tekst5
Start Omhoog

                 


 


Niet naamloos

Ieder die trouw voor de toekomst geleefd heeft en voor de toekomst gevallen is, is een in steen uitgehouwen gestalte... Eén ding vraag ik jullie, die deze tijd overleven: vergeet niet. Vergeet de goeden niet en de slechten niet. Verzamel geduldig de getuigenissen over de gevallenen. Op een dag zal het heden verleden zijn, zal men spreken over een grote tijd en over naamloze helden die geschiedenis gemaakt hebben. Ik zou graag willen dat men weet, dat er geen naamloze helden geweest zijn, dat er mensen waren die een naam, een gezicht, verlangen en hoop hadden. Daarom is de pijn van zelfs de laatsten onder hen niet minder dan de pijn van de eersten, wier naam behouden zal blijven. Ik zou willen dat ze allemaal jullie bijblijven, als bekenden, verwanten zoals jullie zelf. Ja, ik zou willen dat ze diegenen niet vergeten die trouw en standvastig gestreden hebben, daar en hier, en die gevallen zijn. Maar ik zou ook willen dat de levenden niet vergeten worden, die ons niet minder trouw en niet minder standvastig onder de zwaarste omstandigheden geholpen hebben. Niet voor eigen roem. Maar als voorbeeld voor anderen. Want de menselijke plicht eindigt niet met deze strijd en om een mens te zijn, daarvoor is ook in de toekomst een heldhaftig hart nodig, zolang de mensen niet volwaardig mensen zijn.

Julius Fucik - Tsjechische communist, doodgemartels op 8-9-1943, 40 jaar oud.


Nadat hij met zijn vrienden (Franciscus en de vogels)

Uit het leven van Franciscus 

Nadat hij met zijn vrienden nog geen tien stappen verder  was gelopen, zag Franciscus ook tussen het weinige gras onder de bomen kraaien en duiven ijverig zoeken naar eten. En terwijl zijn vrienden bleven staan, liep Franciscus naar de vogels toe. Vol verbazing zagen de vrienden dat alle vogels bleven zitten terwijl Franciscus er gewoon tussendoor liep.  Franciscus was zelf ook verbaasd... Zelfs als de zoom van zijn kleed de vogels raakte, vlogen ze niet weg. En ineens wist Franciscus: 'Ze houden van me, omdat ze weten dat ik van hén houd. Zij en ik zijn uit Gods hand!' En zo was het ook. Franciscus was geen mens om bang voor te zijn. Franciscus was een mens die wist dat hij  alleen maar een kind was van God, dat in Gods scheping mocht wonen en wandelen en leven. Franciscus was geen mens die iets wilde hébben. Hij was een mens met eerbied voor alles wat bestaat. Franciscus hield van de vogels omdat ze net als hijzelf deel waren van de schepping.

En toen Franciscus dat begreep, werd hij blij. Hij voelde zich gelukkig, omdat God de vogels liet weten dat ze niet  bang moesten zijn. En dat betekende, dat God hem had gezien, dat God de vogels en Franciscus in één hand hield. Vol vreugde vroeg hij de vogels naar hem te luisteren omdat hij ze van God wou vertellen. En alle vogels werden stil. Ze vergaten dat ze naar eten zochten, en hielden op te kwetteren en met hun pootjes in de grond te krabben. Ze werden stil. Ze verstonden niet wat Franciscus zei, want vogels kunnen niet praten en de taal van de mensen niet verstaan. Maar ze voelden waar Franciscus het over had en dat hij van de vogels hield en dat God van Franciscus hield en Franciscus van God en alles wat Hij had gemaakt. Ook de vogels...

'Mijn zusters, vogels,' zei Franciscus, 'jullie moeten wel erg veel van jullie Schepper houden, want Hij heeft jullie veren gegeven om jullie warm te houden en vleugels om te vliegen! Jullie hoeven niet te werken zoals de mensen Jullie hoeven niet te zaaien om te oogsten. Overal in de schepping vinden jullie iets te eten en in de bladeren van Gods bomen zitten jullie te fluiten. Hoog in zijn hoge lucht kunnen jullie vliegen en zingen, zoals de leeuweriken doen. En in de takken van Gods bomen kunnen jullie nesten bouwen en slapen en bescherming vinden.'  Zolang Franciscus sprak bleven de vogels stil. 'Vlieg maar weg,' zei Franciscus toen en maakte een kruisteken. En alle vogels vlogen weg.  Maar Franciscus bleef staan en dacht na. 'Alles hoort bij elkaar,' dacht Franciscus. 'Alles wat God geschapen heeft, hoort bij elkaar.' En van die dag af hield Franciscus nog meer van onze aarde.


EIGENTIJDSE LEZINGEN huwelijk

1. Tot vandaag werd gehoord 

Tot vandaag werd gehoord: Een vrouw leeft uit liefde, mannen zijn sterk. Een vrouw voorvoelt wat gaat gebeuren, een man berekent wat gaat gebeuren. Een lied van halve waarheden? dat na vandaag niet meer gehoord zal worden.

Want zie hoe een vrouw en een man in ons midden elkaar lief en sterk, geduldig en hoopvol maken Hun ogen scheppen ruimte en met de stem van hun hart spreken zij ja-woorden uit: Ja, word bij mij wie je worden kunt! 

Wie is sterker, hij die een boom velt of zij die een boom plant? Wie is volgzaam, zij die toekomst oproept of hij die aan toekomst de maat van gisteren oplegt

Zie hoe een vrouw en een man in ons midden dag aan dag nieuw zijn voor elkaar. Met ogen die zeggen: Word wie je bent! Wil alles voor me zijn: lief en sterk, duldend en wegen banend en altijd nieuw zoals ik voor jou mag worden. Altijd nieuw als het leven zelf.

Want de liefde weet wat geen oog heeft gezien. En de liefde roept op waartoe wij geboren zijn: dat een man en een vrouw mensen worden, elkaars vrijheid en vrede.


2. Wil je met mij trouwen

Wil je met me trouwen, vroeg de vriend aan zijn vriendin. De vriendin werd er stil van, gelukkig dat iemand haar leven voorgoed van nabij wilde delen.  Ook de vriend was zeer gelukkig, toen hij in haar ogen haar antwoord las.

En samen zijn ze toen ze naar de raadsman van het dorp gegaan, wiens wijsheid alom geprezen werd. Ze vroegen hem: Wijze man, zeg ons wat een huwelijk is, die twee-eenheid van mensen voorgoed. Wat staat erover in de boeken? De wijze man zat aan de oever van de rivier, aan de stroom van het leven.

Hij zweeg en glimlachte, er ging een grote rust van hem uit. Toen sprak hij: Het antwoord staat niet in de boeken maar in het leven. En in zijn handen legde hij twee stenen die daar met vele andere aan de oever van de rivier lagen, in elke hand een. Door de eeuwenlange stroming van het water, door elkaars gedurige aanraking en door zand en zon waren zij afgerond tot wat ze nu waren. Leer van deze stenen, sprak hij. Zij hebben zich niet van elkaar laten wegsleuren door de stromingen en stormen van het leven. Beurtelings heeft de een de ander beschermd tegen het aanstormend geweld van zand, zon en water. En de stromingen van het leven en ook elkaars heftige aanrakingen die het leven met zich meebracht, hebben hen gepolijst tot wat ze nu zijn. Al wat hoekig en scherp aan hen was, is mild geworden. En met de jaren is zichtbaar geworden hoe dooraderd ze zijn van levens voor hen. Leer van deze stenen. leg ze in uw huis en word wijs en mild. En laat de levens van anderen die ooit voor u leefden, zichtbaar worden in u, met liefde gedeeld, bestaan.


3. Moeder, ik ga trouwen, zei het meisje.

Moeder, ik ga trouwen, zei het meisje. O dat is goed, zei de moeder, hoe laat ben je terug? Nee, zei het meisje, ik kom niet terug, ik ga trouwen voorgoed. Weet je wat je doet, zei de moeder, maar onze deur staat altijd voor je open. Is trouwen weggaan door een deur die open blijft staan naar het verleden? Ja, zei de vriend, maar dan wel om er voortaan samen doorheen te gaan. Onze toekomst, maar ook wat achter ons ligt, mogen we voortaan samen delen.

De heilige grond waaruit we geboren zijn, onze voormoeders en voorvaderen, dragen we mee in ons eigen lijf en leden. En aan onze kinderen zullen wij de verhalen vertellen van gisteren en van lang geleden. En zo zijn we samen onderweg, in de ruimte van de wereld en in de ruimte van de tijd.

Zonder gisteren zijn we niet en zonder morgen leven we niet. Moeder, ik ga trouwen, zei het meisje, maar sluit de deur niet achter ons.

Mijn vriend zegt dat we leven uit een ver en nabij verleden. Het is goed, zei ze, mijn zegen heb je. En die zul je nodig hebben want een leven kan lang zijn. Maar ook gelukkig, daar is mijn lieve zegen voor,  doordrenkt van alle lieve warmte die ik ooit  in mijn lange leven tegenkwam.

Kom, zei de vriend. En zo gingen zij, met warmte gezegend door de deur van de tijd naar het land van morgen.


4. Er was eens een wolk.

Er was een wolk. De wolk was groot en donker en indrukwekkend. Dat wist ze zelf ook, toen ze boven de oceaan dreef. Als in een spiegel zag zij zichzelf, stoer en onheilspellend. En zo was ook haar schaduw op het spiegelend watervlak. De wolk voelde zich machtig en sterk! Door de wind werd de wolk echter van boven zee landinwaarts gedreven. Ze  zag haar spiegelbeeld niet meer. Wat ze wel zag: dat mensen en vogels voor haar wegvluchtten, hun huizen en hun bomen in. Zo machtig en dreigend moet ik er dus uitzien, dacht ze.

