nu komt het allerwonderlijkste: de crisis bleef. De ellende groeide in het land; de onderdanen werden ongeduldig; de koning bleek toch niet zó  wijs als ze vroeger dachten. Toen de koning dit ter ore kwam, glimlachte hij bedroefd. En hij vaardigde nieuwe wetten uit, goede wetten, verstandige wetten, edele wetten. En de ellende groeide.

Er liepen grote grijze draden door 's konings baard. Hele nachten lag hij wakker in zijn zijden bed, de ogen wijd open, de handen plukkend aan de dekens. Eens op een nacht schoot hij recht omhoog. Hij legde de wijsvinger tegen zijn koninklijke neus en glimlachte. Zijn ogen glansden. Toen gleed hij achterover en sliep in. En de  volgende morgen renden de koeriers op schuimbekkende paarden de grenzen over. Zij  bliezen vrolijk op koperen horens of klakten met de tong. Want nu was er een oplossing! Tien koningen waren genodigd, om in ’n vergadering alles in orde te brengen. In alle landen vlogen de vlaggen uit de vensters, en de mensen holden over de straat om de  koningen  te zien binnenkomen. Daar kwamen ze aan. De koning van Baroba, de koning van Bonouri, de koning van het land Sir, de kong van Pirogo, de koningen van Jerba, Bano en Jaffi, de koning van Jap, de koning van Bacco en de koning van het land Tassa. Zo nam dan de beroemde Elf-Koningen Converentie een aanvang. Na op het balkon door de menigte te zijn toegejuicht, trokken zij terug om te beraadslagen. Elke koning nu had een leger kroniekschrijvers, geleerden en geheimsecretarissen bij zich, die allen tezamen ‚‚n schrijvende massa vormden, zich gaandeweg echter splitsten in Opper-Commissies, deze in Hoofd-Commissies, deze in Commissies, deze in Sub-Commissies, welke zich vertakten in adviserende lichamen en rechtskundige volleges; en toen was het avond. Koning Democratio sprak op het balkon enkele geruststellende woorden tot het volk en allen gingen naar bed. 

De volgende morgen kleedden de elf koningen, de kroniekschrijvers, de geleerden en de geheimsecretarissen zich snel aan, aten haastig en vertakten zich verder. Zo ging het vele dagen. Ten slotte was het spinsel van commissies zó ragfijn, dat verder weven onmogelijk was. Koning Democratio was het intussen moe geworden, elke avond de mensen gerust te stellen, en daarom waren er aparte mensen aangesteld, die papieren door het land verspreidden waar geruststellende woorden in stonden. Maar, jullie allen die dit lezen, al werkten de elf koningen hard, en al juichten de papieren luide, de Crissis bleef. De koning sliep in het geheel niet meer. Men zag zijn spierwitte baard allerwege: hij confereerde met de voorzitters van de onderafdelingen der sub-commissies, hij hield de mannen der papieren hun verantwoordelijke taak voor ogen, hij leidde de diners der elf koningen, en, wat het meest van zijn krachten vergde, hij sprak opgewekt over de resultaten van de conferentie en de stappen in de goede richting. Zijn ogen stonden diep en droevig, zijn handen werden wit en trilden. En het volk begon te morren, zacht en heimelijk, als een getergd dier. Ze hadden brood verwacht en ze kregen papier. En meer zulke gezegdes. 

Op een avond liepen ze onder het balkon samen, met bleke, strakke gezichten, zwijgend. De soldaten kwamen en joegen ze weg. Maar de volgende avond kwamen ze terug. De soldaten kwamen en bleven er ook: ze werden onder de voet gelopen. En van alle straten kwamen mensen aan, steeds maar mensen, een onafzienbare menigte. Ze riepen om de koningen. Ze wilden de koningen zien! Het werd één gegil van stemmen, ‚‚n enorm opstandig geluid. En de elf koningen verschenen op het balkon. Duizenden vuisten vlogen omhoog, er ging een onbeschrijfelijk gehuil op. En de elf koningen stonden met gebogen hoofd, elf simpele dwazen. Zij trachtten te spreken, doch men hoorde ze niet. Zij vroegen om stilte, doch men luisterde niet. Toen verhief zich één hoge, woedende stem uit het volk: 'Er is nog een koning, die niet genodigd is!' Vorst Democratio boog zich over de balustrade: 'Wie is dat dan?' vroeg hij spottend. Het was even stil.

Toen riep dezelfde stem: 'Gij elf koningen, elf purperen dwazen, narren van wijsheid en verstand, wie heeft u de kroon gegeven op uw hoofd en het hermelijn om uw schouders?' En de elf koningen zwegen. Deze eenzame stem had goed gesproken. Wij zullen met elf koningen machteloos zijn, zo de Twaalfde vergeten wordt. Maar zul je zeggen, is niet tweeduizend jaar geleden, op Pinksterzondag, de wereld der elf mannen gereed, in één vergadering? En zij waren vissers en hadden niets dan hun eeltige handen? Doch zij vergaten de Koning nooit!

(Vrij naar een sprookje van Godfried Bomans)


Chinese Parabel

Ergens werd een bruiloft gevierd Ze hadden het niet breed maar ze vonden dat er veel volk aanwezig moest zijn: gedeelde vreugde geeft dubbel geluk, dachten ze. Het moest een feest voor iedereen zijn, en waarom dan verhinderen dat vreugde besmettelijk zou zijn? Er zijn al zo weinig goede epidemieën onder de mensen. Dus vroegen ze aan elke genodigde een fles wijn mee te brengen; bij de ingang zou een groot vat staan en daarin kon ze laaggegoten worden; zo zou ieder van ieders gave drinken en vreugde hebben.

Toen het feest geopend werd liepen de bedienden naar het grote mengvat en schepten met grote kruiken. Maar groot was hun verwondering toen ze merkten dat het water was. Ze stonden als versteend toen het tot hen doordrong dat ieder gedacht had: die ene fles water die ik erbij doe, zal niemand merken of proeven! Ze wisten nu dat iedereen zo gedacht en gehandeld had. Het werd een waterachtig gedoe, en niet alleen omdat er slechts water te drinken was. en toen bij het rijzen van de maan de fluitspelers zwegen, ging ieder zwijgend naar huis, wetend dat het feest nooit begonnen was.


