|
|
'Zeg, hoeveel
weegt een sneeuwvlok?' vroeg een mees aan een wilde duif. 'Minder dan niks', gaf
die ten antwoord. 'Dan moet ik je een merkwaardig verhaal vertellen', zei de
mees. 'Ik zat op de tak van een den, dicht bij de stam, toen het begon te
sneeuwen. Niet hevig, met stormgeweld, nee, als in een droom, zonder geluid of
gewicht. Daar ik niks beters te doen had, begon ik de sneeuwvlokken te tellen
die op de twijgen en naalden van mijn tak vielen en daaraan bleven hangen. Op de
kop af driemiljoenzevenhonderdeenenveertigduizendnegen honderdtweeënvijftigste
volk omlaag kwam - minder dan niks, zoals je zegt - brak de tak af'. Daarop
vloog de mees weg. De duif, sedert de dagen van Noach gespecialiseerd in dit
soort vragen, zei na enig nadenken bij zichzelf: 'Misschien ontbreekt er nog
maar ‚‚n stem van ‚‚n enkele mens om de vrede in de wereld te
verwerkelijken'. Er
zijn twee manieren van gedenken Gedenken Er zijn twee
manieren van gedenken. De ene is een excursie maken vanuit het levende heden
naar het dode verleden. Het oude baasje herinnert zich hoe het was toen jij en
ik jong waren. De verre blik in zijn ogen komt gedeeltelijk van het bier en
gedeeltelijk doordat hij werkelijk ver weg is. De andere manier van
gedenken is het dode verleden terugroepen in het levende heden. De jonge weduwe
herinnert Frederick Buechner Dagelijks eten
wij brood. Bruinbrood,
witbrood, grijsbrood, boerenbrood, Knäckebrood,
rozijnenbrood, suikerbrood, stokbrood. Heel veel brood
- maar wat is brood? Wat is brood werkelijk? Weet je niet
vanwaar het brood komt? Het is brood
van de aarde: van onze akkers,
van onze arbeid, voor ons
leven. Maar wie weet
wat brood is? weet het de
verzadigde, die meer heeft, dan hij eten
kan? Weet het de
verwende, die brood
omruilt voor een taart? Weet het de
hongerende, die in de
afvalbakken van de rijken zoekt? Wat is brood
werkelijk? Brood wil
zeggen alles wat
mensen nodig hebben om te leven. Brood is vader
en moeder. Brood is
broeder en zuster. Brood is de
vriend, de vriendin. Brood is geven
en nemen, de arbeid
tijdens de dag en de slaap in
de nacht. Brood kunnen
wij ook voor elkaar zijn. Ons woord -
brood voor iedereen. Ons lachen -
brood voor ouders en leraren, voor bekenden
en onbekenden. Onze daden -
wie heeft ze broodnodig nodig? Zijn wij
werkelijk brood? Er heeft iemand
geleefd die werkelijk helemaal brood
was voor de honger
van de mensen. Zijn woord is
nog altijd brood voor elke
dag. Arbeidsbrood, schoolbrood. Hij heeft ons
allen aan zijn tafel geroepen. Hij zelf is het
brood, dat leven geeft,
dat vrede sticht, dat vreemden
tot broeders maakt. Wie neemt dit
brood werkelijk? Als je dit
brood eet, als je zijn
lichaam eet: helemaal in je opneemt, in je
bloedsomloop, in je denken en
voelen, dan heb je
nieuw leven: werkelijk leven. Kijk en zie: een man op een
ezel, alleen, geen erepalm
meer te zien, het verraad is
begonnen. Kijk naar
beelden van mensen, verraden, apart
gezet, geïsoleerd: een man,
nagewezen, een vrouw,
vervloekt, een kind,
uitgejouwd. Kijk en
zie. Hoor en versta. Hoor het
gejammer van mensen, hun huilen van
verdriet: de sterke man,
een slaaf geworden, een sterke
vrouw, klein gekregen, het fiere jonge
meisje, stom geslagen, door niemand
meer verstaan. Hoor en
versta. Beleef en voel. Beleef wat
lijden is, blijf niet op
afstand, leef mee. Er is een man, bezweken onder
marteling; er is een vrouw
verminkt; er is een
jongeman, in de kracht
van zijn leven nog, die opgegeven
is. Beleef en
voel. Zie, versta en
voel. Er zijn mensen,
tussen ons in, die beeld en
gelijkenis zijn van Jezus
Messias, zoals Hij dat
was van God, wiens naam is:
Ik zal Er zijn. Zullen wij er
zijn voor al die andere dienstknechten? Er leefde eens een reus, Goliat was zijn naam. De mensen zeiden: hij komt uit de bergen. Natuurlijk was hij net als zij in het dal geboren, maar bergen en reuzen horen in de gedachten van mensen nu eenmaal bijeen: je ziet ertegenop! Zijn voeten
werden plat en plomp, en ze vertrapten het koren dat kleine mensen hadden
uitgezaaid. Hij zag niet langer hun vreugde en verdriet, want zijn hoofd was
verborgen achter dikke wolken van vanzelfsprekendheid. Af en toe boog
hij zich toe naar de mensen in het dal, dan leende hij zogezegd zij oor, van ver,
uit de hoogte. Maar omdat hij het woord had, ook als hij scherp werd ondervraagd,
kwam het nooit tot een gesprek; en altijd weer moesten de mensen horen, dat hij
zelf ook klein begonnen was! En dat hij geen
vlieg kwaad kon doen! Allicht, want enkel de vliegen konden hem nog bereiken! Nu
leefde er in het dal van Alleman tussen al die kleine mensen, een man die David
heette. En David werd de leider van het klein verzet tegen de reus. Hij hoorde de
mensen zingen: "We moeten de reus kleineren, we zullen Goliat verslaan!"