 En toen ze verder landinwaarts dreef, zag ze beneden zich een dor en droog landschap, met gras dat wegkwijnde en met bomen die hun takken treurig lieten hangen. De wolk werd er eenzaam en verdrietig van. Toen hoorde ze een stem van beneden. Een bijna uitgedroogde beek riep haar toe: Wolk, als je gelukkig wilt worden, laat je dan vallen. Wij horen bij elkaar. Laat je vallen, scherven brengen geluk!

De wolk huiverde, was het de angst zichzelf te  verliezen? Of had de stem van water beneden iets in haar opgeroepen dat nieuw en vertrouwd tegelijk voor haar was? Er ging van de dorstige aarde een vreemde aantrekkingskracht uit die haar gelukkig  en huiverig tegelijk maakte. Toen viel de wolk. Ze brak in duizenden scherven van water, dat zijn weg zocht naar de wortels van gras en van bomen en naar de uitgedroogde bedding van een beek waaruit die wondere, dorstige stem had opgeklonken. En in de wortels van gras en bomen en in de aanzwellende beek werden al die scherven weer een. En de wolk leefde op in grashalmen en groene takken die wuifden naar de zon en naar mensen en vogels. De wondere stem had gelijk, dacht de wolk. En zij wist nu wat het was om gelukkig te zijn. 'Wie zijn leven verliest, zal leven vinden.' Alleen zij leven echt die leven voor een ander.


5. Ik zou je verhalen kunnen vertellen

Ik zou je verhalen kunnen vertellen over verre reizen die ik met je maakte, hoe ik in mijn dromen met je meeging. Hoe ik met je zong als 's morgens het nieuwe licht een landschap stralend in bloei zette. Hoe ik in de avond je voeten genas met alleen maar een lied vol stilte om je heen.

Ik zou je kunnen verhalen, hoe ik in mijn dromen ons brood met je brak en de beker van onze vreugde met je deelde, hoe wij dronken van het heldere water uit een bron die de hemel aan onze voeten deed ontspringen, of hoe wij zaten aan tafels van zomaar mensen vol vrede. Ik weet nog uit mijn dromen  hoe wij schuilden voor de regen onder bomen dicht van dak, en de vogels bleven zingen omdat jij er was.

En jij, weet je nog hoe wij huiverden in de nacht, maar hoe de hemel ons genadig was met warmte die wij ontmoetten in elkaars ogen? Dan weet je ook hoe ik mijn hand in en jouwe legde  en zei dat ik van je hield. En ik weet nog hoe ik in jouw ogen het antwoord las.

Eens zullen wij aan de wereld aan onze kinderen verhalen hoe het was om  met jou op weg te gaan en dat wie niet dromen kan, ook nooit zal zingen.


6. Eens besloten alle vogels van de wereld

Eens besloten alle vogels van de wereld een vergadering bijeen te roepen. Van alle vogelsoorten zouden twee vertegenwoordigers aan het overleg deelnemen. De bijeenkomst vond plaats in een groot en hoog bos, ver van het lawaai en de drukte  van de mensen .

Nu gebeurde het dat tijdens een vergaderpauze een paradijsvogel een ijsvogel ontmoette.  En zoals dat ook bij mensen gaat, ze raakten verliefd op elkaar.

Een verliefdheid zonder toekomst, vond een knorrige bosuil. Hoe kunnen een paradijsvogel uit het ware zuiden en een ijsvogel uit het hoge noorden samen voorgoed hun leven delen? Maar de twee hoorden dat gelukkig niet. Ze dachten aan  een bezwaren, ze dachten in hun prille liefde alleen maar aan elkaar. De bontgekleurde paradijsvogel was weg van de ingetogenheid, ernst en wijsheid van de stille, ijsgekleurde ijsvogel. Wat ziet hij er wijs uit, dacht ze. Welke diepe gedachten moeten er niet omgaan in dat wijze stille hoofd. En de ijsvogel - hij was nog jong, wat niet alles verklaart - was verrukt over de vrolijkheid en levenslust van de paradijsvogel. Wat een kleurrijke levensvreugde straalt ze uit, dacht hij. Hoe verschillend zijn we, fluisterde hij haar toe, maar daarom misschien ook blijvend boeiend voor elkaar, wat vind je?

De paradijsvogel vond het een diepe gedachte en in haar zonnig optimisme zei ze: Ja, ijsvogel van me, zullen we samen trouwen? Bouw jij van zwerfstenen maar een woning die op een ijshut lijkt, dan zal ik zonlicht en kleuren van de regenboog voor ons huis verzamelen. En als jij 's avonds nadenkt zal ik zingen over het licht en de liefde. Want het leven is boeiend, zoals jij dat zo mooi kunt zeggen. 

En dus werd een trouwdag vastgesteld en tot in een verre omgeving aangekondigd. En het zou een boeiende gebeurtenis worden, want een ijsvogel is ingetogen en wijs en een paradijsvogel is blijmoedig en teergevoelig. En ze mochten het van elkaar, zo anders zijn. Want ruim als de hemel is de liefde. En samen werden ze - zoals hun  kinderen later - en ingetogen en blijmoedig.


7. Vanwaar de liefde?

Vanwaar de liefde - Komt ze aangedreven als de betovering van een voorjaar waarin de wereld nieuw wordt? Is ze een lied in de nacht, een woord in de avond dat verlegen maakt? Waarom verward en gelukkig? Waarom word ik stil als mijn hart jouw naam noemt? Waarom luister ik met gesloten ogen als ik weet dat je komende bent? Dan zal ik thuis zijn bij mezelf als ik voor jou mijn deur mag openen.

Wat heeft jouw stem wat hebben je ogen in mij losgemaakt? Was ik nog van mezelf toen jouw woorden in mij naklonken en oude zekerheden vragen werden? Ben ik wie ik was, of word ik al jij misschien, mijn droom jouw droom? Vanwaar de liefde die verlegen en gelukkig maakt? Wat heeft jouw oog in mij gezien? Wat zingt in mij als in mijn droom jouw hand de mijne zoekt om samen op weg te gaan?


8. Wat is gebeurd op de dag

Wat is gebeurd op de dag dat onze wegen zich kruisten? Wist je zeker dat ooit tussen ons liefde kon bloeien? En weet je het nu? Ben je niet gaan houden van mij die je ogen toen zagen? Maar weet dan ook dat ik morgen niet meer zijn zal die ik ooit was of die ik ben vandaag. Sinds jij in mijn leven kwam, ben ik gegroeid in zekerheden en zachtmoedigheid. Jij maakt van mij een ander mens en zult dat blijven doen.

Weet je zeker dat ik je leven groot zal maken? Ik die niet meer ben die ik was? En ook op dagen die volgen, zal ik anders zijn dan op deze. Er hangt toekomst in de lucht die ik met jou mag delen misschien. Weet je zeker dat ik je leven groot zal maken?

Of ligt jouw vreugde daarin, mij te zien worden die ik al ben in jouw dromen? Een mens vol vragen misschien, maar in JOUW vrede tot rust gekomen, zal ik het antwoord op jouw ja-woord zijn.


9. Er waren eens twee mensen.

Er waren eens twee mensen. Er worden verhalen over hen verteld, verhalen als luisterliederen. De bomen luisteren naar de wolken en de wolken vernamen het van de vogels: dat in het hart van twee mensen de hemel woont. De dag is - vol vreugde - licht om hen geworden, want de nacht vertrouwde het toe aan de morgen: dat een man en een vrouw naar elkaar uitzien om samen op weg te gaan. In hun ogen glanst het licht van een nieuwe wereld. Hun handen zoeken elkaars houvast, maar hun mond aarzelt om uit te zeggen wat mensen sprakeloos maakt. Twee mensen geborgen in elkaars vrede, gewaagd aan elkaars vrijheid: broos geluk, dat vraagt om de behoedzaamheid van liefe.  Waar vind ik vrijheid, waar word ik meer mezelf dan in verbondenheid met jou? Waar vind ik meer ruimte om mens te worden dan in het huis dat ik met jou mag  delen?

Gedeeld bestaan dat twee mensen heel maakt in liefde. En de hemel zag dat het goed was.


10. Zij hadden elkaar ontmoet

Zij hadden elkaar ontmoet op een kruispunt van levenswegen. Samen zijn ze op weg gegaan.

En op een avond vol vrede sprak hij: Mag ik voorgoed, na zo veel dagen, jou nu mijn ja-woord geven? Of zal ik je weer brengen naar het huis van hen die stonden aan je wieg, toen je geboren werd? Zul je daar niet zonder mij vrede vinden? Zul je geborgenheid vinden bij hen die je ooit op handen droegen?

Dat deden ze, sprak zij met vuur, maar waar vind ik vrede dan bij jou voorgoed, die mij bevrijdde tot mijzelf ,mij leerde wie ik worden mag? Wil mij niet brengen ver van jou vandaan waar ik zonder jou een vreemde voor mijzelf zou worden. Bij jou hen ik opnieuw geboren, eindelijk mijzelf geworden in de spiegel van jouw ogen.

Waar kan een mens meer thuiskomen dan waar de liefde het huis vanmorgen om je heen bouwt? Waar is iemand meer ontheemd dan waar deuren naar morgen gesloten worden?

Onder het dak van jouw geborgenheid wil ik wonen. Tussen muren die als je wijde armen mij omhelzen zal ik zingen over de zon die - zoals jij - Zoals jij roept ook zij op wat verborgen was en geeft zij kleur aan de dagen van mijn leven. Ik zal thuisgekomen zijn, omdat jij er bent.