De man die bergen verzette

Lang, lang geleden, leefde in China een oude boer die Joe Kong heette. Hij had vele kinderen en kleinkinderen. Zij werkten allen van de vroege ochtend tot de late avond op het land van een rijke boer. Maar hoe hard zij ook werkten, zij bleven arm en woonden in kleine hutten. De oude Joe Kong werkte veel op de rijstvelden. E‚n voor ‚‚n moesten de tere, jonge plantjes op de vlakke stukken worden uitgeplant en verzorgd. Krom stond zijn oude rug van het bukken. Op andere velden was de grond droog en hard en moest met pikhouwelen worden losgeslagen. Rats-pats-krats-tats klonk het de hele dag. Zwaar was het werk, maar de zoons van Joe Kong waren sterk! Sommigen van Joe Kongs kinderen gingen met hun ranke boten de rivier op om te vissen. Ook sneden zij de biezen, om er manden van te vlechten en matten, om op te slapen, en om hutten van te bouwen.

Maar Joe Kong, de oude boer, was niet gelukkig. Hij wilde werken op zijn eigen land en niet voor een vreemde heer. Hij dacht aan de grond, die aan zijn vaderen behoorde, ver weg in het Noorden aan de voet van de Noorderbergen. 's Avonds kwam hij met zijn zoons bijeen en zij spraken over het verre land. Tenslotte besloten zij erheen te trekken, al was het ook een grote reis. Zo reisden ze weg bij zonsopgang op een dag in de lente. Joe Kong, zijn vrouw, zijn zoons en dochters, zijn kleinzoons en kleindochters. Aan lange stokken droegen zij hun bundels kleren. Zij liepen vele dagen en weken en maanden.

Eindelijk kwamen zij bij de Noorderbergen en vonden hun eigen stuk land... mooi land...vruchtbaar land. Maar er groeide weinig, want het land was altijd in de schaduw. De zon bleef verborgen achter twee hoge bergen. Maar Joe Kong was een wijsman en sprak: 'In mijn lange leven heb ik vele stenen de bergen af zien rollen, maar geen enkel rolde de berg op. Kom, mijn zonen en kleinzonen, wij gaan aan het werk en breken de bergen af. Dag na dag, week na week gingen ze de berg op en hakten stenen en rotsen los en rolden ze naar beneden. De buren lachten en zeiden: 'Mensen kunnen geen bergen verzetten.' Maar Joe Kong antwoorde: 'Wat mensen niet alleen kunnen, kunnen veel mensen tezamen. Wat niet in een jaar kan, kan wel in honderd jaar. Ik zal die bergen niet zien verdwijnen maar mijn kinderen zullen het zien, of anders mijn kleinkinderen of achterkleinkinderen.' Zo sprak de wijze Joe Kong.

De zomer ging voorbij en het werd herfst, De herfst ging voorbij en het werd winter. Terwijl de kinderen in de sneeuw speelden, werkten de mannen en sloegen met houwelen door ijs en sneeuw heen de stenen los. Zo zwoegden de mannen, want de zoons van Joe Kong waren sterk. Toen zag God het grote vertrouwen van deze mensen, en zond twee engelen, die de bergen wegdroegen. En de volgende morgen - voor het eerst - scheen de zon op het land en verwarmde de aarde.


De parabel van de draad

De hoge beambte viel bij zijn koning in ongenade. De koning liet hem in de bovenste verdiepng van een toren gevangen zetten. Op een mooie nacht met volle maan stond de gevangene boven op de tinne van de toren en keek naar beneden. Daar zag hij zijn vrouw staan. Zij maakte een teken en raakte de muur van de toren en keek naar beneden. Gespannen keen de man naar beneden om te zien wat zijn vrouw hier deed. De vrouw aan de voet van de toren had een insect gevangen dat van honing hield. Zij bestreek de voelhorens van het dier met honing. Toen bevestigde zij het einde van een zijden draad aan het lichaam van de kever en zette het diertje met de kop naar boven op de toren muur, juist op de plaats waarboven zij heel hoog haar man zag staan. De kever kroop langzaam, langzaam de geur van de honing na, steeds hoger, tot hij ten slotte bij de gevangene kwam. De gevangene lette goed op keek aandachtig de nacht in en zag naar beneden. Dan zag hij het kleine dier over de leuning klimmen. Hij greep het behoedzaam, maakte de zijden draad los, bevrijdde het insect en trok de zijden draad langzaam en voorzichtig naar zich toe. De draad werd echter steeds zwaarder. Het leek wel of er iets aan hing. En toen de man de zijden draad helemaal bij zich had, zag hij dat aan de einde van de torenlange draad een garendraad bevestigd was. De man trok ook deze draad naar boven. De draad werd steeds zwaarder en zie, aan het eind daarvan zag hij een bindtouw vastgemaakt. Langzaam en voorzichtig trok de man dit touw naar zich toe en het gewicht ervan werd steeds zwaarder. Toen hij het eind in zijn hand had, zag hij dat daaraan weer een sterk touw was vastgeknoopt. Dit stevige touw maakte de man aan de tinnen van de toren vast. Wat er verder gebeurde is eenvoudig en vanzelfsprekend. De man liet zich langs het touw naar beneden en was vrij. Hij ging met zijn vrouw stilzwijgend de stille nacht in, en verliet het land van de  onrechtvaardige koning.


Een fabel

Er was eens een maatschappij van kikkers. Ze woonden op de bodem van een diepe donkere put, van waaruit ze helemaal niets konden zien van de buitenwereld. Ze werden geregeerd door een grote opperkikker, die beweerde dat hij de eigenaar van de put was. Hij leefde van het werk van de onderkikkers, en deze vereerden hem omdat hij voor hen de weg uitstippelde, waarop ze gelukkig zouden worden. De ongelukkige schepsels brachten alle uren van hun lichtloze bestaan door in het slijk van de put op zoek naar kleine larven. Zo nu en dan fladderde er een leeuwerik de put in om de kikkers toe te zingen over alle prachtige dingen die hij gezien had op zijn reizen door de buitenwereld: over de zon, de maan, de sterren, de hoge bergen van de vruchtbare dalen, de uitgestrekte, stormachtige zeeën, en hoe het was om op avontuur te gaan in de grenzeloze ruimte daarboven.

