tekst6
Start Omhoog

                 



Er was eens een boom  parabel van de panfluit

Er was eens een boom, een onbekende boom, ergens langs de waterkant, geplant door niemand weet nog wie. Hij leefde daar, breeduit met vele takken. Hij droeg de forse stem van de wind, of de doodse stilte van de avondlucht. 's Winters was het leven kaal, en zwiepend op de harde wind en met zijn twijgen als toegeklemde vuisten vol nieuwe beloften stond hij maar te wachten tot het lente werd Ga je gang, knipoogde dan de voorjaarszon, en dan kwam hij weer toe aan zijn oude, groene uitbundigheid: zijn takken liepen weer uit en schoten bloesem uit ingehouden leven. Het was een lust voor de ogen. En als dan de zomer kwam, maakte hij een donkere hand gevuld met schaduw, gratis voor iedereen, - en soms een paraplu tegen de stromende regen. Zo leefde die boom met al zijn takken, jaar in jaar uit, - zijn krachten verbergend en weer uitplooiend, op en neer in telkens vier seizoenen. Maar op zekere dag kwam er een mens, een man, gewapend met een mes. De takken hielden van louter schrik het ruisen in. Er was geen ontkomen meer aan: de mooiste tak werd afgesneden en meegenomen naar het huis van die mens.

Een dode tak, voorgoed uit het leven weggesneden, weggevallen uit de schaduw van velen, opvallend en straks natuurlijk stomweg vergeten, - wat is een tak over een hele boom?! Drie dagen later was die man opeens weer terug en de boom stond windstil van doodsangst met al zijn takken... Wie treft vandaag het bitter lot?

Maar kijk de man ging zitten, aan de voet van de boom en... hij blies op de afgesneden tak, die hij zijn panfluit noemde. Hij speelde een lied en de boom verstond het zo:  Horen jullie mij? Ik leef, ik leef! Meer dan ooit tevoren Ik leef, ik zing, ik fluit! 

Midden in de stad (De toren en de eik)

Midden in de stad stond stevig en welgevormd een lange toren. Die had, naar hij galmde, het eeuwig leven. En dankzij monumentenzorg had hij inderdaad nog jaren voor de boeg. Met monumentale trots keek hij neer op het vluchtig stadsgebeuren en lachte om ieders kortstondigheid Met hele en halve uren sloeg hij de tijd om andermans oren en bedacht intussen voor zichzelf de eeuwigheid.

Op zekere nacht, midden in de stilte tussen de slagen van half en heel, hoorde hij iets praten in zichzelf. Het kwam uit een van zijn galmgaten en het was de stem van een eikel Die was daar losgestormd  terechtgekomen en lag nu hardop over zijn toekomst te dromen.

De toren luisterde  en hoorde de eikel zeggen: Eens zal ik groot en sterk zijn als een boom; eens zal ik wuiven en buigen naar andere bomen en zingen zal ik in de middagzon; licht zal ik zoeken en lucht voor al mijn bladeren, en aan wie maar wil zal ik gratis schaduw en beschutting geven. want leven doe je nooit alleen...

Zo royaal en meesterlijk dacht de eikel over het leven. De toren schoot in de lach en schudde er lichtjes van op zijn grondvesten. Dat schrok de eikel wakker en de toren zei: wat een plannen, eikeltje! Je was me bijna over het hoofd gedroomd Maar je moet wel bijzonder groot zijn en vooral van steen om de eeuwigheid te halen.

Dus droom jij maar, als dat je kan helpen. Vandaag of morgen zal de grond beneden jou wel anders leren! Zelfs de wind gaat liggen op den duur en alle vogels vallen op de grond, waarom zou jij dus anders? Alles valt, eikeltje, alles valt weer terug in de aarde; Alleen de toren blijft Die weet alleen van wanten, omdat hij niet van wijken weet. Een toren is van steen!

Maar de eikel hield vol en gaf zijn droom niet prijs, tot groot vermaak  van de toren. Toen kwam de wind. Die droeg de eikel een eindje mee en liet hem toen op de grond vallen, niet ver van de toren. De toren sloeg nog heel welwillend een paar slagen extra tot zijn gedachtenis en was hem meteen vergeten.