11. Zij wordt bezongen in alle talen

Zij wordt bezongen in alle talen de liefde die mensen verwondert en boeit. Geen woorden te groot om te zeggen hoe zij in mensen zucht en zingt en gloeit. Zij  is vuur dat je doorstroomt, zij doet je huiveren hopen en wachten, zij is een lied in de avond en ze droomt jouw naam in de nacht. 

Dat is waar, is waar, ik weet hoe ze in mij zuchtte en riep, toen ik hoopvol de dag  verbeidde  dat ik jou voorgedaan mijn zijde zou zien. Ja, ik geef toe, groots en meeslepend is de liefde. zoals dichters belijden. zijn het de kleine dingen die ons doen leven. Een half woord dat begrepen wordt, omdat jij het bent. Een oogopslag en het timbre van je stem en ik weet al wat je zeggen wilt In het dagelijks verkeer van huis, tuin en keuken zoeken onze schreden het ritme van elkaars gemoed En jouw liefde zegent mij  als ik met vallen en opstaan met jou de weg van het leven ga.

Liefde, dat is vrede aan de tafel van dag in dag uit, met het nieuws van de dag en het weerbericht voor morgen. Liefde is alledaags dichtbij, omdat jij er bent. 


12. Ik was niet onvindbaar

Ik was niet onvindbaar - jouw ogen hebben mij gevonden. Ze hebben ook nieuwe woorden in mijn mond gelegd, en als ik jouw naam noem, weet ik dat wij verwonderd, maar voor elkaar herkenbaar door de wereld zullen gaan. Ik was niet onvindbaar, jouw stem heeft mij uit de schaduw naar het licht geroepen, mij een naam gegeven en ik ben opnieuw geboren. Jouw ogen zeggen dat ik mag bestaan, mag bestaan zoals ik gevormd ben in de schoot van mijn moeder en in de schoot van het leven, met alle broze geheimen die ik in mij draag.

Jouw stem zegt: Woon met mij in het land van morgen. Blijf me vinden en leg ook jouw hand om de schuchtere vlam van liefde die ik, door jou gevonden, door de wereld draag. Draag haar het huis binnen waar wij wonen, dat ze het kalme vuur wordt waaraan mensen zich ooit warmen die daar vrede verwachten. Dat in dat vuur gezichten oplichten en in ogen de weerglans gloeit van wat ons leven brandend houdt.


13. Er gaat geen dag voorbij

Er gaat geen dag voorbij  of ergens is bemoedigend de zon opgegaan over velden en bomen, over hulzen en mensen. Er gaat geen dag voorbij of ergens zingt de wind in bomen ons lied van verlangen. Er gaat geen dag voorbij of ergens in die grote wereld

ontmoeten mensen elkaar met ogen die zeggen dat het goed is om samen op we te gaan.  Ook vandaag is licht over ons opgegaan Je ziet het in ogen van mensen die elkaar groeten met handen vol vrede en met de stem van hun hart zeggen: Welkom jij!

Er gaat geen dag voorbij of ergens zegent de hemel mensen die elkaar tot zegen zijn.

Gezegend al die dagen met hun grote en kleine wonderen om ons heen. Gezegend de wolk met haar vruchtbare regen, gezegend bomen en dieren van het veld gezegend het stromende water, de vissen en de vogels, avond en morgen.

'En God zag dat het goed was', een wereld voor wisselende landschappen: om er te wonen met velen. Een wereld waar ik onder velen jou tegenkwam, en mijn hart zei dat het goed was


14. Een mens wordt geboren

Een mens wordt geboren en begint zijn boeiende reis door de tijd. oor landschappen die hij niet zelf gemaakt heeft. Met reisgenoten die hij niet allen zelf heeft uitgekozen.

Langs wegen die anderen gebaand hebben En weet hij waarheen? Mensen op weg door de tijd door wisselende landschappen de klederdrachten en de taal van vandaag zijn anders dan die van gisteren. Op reis door de tijd

met reisgenoten die uitstappen terwijl anderen instappen. Nieuwe gezichten en nieuwe vergezichten en op een van de vele halteplaatsen onderweg in mijn leven kwam ik jou tegen.

Twee mensen voorbestemd om elkaars reisgenoot te zijn? Jij met jouw bagage en ik met de mijne? Of delen we ons brood? Jij met jouw verhaal en ik met het mijne? Of delen wij de ervaringen van onze verhalen?

Je luistert al  en misschien zie je wel vermoeidheid in mijn ogen - van al die dagen voor deze. Je luistert al en misschien hoor je wel achter mijn woorden wat mij van binnen ooit bewoog. Maar kom, we moeten verder. Als reisgenoten, vindt de hemel, want jouw verhaal sluit aan bij het mijne: twee mensen voortaan samen onderweg.


15. Er was eens een violist

Er was eens een violist. Als hij zijn viool bespeelde hield de wereld haar adem in. Zo ontroerend was de muziek die dan uit zijn instrument en onder zijn gevoelige handen vandaan stroomde.

De violist en de viool werden een onder het spelen. De klanken die uit de viool  voortkwamen, leken de stem van de violist zelf te worden. Het was muziek die opwelde uit zijn hart. En hij voelde zich gelukkig zich zo te mogen uitzingen met alles  wat in hem leefde aan  vreugde en droefheid, aan  weemoed en aan grote, diepe verlangens.

De violist  hield van zijn viool. Dat kon je zien aan zijn ogen en aan de manier waarop hij met zijn instrument omging. Hij is ermee getrouwd zeiden de mensen. En het leek alsof de viool op  haar beurt van de violist hield, hem begreep bezield weergaf wat hen beiden nu aan liefde en verbondenheid doorstroom. De wereld werd er stil en ontroerd van. Hij is  ermee getrouwd,  zeiden ze,  met zijn viool.

Een man en een vrouw getrouwd: zijn  die ook elkaars hart en stem? Weet de een  wat de ander zegt, ook  zonder woorden? Een harmonisch en klankvol geheel mogen vormen, is dat getrouwd zijn?

Een harmonische samenklank van twee mensen wier harten op elkaar zijn afgestemd. En hun levenslied boeit en verheugt de wereld om hen heen. En met de jaren worden hun gevoelens dieper en klinkt hun levenslied voller en warmer.


16. Toen de dag van hun ja-woord naderde 

Toen de dag van hun ja-woord naderde waren en alle gasten genodigd waren,  zijn ze nog eenmaal naar de raadsman van het dorp gegaan, wiens wijsheid alom geprezen werd. Hoe moeten wij deze dag laten worden, vroegen zij, tot een zegen en vreugde voor ons beiden en voor allen die deze dag met ons delen?

De zegen en de vreugde van die dag, sprak de wijze, zijn de zegen en de vreugde van alle dagen die daarop volgen. Laat de vreugde van die dag daarom diep en dankbaar zijn. Zegenrijk en duurzaam is wat diep van binnen in je leeft.  Zoek niet ver, de zegen van die dag zijn jullie beiden, door de hemel aan elkaar toevertrouwd. De zegen van die dag is de vrede die in jullie beiden woont en die je met elkaar zullen delen, je leven lang.  Want trouwen doe je niet een keer, sprak de wijze, trouwen is dag aan dag. Met ja-woorden of zonder woorden, maar altijd met je hart en altijd met je ogen die zeggen wat achter je ogen  ligt. En elke dag zul je dan gelukkig zijn en in vreugde je brood met iemand mogen delen. En elke dag zul je dankbaar mogen zijn om zo veel liefde en vrede die door de hemel aan mensen worden vertrouwd. De zegen voor elkaar op die dag en voor jullie gasten zijn jullie zelf en is alles wat in je leeft en daar ooit door de hemel is neergelegd.


17. De meeste stemmen gelden

De meeste stemmen gelden. Een gemeenschapsregel voor velen, door velen aanvaard. Maar als jij en ik gemeenschap worden? Weegt jouw stem zwaarder dan de mijne? Weegt mijn stem zwaarder als ik vele en zware woorden spreek? De meeste stemmen gelden, zegt men. Maar hoe zouden wij dan een twee-eenheid aandurven als wij van elkaar niet wisten: dat je van me houdt? Maar ik weet het, je zult je hart in je stem leggen. En als je naar me luistert, zul je luisteren naar alles wat van binnen uit mijn woorden meeklinkt. Als je naar me luistert, zullen mijn woorden zich onder jouw ogen vormen tot een levensverhaal dat ik ook zelf ga begrijpen. En wordt mijn stem onzeker, dan sporen jouw ogen mij aan om te zegen wat  ik diep van binnen voel. Zeg het maar, zul je zeggen, ik luister.

Als je naar mij luistert,  als er stilte in ons leven mag zijn om de stem van elkaars hart te horen, zal ik gaan begrijpen wie ik voor je zijn mag. En als je spreekt zal ik horen wat aan warmte in je stem meeklinkt en wat naar ruimte zoekt in een leven als het mijne. Daarom durf ik' ja' te zeggen, en wacht ik hoopvol tot jij jouw jawoord wilt afstemmen op het mijne. Dan geldt alleen nog die ene stem die ons tot elkaar geroepen heeft en die in ons zal blijven roepen tot wij tastend en zoekend een samenklank geworden zijn..