Telkens als de leeuwerik op bezoek kwam, gaf de opperkikker de onderkikkers de opdracht goed te luisteren wat de vogel te zeggen had. 'Hij verteld jullie', legde hij uit, 'van het gelukkige land waar alle goeie kikkers heengaan als beloning na dit leven vol beproevingen'. Maar met het verstrijken van de tijd begonnen de kikkers te twijfelen, en bespotten de sprookjes die de leeuwerik vertelde. Ze kwamen tot de slotsom dat hij gewoon gek was. Er kwamen  enkele vrijdenkers onder de kikkers die wisten te vertellen, dat de vogel gebruikt werd door de opperkikker om ze te troosten en af te leiden met verhalen over luchtkastelen waar je heengaat als je sterft. En zij overtuigden een groep kikkers ervan dat dat een grote leugen was.

Er stonden enkele vogelgeleerden op. Ze hadden een heel nieuw en interessant idee over de leeuwerik. Ze zeiden: 'Wat de leeuwerik ons op zijn eigen manier probeert te vertellen, is wat voor een fijne plek we van deze armzalige put zouden kunnen maken, als we dat wilden. Als hij zingt over de zon en de maan, bedoelt hij de prachtige nieuwe vormen van verlichting, waarmee we de duisternis, waarin we leven, kunnen verlichten. Als hij zingt over de wijde luchten, bedoelt hij de gezonde ventilatie waarvan we zouden moeten genieten, in plaats van de vochtige, stinkende lucht waar we aan gewend zijn geraakt. Als hij verteld van de duizelingwekkende vluchten door de hemelen, dan bedoelt hij het heerlijke, verrukkelijke gevoel, dat we allemaal zouden kennen, als we niet gedwongen waren onze levens te verdoen met benauwend geestdodend werk. En het belangrijkste: Als hij zingt over het vrij onder de sterren vliegen, dan bedoelt hij de vrijheid die we allemaal zouden kennen als de last van de opperkikker voorgoed van ons is weggenomen. Jullie zien dus dat de vogel geen spot verdient. Hij zou juist gewaardeerd en geprezen moeten worden, omdat hij ons inspireert.'

Dankzij deze vogelgeleerden kregen de onderkikkers een sympathieke kijk op de leeuwerik. Wat hij zong, was dus eigenlijk waar. Alleen moesten zij het op hun eigen put-situatie toepassen, en op de wereld buiten de put. Toen de revolutie kwam, nam een eerste grote groep kikkers het beeld van de leeuwerik in hun strijdvaandel op. Ze kwaakten de verrukkelijke deunen van de leeuwerik, marcheerden op naar de barricaden en wierpen de macht van de opperkikker en zijn medestanders omver. De eens zo donkere en vochtige put werd prachtig verlicht en geventileerd. Het werd een veel komfortabeler plek om te leven. Bovendien kregen de kikkers nu veel vrije tijd, en hadden een heerlijk verrukkelijk gevoel. 

Maar de leeuwerik kwam nog steeds op bezoek met verhalen over de zon, de maan en de sterren, over bergen, dalen en zeeën. En het bleek in niets dat hij de verlichte en geventileerde put als zodanig aanzag. 'Misschien', zei toen de eerste groep kikkers,' is deze vogel eigenlijk toch wel gek. Aan deze geheimzinnige liederen hebben we in ieder geval niets meer. Het is trouwens zeer vermoeiend om te blijven luisteren naar een soort fantasieën die geen enkele betekenis voor onze leefsituatie hebben.' Op een dag slaagden ze erin om de leeuwerik te vangen. Ze doodden hem en zetten hem op in hun museum. Er was echter een tweede groep kikkers die deze hele gang van zaken diep betreurde. Ze zagen er een teken in dat de put haar ondergang tegemoet ging. Men had de opperkikker al opgeruimd. En nu, met het doden van de leeuwerik, was het laatste restje waardevols verdwenen. Ze beweenden de dode vogel en trokken zich terug in een hoekje, wachtend op een nieuwe vogel, of hopend dat er weer een nieuwe opperkikker zou komen om orde op zaken te stellen. Ze vonden ook dat de kikkers een veel te gemakkelijk lui leventje hadden gekregen. Maar er ontstond een derde groep kikkers. Zij vonden dat het helemaal niet nodig was de dode vogel te bewenen, en dat het ook niet ging om de opperkikker. Ze kwamen tot de overtuiging dat het juist niet ging om eventueel een nieuwe leeuwerik maar om wat die leeuwerik gezien had. Ze hadden het gevoel dat hun verlichting, ventilatie, weinig arbeid en veel vrije tijd ook niet alles waren. Er zat volgens hen maar één ding op, dat was: de put uit te kruipen. En ze gingen aan de slag.


Rond de stilte

Wij spraken dan als volgt: stel dat het rumoer van het vlees stil is, dat de beelden van de aarde, de wateren en de lucht stil zijn dat het uitspansel stil is en door niet meer aan zichzelf te denken zichzelf overstijgt, dat de dromen en de openbaringen van de verbeelding stil zijn, dat alle taal, alle teken en wat ook maar wordt door voorbij te gaan voor zo iemand geheel stil is- want voor iemand die luistert zeggen al deze dingen: Wij hebben onszelf niet gemaakt, maar Hij heeft ons gemaakt die blijft in eeuwigheid - stel dat deze dingen, na dit gezegd te hebben, verder stil zijn, omdat ze het oor richtten op Hem die hen gemaakt heeft, en Hij alleen spreekt, niet door hen, maar door zichzelf, zodat wij zijn woord horen, niet door een lichamelijke taal, noch door de stem van een engel, noch door het geluid uit een wolk, noch door een raadselachtige gelijkenis, maar hemzelf die wij beminnen in hen, hemzelf zonder deze dingen te horen, gelijk wij ons nu uitstrekken en in een snelle gedachte de eeuwige wijsheid raken die boven alles blijft- stel dat dit blijft en alle andere wijzen van zien, die anders zijn, ons worden ontnomen en dat dit ene zien zijn ziener mee zou sleuren, wegzuigen en verbergen in dieper innerlijke vreugde, zodat er een eeuwig leven is van dezelfde aard als dit ene moment van inzicht waar wij naar gehunkerd hebben is dan niet het woord bewaarheid: Treed binnen in de vreugde van de Heer?