Lang, heel lang na de dood van de eikel stond de toren er nog steeds. Ietwat scheef, dat wel, en sinds kort wist hij ook dat hij leed aan steenkanker, maar er werd gevochten in de steigers om hem heen voor zijn behoud, en dat stelde hem gerust. Wel was hij, meer dan vroeger, gevoelig voor al wat naar zijn hoogte reikte. Dat maakte hem onzeker en geprikkeld. Vooral op een stoere eik, dicht in de buurt. Had hij het niet begrepen, - die kwam met de dag nader tot zijn hoogte! En op zekere dag gebeurde wat hij diep verzwegen, altijd had gevreesd: de eik nam het woord en zei: nu wij spreken van top tot spits. 


Een klein zaadje werd door de wind meegedragen en kwam op het blad van een grote boom terecht. De grote boom schonk er geen aandacht aan, omdat hij het veel te druk had met pronken en pralen in de volle zon. Stoer en weids strekte hij zijn verkoelende bladeren uit. Zich bewust van zijn pracht en kracht, luisterde hij naar de mensen, die elkaar vertelden dat de boom wel 600 jaar oud kon zijn.

Dat hij nog steeds vol leven en groene kracht de mensen koelte gaf en beschutting tegen zon en regen.  Misschien uit verveling of uit neerbuigende beleefdheid begon de grote boom op een dag toch een gesprek met het zaadje.

'Jij komt zeker uit een arme familie en je hebt van huis uit niet veel meegekregen?' Het kleine zaadje schrok van de zelfverzekerde stem en zweeg.

De grote boom ging verder: 'Wij zijn van een groot geslacht en door de mensen altijd gewaardeerd Onze toekomst was groots en vol beloften van ons ontstaan af. Mijn familie heeft al eeuwenlang perken en pleinen een mooi aanzien gegeven. De mensen houden rekening met ons, want als er wegen moeten worden aangelegd of huizen gebouwd, dan worden wij ontzien. Wij staan sterk Ver in het verleden  en nog verder in de toekomst zal onze groei gaan'.

Het kleine zaadje verbaasde zich aanvankelijk over dit gesprek  maar geleidelijk aan werd het al bozer en  ozer om zoveel trots en eigenwaan. Bits en afgemeten beet het naar de grote boom toe: 'maar ik heb ook leven in me'. De grote boom begon te  schudden van het lachen en sloeg zo wild met zijn takken en bladeren als bij een storm. Het zaadje was zeer terneergeslagen en liet zich van het blad glijden en kwam een eind van de grote boom op de grond terecht.  Het begroef zich in de aarde en putte zich uit in groeikracht.

En langzaam begon het leven in hem te ontwaken. Eerst schuchter en klein, aarzelend en teder van kleur. Maar van jaar tot jaar werd het groter. Vogels bouwden hun nesten in zijn takken en de mensen waardeerden hem om zijn frisheid en om zijn silhouet tegen de hemel. En in de volksmond heette hij de Nieuwe, omdat in hem iets ouds tot nieuw leven was gekomen. Ook de oude boom verzoende zich ermee en hij zag het andere dat de Nieuwe bracht. Hun takken raakten elkaar en samen boden ze de mensen een koele plek.  


Een jongeman zit klaarblijkelijk te mediteren (zittend onder de vijgeboom)

Een jongeman zit klaarblijkelijk te mediteren over drie bokalen die voor hem staan. Met de symboliek van de bokaal (beker, schaal) kun je meer dan één kant uit. Hij verzinnebeeldt onder meer de levensmogelijkheden die iemand in zich draagt, de levenskansen die hij aangeboden krijgt. Een bokaal is geen alledaags drinkgereedschap, je drinkt er b.v. geen frisdrank uit, maar wel een kostbaar vocht. Ook water kan een kostbaar vocht zijn. Maar ook dat is dan symbool - van kennis b.v. van wijsheid, vruchtbaarheid, geluk, kortom het is dan op de een of andere manier: levenswater. Je kunt je verder verdiepen in de vraag of ook het feit dat er drie bokalen staan, een betekenis heeft. Maar wij staan hier niet bij stil, en merken dat de jongeman vanuit een wolk een vierde bokaal krijgt aangeboden. Hij lijkt hier echter geen aandacht aan te besteden. Waarom niet? Ieder kan hierop zijn eigen antwoord geven. E. Gray geeft in zijn boek 'Het geheim van de tarot'  als interpretatie: 'Onvrede met de huidige omgeving, maar twijfel over het begin van iets nieuws. Overpeinzing, onvrede met materiële successen, een herwaardering van de aardse genoegens'.