18. Trouwen, wat is dat, vroeg ze

Trouwen, wat is dat, vroeg ze, kijk maar om je heen, zei haar vriend, en vraag het aan mensen die getrouwd en samen gelukkig zijn.  Ja, zei ze,  zullen we vragen wat het geheim is van hun gelukkige leven samen? Met die vraag moet je bij anderen zijn, zei de man die met  zijn vrouw uitrustte op het bankje achter hun huis. Wij zijn gewoon maar vrienden die door het leven in elkaars armen zijn gewaaid. En goed, daar hebben we op onze trouwdag dankbaar 'ja' tegen gezegd. Dat is ons hele verhaal. Zijn vrouw glimlachte. Gelukkige mensen, dachten de jongen en meisje. Of er ook liefde tussen ons is? Och, we zitten graag samen op een bankje, maar het moet niet. Van haar niet en van mij niet; er moet niet zo veel. Ik heb ooit gehoord,  zei zijn vrouw nu, dat vriendschap vrijheid in verbondenheid is. Wat vind je daarvan? Is die droom voor jullie groot genoeg om er voorgoed 'ja' tegen te zeggen? Is dat jullie geheim, vroeg het meisje, vrijheid in verbondenheid? Ik weet van geen geheim, zei de man. Maar nu mijn vrouw het zegt, vrij voel ik me wel hier op dit bankje. En verbonden? Ja, dat zie je. En zijn hand zocht de hare. Kijk, zei hij. De jongen en het meisje zagen dat haar hand vrij en verbonden in de zijne lag. En zij glimlachte. Zou het dus waar zijn: dat vriendschap vrijheid in verbondenheid is? Wat vond je ervan?, vroeg de jongen later aan het meisje. Zou je  af en toe met mij op een bankje willen zitten, als het niet moet? Ja, in vriendschap, zei ze, in vrijheid met jou verbonden en jij met mij.


19. Toen sprak Almitra opnieuw en zei

Toen sprak Almitra opnieuw en zei: En wat kunt ge ons zeggen over het huwelijk? En hij antwoordde: Tezamen waart gij geboren, en tezamen zult ge voor immer zijn. Ge zult tezamen zijn, als de witte vleugelen van de dood uw dagen verstrooien. Ja, gij zult tezamen zijn in Gods stille herinnering. Maar laat er tussenruimtes zijn in uw tezamen zijn. Laat de winden des hemels tussen u dansen. Hebt elkander lief, maar maakt van de liefde geen band: Laat zij veeleer zijn een golvende zee tussen de kusten van uw zielen. Vult elkanders bekers, maar drinkt niet uit de zelfde beker. Geeft elkander van uw brood, maar eet niet van het zelfde stuk. Zingt en dans tezamen en weest blijde, maar zijt ieder van u alleen. Zoals de snaren van een luit op zichzelf zijn, al doortrilt hen de zelfde muziek. Geeft uw harten, maar geeft ze niet aan elkander in bewaring. Want alleen de hand des levens kan uw harten bevatten. En staat tezamen, maar niet te dicht bijeen: Want de zuilen van de tempel staan ieder op zichzelf. En de eik en de cypres groeien niet in elkanders schaduw.


Een kind is geen bezit maar een verrijking

En een vrouw die een kindje aan haar borst drukte, zei: Spreek tot ons over kinderen! En hij zei: Je kinderen zijn je kinderen niet. Zij zijn de zonen en dochters van de hunkering van het leven naar zichzelf. Ze komen dóór je, maar zijn niet van je, en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe.

Je mag hun geven van je liefde, maar niet van je gedachten, want ze hebben hun eigen gedachten. Je mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen, want hun zielen toeven in het huis van morgen, dat je niet bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen.  Je mag proberen aan hen gelijk te worden, maar tracht hen niet aan je gelijk te maken.

Want het leven gaat niet terug, nóch blijft het staan bij gisteren! Jullie zijn de bogen, waarmee je kinderen als levende pijlen worden weggeschoten. De boogschutter ziet het doel op de weg van het oneindige en hij buigt jullie met zijn kracht, opdat zijn pijlen snel en ver zullen vliegen. Laat het gebogen worden door de hand van de boogschutter een vreugde voor je zijn: want zoals hij de vliegende pijl liefheeft, zo houdt hij ook van de bood, die standvastig is!

(Uit 'de profeet' van Kahlik Gibrian).


Het Grieks heeft één woord voor de dank

Genade

Het Grieks heeft één woord voor de dank, voor de gunst en voor het geschenkkarakter van het ding: Charis. Charis is bevalligheid, gunst en dank, zoals ook het Latijnse gratia, dat in het christelijke Latijn bovendien nog 'genade betekent. De gunst komt erin ter sprake als een restloos gunnen, zonder jaloezie of verplichting tot tegenprestatie, het ding als iets dat lustvol wordt aanvaard. De dank is een weerkaatsing van de glans van het als gunst geschonkene. De charis is het surplus

dat het ding krijgt als geschenk, vrucht en bloei. Het geven en ontvangen komen er beide, gezamenlijk en evenwaardig, in tot uitdrukking. Hier kan dankbaarheid en lof ontstaan, omdat zij niet onder druk wordt gezet, maar haar eigen ruimte krijgt.

Cornelis Verhoeven


Een enkele keer zijn we in staat (Gebaar)

Een enkele keer zijn we in staat elkaar te troosten en dat is dan meestal niet door woorden, maar vooral door het gebaar van de troost: het elkaar aanraken. Het gebaar van de zachte aanraking: een hand op een arm, een arm om een schouder kan oneindig troostend zijn. Het betekent namelijk zoveel meer. Het heeft een meerwaarde van meevoelen en meelijden, van bijstaan en helpen. Het gebaar van de troost zegt meer dan alle goed bedoelde woorden: 'Er is iemand bij je, je bent niet alleen'. Helaas worden we er in onze cultuur bepaald niet in opgevoed het aanraken van een ander normaal te vinden. We schamen ons ervoor. Het hoort niet. Toch is in tijden van nood het gebaar van de aanraking de enige adequate troost. Degene die op die manier troost, biedt onderdak.

Laura Reedijk-Boersma


Er was eens een dorp (Vliegen)

Er was eens een dorp van wezens op de bodem van een grote rivier. De stroom van de rivier snelde geluidloos over hen allen voort -jong en oud, arm en rijk, goed en kwaad; de stroom ging zijn eigen weg, kende slechts zijn eigen kristallijn zelf.

Elk wezen klemde zich op zijn eigen manier vast aan de planten en stenen op de bodem van de rivier, want vastklemmen was hun wijze van leven en zich tegen de stroom verzetten was wat ieder van zijn geboorte af geleerd had.

Maar uiteindelijk zei een wezen: 'ik wordt het moe me vast te klemmen. Ofschoon ik het met mijn ogen niet kan zien, vertrouw ik dat de stroom weet waar hij naar toe gaat.. Ik laat los en laat me meevoeren. Als ik me blijf vastklemmen, zal ik sterven van verveling'.

De andere wezens lachten en zeiden: 'Dwaas! Laat los en de stroom die jij vereert zal je buitelend over de rotsen sleuren en verpletteren en je zult sneller sterven dan dat de verveling verdwijnt!'

Maar die ene sloeg geen acht op hem en diep ademhalend liet hij los en meteen werd hij buitelend door de stroom over de rotsen gesleurd en bijna verpletterd.

Maar uiteindelijk, toen het wezen weigerde zich opnieuw vast te klemmen, tilde de stroom het vrij van de bodem en het werd niet meer gekneusd en gewond.

En de wezens stroomafwaarts, voor wie het een vreemde was, riepen: 'Kijk een wonder! Een wezen als wijzelf, maar het vliegt! Kijk, de Messias is gekomen om ons allen te redden!'

Richard Bach


De tien Woorden (Exodus 20)

2 Ik de NABIJE ben jouw God, Ik die jou heb uitgeleid uit het land van Egypte, uit dat slavenhuis.

3 Jij zult er geen andere goden op nahouden voor mijn Aangezicht.

4 Je zult je geen godenbeeld maken, noch enige afbeelding van wat in de hemel is daarboven, noch van wat beneden op de aarde is, noch van wat in het water onder de aarde is.

5 Je zult je voor hen niet neerbuigen en hen niet dienen, want Ik ben de NABIJE jouw God, een naijverige God die de misdaad van de vaderen toerekent aan hun kinderen tot in het derde en vierde geslacht van wie Mij haten –

6 maar die genade bewijst tot in het duizendste geslacht aan wie Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

7 Je zult de Naam van de NABIJE jouw God niet gebruiken om leugens te bedekken

want de NABIJE houdt niet voor onschuldig wie zijn Naam gebruiken om leugens te bedekken.

8 Gedenk de dag van de sabbat door die te heiligen.

9 Zes dagen zul je arbeiden en al je werk doen,

10 maar de zevende dag is een sabbat voor de NABIJE jouw God. Je zult dan geen enkel werk doen, dat geldt voor jou, je zoon en je dochter, je slaaf en je slavin en je vee en de vreemdeling binnen je poorten.

11 Want in zes dagen maakte de NABIJE de hemel en de en de zee en al wat daarin is. Maar Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de NABIJE de dag van de sabbat en heiligde die.

12 Eer je vader en je moeder, opdat je dagen verlengd worden in het land dat de NABIJE jouw God jou geeft.

13 Niet moorden zul je.

14 Niet echtbreken zul je.

15 Niet stelen zul je.

16 Je zult tegen je naaste geen vals getuigenis afleggen.

17 Niet begeren zul je het huis van je naaste; niet begeren zul je de vrouw van je naaste, noch zijn slaaf of zijn slavin noch zijn os of zijn ezel noch iets wat toebehoort aan je naaste.


D. SÖLLE: TOEN IK ACHT JAAR GELEDEN

(Meditatie : Vergeet het beste niet)

Toen ik acht jaar geleden voor het eerst grootmoeder werd, had ik het gevoel dat deze nieuwe rol - en intussen heb ik drie kleinkinderen - het mij hoe dan ook makkelijker zou maken ouder te worden. Ook werd ik me eens te meer bewust dat ik nog iets wil doorgeven van wat voor mijn generatie belangrijk is. Ik wil niet dat mijn volk het fascisme vergeet.  Theodor W. Adorno heeft gezegd dat 'de allereerste eis die aan opvoeding moet worden gesteld is dat er niet nogmaals een Auschwitz komt. Deze eis gaat zozeer vooraf aan alle andere dat ik niet geloof haar te hoeven of te moeten motiveren'.