Augustinus uit Belijdenissen

In stilte dat wil zeggen in de eenvoudige grond,

in de stille woestijn waar men geen verschil meer ziet, noch Vader, noch Zoon, noch Heilige Geest in het meest innerlijke waar niemand woont  

Eckhart

Toen alles volkomen stil was,

toen alles in grootste stilte was, toen de nacht het midden van zijn loop had bereikt, toen, Heer, daalde het almachtig woord van jouw koningstroon: het eeuwige Woord voortkomend uit het hart van de Vader. Het was midden in de stilte, toen alles was ondergedompeld in de grootste stilte, daar waar de ware stilte heerst, waar men in waarheid het Woord verstaat, want als je wilt dat God spreekt, moet je stil zijn

Tauler

Soms maken reeds de eerste woorden van het Onze Vader mijn denken los van mijn lichaam. Ze nemen het mee naar een 'plaats' buiten de ruimte vanwaar noch perspectief noch zienswijze ontstaat. De ruimte opent zich. De oneindigheid van de ruimte, zoals wij die gewoonlijk waarnemen is vervangen door de oneindigheid in de tweede of soms derde macht. Tegelijkertijd wordt deze oneindigheid van de oneindigheid geleidelijk aan vervuld met stilte, een stilte die geen afwezigheid van geluid is, maar het voorwerp van een positieve gewaarwor ding, positiever dan die van een geluid. De geluiden, als die er al zijn bereiken mij pas nadat ze door deze stilte zijn heen gegaan.

Simone Weil

Nacht in rust

op het gloren van de dageraad, muziek van stilte, eenzaamheid vol klank.  Deze muziek noemt de ziel 'muziek van stilte'. Het is immers, zoals we gezegd hebben, een begrijpen in rust en vrede, zonder rumoer van stemmen. Zo geniet men in dit begrijpen de zoetheid van de muziek samen met de rust van de stilte. En derhalve zegt de ziel, dat haar Beminde deze 'muziek van stilte' is, want in Hem kent en geniet men deze harmonie van geestelijke muziek ... Hoewel die muziek wat de zintuigen en de natuurlijke vermogens betreft stilte is, voor de geestelijke vermogens betekent zij een eenzaamheid vol klank. Omdat deze geestelijke vermogens immers vereenzaamd zijn en vrij van alle natuurlijke kenvormen en aanleersels, kunnen zij de geestelijke zin van Gods verhevenheid goed opnemen in de geest, en wel op zeerklankvolle wijze ... Omdat de ziel deze welluidende muziek slechts horen kan, als zij los en vrij is van alle dingen die buiten haar liggen, noemt zij de,muziek 'muziek van stilte' en 'eenzaamheid van de klank'. En dit, zegt zij, is haar Beminde'.  

Joh. van het Kruis


Die God bemint, hij bemint zin werken (Hadewich, de tiende brief)

Die God bemint, hij bemint zijn werken. Zijn werken zijn edele deugden. Daarom die God bemint, hij bemint deugden. Deze liefde is duurzaam en vol vreugde (troostrijk). Deugden bewijzen de liefde en niet vrome aandoeningen: want het gebeurt weleens dat de mens die minder liefheeft, meer vrome aandoeningen voelt, naar de mate waarin ieder dat voelt, in die mate is er geen liefde in hem; (die liefde is er) pas echter nadat hij gegrondvest is in deugden. En geworteld in liefde tot de naaste (cartitaten). Zich aangetrokken voelen tot God (Begherte) is zulk een vrome wil. Nochtans is het niet geheel en al om God want het welt meer op uit het gevoel der zinnen  dan uit genade. En meer uit de natuur dan uit de geest. Deze vroomheid beroert de ziel op een minder goede wijze en de liefde beroert haar beter en ze valt dieper opdat het haar smaakt dan op dat het haar nuttig is; want ze heeft de aard van de zaak waar ze uit geboren is. 

Dus zodanige vroomheid voelt zowel de onvolmaakte als de volmaakte en waant zich in grote minne omdat hij vroomheid proeft, nochtans niet puur, maar gemengd (zinnelijk - geestelijk). Al is ook de vroomheid geheel en al God, die zeer moeilijk te kennen is, daaraan is de liefde niet te meten, maar aan het vaste bezit van deugden en daden van naastenliefde (caritaten), zoals gij gehoord hebt; want wij zien duidelijk in zulke zielen: zolang als de vroomheid in hun aanwezig blijft zo zijn ze als een welige akker (zacht en vet) en als de vroomheid vergaat, zo vergaat haar liefde en zo blijft haar grond woest en onvruchtbaar (ruw en mager). Dat is omdat ze (de zielen) noch niet bezet zijn met deugden. Want als de deugden vroeg geplant zijn in de zielen en door lange oefening vast gefundeerd, al vermindert dan de vroomheid, de deugden doen hun natuurlijk werk en ook het werk van de liefde. Ze zijn niet uit op vroomheid maar hoe ze gedijen mogen getrouw aan de liefde. Ze zijn niet uit op genieting (sine haken niet na smake) maar ze zoeken nut. Ze willen daden van deugden, ze zijn niet uit op loon. Ze vertrouwen zich geheel toe aan de liefde, daar zijn ze heus niet minder mee af. De liefde is zo edel en zo overvloedig, aan haar blijft niemands loon achter. Niemand behoeft gesteld te zijn op loon; als hij het zijne (deugd) doet. De liefde zal het hare wel doen. Dit weten de deugdzamen (vroede: wijzen) die voortdurend deugdzaam zijn. Zij zoeken alleen maar de wil van de liefde, zij bidden de liefde, geen andere vroomheid, dan dat ze hen geeft, dat ze in alle dingen kennen mogen haar liefste wil; zijn ze boven, moge geschiedde de liefde, zijn ze onder, moge geschiedde hetzelfde.  

Zulke andere zielen zijn arm van deugden; als ze de vroomheid voelen, zo beminnen ze; en als de vroomheid gaat zo gaat ook haar liefde. In de dagen van genade zijn ze dapper (coen) en in de nacht van angsten (wederwaardigheid) keren ze de rug toe. Dat zijn armhartige lieden; ze zijn in de wolken in de vroomheid en snel bedroefd in het zure. En een kleine genade verblijdt haar hart erg, en een klein verdriet (teleurstelling) verdriet haar zeer. Hierom geschiedt zulke wil dat harten van gering gehalte vaker worden geraakt dan de "volwichtige" en de arme van genade, meer dan de rijke van genade. Want als God komt met zijn genade en hij troosten wil (versterken) haar armhartigheid en helpen haar  zwakte (krankheid) en opwekken haar wil zo genieten ze van Gods aanwezigheid en de vroomheid (daarbij) en ze worden meer geraakt dan hen die permanent doordrenkt zijn met het goede Gods. En men waant zulk een wil dat de zo aangedane lieden grote genade hebben en grote liefde, die nochtans zeer zelden God bezitten mogen . Hierom is zulk een wil van gebrek aan God  meer oorzaak van de vroomheid dan overgrote rijkdom.  