Maar bij zingen was het gebleven, want wie smeedt er wapens tegen de reuzen?
Toen zei David: ik ga met hem praten! Ik ga proberen om Goliat klein te krijgen!
de mensen moesten er alleen maar om lachen, want David was onder hen de
allerkleinste! Maar David ging....
Hij liep het gebergte in en riep om Goliat. Hij schreeuwde en het weerkaatste
dwars door de bergen: Goliat! Goliat! Goliat! Goliat! Goliat! En. .. daar
verscheen de reus! Met stampende tred, zodat de aarde beefde... Goliat, riep
David, kijk eens naar beneden, kijk eens goed naar beneden. En Goliat keek naar
beneden, maar hij zag niets. Buigen, riep david. Toen zakte de reus door zijn
knieën, maar hij zag nog steeds niets. Nog dieper
buigen, riep David. Toen boog de reus zijn hoofd tot vlak boven de grond, en....hij
schrok, hij schrok voor de eerste keer van zijn leven: hij zag een mens zoals
hij, en nóg een en nóg een, massa's mensen zag Goliat! Mensen waar hij al die
tijd dwars doorheen was gelopen.... Hij schrompelde
ineen tot medemens, tot kleine mens in het dal van Alleman, en toen was er.....
Vrede! Jan van Opbergen Er was eens een
koning die in zijn tuin een onmetelijk
diepe kuil had, zó diep dat je
de bodem ervan niet kon zien. Op een dag
huurde hij een stel arbeiders in om die kuil met
aarde op te vullen. Sommigen van
hen raakten, toen ze bij de
kuil kwamen en de
onpeilbare diepte zagen, geheel
verdwaasd en zeiden: "Hoe ter
wereld is het mogelijk zo'n diepe kuil te vullen?" En zij besloten
ter plekke hun handen aan dit karwei
niet vuil te maken. De anderen -
die met meer verstand - zeiden: "Wat kan
het ons schelen dat die kuil diep is, wij worden per
dag betaald; we mogen blij
zijn dat we werk hebben, We doen dus
waarvoor we gevraagd zijn: de kuil vullen
tot zover we komen!" Laten de mensen
dus niet zeggen: O, hoe
onafzienbaar is de goddelijke Thora! Al die
voorschriften: wie kan ze bijhouden? Al die
visioenen: wie maken ze waar? God zegt tegen
zijn mensen: Je wordt per
dag betaald, doe dus zoveel
en zover als je kunt en denk daarbij niet aan wat anderen al of niet doen. Joods verhaal. We hebben onze
oren niet voor niets. We hebben onze
ogen niet voor nop. We hebben ons
hart niet zomaar gekregen. Het hangt er
van af wat ze zien, wat we willen horen, waar we gevoelig voor
zijn. Naar welke
kunstenaars luisteren we? Welke artiest
vinden wij onze aandacht waard? Door elke
kunstuiting laten wij onszelf raken? Welke boodschap
dringt tot oren, ogen, hart door? Iedere
programmamaker van radio en televisie, iedere
platenfabrikant, iedere kunstgalerij, iedere kitschwinkel, iedere schrijver,
schilder, muzikant kan het je vertellen: het publiek
bepaalt wat er gekocht wordt of als onverkoopbaar bij het groot
vuil een plaats krijgt. We hebben onze
oren niet voor niets, hooggeëerd publiek. We hebben onze
ogen niet voor nop, hooggeprezen aanwezigen. We hebben ons
hart niet zomaar gekregen, hooggewaardeerde menigte. Welke emmer zal
door onze druppel overlopen? De emmer van
het onbenul en de inhoudsloosheid, of de emmer van het verzet
en het tomeloze gevecht voor gerechtigheid? Een druppel zal de laatste zijn. Het kan de onze, de uwe zijn. Ton Smits In
het gewone leven ben je je niet bewust In het gewone leven ben je je niet bewust dat je oneindig veel meer krijgt dan weggeeft. Dankbaarheid zou ons leven veel rijker maken: je overschat immers zo gemakkelijk wat je zelf doet en bereikt, als veel belangrijker dan wat je door anderen hebt gekregen. Dietrich Bonhoeffer Ik heb eens een
bijbelcursus van zes dagen aan honderd boeren gegeven. Op ‚‚n van die dagen
hadden we het over de profeten. Nadat er uitgebreid over gediscussieerd was,
voerden de boeren zelf een toneelstukje op. In het eerste
bedrijf zag je de president van Brazilië aan zijn bureau, plechtig en gewichtig.