Dit fundamentele gevoel kan en wil ik niet kwijtraken. Ik verzet mij ertegen dat deze Duitse gebeurtenis gelijk wordt gesteld aan andere - bijvoorbeeld in de 'Historikerstreit' -, dat tegenwoordig wordt gedaan alsof zij door vergelijking te relativeren valt en dat wordt gezegd dat andere volken precies hetzelfde de den. Alle onzin die daarover wordt verbreid, vind ik onverdraaglijk. In die zin verzet ik me echt tegen het ouder worden en zegt: Er zijn dingen die je nooit kunt vergeten! Herinnering, collectieve herinnering, is geen luxe, maar het geheim van bevrijding.

Vergeet niet! Dat is voor de oudere vrouw die ik intussen ben iets dat ik wil doorgeven. Alleen wie herinnering heeft, heeft ook toekomst en hoop. Ik zie mezelf als schakel in de ketting, als golf in een grote golfbeweging: ik ben niet alles, ik ben een deel. Niet ik draag de wortel, maar de wortel mij, zoals Paulus zegt (Romeinen 11:18). Dat maakt me heel rustig.

Een spreuk uit de Duitse boerenoorlogen zegt: 'Verslagen trekken we naar huis, laat het nageslacht het maar uitvechten'. Ernst Bloch haalde deze spreuk graag aan. Hier wordt een verband tussen herinnering en toekomst gezien - en het verslagen-worden, de nederlagen voor de gerechtigheid zijn niet vergeefs. Ik denk in dit verband aan een Iers sprookje over de verschrikkelijke beproevingen waaraan mensen worden onderworpen als zij achter een prins of een prinses aanzit ten. De koningszoon met wie ik zojuist bevriend ben geraakt, moet een stal schoonmaken die sinds 120 jaar vol mest ligt, en telkens wanneer hij een schep mest naar buiten gooit, vliegen er door elk van de veertig open ramen weer drie scheppen met stinkende gier naar binnen.

Waar ontstaat theologie zoals ik haar zie? Ik geloof dat zij in feite ontstaat in de stal, die stinkt van het onrecht van de geschiedenis. Daar staan wij met onze veel te kleine scheppen en praten met elkaar. Levende theologie ontstaat niet los van de situatie en valt niet loodrecht als 'Woord Gods' uit de hemel naar beneden. Zij continueert zich in het elkaar trouw blijven van de erbij betrokkenen. Ik zie het geloof nog altijd met een mengeling van vertrouwen en angst, hoop en twijfel - die de Jezus van de evangeliën groot of klein geloof noemde - als een kracht ten leven, als een zoektocht naar de ware prins en een streven naar het Koninkrijk Gods. Een gesprek in de volle zin van het woord ontstaat dan als mensen in een grauwe, geestloze tijd met elkaar de honger naar geest delen. De verzadigden hoeven niet meer met elkaar te praten. Mijn leven is dus het leven van een theologische arbeidster die anderen iets van het verdriet van God en de blijdschap van God probeert door te geven. Misschien is mijn taal 'vromer' geworden, maar daaraan heeft niet alleen mijn subjectieve ontwikkeling bijgedragen, zoals ik haar hier heb getracht te schetsen, maar ook mijn betrokkenheid bij de wereldwijde christelijke beweging naar een conciliair proces waarin gerechtigheid, vrede en het behoud van de schepping eindelijk weer duidelijk het hart van geloof vormen. Ik denk dat ik tegenwoordig, theologisch gesproken, minder alleen sta dan jaren gele den, en dat ik dat mag zeggen is een vorm van geluk: Gracias a Dios! Het was 1990 toen de Deutschlandfunk mij uitnodigde een bijdrage te leveren voor een van zijn programma's door in een brief aan mijn kinderen onder woorden te brengen 'wat in het leven echt van belang is'. Volwassenen moesten doorgeven wat hun troost gaf, wat niet vergeten mocht worden en wat niet verloren mocht gaan. Daarop schreef ik de volgende woorden: 

"Lieve kinderen, in sagen en sprookjes, zoals ik ze jullie vroeger vaak heb verteld, komt een motief voor van een arme schaapherder die op een dag door een klein grijs mannetje heel ver weg naar een geheimzinnige berg wordt gebracht. De deur van de berg springt open en binnen glinsteren de prachtigste schatten hem tegemoet. Maar terwijl de schaapherder nog druk bezig is zijn zakken vol te proppen, spreekt een stem: 'Vergeet het beste niet!' En dan slaat in de sage de deur achter hem met donderend geweld dicht en de schatten in zijn zakken vergaan tot stof. Ik heb nooit helemaal goed begrepen wat 'het beste' eigenlijk is. Misschien de bloemen bij de toegang tot de berg? Misschien een onooglijke oude lamp zoals die van Aladin? Misschien de sleutel om terug te komen? Of misschien alleen de wens terug te komen en niet te vergeten?

Vergeet het beste niet! Mij heeft, dat weten jullie alle vier, de stem van het kleine grijze mannetje ver weggelokt uit het gewone leven naar de religie, weg van de 'ontwikkelden onder haar verachters' en steeds nader tot een misschien wel eerder joods dan dogmatisch-christelijk geloof. En van alles wat ik jullie in de vijandschap waarmee het leven jullie treft en zal blijven treffen graag had meegegeven is dit het moeilijkst over te dragen. Mijn schatten kan ik jullie niet zomaar vermaken. God liefhebben met heel het hart, met heel de ziel en met alle krachten, - dat kan ik niet als een erfdeel doorgeven. Mijn pogingen jullie christelijk op te voeden hadden weinig kansen; het instituut stond me daarbij steeds weer in de weg en de Kerk was en is maar zelden het vertrouwen waard. Maar ook ben ik me er terdege van bewust hoe ikzelf heb gefaald gebruiken en symbolen geloofwaardig te maken en liederen en gebeden bij het leven van alledag te betrekken. Het is net alsof wij ouders geen bewoonbaar religieus huis hadden aan te bieden, alleen een vervallen. Dat jij, Mirjam, als jongste, je niet hebt laten confirmeren - hoewel je toch niet minder dicht bij de berg der schatten woont en het grijze mannetje misschien ook wel eens hoort - is slechts een zichtbare uitdrukking van dit probleem dat levende kinderen tegenwoordig met hun christelijke ouders hebben. Misschien ben ik er daarom wel voor teruggeschrokken jullie in het christendom te lokken - het woord 'opvoeden' is waarschijnlijk volkomen verkeerd in dit verband.

Maar ik zou - georganiseerde religie of geen georganiseerde religie - willen dat jullie allemaal een beetje vroom worden. Vergeet het beste niet! Daarom bedoel ik dat jullie God soms loven, niet altijd - dat doen alleen praatjesmakers en hovelingen van God-, maar toch soms, als jullie heel gelukkig zijn zodat het geluk helemaal vanzelf in dankbaarheid overgaat en jullie 'Halleluja' of het grote 'Oem' van de Indiase religie zingen. Eén van jullie, ik geloof dat het Caroline was zei op een keer bij een bezoek  aan een van die vreselijke kerken waar we jullie op vakantie steeds weer binnensleep ten, droog: 'Er is geen God in'. Juist dat mag in jullie leven niet het geval zijn, 'God' moet 'erin zijn', aan zee en in de wolken, in de kaars, in de muziek en natuurlijk in de liefde. Zonder grond in de grond van het bestaan is er geen echte blijdschap, dan heeft ons blij - zijn altijd te maken met gebeurtenissen of dingen, maar de echte blijdschap, de blijdschap om het leven, om het geluk te mogen leven is geen blijdschap omdat er aardbeien zijn of omdat je schoolvrij heb of omdat er een geweldige bezoeker is. De echte blijdschap is zonder waarom, 'sunder warum be', zoals mijn beste vriend uit de middeleeuwen, meester Eckhart, zegt. Als ik jullie alleen maar - sterke moeder of geen sterke moeder - een beetje van deze sunder warumbe-blijdschap zou kunnen meegeven, zou dat al heel veel zijn. Dan zou ik getroost afzien van mijn ongeoorloofde hoogst bijzondere wensen, van dat te veel willen verlangen dat moeders eigen is - zoals dat jullie in je leven meester Eckhart nog eens zullen lezen - en het liefst me terugveranderen in het kleine grijze mannetje en onder louter fonkelende stenen in de blauwe grot zitten en zeggen: 'Vergeet het beste niet!'                           Jullie oude mama"


Vaak bidden we met veel te veel woorden

BIDDEN

Vaak bidden we met veel te veel woorden. Mooie woorden, maar ze laten ons weinig tijd tot luisteren. Want bidden is ook: op de uitkijk staan. Luisteren of God iets aan ons vraagt, iets van ons verwacht. Een verhaal daarover: Aan mijn deur hangen drie mantels, drie gewaden om te bidden en recht voor God  te staan,; Dat is de mantel van goud. Die schiet ik aan als ik rustig en zelfverzekerd naar de tempel ga om plichtsgetrouw met medeburgers mijn staat en stand te vieren. Dan zingen wij de litanie der vanzelfsprekendheden: "Voor hebben en houden, danken wij U! Voor veiligheid en rust, wij danken U! Voor orde en regelmaat, wij danken U! Om munt te slaan uit het aantal dienstjaren dat ons gegeven is, wij bidden U. Om de schaapjes op het droge, wij bidden U verhoor ons.