Zulke wil is ook de kwade geest oorzaak van vroomheid. Want als zulke wil de menselijke vroomheid voelt zo verlustigt hij zich zeer daarin en volgt hij de lust zo ver dat hij valt in ziekten van het lichaam en dat hij daarbij verzuimt nuttige dingen. En ook daarbij als de mens ziet dat hij rijke overvloed van zoet geluk heeft, zo begint hij alleen hemzelf te geloven als volmaaktheid en ziet des te minder op zijn leven toe.  

Hierbij is wel duidelijk dat iedereen zorg draagt voor zijn genade en dat goed van onze Heer wijselijk tot grotere volmaaktheid gebruike, want de gaven van de genade maken de mens niet rechtvaardig, maar ze binden hem, want werkt hij met zijn genade, zo behaagt hij God. En doet hij het niet, zo wordt hij schuldig. Ook moet hij de juiste wijze in acht nemen want hij moet zijn genade oefenen. Want net als de deugd misdaad wordt als mensen buiten haar tijden oefenen alzo wordt genade niet-genade, of ze moeten de werken der genade doen. Hierom heeft God een talent toevertrouwd om dat produktief te maken met zijn goedheid, is het nodig dat hij wijs zij en zijn genade ook behoedt dat ze bij hem blijft.

Want alzo als degenen die in staat van zonde zijn het nodig hebben om God te bidden om genade, alzo heeft degene die in genade is (in staat van heiligmakende genade) het nodig God te bidden dat hij haar behoudt. Want alzo vaak als de mensen het goed van onze Heer verminderen laat en niet vermeerderen laat, zo heeft hij het helemaal verbeurd, ware het niet door de goedheid Gods. Hierom, leest de bruid in het Hooglied, zij vond haar bruidegom niet alleen begeerlijk, maar ook wijs; en toen ze hem gevonden had, was ze niet minder bezorgd hem te behouden (behoeden) Zo zou doen elke wijze ziel waarin de liefde werkt. Ze zou voortdurend haar genade met begeerten (verlangen) en wijn vermeerderen. En bezorgd bewerken haar akker, uittrekkend onkruid en bezig zijn met het inzaaien van deugden; en bouwen een huis van zuiver geweten daar zij zal worden in ontvangen haar lief.  


Tel je mee?: Op adem komen met Job

Weer kwamen de hemelingen hun opwachting maken bij de Eeuwige. Satan kwam met hen mee. En de Eeuwige zei tot Satan: "Waar ben je allemaal geweest?" "Ik heb rondgezworven over de aarde", antwoordde Satan. "Wel", vroeg de Eeuwige, "heb je ook gelet op Job, mijn dienaar, op aarde is er geen tweede zoals hij. Na alle beproevingen die ik hem op jouw aandringen heb gezoden blijft hij op God betrokken." Satan gaf hem ten antwoord: "Nood leert bidden. De grootste gelovigen zijn zij die niets te verliezen hebben, want jij bent hun enige hoop. Sta mij toe hem alles te geven wat zijn hartje begeert, zodat er niets te wensen voor hem overblijft. Dan zal hij denken dat hijzelf het leven maken en breken kan en zal hij je naam verloochenen. Hij zal ontkennen dat je ooit hebt bestaan, je afdoen als een vroegkinderlijke hersenschim, net als sinterklaas, als een neurotische illusie, als zoethout voor het volk."

Toen zei de Eeuwige tot Satan: "Het is in jouw hand. Vul zijn leven met rijkdom tot het ervan overloopt." En Satan sloeg Job met rijkdom. Hij gaf hem een goedbetaalde baan, een abonnement op een fitnesscentrum, een leuke moderne vrouw met ook een baan - voor halve dagen, twee kinderen - een jongen en een meisje, een rashond met stamboek, een werkster voor twee ochtenden in de week, een zonnig nieuwbouwhuis vlak bij een winkelcentrum, een tuin met een vijvertje en een fonteintje en een hypotheek met de rente voor vijf jaar vast. Af en toe was er zelfs een vriendin aan de zijlijn, maar dat duurde nooit lang want het was moeilijk in te plannen.  

De klacht van Job  

Op een avond zat Job op de bank onder het schilderij en dacht na over zijn schulden en  alles wat hij bezat. En hij zei tegen Tora, zijn vrouw: "Komt het jou allemaal ook zo zinloos voor?" Maar zij gaf geen antwoord want zij keek naar 'Goede tijden'. Hierna opende Job zijn mond en vervloekte zijn bestaan: Weg met de dag waarop ik werd geboren, weg met de nacht die mijn ontvangenis zag. (3, 1-3)  Was die nacht maar onvruchtbaar gebleven, geen kreet van vreugde had toen  mogen klinken. (3, 7)  Waarom niet in de schoot gestorven?  Niet gestikt bij de geboorte?  Waarom hebben knieën mij ontvangen?  Waarom borsten mij gezoogd?  Want O neerliggen, rust hebben, slapen, ongestoord. (3,11-13) Toen zijn vrienden hoorden dat Job in een depressie was getuimeld kwamen ze naar hem toe en probeerden hem op te beuren. Een van hen bracht hem een bos tulpen, maar als Job daarnaar keek zag hij enkel hoe ze langzaam stonden te sterven in hun vaas. De pokon en de goede zorgen van Tora verlengden dat proces eindeloos.

Een andere vriend keek met Job naar het voetballen. Nederland tegen een nieuw land dat een stuk was van een oud land. Maar Job was in winst en verlies niet geïnteresseerd en omdat dat het enige was dat iedereen om hem heen leek te boeien werd hij er alleen maar triester van. Een derde vriend nam hem mee naar de kroeg. Daar speelde een band zo hard dat niemand een ander kon verstaan. Omdat mensen toch gehoord willen worden gingen ze elkaar in het oor staan schreeuwen. Wie naar de muziek wilde luisteren kwam door dat getoeter van een koude kermis thuis.

De roes van het zware Belgische bier vond Job wel aangenaam. Even kon het hem niet meer schelen dat het hem niet kon schelen. Maar toen de roes verdwenen was kwam zijn wanhoop dubbel zo hard terug. Bovendien had hij een stekende koppijn en moest hij om de vijf minuten plassen. Hij deed de hele nacht geen oog meer dicht.