Het liet aan duidelijkheid niets te wensen over. De president tekende contracten,
het een na het ander: voor grondstoffen die het land uitgingen en voor fabrieken
waar arbeiders voor een hongerloon moesten werken. De president en de
Amerikaanse zakenman zaten er warmpjes bij. In het tweede bedrijf zag je de
resultaten van die koehandel: een familie diep in de armoede, zonder eten,
zonder huis, zonder medicijnen:
één brok ellende, In het derde bedrijf kwam de profeet ten tonele: een boer
met een lange baard en een oud kazuifel om. Amos, de profeet, speelde hij.
Haarscherp legde hij het verband tussen de eerste twee bedrijven: de rijkdom van
de macht en de armoede van de zwakke boer. "Wie is de schuldige?" riep
hij. En zo hard als hij kon: "De regering, de regering." De
toehoorders keken bang om zich heen. Sommigen keken naar de ramen, of er
misschien geheime politie in de buurt was. De volgende dag, bij de nabespreking,
kwam het voorval weer ter tafel. De profeet had toch wel wat hard geschreeuwd,
vond men. De profeet zelf, achter in de zaal tegen de muur geleund, zei, en hij
meende het echt: "Dat doen profeten nu eenmaal!" Carlos Mesters Een bakker
kreeg boter van een boer en de boer brood van de bakker. Na een tijdje kwam het
de bakker voor dat de stukken boter van de boer - die drie pond zouden moeten
wegen - steeds lichter werden. Zijn weegschaal gaf hem gelijk, en hij klaagde
zijn boterleverancier aan bij de rechter. "Uw stukken boter zouden niet het
vereiste gewicht hebben", zei de rechter tegen de boer. "Dit stuk zou
drie pond moeten wegen, nietwaar? Het weegt echter veel minder. "Dat is
uitgesloten, meneer de rechter", zei de boer, "ik heb het elke keer
nagewogen." "Misschien kloppen uw gewichten niet", meende de
rechter. "Hoezo
gewichten?" zei de boer stomverwonderd. "Ik heb helemaal geen
gewichten, die gebruik ik nooit". "Maar waar weegt u dan mee als u
geen gewichten heeft"? "Heel eenvoudig, meneer de rechter, en heel
rechtvaardig. Ziet u, ik krijg mijn brood van de bakker en hij krijgt boter van
mij. Zo'n brood weegt drie pond, nietwaar? Nou dan - ik leg mijn boter links op
de weegschaal en een brood rechts, en zo weeg ik dat af." Zo sprak hij en
haalde een driepondsbrood van de bakker tevoorschijn. De rechter woog het na -
de boter was precies even zwaar als het brood. De rechter lachte, de boer
glimlachte en de bakker was woedend. De boer werd vrijgesproken en de bakker Er leefde eens
in een rijk land een koning, Democratio was zijn naam. Hij regeerde tot
tevredenheid van bijna allen en de faam van zijn wijsheid was bekend tot ver
over de grenzen. Op een dag gaf koning Democratio, zoals vaker zijn gewoonte
was, een groot diner. Twaalf lange tafels waaraan tevreden etende mensen. Er
speelde ook muziek, maar zo zacht, dat het haast onhoorbaar was, maar van de
andere kant toch weer zo, dat men het gemerkt zou hebben als 't er niet was. De
koning was ‚‚n en al beheerste verrukking. De tafelgenoten spraken
onderhoudend met elkaar, terwijl men genoot van de heerlijke gerechten. Toen bij toeval
hief de koning het hoofd van het bord, en keek de zaal in. Zijn blik werd
plotseling streng: in de open vleugel deuren stond een stoffige, bezwete man,
hijgend naar adem. `Heidaar,' riep de koning met zijn vork wuivend, `wat moet
dat?' De volgende
morgen in zijn praalbed werd de koning wakker, gelijk alle andere mensen. Hij
sloeg zijn ogen langzaam op naar de satijnen troonhemel en dacht na over de
crisis. Hij moest vooreerst zien te achterhalen wat een crisis eigenlijk Het land was nu
in rep en roer. Er móest een oplossing komen. Vooreerst was er Koninklijk Bevel
gegeven om boeken te schrijven over de Crisis aan ieder die de pen kon hanteren.