Om een mooi en afgerond leven en een mooie dood, wij bidden U verhoor ons!" De tweede mantel is grijs van stof en zwaar geplooid. Die draag ik als afweer tegen kwade dagen, als ik bid om behoud, als ik uitruk tegen de brand van de doodsangst die soms mijn ziel in vlammen zet; als de bliksem van het ongenoegen is ingeslagen en het noodweer van de twijfel mijn dagen overmant. Dan maak ik, vroom en grijs,

gebaren van vrijgevigheid en doe met velen ongehoorde boete: met man en macht openen wij een dorp voor melaatsen of stillen hier en daar wat honger. En wij besluiten met de bede: Heer, laat ons nu in vrede gaan en leid ons tot de ongestoorde orde van de dag.

De derde mantel heeft kwaliteit noch kleur en is tot op de draad versleten. Die heb ik nog nooit gedragen, maar hij hangt bij wijze van antiek aan mijn deur. Een arme tak uit mijn verleden moet hem ooit gedragen hebben. Zoiets dus als een armenkleed, als ze ontheemd en gerafeld de berg beklommen en op de uitkijk stonden vanwege ooit een beter land, een nieuwe wereld, - wel deze nog maar omgekeerd. Soms overvalt mij de neiging om dat kleed weer te dragen. En ik weet niet wanneer ik het meest mezelf ben: als ik dank in het goud, als ik boet in het grijs of als ik toegeef aan de neiging om ontheemd en gerafeld op de uitkijk te staan. En ik weet niet welke God ik het meeste zoek: die van alle macht, van mijn lijfsbehoud, of misschien toch die ene die bestaanbaar is, die mij aanziet met de ogen van de minsten en zegt: "Ik houd me bij jou aanbevolen.   


Het verhaal gaat over het gebed (Anna)

Het verhaal gaat over het gebed. Soms zijn mensen in hun relatie met God net zo spontaan als Anna. Anna is een bijzonder meisje, dat, hoe klein ook, precies wist wat de zin van het bestaan was. Ze beschouwt zich als Gods vriendinnetje.

Anna had niet zoveel op met het idee dat mensen geen tijd hadden om met Meneer God te spelen. Voor zover zij het kon begrijpen, waren de bijbel en alle kerkdiensten die ze had bijgewoond, vaak meer om bang van te worden dan om er plezier aan te beleven en ze liet geen gelegenheid voorbijgaan om dat te zeggen. Dit soort vragen deed me dikwijls versteld staan. Ik wist nooit precies wat ik ermee aan moest en probeerde me eruit te draaien, maar dat accepteerde ze niet.

De moeilijkheid was altijd weer hoe je haar iets uit moest leggen zonder haar verbondenheid met Meneer God te verstoren. Heel lang heb ik niet begrepen dat niets of niemand ook maar iets zou kunnen zeggen dat die verbondenheid kapot zou maken... Het was voor haar geen liefde, geen respect, het was gewoon een behaaglijk gevoel van geluk. Anna zag God als iemand met wie je echt plezier kon maken. Ze praatte net zo met Meneer God als ze deed met mij of met haar beste vriendin Bombom. Zij zag Meneer God niet zoals de meeste mensen Hem zagen, maar gewoon als haar beste vriend; zo'n vriend met wie je fijn kon kletsen en aan wie je een grappig verhaal kon vertellen. Je kon Hem dingen laten zien en ook lekker met Hem giechelen. Ze kon maar niet begrijpen waarom je zo zacht op je tenen moest lopen zodra je de kerk binnenging. Ze was het daar ook niet mee eens. Ze begreep wel dat je zoiets voor zeer belangrijke mensen deed, voor koningen en koninginnen, maar beslist niet voor Meneer God! Wat zij graag wilde, was zich in Meneer Gods armen werpen en haar blijdschap van de daken roepen. Zo'n spontane uitbarsting begrepen volwassenen niet en ze waren er zelf ook niet toe in staat. Ze nam aan dat volwassenen waren vergeten hoe ze moesten spelen en het werd, zoals ze zei, 'nou verdorie wel eens tijd om dat wel te doen.


 

Rabbi Shimon - een arme man (Een schijnlening)

Rabbi Shimon - een arme man - kwam eens in de stad Krakau, waar vele rijke joden woonden. Men verzocht hem om in de synagoge een preek te houden en de leden van de gemeente ernstig te berispen. Rabbi Shimon stemde daarin toe, maar alleen op de voorwaarde, dat men hem voor de tijd van drie dagen een lening van vijftigduizend roebel zou geven. Aangezien hij als een eerlijk mens bekend stond, aarzelden de leiders van de gemeente niet om het geld bijeen te brengen en het aan rabbi Shimon te lenen. Op die drie dagen hield hij telkens een preek, die niet alleen bijzonder was van inhoud, maar ook opviel door krachtige morele leerstellingen.

Toen rabbi Shimon het geld na drie dagen kwam teruggeven, bemerkten degenen die de kwestie geregeld hadden, dat hij dezelfde munten teruggaf. Hoewel het geld dus in zijn bezit was geweest, had hij er niets van uitgegeven. Zij konden hun verbazing niet verbergen en vroegen hem, waarom hij dan om een lening had gevraagd. De Rebbe verklaarde eenvoudig: 'Toen mij gevraagd werd om voor zoveel rijke mensen te spreken en hen bovendien vanwege hun overtredingen te berispen, vreesde ik dat ik als arme man niet de moed zou hebben om hen met overtuigingskracht toe te spreken. Maar toen ik vijftigduizend roebel contant in mijn zak had, aarzelde ik niet langer om hen te berispen, hoe rijk zij dan ook mogen zijn!'


God stelt zijn eer in ons geluk (Hoog spel Notities bij een kerkdienst)

God stelt zijn eer in ons geluk. Hij schept vreugde in onze vreugde.Hij troont op onze lofzangen, belijdt Psalm 22. Met vorstelijk welbehagen grondt Hij zijn majesteit op de hulde die wij Hem brengen. Hij laat zich dragen door onze adem. Hij gaat mee met de stroom van onze woorden. Hij woont in onze liederen. Het is ons vergund om Hem te verhogen, te prijzen, groot te maken, sterkte te verlenen, te verheerlijken.

Zó afhankelijk, zó kwetsbaar wil God zijn. Met onze lofzang houden wij Hem hoog. Met ons zwijgen vernederen wij Hem, ondermijnen wij zijn koningschap, hullen wij Hem in een dodelijke stilte. Ons lied is  de grond onder zijn voeten, de bodem van de hemel, funderend voor zijn heerlijkheid. Zo nodig wenst God ons te hebben. Z¢zeer gelooft Hij ons, hoopt Hij op ons, heeft Hij ons lief. Met onze liturgie - ons zingen en bidden, belijden en vieren - zijn wij grondslaggevend voor de troon van God, zijn koninklijke luister, en zo ook voor zijn genadige, zegenende aanwezigheid op aarde. Met onze dienst aan God, ons antwoordende, lovende bestaan voor zijn aangezicht, bewijzen wij de wereld  om ons heen een dienst. Liturgie is even horizontaal als verticaal van strekking. Wij bedrijven haar niet exclusief, zelfgenoegzaam, buitenstaanders uitsluitend, maar inclusief plaatsvervangend, mede namens een veelal zwijgzame, sprakeloze schepping. Wij treden op als haar geweten, haar spraakorgaan. We zij geroepen om haar woordvoerders te zijn, haar pleitbezorgers, haar voorspraak. Zingend en biddend geven wij haar stem, identiteit voor God. Wij dragen haar op, brengen haar onder zijn aandacht. Wij tronen haar met ons mee, in de hoop dat zij, m‚t ons, vlees van haar vlees, been van haar gebeente, gezegend en wel onder Gods handen vandaan komt. Het heil dat wij, rib uit haar lijf, haar eerstgeborene, deelachtig zijn, wensen, bidden en smeken wij ook haar toe.

De gemeente geeft gestalte aan de schepping. Zij maakt haar aanspreekbaar voor God. Reikhalzend loopt de schepping in de eredienst te hoop. Zolang de gemeente zingt en viert mag de schepping doorgaan met ademhalen. Het lied van de gelovigen stemt God gunstig jegens de aarde, de mensheid, die zij vertegenwoordigen. Het gegeven van de representatie, de wereld omspannende lotsverbondenheid in de liturgie, zet de gemeente zwaar onder druk, bepaalt haar bij de noodzaak van de eredienst. Met een handjevol gelovigen, dienstvaardige lofzeggers, liturgische lofzangers, zou de stad Sodom veilig zijn geweest, t‚ stemhebbend en veelbelovend om ten onder te gaan. Maar geen geloof, geen lied kwam er van de grond. Er was geen plaats, waar God tot rust kon komen. Daarom beefde de aarde en werd de stad omgekeerd.

Onze kerkdiensten zijn onmisbaar. Maar niet omdat wij zonodig aan onze trekken moeten komen. Zij mogen constitutief zijn voor de troon van God en het heil van de wereld. Het gewichtigste is dat God tot zij recht komt; dat Hij zijn longen weer vol kan zuigen met onze liederen en gebeden ten einde genezend en verzoenend te kunnen uitblazen boven deze razende, adembenemende schepping. De eredienst is van het hoogste belang. Nergens anders - of het moest blijken - bundelen de stemmen der gelovigen zich zó eenparig en hartveroverend tot een lied, dat als een paal staat boven de woeste wateren van deze tijd en dat als een zuil rust onder het gewelf van de hemel.