Opmerkelijk nu is dat de jongeman onder een boom zit. (Geen doodgewone boom overigens: let maar eens op zijn plaats in het landschap). Ook over dat detail (?) kunnen wij onze gedachten laten gaan. En misschien gaan zij vanzelf uit naar de kennisboom, de levensboom...

Opkomende herinneringen, aangevuld met gegevens uit de geleerde literatuur, kunnen ons verder helpen. Boeddha, zo wil de traditie, bereikte de volmaakte verlichting onder een vijgeboom. Deze Boom der verlichting (Bodhi) wordt in het boeddhisme sindsdien vereerd. Nog steeds? Ik heb althans van deze verering een afbeelding gevonden uit de 1e eeuw v. Chr.: het is een zuiver symbolische boom geworden: de boom der wijsheid, en tevens een weelderige, om zichzelf heen kronkelende wereldboom, die uit zijn zaad de bron waaraan hij ontspringt, kracht put om kosmisch uit te dijen Op de achtergrond immers van Boeddha's vijgeboom staat ongetwijfeld de wereldboom uit de Indoeuropese mythologieën, waarvan het sap of de vrucht ambrozijn en eeuwige zaligheid schenkt. De bekendste is die uit de Scandinavische mythologie, de Yggdrasill. Onder deze boom (of in zijn takken?) zou de God Odin (=Wodan) in extase de negen nachten hebben doorgebracht, die tot zijn ontdekking van de runenwijsheid leidden.  

Socrates 

Socrates was een stedeling, geboren en getogen binnen de muren van Athene, en ervan overtuigd dat bomen en velden hem niets te leren hadden: alleen mensen vond hij belangrijk, en dat waren dan op de eerste plaats de mensen die in de stad verbleven. Je kon hem er moeilijk toe bewegen om, al was het maar voor een korte tijd of een kleine afstand, de stad te verlaten. Toch is dit zijn leerling Phaedrus eens gelukt, zoals een andere leerling van hem, Plato, vertelt. Phaedrus had namelijk zijn meester weten te interesseren voor een filosofische tekst van een Atheense rede naar uit die dagen, en hem zo, terwijl hij uit de redevoering voorlas, langs een riviertje tot een eindje buiten de stadsmuren meegelokt. Daar zetten beiden zich neer onder een boom, een plataan, met aan de voet daarvan een bron. Ik citeer nu letterlijk uit het artikel dat mij op deze episode attent heeft gemaakt. 'De plaats werkt duidelijk inspirerend. Wanneer Socrates aan het vertellen geraakt is en verhaalt van een Egyptische god die aan een koning van Thebe allerlei gaven en geschenken aanbiedt in de vorm van menselijke vaardigheden, zoals het spel en het schrift, merkt Phaidros verrast op: 'Gij weet de verhalen zo maar uit uw mouw te schudden, Egyptische evengoed als uit welk land dan ook'. En dan zegt Socrates iets heel merkwaardigs: 'De priesters uit de tempel van Zeus te Dodona vertelden dat de eerste orakelspreuken uit een eik gekomen zijn. Zo namen de mensen van toen, die immers nog geen knappe koppen waren, er in hun eenvoud vrede mee, naar een eik of een rots te luisteren, wanneer deze waarheid sprak'. (S. IJsseling,  De eik van Dodona, een beschouwing over de boom in de filosofie, in Streven januari 1968). 

Heidegger

De Duitse filosoof Martin Heidegger (1899-1976) was een man van het platteland. In het werkje van 1953 vertelt hij hoe hij als volwassene soms nog terugkeerde naar de houten bank onder een hoge eik waar hij als kind met zijn vader vaak naartoe gewandeld was. Onder die eik zat hij zich dan te verdiepen in de grote wijsgeren die hem de weg gewezen hebben in het denken. Jaren later, na zijn eigen weg gevonden te hebben, komt hij nog eens bij de eik, en beseft daar hoe de boom hem heeft aangesproken, en ook nu nog spreekt. Weer laat ik mijn bron, dezelfde waaruit ik al geciteerd heb, aan het woord. 