En dat waren er heel wat. Het behoefde helemaal niet precies waar te Maar jullie
allen die dit lezen, nu komt het allerwonderlijkste: de crisis bleef. De ellende
groeide in het land; de onderdanen werden ongeduldig; de koning bleek toch niet
zó wijs als ze vroeger dachten.
Toen de koning dit ter ore kwam, glimlachte hij bedroefd. En hij vaardigde
nieuwe wetten uit, goede wetten, verstandige wetten, edele wetten. En de ellende
groeide. Er liepen grote
grijze draden door 's konings baard. Hele nachten lag hij wakker in zijn zijden
bed, de ogen wijd open, de handen plukkend aan de dekens. Eens op een nacht
schoot hij recht omhoog. Hij legde de wijsvinger tegen zijn koninklijke neus en
glimlachte. Zijn ogen glansden. Toen gleed hij achterover en sliep in. En de
volgende morgen renden de koeriers op schuimbekkende paarden de grenzen
over. Zij bliezen vrolijk op
koperen horens of klakten met de tong. Want nu was er een oplossing! Tien
koningen waren genodigd, om in ’n vergadering alles in orde te brengen. In
alle landen vlogen de vlaggen uit de vensters, en de mensen holden over de
straat om de koningen
te zien binnenkomen. Daar kwamen ze aan. De koning van Baroba, De volgende morgen kleedden de elf koningen, de kroniekschrijvers, de geleerden en de geheimsecretarissen zich snel aan, aten haastig en vertakten zich verder. Zo ging het vele dagen. Ten slotte was het spinsel van commissies zó ragfijn, dat verder weven onmogelijk was. Koning Democratio was het intussen moe geworden, elke avond de mensen gerust te stellen, en daarom waren er aparte mensen aangesteld, die papieren door het land verspreidden waar geruststellende woorden in stonden. Maar, jullie allen die dit lezen, al werkten de elf koningen hard, en al juichten de papieren luide, de Crissis bleef. De koning sliep in het geheel niet meer. Men zag zijn spierwitte baard allerwege: hij confereerde met de voorzitters van de onderafdelingen der sub-commissies, hij hield de mannen der papieren hun verantwoordelijke taak voor ogen, hij leidde de diners der elf koningen, en, wat het meest van zijn krachten vergde, hij sprak opgewekt over de resultaten van de conferentie en de stappen in de goede richting. Zijn ogen stonden diep en droevig, zijn handen werden wit en trilden. En het volk begon te morren, zacht en heimelijk, als een getergd dier. Ze hadden brood verwacht en ze kregen papier. En meer zulke gezegdes. Op een avond liepen ze
onder het balkon samen, met bleke, strakke gezichten, zwijgend. De soldaten
kwamen en joegen ze weg. Maar de volgende avond kwamen ze terug. De soldaten
kwamen en bleven er ook: ze werden onder de voet gelopen. En van alle straten
kwamen mensen aan, steeds maar mensen, een onafzienbare menigte. Ze Toen riep
dezelfde stem: 'Gij elf koningen, elf purperen dwazen, narren van wijsheid en
verstand, wie heeft u de kroon gegeven op uw hoofd en het hermelijn om uw
schouders?' En de elf koningen zwegen. Deze eenzame stem had goed gesproken. Wij
zullen met elf koningen machteloos zijn, zo de Twaalfde vergeten wordt. Maar zul
je zeggen, is niet tweeduizend jaar geleden, op Pinksterzondag, de wereld der
elf mannen gereed, in één vergadering? En zij waren vissers en hadden niets
dan hun eeltige handen? Doch zij vergaten de Koning nooit! (Vrij naar een sprookje van Godfried Bomans) Ergens werd een
bruiloft gevierd Toen het feest
geopend werd liepen de bedienden naar het grote mengvat en schepten met
grote kruiken. Maar groot was hun verwondering toen ze merkten dat het water
was. Ze stonden als versteend toen het tot hen doordrong Lang, lang
geleden, leefde in China een oude boer die Joe Kong heette. Hij had vele
kinderen en kleinkinderen. Zij werkten allen van de vroege ochtend tot de late
avond op het land van een rijke boer. Maar hoe hard zij ook werkten, zij bleven
arm en woonden in kleine hutten. De oude Joe Kong werkte veel op de rijstvelden.