Het laat zich verstaan, dat wij met onze liturgie, dat diepingrijpende en hemelhoge stemmenspel, het uiterste vaan onszelf moeten vergen. Het kan in de eredienst niet spannend en verrassend, spits en speels, vorstelijk en feestelijk, geheimzinnig en oorspronkelijk genoeg toegaan. Wil God plezier aan ons beleven, dan moet onze taal telkens weer nieuw zijn, anders, een taal van verwondering, want een passende reactie op Gods verbazende, ongehoorde omgang met ons. 'Zingt de HERE een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan' aldus Psalm 98. En wil de ganse schepping, die zucht en kreunt als een zwangere, maar niet te verlossen vrouw, ter sprake komen in onze liturgie, dan moeten onze woorden iets van het steunende en kermende in zich hebben dat haar zo eigen is. De taal van de liturgie moet niet te mooi zijn. Zo mooi is de wereld niet die er een hartverscheurend woord in mee zal moeten spreken.

Het is niet énkel lofprijzing wat er omgaat in onze erediensten. We zingen en vieren niet zomaar, zonder beweegreden, maar op grond van het gehoorde evangelie. Om zinnig te kunnen zingen, om feestelijk te kunnen leven, moeten we weten welke God zo prijzenswaardig is en wat er precies te vieren valt. In deze behoefte voorziet de verkondiging. Deze brengt ons op de hoogte, de toonhoogte van het Woord dat roept om een antwoord. Zij dient als Leitmotiev. Alles is op haar afgestemd. Zij is bepalend voor wat gezegd, gezongen en wat gedaan wordt. De taal der verkondiging, de trant van spreken, is altijd beneden maat. Zij haalt het nimmer bij het niveau van de taal der Schriften. Want deze taal is zo krachtig, zo hevig, zo verrassend, zo overstelpend, zo driftig, zo nerveus, zo verschroeiend, zo vreemd, zo onmogelijk, zo vrij, zo zegevierend, zo intrigerend, zo geheimzinnig, zo wemelend van dubbele bodems, verdiepingen, onverwachte wendingen, onthutsende zins verbanden, openbarende vergezichten - wie zal haar naspreken? En toch zal de sprake van de preek moeten talen naar déze hoogte, déze zeggingskracht, deze adem, dit woordgebruik, déze tongval, déze accenten. De hang hiernaar is eenvoudig een kwestie van eerbied voor het Woord. 

Een preek is, op haar minst, een artistieke gebeurtenis. Het moet een spannend, mysterieus, weergaloos verhaal zijn, maar ook helder als bronwater. Een verhaal, dat evenzeer te denken als te doen geeft. Een geïnspireerde solo, een betoverend stuk muziek dat je meesleept, adembenemend, ademgevend, uitdagend tot een hooggestemde lofzang, een pracht, een troon van een lied. In dit alles gaat het om een volop ambtelijke bediening van het Woord. De voorganger vertelt niet zijn eigen verhaal, komt niet met zijn eigen ervaringen voor de dag, of met die van zijn parochianen - hoe zinloos en geestdodend zou dat zijn. En hoe onbillijk. Want waarom zou juist hij dat recht van spreken hebben? Dat woord zou ieder mogen voeren. We hebben allemaal onze verhalen. De voorganger komt van de overkant. Hij is een ander, een boodschapper. Hij staat in dienst, hij is ondergeschikt aan het verhaal dat in geen mensenhart opgekomen zou zijn. De voorganger is een horige. Hij heeft maar te gehoorzamen, te zeggen wat hem in de mond wordt gelegd. Hij zal altijd, ook, juist in eigen huis, zelfs ten overstaan van het meest toegewijde gehoor, een vreemdeling blijven. Hij moet het telkens weer anders dan anders zeggen. Ver boven en ver beneden alle verwachting. Anders dan men gedroomd en gehoopt had. Hij raakt niet uitgesproken. Hij verbrandt zijn tong. Want het verhaal dat hij opving is zo vreemd, zo buiten de orde, zo tegendraads, zo wonder boven wonder.

De kerkdienst is een spel. En een hoog spel, want tot eer van God en tot heil van de wereld. Zingend en spelend beelden wij iets uit van die nieuwe schepping, waar de liederen, want 'de kennis des Heren', zozeer voor het opscheppen liggen dat God er zijn tent kan opslaan, zich er metterwoon en voorgoed kan vestigen. Wij spelen dat God bij ons is. Wij luisteren naar zijn Woord en wij proberen te antwoorden. Wij spelen dat Hij bij ons is - en inderdaad. Wij spelen dat deze wereld een lied is voor God. Wij laten haar uitmonden in onze lofzang, wij zingen haar naar Hem toe. Wij spelen dat deze wereld nieuw is - en inderdaad. Wij spelen dat vrede en gerechtigheid de aarde vervullen. Wij noemen elkaar broeder en zuster. Wij scheppen een sfeer van verzoening. Wij delen alles met elkaar, ruimte  en tijd, licht en lucht, God, zijn koninkrijk, en soms wat brood en wat wijn. Wij spelen dat het vrede is - en inderdaad. Liturgie is gespeelde profetie (Huub Oosterhuis).

Het wordt pas echt goed in de eredienst wanneer ook het kind naar hartelust zijn partijtje mag meeblazen. Meestal staat het buiten spel in de marge, Het mag toekijken. Dit komt neer op een grove miskenning van zijn doop. Werd het kind toen niet opgenomen in het lichaam van de gemeente? Met huid en haar werd het ingelijfd. Wij moeten leren geloven in een God, die - volgens Psalm 8 - 'sterkte grondvest uit de mond van kinderen en zuigelingen'. Royaal wil God tronen op de lofzang der kleinen.

Hoe zouden wij de lofprijzing, de troon van God tot stand brengen wanneer wij niet mochten tronen op het lied van Jezus, de opbeurende en bevrijdende liturgie die Hij, als opgestane Heer, bedrijft voor het aangezicht van zijn Vader! Het is maar een geluk, dat wij 'zulk een hogepriester hebben - de dienst verrichtende in het heiligdom' (Hebreeen 8). Op het kritieke moment neemt Hij de dienst van ons over. Hij is de enige liturg van formaat. Hij, en geen ander, houdt de troon van God overeind. Hij, en geen ander, houdt deze wereld overeind. Hij, en geen ander, houdt ons overeind: kleine liturgen, die niet bij Hem uit de toon mogen vallen.


Er was eens een koning (De koning en het meisje) Nico ter Linden

Er was eens een koning. En het was een zeer goede koning, want hij zorgde goed voor zijn onderdanen. Maar op zekere dag stierf hij. Dat vonden de mensen in het land heel erg. Zijn zoon vond het ook wel erg, maar hij was ook wel een beetje blij, want nu kon hij koning worden en dat deed hij zo graag. Hij ging meteen op de troon zitten en liet alle ministers en dienaren bij zich komen.  Eerst kwam de minister van financiën. De koning vroeg: 'Wie bent u en wat doet U?'. Hij antwoordde: 'Ik ben minister van financiën, majesteit. Er is niet zoveel geld in het land, wij moeten bezuinigen'.

Toen kwam de minister van defensie. Die zei: 'Wij moeten nieuwe tanks en kanonnen  hebben, Sire, ik heb dringend geld nodig.' Toen kwam de kamerdienaar en die zei: 'Majesteit, ik ben Uw kamerdienaar, ik breng U 's morgens op bed Uw ontbijt met sinaasappelsap, verse broodjes en een zacht gekookt eitje'. 'Zo' zei de koning 'zacht gekookt eitje; heerlijk'. 'En wie ben jij?' vroeg hij wijzend op een oudere man met een lief gezicht en een grijze baard, die helemaal achteraan stond: 'Ik ben verhalenverteller' zei de man. 'Kom nou' zei de koning 'ik ben geen kind meer, ga jij maar weg, jij bent ontslagen'. 'Dat is jammer' zei de man vriendelijk 'nu kan ik dat verhaal over dat meisje dat nog verstandiger was dan de koning niet meer vertellen'. 'Nou, vertel op dan' zei de koning 'hoe gaat dat verhaal?'

En toen begon de oude man te vertellen: 'Er was eens een land met een rijke koning die meende alles te weten. In dat land was ook een eenvoudig meisje, Maria. Ze zou binnenkort gaan trouwen. Daarom was ze heel blij, maar toch ook wel een beetje bang. Toen ze 's avonds op haar kamertje was, knielde ze voordat ze ging slapen neer en begon tegen God te praten. 'Lieve God' zei ze 'ik ben maar een gewoon meisje, maar ik wil U toch even zeggen, dat ik blij ben dat ik binnenkort ga trouwen. Ik zou graag hebben dat mijn man en ik gelukkig worden. En ik zou zo graag een kindje krijgen. Daar wil ik goed voor  orgen en ik zou willen dat dit kind ook gelukkig wordt. Ik weet niet of ik het mag zeggen, God, maar ik geloof dat onze koning het niet zo goed doet. Hij is heel rijk en hij besteedt veel geld aan pracht en praal en onzinnige uitgaven, maar als je de mensen in zijn land ziet, die zijn straatarm. Heel veel kinderen sterven van honger. Er zijn veel zieke en oude mensen, die helemaal geen verzorging krijgen. De koning kijkt daar hele maal niet naar; ik denk dat het hem totaal niet interesseert. Dat is toch niet goed, lieve God. Ik zou willen dat de koning veranderde. Dat hij een goede koning werd, die wel zou proberen om de arme en zieke mensen van zijn land te helpen. Kunt U niet iemand sturen, een engel of  zo, om dat aan hem te vertellen. Neemt U mij niet kwalijk, lieve Heer, dat ik dit gezegd heb'. Toen wilde het meisje naar bed gaan.

Maar opeens werd het heel licht in haar kamer. Een engel kwam bij haar binnen en het meisje riep: 'Lieve hemel!' 'Inderdaad' zei de engel 'maar ook, lieve aarde, want jij bent van de aarde en jij bent lief en goed voor je medemensen'.