Het woord van de boom openbaart dat wat werkelijk groot en verheven, goed en degelijk is, groeit met de traagheid van de eik; dat er slechts van echte wasdom sprake kan zijn wanneer de mens bereid is te luisteren naar een hemel die geopend wordt door de takken die als vragende armen naar de hemel reiken, en wanneer hij diep geworteld is in de aarde die alles draagt en waaruit alles voortkomt en weer in terugkeert. Het openbaart wat eigenlijk wasdom en groeien of tot stand komen is. De mens moet om tot echte resultaten te komen en om tot een ware volwassenheid te geraken, gehoor geven aan een stille stem en een geheimvol woord dat tot hem komt 'uit een andere wereld' en hem te deken geeft, dat hem uitnodigt om op weg te gaan en dwingt voort te gaan. Hij moet bereid zijn de zegen van de aarde te ontvangen en zic h geborgen weten in een geheim dat hem behoedt voor ontheemding of ontworteling. Het spreken van de eik openbaart de absurditeit van het alleen maar werken om de arbeid zelf, van het eindeloze plannen en rekenen, passen en meten, van het jachtende voortrennen zonder inkeer en stilte om bij zichzelf te zijn en bij de dingen te verwijlen. De arbeid, uitsluitend verricht om de arbeid zelf, neemt een hoge vlucht in onze dagen. Maar zoals Ikaros, die eigenhandig de hemel probeerde te openen door zich vleugels aan te meten, noodlottig neerstortte, zo loopt de hedendaagse mens, die zichzelf ontvlucht en verliest, het gevaar zich te pletter te lopen in een wedloop die op niets uitloopt.  

Dergelijke arbeid ontneemt de mens zijn vrijheid en zijn tijd. Deze vrijheid is geen luxe, maar het wezen van de mens; en de tijd is geen geld, maar het de mens toegemeten deel, het mens-zijn zelf. Luisteren naar het spreken van de eik brengt daarentegen vrijheid en vreugde. De eik is als het ware de ontkenning van de zelfgenoegzame zelfzekerheid van de mens, en daarmee schept hij ruimte en orde. Het spreken van de eik geeft de mens een thuis, een plaats waar hij kan inkeren in zichzelf en waarnaar hij kan terugkeren op de dwaalweg die hij aflegt. De eik verleent de mens een wereld en een ruimte waarin hij kan zijn wie hij is. Hij openbaart de mens aan zichzelf, maar dan niet in de zin als zou de mens eerst ten volle zichzelf zijn en vervolgens ook nog openbaar zijn aan zichzelf. Het openbaar worden van de mens voor zichzelf is echter het zich voltrekken van zijn wezen. Het woord van de eik is de verklaring van de mens; zijn wezen wordt in de aanwezigheid van de eik tot klaar heid gebracht. Dit wezen is een gaan door de tijd die de zijne is, en een staan of standhouden in een beweging tussen geboorte en dood. De eik die daar stil staat en toch vol leven is, die in de herfst zijn bladeren verliest en ze weer opnieuw ontvangt in een komende lente, is een beeld van de zwerftocht van de mens op aarde vanaf het geboren worden tot aan het sterven.  

Natanaël

Natanaël en Jezus ontmoeten elkaar (Joh. 1, 45-50). De evangelist stelt Jezus graag voor als paranormaal begaafd: 'Het was niet nodig dat iemand hem over de mens inlichtte: hij wist wat er in de mens stak; (2,25).  Deze voorstelling staat in dienst van een theologische bedoeling: in Jezus komt een andere wereld op ons toe, de wereld van de verbondenheid met de Vader, welke de Zoon een scherpe blik geeft op de weg die hij moet gaan, en op de mensen waaronder zijn weg hem voert. Zo complimenteert hij Natanaël, direct al bij een eerste contact, met de woorden: 'Dat is nu eens een ware vertegenwoordiger van het godsvolk, een man in wie geen bedrog is'. Natanaël wordt hierdoor des te meer overrompeld omdat hij zojuist nog gezegd had, van iemand uit Nazaret niet veel goeds te verwachten. 'Hoe kent u mij?' vraagt hij verrast. Tot zijn nog grotere verrassing zegt Jezus: 'Voordat Filippus je geroepen heeft, had ik je al gezien: toen je onder de vijgeboom zat'.