E‚n voor ‚‚n moesten de tere, jonge plantjes op de vlakke stukken worden
uitgeplant en verzorgd. Krom stond zijn oude rug van het bukken. Op andere
velden was de grond Maar Joe Kong,
de oude boer, was niet gelukkig. Hij wilde werken op zijn eigen land en niet
voor een vreemde heer. Hij dacht aan de grond, die aan zijn vaderen behoorde,
ver weg in het Noorden aan de voet van de Noorderbergen. 's Avonds kwam hij met
zijn zoons bijeen en zij spraken over het verre land. Tenslotte besloten zij
erheen te trekken, al was het ook een grote reis. Zo reisden ze weg bij
zonsopgang Eindelijk
kwamen zij bij de Noorderbergen en vonden hun eigen stuk land... mooi land...vruchtbaar
land. Maar er groeide weinig, want het land was altijd in de schaduw. De zon
bleef verborgen achter twee hoge bergen. Maar Joe Kong was een wijsman en sprak:
'In mijn lange leven heb ik vele stenen de bergen af zien rollen, maar geen
enkel rolde de berg op. Kom, mijn zonen en kleinzonen, wij gaan aan het werk en
breken de bergen af. Dag na dag, week na week gingen ze de berg op en hakten
stenen en rotsen los en rolden ze naar beneden. De buren lachten en zeiden: 'Mensen
kunnen geen bergen verzetten.' Maar Joe Kong antwoorde: 'Wat mensen niet alleen
kunnen, kunnen veel mensen tezamen. Wat niet in een jaar kan, kan wel De zomer ging
voorbij en het werd herfst, De herfst ging voorbij en het werd winter. Terwijl
de kinderen in de sneeuw speelden, werkten de mannen en sloegen met houwelen
door ijs en sneeuw heen de stenen los. Zo zwoegden de mannen, want de De hoge beambte
viel bij zijn koning in ongenade. De koning liet hem in de bovenste verdiepng
van een toren gevangen zetten. Op een mooie nacht met volle maan stond de
gevangene boven op de tinne van de toren en keek naar beneden. Daar zag hij zijn
vrouw staan. Zij maakte een teken en raakte de muur van de toren en keek naar
beneden. Gespannen keen de man naar beneden om te zien wat zijn vrouw hier deed.
De vrouw aan de voet van de toren had een insect gevangen dat van honing hield.
Zij bestreek de voelhorens van het dier met honing. Toen bevestigde zij het
einde van een zijden draad aan het lichaam van de kever en zette het diertje met
de kop naar boven op de toren muur, juist op de plaats waarboven zij heel hoog
haar man zag staan. De kever kroop langzaam, langzaam de geur van de honing na,
steeds hoger, tot hij ten slotte bij de gevangene kwam. De gevangene lette goed
op keek aandachtig de nacht in en zag naar beneden. Dan zag hij het kleine dier
over Er was eens een
maatschappij van kikkers. Ze woonden op de bodem van een diepe donkere put, van
waaruit ze helemaal niets konden zien van de buitenwereld. Ze werden geregeerd
door een grote opperkikker, die beweerde dat hij de eigenaar van de put was. Hij
leefde van het werk van de onderkikkers, en deze vereerden hem omdat hij voor
hen de weg uitstippelde, waarop ze gelukkig zouden worden. De ongelukkige
schepsels brachten alle uren van hun lichtloze bestaan door in het slijk van de
put op zoek naar kleine larven. Telkens als de
leeuwerik op bezoek kwam, gaf de opperkikker de onderkikkers de opdracht goed te
luisteren wat de vogel te zeggen had. 'Hij verteld jullie', legde hij uit, 'van
het gelukkige land waar alle goeie kikkers heengaan als beloning na dit leven
vol beproevingen'. Er stonden
enkele vogelgeleerden op. Ze hadden een heel nieuw en interessant idee over de