Job gaat toch verder

De volgende ochtend pakte Job zijn fiets. Hij fietste tot hij niet meer kon en ging te voet verder. Op een heideveld hield hij stil en keek omhoog. De zon scheen. De vogels wachtten. "Mijn God, mijn God", riep Job uit, "waarom heb je mij verlaten? Ik heb tijd voor alles maar alles verveelt mij. Ik heb geld voor alles, maar niets lijkt me de moeite waard. Ik ben verzekerd tegen elk verlies, maar voor wat ik verloren heb bestaat geen compensatie. Mijn hart is een rottende spons, mijn hoofd een wespennest. Ik weet niet waar mijn benen gaan, ik weet niet waar om mijn armen. Mijn zintuigen zinnen mij niets. Al mijn tasten is mistasten. Ik leef als een blinde. Ik leef alleen voor mijn einde." En God? God zweeg. Dood. Gestenigd met dogma's. Dogma's uit rotsen gehouwen. Dogma's gebakken uit klei. Dogma's tot moeten gestold. Dogma's als hoekstenen, weggerukt vanonder de machtige spitsbogen die ziJ droegen. Dogma's Op een hoop. Een puinhoop. Een puinhoop van wat God moet. En weer riep Job het uit: "Mijn God, hoe kan ik je ontmoeten?" En zie er was mos op de stenen. De wind had de naden aangezand en de dovenetel was daar komen wonen, rinkelend met witte belletjes. Een berk zelfs had het aangedurfd om in een spleet te wortelen en stond er nietsvermoedend al een hele boom te zijn. Och God, kijk nou. Een machtig lachen kwam aangerold. Het rolde aan van onder uit Job zijn buik. Het maakte hem licht en voerde hem mee tot niets er nog toe deed. En Job fietste fluitend naar huis.

De jongen op de fiets, de benen van de jongen. De benen fietsten in het rond en in het rond en in het rond. Zo sleet de middag, werd het avond op een dag die niet bestond en merels zongen omdat merels..., waarvoor hebben merels longen? De jongen floot omdat de jongen fluiten vond, of fluiten hem en hem met huid en haar verslond en in het fluiten rond de benen van de jongen.  

Onderweg kocht hij een bosje tulpen voor Tora. Hij had al lang geen bloemen meer voor haar meegenomen en ze hield er zo van. "Wat heb jij goeie zin," zei ze verwonderd. Job knipoogde naar zijn jongste dochter. "Ga je mee in de tuin spelen?" 'Voetballen pap," zei ze gretig. "Dan was ik Reggi Blinker en jij was eh... iemand van PSV en dan liep ik je zomaar voorbij." "En dan was ik Stanley Menzo en ging ik overal voorliggen", sloot Tora aan. Ze dolden in de tuin tot het donker werd. Ze kregen er alledrie een kick van.  

Vergeten?

"Totaal vergeten", zei Satan, "ik zei het je wel." Samen met God hing hij over de reling van een groot hemels slagschip dat statig heendreef over het land Us. "Vergeten is slechts hoofdzaak", zei God plechtig, "maar zijn hart klopt op het ritme van mijn adem. Tel je mee?"  "Ik geloof er geen barst van",  sputterde Satan, "wie zijn kop er niet bij houdt is geen knip voor zijn neus waard." Een machtige golf kwam aangerold. Speels tilde ze het schip op haar schouders. Zo zijn golven. "Geloof kan ik je niet geven", antwoordde God, "dat laat zich niet dwingen." Hij staarde peinzend voor zich uit. "Nou ik erover nadenk", ging hij verder, "hoop en liefde ook niet. Alles dat leeft gaat kapot als je met dwang komt aankakken." Een gesmoord geluid deed hem opkijken. Satan stond met zijn staart tussen zijn benen overboord te kotsen. "Ik word jouverdomme luchtziek op die schuit van je",kokhalsde hij, "veel te weinig ballast in de kiel."  

Vieren met Job: de laatste schaal

De rijkste man van heel het Oosten heette Job. Dat staat in de Bijbel (Job 1, 3), dus dat is zo. Het boek van Job is een van de rijkste boeken uit de hebreeuwse Bijbel. Dat zeg ik. Daar mag iedereen dus anders over denken. Heerlijk rustig idee vind ik dat.  

 V. Goede God, we zijn allemaal tobbers, we hebben het leven niet in de hand. We leven temidden van onrecht dat soms zo vanzelf spreekt dat we het niet eens meer zien en we verhalen in mooie woorden waarmee wat krom is wordt rechtgepraat.

 A. God, geef ons de moed van Job. Geef ons de moed om onder ogen te zien wat er niet deugt    in ons menselijk samenleven. Geef ons de moed daartegen onze stem te verheffen. Maar laat ons met weinig tevreden zijn en help ons accepteren dat niet ons woord, maar jouw woord het laatste woord zal zijn.  Amen.  

Schrift die verwijst

Twee soorten boeken zijn er. Er zijn boeken, die gaan ergens over. Het zijn verhandelingen. Boeken die wijzen. Ze wijzen naar iets dat ze zelf niet zijn. Als ze wijs zijn, willen ze het zelfs niet zijn. Er zijn ook boeken, die zijn zelf iets. Hun eigen wereld. Hun eigen personen. Hun eigen verhaal. Soms is zo'n verhaal rond. Dat is dan jammer. Dan is het al vlug uit, afgelopen. Soms staat zo'n verhaal naar alle kanten open. Er klinken verre echo's in de gewelven. In sommige boeken ruik je geschiedenis. Dan waait er ineens een hedendaagse wind doorheen. Een tochtvlaag slaat ons leven door het verhaal, het verhaal door ons leven. Zo'n verhaal loopt nooit af, zelfs niet aan het eind. Altijd is er de suggestie dat het doorloopt, of misschien zelfs wel anders is gelopen. Zo'n verhaal is het boek Job. Het is een boek dat ervoor zorgt dat we niet te vroeg thuis komen. Het herinnert ons er aan dat we nog lang niet thuis zijn, al denken we dat nog zo graag. Levenslang houdt het ons op weg.  

Op mijn levenslange reizen twijfel donker achtervolgt mij liefde blind holt voor mij uit zing ik steeds op andere wijzen over wie ik niet kan spreken zing ik: "Ooit mijn hart te breken ooit mijn hart voor jou te breken."  