Klaarblijkelijk had Natanaël zich daar door niemand gezien gewaand. Wat deed hij daar? De lezer moet nog maar eens de tarotkaart op zich laten inwerken. Hij realiseerde zich ook dat Natanaël van deze woorden van Jezus dermate onder de indruk is, dat hij reageert met hem te erkennen als 'de zoon van God, de Koning van Israël'. Als de lezer dan ook nog bedenkt dat Natanaël niet 'onder een vijgeboom' maar 'onder de vijgeboom' zat, dan zal hij wel moeten aannemen dat deze daar niet zomaar een middagdutje deed (de 'eenvoudige, voor de hand liggende verklaring', aldus indertijd H. Van den Bussche).

De oud-joodse literatuur bevestigt deze veronderstelling. 'Onder de vijgeboom zitten' was een rabbijnse uitdrukking, waarin de vijgeboom stond voor de kennisboom, en die zoveel betekende als: bezig zijn met de Tora. Schriftgeleerden waren overigens gewoon zich onder een boom aan de studie van de Schrift te wijden. De wijsheid die de mediterende of de zich bezinnende mens uit Oost en West, in het verleden en het heden, onder een vijgeboom, een plataan of een eik probeert te leren proeven, is in de bijbel geworden: de smaak voor het verhaal van bevrijding dat God eertijds is begonnen en in ons leven wil voortzetten. Zou ook op ons niet de blik van de Heer rusten als we -in de vakantie bijvoorbeeld- Natanaël eens letterlijk zouden navolgen?  

Luc Geysels s.j.


De moerbeiboom

(Er was eens een moerbeiboom. Een gezellige boom, met een dikke, stoere stam en brede kruin. In de lente prijkte hij vol witte bloemetjes, net een bruidsboeket. En in de herfst, prachtig, dan was hij zwaar van honderden, harige vruchtjes. Zo smakelijk als frambozen.

Hij was best een aardige moerbeiboom. Hij was terecht redelijk tevreden over zich zelf. Bovendien liet de boer zijde-rupsen leven op zijn grote vingerbladen.  Die rupsen vraten wel zijn bladeren kaal. Maar de moerbei troostte zich: Ze sponnen fijne draden tot zij en men maakte er kleurige shawls van en sierlijke gewaden. Ja, hij voelde zich een nuttige boom en de mensen waren tevreden over hem: kijk eens wat een geslaagde moerbeiboom')

Alleen er was iets niet in orde met zijn wortels. Hij praatte er met niemand over. Trouwens hij had het veel te druk met zijn rupsen en zijn werk aan de vruchten en er moest nog dit en er moest nog dat. Maar ja, die wortels. Och, hij geloofde wel dat er ergens een Bron van levend water moest zijn. Jaren geleden had de moerbeiboom daar volop van geleefd. Hij voelde echt contact met de Bron; het gaf levensmoed en stille vreugde. Een vrede die niet van deze wereld kan zijn. Hij wist nog dat hij toen eigenlijk een gelukkige boom was, in ieder geval met gezonde wortels. Maar nu waren zijn wortels aan het verdorren. Ze hadden geen verbinding meer met het water. Het zei hem allemaal niets meer. En geloven in de grote Aanwezige en stil worden bij het Geheim van het leven? Hij vond het steeds moeilijker.

Soms dacht hij: het ligt aan mijn omgeving. Al die veranderingen ook; ik voel me niet meer thuis. Of dan dacht hij: ze moesten meer eisen stellen en de grond eens goed omspitten en dorre takken afkappen. Maar 's avonds als het weer rustig geworden is, moet hij eerlijk bekennen: het probleem zit in mijn wortels. Ze graven niet diep genoeg, ik flodder zo maar wat aan, het persoonlijke contact, de echte bezieling is er uit. En dan ruist een smeken door zijn takken. Het leek wel of er tranen hingen aan de topjes van de bladeren, die al geel werden. 'Geef mij meer geloof'. 