leeuwerik. Ze zeiden: 'Wat de leeuwerik ons op zijn eigen manier probeert te
vertellen, is wat voor een fijne plek we van deze armzalige put zouden kunnen
maken, als we dat wilden. Als hij zingt over de zon en de maan, bedoelt hij de
prachtige nieuwe vormen van verlichting, waarmee we de duisternis, waarin we
leven, kunnen verlichten. Als hij zingt over de wijde luchten, bedoelt hij de
gezonde ventilatie waarvan we zouden moeten genieten, in plaats van de vochtige,
stinkende lucht waar we aan gewend zijn geraakt. Als hij verteld van de
duizelingwekkende vluchten door de hemelen, dan bedoelt hij het heerlijke,
verrukkelijke gevoel, dat we allemaal zouden kennen, als we niet gedwongen waren
onze levens te verdoen met benauwend geestdodend werk. En het belangrijkste: Als
hij zingt over het vrij onder Dankzij deze
vogelgeleerden kregen de onderkikkers een sympathieke kijk op de leeuwerik. Wat
hij zong, was dus eigenlijk waar. Alleen moesten zij het op hun eigen put-situatie
toepassen, en op de wereld buiten de put. Toen de revolutie kwam, nam een eerste
grote groep kikkers het beeld van de leeuwerik in hun strijdvaandel op. Ze
kwaakten de verrukkelijke deunen van de leeuwerik, marcheerden op naar de Maar de leeuwerik kwam nog
steeds op bezoek met verhalen over de zon, de maan en de sterren, over bergen,
dalen en zeeën. En het bleek in niets dat hij de verlichte en geventileerde put
als zodanig aanzag. 'Misschien', zei toen de eerste groep kikkers,' is deze
vogel eigenlijk toch wel gek. Aan deze geheimzinnige liederen hebben we in ieder
geval niets meer. Het is Wij spraken dan
als volgt: Augustinus uit Belijdenissen In stilte dat
wil zeggen in de eenvoudige grond, in de stille
woestijn Eckhart Toen alles
volkomen stil was, toen alles in
grootste stilte was, Tauler Soms maken
reeds de eerste woorden van het Onze
Vader mijn denken los van mijn lichaam. Simone Weil Nacht in rust op het gloren
van de dageraad, Joh. van het Kruis Die God
bemint,
hij bemint zin werken (Hadewich, de tiende brief) Die God bemint,
hij bemint zijn werken. Dus zodanige
vroomheid voelt zowel de onvolmaakte als de volmaakte Zulke andere
zielen zijn arm van deugden; Zulke wil is
ook de kwade geest Hierbij is wel
duidelijk dat iedereen Want alzo als
degenen die in staat van zonde zijn Tel je
mee?: Op
adem komen met Job Weer kwamen de
hemelingen hun opwachting maken bij de Eeuwige. Satan kwam Toen zei de
Eeuwige tot Satan: "Het is in jouw hand. Vul zijn leven met rijkdom tot De klacht van
Job Op een avond
zat Job op de bank onder het schilderij en dacht na over zijn schulden Een andere
vriend keek met Job naar het voetballen. Nederland tegen een nieuw De roes van het
zware Belgische bier vond Job wel aangenaam. Even kon het hem Job gaat toch
verder De volgende
ochtend pakte Job zijn fiets. Hij fietste tot hij niet meer kon en ging te De jongen op de
fiets, de benen van de jongen. De benen fietsten in het rond en in Onderweg kocht
hij een bosje tulpen voor Tora. Hij had al lang geen bloemen meer Vergeten? "Totaal
vergeten", zei Satan, "ik zei het je wel." Samen met God hing hij
over de Vieren met Job:
de laatste schaal De rijkste man
van heel het Oosten heette Job. Dat staat in de Bijbel (Job 1, 3), dus V.
Goede God, we zijn allemaal tobbers, A.
God, geef ons de moed van Job. Schrift die
verwijst Twee soorten
boeken zijn er. Er zijn boeken, die gaan ergens over. Het zijn verhandelingen.