Job is vandaag

Job is een boek van alle tijden. Het wordt voortdurend voor ons bij de tijd gebracht. Henk van Ulsen deed dat in Job op Schokland. De Engelse popgroep Seatrain deed dat in de Song of Job. Zeer de moeite waard om in een viering te gebruiken, alleen al om de Jobgetrouwe manier waarop de zanger de Godsnaam uitschreeuwt: "Jahhahawehehh, jejejehowahhahhahhah."

Het boek Job is op allerlei manieren te lezen. Rond het boek Job is op allerlei manieren te vieren. Kies een thema voor een viering uit het boek Job en dat gaat werken als een waterdruppel op een blad. Wie wil doorvoelen vindt in die ene druppel het hele boek Job weerspiege]d. Wat ons ontgaat als wij er gericht naar grijpen wordt ons in weerspiegelde weerspiegelingen geschonken: de fluisteringen "Hij die is", zijn zachte adem.  

Thema's zijn er in overvloed, voor uitgewerkte suggesties verwijs ik naar mijn reeks overwegingen rond Job in De Roerom 1995, nrs. 2-7. Er is het thema van de klacht, de aanklacht, van het verzet van de mens tegen zijn lot, tegen zijn Schepper. Wat die Schepper overigens best vindt (Job 42,8, Job heeft van Hem een - relatief - zuiver beeld gegeven). Blijkbaar liever een eerlijke, op God betrokken kankeraar dan een kleffe vrome dweil. Job is ook te beleven als de oergestalte van de Arme. De arme die zijn lot niet verdient. Geen enkele arme doet dat. De aanklacht is er dan niet een tegen het eigen lot, maar tegen onrechtvaardige wereldse verhoudingen. De klacht die ten hemel stijgt is er een van een collectief. Daarbij laat zich heel wel het Lied van de ongeduldigen zingen.

Het boek Job (38, 39) is ook een loflied op de schepping. God bezingt haar in haar grootsheid, maar ook met een ontroerende aandacht voor de kleinste details. Een viering rond Job kan dan ook heel goed symbolisch worden aangekleed met verwijzingen naar de vier elementen. We plaatsen drie grote schalen bijeen. Een schaal met water. Een schaal met zand. In beide schalen branden (drijf)kaarsen. Een laatste schaal is leeg. Leegte, lucht, ademgeest. Het koor kan zingen: Aqua de beber. Job is ook een afrekening met menselijke concepten met ideeën over hoe het is, hoe het hoort te zijn met de wereld, met onderlinge verhoudingen, met God. Het boek is een vrome beeldenstorm. Beeld na beeld slaat het stuk tot Job uiteindelijk zwijgt. Eerst nukkig als en kind. Later in overgave aan zijn eigen existentie (42, 6) en aan de grond daarvan (42, 2-3). De laatste schaal is leeg. De laatste schaal is ruimte: wat we in Job ook lezen, bij elke lezing klinkt door hoe spiritueel het boek is. Het gaat om een mystieke zoektocht. Het gaat om een hartstochtelijk verlangen, orneen gevecht met het eigen bestaan, om een gevecht waarbij alles wordt losgelaten, tot het meest dierbare toe, tenslotte zelfs het eigen verlangen, een gevecht waarbij een mens zich afschilt tot zijn diepste kern. Alles laat Job los. Zelfs jou God, laat hij vrij. Als wij het hem nadoen laten ook wij jou vrij. We maken je los uit alles wat we hebben ontwikkeld aan theorieë‰n, aan beelden, aan rituelen; om je te vinden - misschien als jij dat zo wilt - ergens zomaar, zomaar tussen alles waar- aan we plegen voorbij te zien. Op een puinhoop, een mesthoop, aan een kruis. Zelfs de laatste schaal, de lege schaal, slaan we stuk. Want ziet wij bepalen waar, wanneer en hoe. Niet wij bepalen of. Ons gewicht is in jouw hand.   

Wij kunnen zingen: Ik sta voor u in leegte en gemis.


De schaal van verlangen 

Dit verlangen is van alle tijden. Ook van onze tijd. Heel goed kunnen we Job benaderen vanuit eigentijdse teksten. Op Nebraska zing Bruce Springsteen het ontroerende My father's house. Een tekst over een gedroomd verlangen, dat lijkt te sneuvelen in confrontatie met de realiteit. Lijkt, want diep geworteld als het is, is het de realiteit te machtig. Het zoekt zijn weg langs met misstappen bezaaide wegen. Alles laten we achter, maar we weten ons onweerstaanbaar aangelokt. Ergens staat een lege schaal. Klaar om aan leven stuk te gaan en haar ruimte aan de ruimte terug te geven. Ach nee, laat heel die laatste schaal. Adem uit. Het is goed.

My father's house shines hard and bright

it stands like a bacon calling me in the night

calling and calling so cold and alone

Shining cross the dark highway where

our sins lie unatoned. (B. Springsteen - Nebraska) 

Het huis van mijn vader staat helder te stralen, als een baken dat me roept in de nacht. Het roept maar, en roept maar, eenzaam en koud, stralend over deze donkere snelwegen, waar onverzoend onze zonden liggen.


De vrucht van de braamstruik

Een verhaal over kerken en basisgroepen

Ik ben de kleine braamstruik, die gegroeid is aan de voet van de berg.  Vaak voelde ik een trilling door me heen gaan van jaloezie, omdat de berg zo oud was en zo groot.

Hij had al zoveel ervaring en zoveel levenswijsheid. Want ze zeggen dat hij al werd geboren toen de aarde nog maar net begon, en dat hij zo hoog is dat zijn top tot in de hemel reikt en dat hij daarom 'Godsberg' wordt genoemd.

Ik ben maar klein en ik besta nog maar enkele korte jaren en kon alleen tot leven komen in de schaduw van de berg.  Hij liet me elke dag weer merken dat hij hooghartig op mij neerkeek en dacht: Wat wil jij, kleine brummel? Als ik je ook maar even mijn bescherming zou onthouden, zou je verteren door de brand van de zon! En ik kon mij alleen verbazen dat de berg het uithield, schijnbaar ongevoelig voor de vuurbal aan de hemel. Maar nu wil ik u vertellen wat er gebeurd is.

Eens op een dag kwam er een man bij ons in de buurt. De zon brandde ongenadig, feller dan ooit, alsof al wat er gloeit zich verzamelen wilde. Ik dacht bij mijzelf: die man doet beter de koelte van zijn huis te zoeken dan hier te zwerven in de grootste hitte aller tijden.