Er was eens een mosterdzaadje. Dat lag zo toevallig naast die grote zekere moerbeiboom met zijn ongekend verdriet. Dat zaadje was maar onooglijk; je zag het over het hoofd, echt een prutsding van niets. Het lag in het gras te staren naar zijn naaste, de moerbeiboom. Het mosterdzaadje had ook zijn zorgen. Niet over zichzelf, want hij had een groot geloof. Hij had serieuze zorgen over zijn buurman. Als er storm zou komen, een flinke najaarsstorm van beproeving of vervolging of een ernstig verdriet, dan zou die machtige boom met zijn zwakke worteltjes zeer waarschijnlijk kapseizen.

Op een goede dag vatte het mosterdzaadje al zijn geloof bij elkaar en met een flinke stem zei hij tot moerbeiboom: 'maak uw wortels los uit de grond en plant ze in de zee'. Gos, hij schrok er zelf van. De moerbeiboom reageerde aanvankelijk niet. 'Ik zal er nog eens een nachtje over slapen'. Maar midden in de nacht bracht het geloof van het mosterdzaadje de grote boom in beweging. Hij maakte zijn wortels los en tsjoep hij zweefde in de lucht. Hij voelde zich hopeloos raar. Zijn takken in de ijle lucht, de bladeren bungelden losjes, hij was al zijn zekerheden kwijt. En hij had met zijn wortels geen vaste grond meer onder de voeten. Hij voelde zich leeg en hulpeloos. 'Mijn God, houd me vast. Op u alleen vertrouw ik. Help me, ik val naar beneden.

Het mosterdzaadje keek naar boven, naar die zwevende moerbeiboom en bad en smeekte dat hij zou blijven vertrouwen in zijn geloof. Na een tijdje door de lucht gezweefd te hebben, begon de moerbei er een beetje plezier in te hebben. Hij was niet meer zo bezorgd over zich zelf. Hij zag de mensen met hun zorgen en de steden met hun verdriet. Hij zag van boven af dat alle torens eigenlijk even hoog zijn. En dat God de zon laat opgaan over goeden en kwaden. Vooral een grote ontdekking deed de zwevende, onzekere moerbeiboom; dat hij eigenlijk maar heel klein was, een nederig boompje tussen de wolken. Wat een fantastisch fijne ervaring: een klein eenvoudig moerbeitje, gedragen door de wind. Gaandeweg kreeg hij meer geloof in de sterke Hand die hem vasthield en die hem niet naar beneden liet tuimelen.

Ja, en toen gebeurde er weer iets raars. De moerbeiboom kwam langzaam naar beneden. Het leek alsof de sterke hand van God zelf hem naar beneden duwde. Doch hij kwam niet meer terug op zijn oude vertrouwde plekje van zijn kwasi-zekerheden, niet in de tuin, waar alles was geordend. Anders zou hij denken dat alles maar een droom was geweest. Neen, hij werd in de zee geplant. Hij rilde er van. Een moerbeiboom midden in de zee.. De mensen keken hun ogen uit. Die gezellige oubollige boom was nu een baken in zee. De schepen bepaalden hun koers door op hem te letten. Hij wees de weg in het leven van de mensen. J‚, en zijn wortels... Zij begonnen geweldig te groeien, meters diep in de bodem, want hij wilde stevig staan bij alle golven en stormen. Zijn geloof begon heel sterk te worden, in een heel persoonlijk contact met zijn Grond. Zijn liefde, och die werd zo wijd als de zee. Hij wou soms alle mensen wel omarmen en onder zijn bladeren laten schuilen. 's Avonds als de sterren begonnen te lichten, dan huilde hij niet meer. Je hoorde een zacht smeken in zijn takken: 'mijn God, geef mij meer geloof, om voor anderen een teken van hoop te zijn'.

Bijna was hij het mosterdzaadje vergeten. Het was ook zo klein en nietig. Nou, die was natuurlijk blij dat hij weer eens de blijde boodschap had kunnen doorgeven met zijn stevig geloof. Hij was blij dat de moerbeiboom, zijn vriend, had geluisterd en gehoorzaamd. Hij was blij dat hij het onnutte knechtje was die alles had gedaan wat hem was opgedragen. Hij stond er niet te lang bij stil. Hij had al weer andere zorgen. Naast hem stond een populier, die met alle winden meewaaide. Maar hij had geen diepe wortels...