Boeken die wijzen. Ze wijzen naar iets dat ze zelf niet zijn. Als ze wijs zijn, Op mijn
levenslange reizen Job is vandaag Job is een boek
van alle tijden. Het wordt voortdurend voor ons bij de tijd gebracht. Het boek Job is
op allerlei manieren te lezen. Rond het boek Job is op allerlei manieren te
vieren. Kies een thema voor een viering uit het boek Job en dat gaat Thema's zijn er
in overvloed, voor uitgewerkte suggesties verwijs ik naar mijn reeks Het boek Job
(38, 39) is ook een loflied op de schepping. God bezingt haar in haar Wij kunnen zingen: Ik sta voor u in leegte en gemis. Dit verlangen is van alle tijden. Ook van onze tijd. Heel goed kunnen we Job benaderen vanuit eigentijdse teksten. Op Nebraska zing Bruce Springsteen het ontroerende My father's house. Een tekst over een gedroomd verlangen, dat lijkt te sneuvelen in confrontatie met de realiteit. Lijkt, want diep geworteld als het is, is het de realiteit te machtig. Het zoekt zijn weg langs met misstappen bezaaide wegen. Alles laten we achter, maar we weten ons onweerstaanbaar aangelokt. Ergens staat een lege schaal. Klaar om aan leven stuk te gaan en haar ruimte aan de ruimte terug te geven. Ach nee, laat heel die laatste schaal. Adem uit. Het is goed. My father's house shines hard and bright it stands like a bacon calling me in the night calling and calling so cold and alone Shining cross the dark highway where our sins lie unatoned. (B.
Springsteen - Nebraska) Het huis van
mijn vader staat helder te stralen, als een baken dat me roept in de nacht. Het
roept maar, en roept maar, eenzaam en koud, stralend over deze donkere snelwegen,
waar onverzoend onze zonden liggen. Een verhaal
over kerken en basisgroepen Ik ben de
kleine braamstruik, die gegroeid is aan de voet van de berg. Vaak voelde ik een trilling door me heen gaan van jaloezie,
omdat de berg zo oud was en zo groot. Hij had al
zoveel ervaring en zoveel levenswijsheid. Want ze zeggen dat hij al werd geboren
toen de aarde nog maar net begon, en dat hij zo hoog is dat zijn top tot in de
hemel reikt en dat hij daarom 'Godsberg' wordt genoemd. Ik ben maar
klein en ik besta nog maar enkele korte jaren en kon alleen tot leven komen in
de schaduw van de berg. Hij liet me
elke dag weer merken dat hij hooghartig op mij neerkeek en dacht: Wat wil jij,
kleine brummel? Als ik je ook maar even mijn bescherming zou onthouden, zou je
verteren door de brand van de zon! En ik kon mij alleen verbazen dat de berg het
uithield, schijnbaar ongevoelig voor de vuurbal aan de hemel. Maar nu wil ik u
vertellen wat er gebeurd is. Eens op een dag
kwam er een man bij ons in de buurt. De zon brandde ongenadig, feller dan ooit,
alsof al wat er gloeit zich verzamelen wilde. Ik dacht bij mijzelf: die man doet
beter de koelte van zijn huis te zoeken dan hier te zwerven in de grootste hitte
aller tijden. Toen werden ook
voor de Godsberg de stralen te heet. Ik zag nog hoe hij probeerde de gloed te
ontwijken door zijn kruin naar de aarde te nijgen. Maar op datzelfde moment,
toen zijn schaduw mij even ontviel, trof mijzelf de volle bundeling van ziedende
zon. Nu ben ik een verbrande
braamstruik in de woestijn. Nooit zal ik nog vruchten geven. Waarom besla ik
onnuttig de grond? Maar laat ik niet klagen. Er gebeurde nog meer en dat moet ik
u ook nog vertellen. Geruime tijd
later kwam hij terug, de man die erbij was toen mijn takken verschroeiden. Hij
was nu niet meer alleen. Onafzienbaar was de stoet van wie hem volgde. En ze
trokken zingend en dansend recht op mij af. Ik verwonderde
mij dat ze niet amechtig werden, want net als bij de eerste ontmoeting werd de
zon ondraaglijk heet. De man bleef staan vlak voor de plek waar ik was. Hij wees
op mijn verkoolde takken en hij vertelde hoe hij mij had zien verbranden. En
hoewel ik mij niet kon te binnen brengen een woord te hebben gesproken, vertelde
hij ook hoe hij een stem had gehoord uit het vuur: Ga, en zeg
tegen hen die mijn volk onderdrukken 'Ik ben er ook nog!' en hoe het geweest was
alsof het vuur uit mijn brandende ziel was overgevonkt tot diep in hemzelf als
een laaiend verlangen naar vrede en recht. Nooit zal ik
weten of de Godsberg het hoorde. Nooit zal hij zeggen of hij vervuld werd van
jaloerse gevoelens of van heilige aandrift. Maar toen aller oog op mij gericht
was, verenige zich de gloed van de zon met alle bliksemschichten van de vier
hoeken der aarde. En zie: de berg ontweek niet langer het goddelijk vuur. Ik zag
zijn top in brand staan, zodat de aandacht van allen zich afwendde van mij en
zich richtte op de brandende berg. Toen klonk een
stem uit de vuurzee: 'Ik ben er ook nog!' ik zal er zijn, totdat je zult wonen
in recht en vrede! Laten we opstaan, hoorde ik zeggen toen het voorbij was.