'De groeten van God, Maria, Hij zal jou helpen. Je zult een kind je krijgen en dat kindje zal jouw land en de wereld helpen'. Toen zei het meisje: 'Ik wil doen wat God van mij vraagt, want ik vind het fijn dat Hij naar mij heeft geluisterd en dat Hij arme en eenvoudige mensen wil helpen'. Toen hield de oude man op.

'Heb je nog meer van zulke verhalen' vroeg de koning. 'Wel een heel boek vol' zei de man. 'Dan mag je blijven tot het boek uit is' zei de koning. En de oude man glimlachte, want hij wist dat het boek nooit uit zou zijn.


Er was eens een man met heel veel land

VAN OUD NAAR NIEUW

Er was eens een man met heel veel land en een rijke oogst, die hem grote zorgen  baarde; want hij wist niet waar het allemaal te laten. Hij besloot ten einde raad zijn oude schuren maar te slopen en dan grotere te bouwen met ruimte genoeg voor heel zijn oogst.  Daarin bracht hij zijn rijkdom onderdak. En hij dacht bij zichzelf: kerel, je hebt  je schaapjes op het droge, ga maar op je lauweren rusten en neem het er van. Maar nog diezelfde avond kreeg hij te horen: dwaas die  je bent, vannacht loopt het met je af en van al wat je hebt gaat er niets mee in het graf. Zo vergaat het mensen die alsmaar vergaren. Ze bleven arm in de ogen van God.


Ik vroeg laatst aan een vader

Ik vroeg laatst aan een vader van een pasgeborene voor wie  geloof een ver en vreemd verhaal lijkt geworden, of hij bij de geboorte van zijn kind enige aandrang tot een klein gebedje had gevoeld. 'Bij de geboorte niet', zei hij,'Wel bij de zwanger schap. Toen heb ik een paar maal gedacht: Go...! Maar...'. Hij hield op. 'Maar wat?' vroeg ik. 'Nou, dat onderdruk ik dan', zei hij. Ik moest bijna huilen, toen hij dat zei. Maar dat liet ik niet merken, daarom biecht ik 't nu op. Ik moest huilen omdat ik 't zo mooi vond, zo dapper, en zo arm en zo typisch voor zoveel duizenden. Gewoon bid je ook niet, want bidden zijn wij verleerd - dus dan moet je 'ongewoon', in grote pijn of grote verrukking, ook niet bidden. Dat is eerlijk, ergens. Maar aan de andere kant: waarom toch het gebed versperd? Waarom je actieve, gelovige ziel die wil bidden niet wat meer vertrouwd en je luie, ongelovige ziel niet 's aam een ander onderzoek onderworpen? Kijk, daarom zette Mozes natuurlijk ook die tent van God tussen hun tenten in. En daarom is het aan de voet van de Wester ook goed wonen, die toren in de tijd die dag en nacht wijst dat het ten hemel toe moet gaan en gaat in eeuwigheid. En je kunt er naar toe, niet omdat je zo vroom bent - maar om, God geve, het weer een beetje te worden.

Nico ter Linden


Men heeft jullie (Over engelen) Czeslaw Milosz

Men heeft jullie de witte gewaden afgenomen, de vleugels en zelfs het bestaan. Ik echter geloof jullie, boden. Terwijl de wereld op haar linkerzijde ligt, gehuld in een zwaar geweven stof, bestikt met sterren en dieren, wandelen jullie rond en behartigen scheuren en naden. Het is maar kort, dat jullie hier verwijlen, in de vroegte misschien, als de hemel helder is; in de melodie, die een vogel nazingt; of in de geurende appels in de avond, wanneer licht de tuinen betovert. Er gaat een gerucht, iemand heeft jullie verzonnen. Maar mij overtuigt dat niet. Ook zichzelf hebben de mensen verzonnen. De stem - dat is vast een bewijs, omdat die ongetwijfeld aan de stralende wezens behoort, die licht zijn, gevleugeld (waarom ook niet?) en met bliksem omgord. Ik vernam deze stem, menigmaal in de droom, en wat nog vreemder is, ik verstond ongeveer haar gebiedende roep in bovenaardse taal: spoedig is het dag, nog één, doe wat je kan.


Toen rabbi Noach (Nieuwe wegen)

Toen rabbi Noach, de zoon van rabbi Mordechai, de opvolger van zijn vader was geworden, bemerkten zijn leerlingen, dat hij zich in alles  nders gedroeg dan zijn vader: Ze vroegen hem daarnaar. Hij zei: 'Ik doe het precies als mijn vader,- die deed niets na en ik doe niets na'. En de Maggid van Zlotzow zei: 'Ook wij moeten ieder onze eigen geaardheid volgen. En in het licht van de leer en van de dienst moeten wij nieuwe wegen vinden en niet doen wat gedaan is, maar wat gedaan moet worden'.


Elke dag trok Nasroeddin met zijn (Smokkel)

Elke dag trok Nasroeddin met zijn ezel over de grens, de lastmanden hoog beladen met stro. Omdat hij toegaf een smokkelaar te zijn, werd hij steeds weer door de grenswacht doorzocht. Ze controleerden elk plekje van zijn lijf, zeefden het stro, doopten het in water en verbrandden het zelfs van tijd tot tijd. Intussen ging Nasroeddin zichtbaar steeds beter. Hij ging rentenieren en verhuisde naar een ander land. Daar trof hem jaren later een van de douanebeambten. 'Nu kun je het me wel verklappen, Nasroeddin', zei hij. 'Wat smokkelde je toen, toen we niets konden vinden?' 'Ezels', zei Rasroeddin. 


En weer begon er een oorlog (Vaderdag)

En weer begon er een oorlog, maar de vrouwen zeiden: 'stop' en sloten hun zonen, man, broers stevig in hun huizen op. In alle landen braken zij binnen in het hoofdkwartier, met stokken in hun hand en luid getier, en ieder die de leiding had ging over de knie. Wie het ook maar was, minister, generaal, of iemand uit de wapenindustrie. Heel wat stokken braken af, en kerels gilden als een zwijn, maar het gekerm met hun grote mond, was in ieder geval geen oorlogspijn. De vrouwen gingen weer naar huis, naar man, broer en zoon, en zeiden slechts: 'Er is géén oorlog, doe maar gewoon'. 

Erich Kästner


De zevenarmige kandelaar

Zeven kaarsen, zeven vlammen, zevenmaal vuur 

De eerste vlam is de vlam van de liefde, die het eerst en de belangrijkste is, want God is Liefde en Liefde is God.De tweede vlam is de vlam van het leven, en leven is hier, het leven straks, leven voor elkaar, het eeuwig Leven. De derde vlam is de vlam van het licht het Licht der wereld, het ware Licht, het Licht in de nacht, dat allen verlicht. De vierde vlam is de vlam van de hoop, de vlam van verwachting, de vlam die de wanhoop verdrijft. De vijfde vlam is de vlam van geloof, die ziet en ziet wat jij niet ziet, die verder ziet dan de dood. De zesde vlam is de vlam van het woord, dat samenbrengt en vertroost, dat spreken en luisteren doet.  De zevende vlam is de vlam van de Geest, van liefde en leven, van licht, van hoop en geloof, die Alles in allen wil zijn.


 

Er stond een jood op het perron (Waarheid en leugen)

Er stond een jood op het perron met een loodzware koffer. Hij moest even naar de WC, maar hij zag zich niet nóg een keer met die koffer al die trappen op en af zeulen. Na enige aarzeling wendde hij zich tot een medereiziger. 'Neemt u mij niet kwalijk, mijnheer, maar ik wilde u graag een vraag stellen: Hebt u wel eens antisemitische gevoelens?' Verontwaardigd klonk het antwoord: 'Hoe komt u daarbij? Zulke lage gedachten zijn mij gelukkig vreemd'. De jood stapte op een andere reiziger af. 'Als ik u vragen mag: denkt u wel eens lelijk over ons joden?''Wat denkt u wel van mij?! Ik ben een christen, het zij verre van mij ooit op een vreemdeling neer te zien'. De jood klampte de derde reiziger aan: 'En u, mijnheer, hebt u zichzelf wel eens betrapt op een spoortje jodenhaat?' De man sloeg de ogen neer en zei zachtjes: 'Ik zou onwaarheid spreken als ik het ontkende'. Opgelucht sprak de joodse man: 'Ach, zoudt u dan  alsjeblieft even op mijn koffer willen passen, want u bent een eerlijk man'.


De zichtbare kerk - dat zijn alle (Kerk)

De zichtbare kerk - dat zijn alle mensen die van tijd tot tijd in Gods naam samenkomen. Iedereen kan erachter komen wie het zijn door te gaan kijken. De onzichtbare kerk - dat zijn alle mensen die God als zijn handen en voeten in deze wereld gebruikt. Niemand kan zeggen wie het zijn behalve God. Stel je de zichtbare en de onzichtbare kerk voor als twee cirkels. De optimist zegt dat ze concentrisch zijn. De cynicus zegt dat ze elkaar zelfs niet raken. De realist zegt dat ze elkaar soms overlappen. 

F. Buechner


Een mens moet iets met het verleden (Verleden) Murdoch

Een mens moet iets met het verleden doen. Dat houdt niet op gewoon te bestaan. Het blijft aanwezig en beïnvloedt het heden en dat op een nieuwe en andere manier, alsof het in een andere dimensie doorgroeit.

Iris Murdoch


Onderweg naar het station in Deventer (Rein en onrein)

Onderweg naar het station in Deventer las ik op een dichtgetimmerd venster in zwarte graffiti:  'Harry is gek'. Enkele dagen later had iemand deze uitspraak als volgt met paarse letters aangevuld:'Toch houdt Jesus van hem'. Een kortere omschrijving voor