Toen werden ook voor de Godsberg de stralen te heet. Ik zag nog hoe hij probeerde de gloed te ontwijken door zijn kruin naar de aarde te nijgen. Maar op datzelfde moment, toen zijn schaduw mij even ontviel, trof mijzelf de volle bundeling van ziedende zon.  Nu ben ik een verbrande braamstruik in de woestijn. Nooit zal ik nog vruchten geven. Waarom besla ik onnuttig de grond? Maar laat ik niet klagen. Er gebeurde nog meer en dat moet ik u ook nog vertellen.

Geruime tijd later kwam hij terug, de man die erbij was toen mijn takken verschroeiden. Hij was nu niet meer alleen. Onafzienbaar was de stoet van wie hem volgde. En ze trokken zingend en dansend recht op mij af.

Ik verwonderde mij dat ze niet amechtig werden, want net als bij de eerste ontmoeting werd de zon ondraaglijk heet. De man bleef staan vlak voor de plek waar ik was. Hij wees op mijn verkoolde takken en hij vertelde hoe hij mij had zien verbranden. En hoewel ik mij niet kon te binnen brengen een woord te hebben gesproken, vertelde hij ook hoe hij een stem had gehoord uit het vuur:

Ga, en zeg tegen hen die mijn volk onderdrukken 'Ik ben er ook nog!' en hoe het geweest was alsof het vuur uit mijn brandende ziel was overgevonkt tot diep in hemzelf als een laaiend verlangen naar vrede en recht.

Nooit zal ik weten of de Godsberg het hoorde. Nooit zal hij zeggen of hij vervuld werd van jaloerse gevoelens of van heilige aandrift. Maar toen aller oog op mij gericht was, verenige zich de gloed van de zon met alle bliksemschichten van de vier hoeken der aarde. En zie: de berg ontweek niet langer het goddelijk vuur. Ik zag zijn top in brand staan, zodat de aandacht van allen zich afwendde van mij en zich richtte op de brandende berg.

Toen klonk een stem uit de vuurzee: 'Ik ben er ook nog!' ik zal er zijn, totdat je zult wonen in recht en vrede! Laten we opstaan, hoorde ik zeggen toen het voorbij was. Laten we gaan naar het land van belofte. En het was of in allen een vonk was ontstoken aan het vuur van de berg. Wij bleven achter, de grote Godsberg als een kaal monument en het struikje waaraan nooit een braam zal groeien.

Of was ik wel vruchtbaar? Heeft de brandende braamstruik een laaiende berg kunnen baren? Ik weet alleen dit: reizigers noemen sindsdien de Godsberg: de Sinaï. En dat is toch de naam, waarmee ikzelf werd geboren: Sinea, in de taal van de streek. En als je goed kijkt, dan zie je de berg in het land schap als een reusachtige braam!


Edelman/bedelman

Er waren eens twee bedelmannen. Ze leken sprekend op elkaar; wie ze van jongsaf had gekend, hield ze voor broers. Dagelijks klopten beiden aan de deuren van de rijken: dokter, pastoor, keizer, schutter, majoor. De’één was onderwijl in zijn gedachten bij al degenen die woonden in dezelfde achterafbehuizing als waar hijzelf zijn schamel onderkomen had. Hij was bedelman om aan de hongerigen een stuk brood te kunnen geven en aan de dorstigen een koele dronk; om aan zieken medicijnen toe te kunnen dienen en om gevangenen met kleine dingen te laten weten dat ze niet vergeten werden.

Hij zag er niet aantrekkelijk uit. Het was of al het lijden van de krottenbuurt zich op zijn gelaat had uitgetekend. Iedereen probeerde zo gauw als het kon hem kwijt te raken. De dokter gaf een kwartje en een vetrijk dieet. De pastoor verwees hem naar de kerkelijke charitas-instanties. De koning stelde een ministerie in voor sociale zaken.

De keizer zei: ik zal nog maar eens opdracht geven dat heel mijn rijk moet worden ingeschreven met het oog op registratie van alle bedelaars. De schutter zei natuurlijk: schiet op! En de majoor blafte alleen maar, onverstaanbaar en toch duidelijk.

Beledigingen raakten hem meestentijds niet. En als dat wel zo was, dan slikte hij maar haastig weg wat vooraan op zijn tong lag. Maar zodoende is hij wel een bedelman gebleven tot op deze dag.

De andere bedelman had gauw begrepen, dat het ook heel anders kon. Hij dacht niet aan de armen. Maar van zijn eerst bijeengebedelde bedrag liet hij zich kleren maken zo zwierig en zo kleurrijk dat niemand meer in hem een bedelaar herkende. En toen ook nog elke groef en rimpel waren weggewerkt uit zijn gezicht, zag hij er uit als edelman.

Hij vertelde aan de deuren indrukwekkende verhalen over zijn vader, die ook een soort van dokter was geweest en van wie hij veel geleerd had; en ook zoiets als een pastoor met een heel grote parochie. Aan de koning bracht hij de groeten van een

beroemde kollega en aan de keizer toonde hij een dokument over zijn geboorte, waarin zijn naam genoemd werd in één adem met die van een beroemde heerser.

Waar hij kwam, werd hem gegeven wat hij verlangde.  De dokter maakte hem tot assistent voor de moeilijkste gevallen. De pastoor hield een kollekte om voor hem het hoogste huis van heel de stad te bouwen. De koning maakte hem tot koning over koningen en de keizer kroonde hem tot God. Schutter en majoor zwoeren dure eden dat ze alle loochenaars van deze God bestrijden zouden te vuur en te zwaard. En zo is het en zo gaat het tot op de dag van heden.

Zo zal dat gaan tot op een dag de vader van alle bedelmannen zich omdraait in zijn graf en opstaat en naar die stad toe gaat. Dan gaan ze schrikken: dokter, pastoor, koning, keizer, schutter, majoor, want ze denken dat hij al van eeuwigheid af dood is.

 Dan zal hij voor ze staan met bliksemende ogen en donderende stem: Doet die edelman weg, ik heb hem nooit gekend!

Maar een zieke zal wonen in het huis van de dokter.  De pastoor geeft wie hongert het brood van het altaar.  Koning en keizer zullen te voet gaan en de armen te paard.

Schutters, majoors moeten tralies verbreken met hun eigen bloedbevlekte handen om vrijheid te geven aan wie gevangen is. En bedelman? Hij wordt eindelijk edelman, mijn eniggeboren zoon!


Tien wenken om te leven