Laten we gaan naar het land van belofte. En het was of in allen een vonk was
ontstoken aan het vuur van de berg. Wij bleven achter, de grote Godsberg als een
kaal monument en het struikje waaraan nooit een braam zal groeien. Of was ik wel
vruchtbaar? Heeft de brandende braamstruik een laaiende berg kunnen baren? Ik
weet alleen dit: reizigers noemen sindsdien de Godsberg: de Sinaï. En dat is
toch de naam, waarmee ikzelf werd geboren: Sinea, in de taal van de streek. En
als je goed kijkt, dan zie je de berg in het land schap als een reusachtige
braam! Er waren eens
twee bedelmannen. Ze leken sprekend op elkaar; wie ze van jongsaf had gekend,
hield ze voor broers. Dagelijks klopten beiden aan de deuren van de rijken:
dokter, pastoor, keizer, schutter, majoor. De’één was onderwijl in zijn
gedachten bij al degenen die woonden in dezelfde achterafbehuizing als waar
hijzelf zijn schamel onderkomen had. Hij was bedelman om aan de hongerigen een
stuk brood te kunnen geven en aan de dorstigen een koele dronk; om aan zieken
medicijnen toe te kunnen dienen en om gevangenen met kleine dingen te laten
weten dat ze niet vergeten werden. Hij zag er niet
aantrekkelijk uit. Het was of al het lijden van de krottenbuurt zich op zijn
gelaat had uitgetekend. Iedereen probeerde zo gauw als het kon hem kwijt te
raken. De dokter gaf een kwartje en een vetrijk dieet. De pastoor verwees hem
naar de kerkelijke charitas-instanties. De koning stelde een ministerie in voor
sociale zaken. De keizer zei:
ik zal nog maar eens opdracht geven dat heel mijn rijk moet worden ingeschreven
met het oog op registratie van alle bedelaars. De schutter zei natuurlijk:
schiet op! En de majoor blafte alleen maar, onverstaanbaar en toch duidelijk. Beledigingen
raakten hem meestentijds niet. En als dat wel zo was, dan slikte hij maar
haastig weg wat vooraan op zijn tong lag. Maar zodoende is hij wel een bedelman
gebleven tot op deze dag. De andere
bedelman had gauw begrepen, dat het ook heel anders kon. Hij dacht niet aan de
armen. Maar van zijn eerst bijeengebedelde bedrag liet hij zich kleren maken zo
zwierig en zo kleurrijk dat niemand meer in hem een bedelaar herkende. En toen
ook nog elke groef en rimpel waren weggewerkt uit zijn gezicht, zag hij er uit
als edelman. Hij vertelde
aan de deuren indrukwekkende verhalen over zijn vader, die ook een soort van
dokter was geweest en van wie hij veel geleerd had; en ook zoiets als een
pastoor met een heel grote parochie. Aan de koning bracht hij de groeten van een beroemde
kollega en aan de keizer toonde hij een dokument over zijn geboorte, waarin zijn
naam genoemd werd in één adem met die van een beroemde heerser. Waar hij kwam,
werd hem gegeven wat hij verlangde. De
dokter maakte hem tot assistent voor de moeilijkste gevallen. De pastoor hield
een kollekte om voor hem het hoogste huis van heel de stad te bouwen. De koning
maakte hem tot koning over koningen en de keizer kroonde hem tot God. Schutter
en majoor zwoeren dure eden dat ze alle loochenaars van deze God bestrijden
zouden te vuur en te zwaard. En zo is het en zo gaat het tot op de dag van heden.
Zo zal dat gaan
tot op een dag de vader van alle bedelmannen zich omdraait in zijn graf en
opstaat en naar die stad toe gaat. Dan gaan ze schrikken: dokter, pastoor,
koning, keizer, schutter, majoor, want ze denken dat hij al van eeuwigheid af
dood is. Dan
zal hij voor ze staan met bliksemende ogen en donderende stem: Doet die edelman
weg, ik heb hem nooit gekend! Maar een zieke
zal wonen in het huis van de dokter. De
pastoor geeft wie hongert het brood van het altaar.
Koning en keizer zullen te voet gaan en de armen te paard. Schutters,
majoors moeten tralies verbreken met hun eigen bloedbevlekte handen om vrijheid
te geven aan wie gevangen is. En bedelman? Hij wordt eindelijk edelman, mijn
eniggeboren zoon! |