'De apostelen zeiden nu tot de Heer: 'geef ons meer geloof'. De Heer antwoordde: als ge een geloof had als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee, en hij zou u gehoorzamen'. (Lucas 17, 5-6). 

Jan van Deenen s.j.


In al de muren van de tempel (Paradijsbomen)

('In al de muren van de tempel liet Salomo rondom kerubs, palmbomen en bloemreliëfs snijden': het wordt zo terloops vermeld in de beschrijving van de door Salomo gebouwde tempel. Wij zouden bij deze onschuldige versiering van de tempelmuren niet stilstaan als niet de bijbel zelf, in een latere tekst, op twee van de drie motieven was teruggekomen, zodat we ons de versiering wat duidelijker kunnen voorstellen. In het visioen waarin hij de herstelde tempel beschrijft, heeft Ezechiël het ook over de lambrizering: 'Daarop waren afwisselend kerubs en palmen aangebracht. Elke kerub had twee gezichten: een mensengezicht gekeerd naar de palm aan de ene kant, en het gezicht van een leeuw gekeerd naar de palm aan de andere kant.' (40,18-19).)

Als het alleen maar kerubs waren, zou het antwoord eenvoudig zijn: deze gevleugelde stiermensen plegen in het oude Oosten, als een soort buitenwereldlijke lakeien, op wacht te staan bij paleizen en tempels. Als behoeders van het heilige kunnen ze door Israël in dienst genomen worden om het Adonai-geloof een minimuum aan plastische uitdrukking te geven. Zo vormen zij een geschikte troon voor de onzichtbare God. Zo zouden ook de kerubs op de tempelmuren naar de aanwezigheid van God kunnen verwijzen. Maar wat doen wij dan met de palmen, waarmee de kerubs blijkbaar een eenheid vormen? 

Kerubs

Salomo en Ezechiël konden moeilijk anders dan aan het oud-oosterse symbool van de levensboom denken. Als wij uit de fries die palmen en kerubs bij Ezechiël vormen, één enkele palm  nemen met aan weerszijden een kerub (slechts met één gezicht dan, dat wat naar de palm in hun midden gekeerd staat), dan zien wij duidelijk een motief verschijnen dat zich vanuit de semitische wereld in talloze variaties wijd en zijd heeft verspreid: een gestileerde boom, geflankeerd door twee naar de boom gekeerde figuren: dieren, menselijke gestalten of gemengde wezens zoals kerubs. Soms werd de reeds schematische boom nog verder gestileerd of zelfs van zijn takken ontdaan, zoals boven de leeuwenpoort van Mycene, zo genoemd naar de twee leeuwen links en rechts van een zuil. In de Middeleeuwen is, via de Arabieren, het motief tot in onze gewesten doorgedrongen, waar het vooral op wapenschilden voortleeft.

Wat het motief betekent, is niet overal even duidelijk. Maar waar de boom door kerubs geflankeerd wordt, staan wij in ieder geval voor een heilige boom. En dat kan alleen maar de levensboom zijn. Denk aan het bijbelse paradijsverhaal, waar kerubs de weg naar de levensboom moeten bewaken. En volgens een heel aannemelijke vertaling van een ietwat duistere tekst van Ezechiël wordt de koning van Tyrus vergeleken met een kerub, door Jahwe aangesteld om de godentuin te bewaken (28, 14-16). De schrijver van het tempelvisioen van Ezechiël heeft dus, met Salomo, een bekend motief uit de hem omringende wereld overgenomen. Wat kan hem daarbij bezield hebben? In Jeruzalem ziet hij aan de oevers van de rivier die aan de ingang van de tempel ontspringt, paradijselijke bomen groeien, waarvan de bladeren niet verdorren en die nooit zonder vruchten zijn (47, 12; het zijn dezelfde bomen die de schrijver van de Apokalyps ziet staan aan de rivier die midden door het hemels Jeruzalem stroomt: 22,2).

Dan zal Ezechiël wel geweten hebben wat hij deed bij het ontwerpen van zijn fries voor de nieuwe tempel. Deze neemt in die fries de paradijselijke landelijkheid van het gebied rondom Jeruzalem in zich op. En deze paradijselijkheid kan niet beter uitgebeeld worden dan door de levensboom: de traditionele behoeders van het heilige staan ernaast om duidelijk te maken over welke boom het gaat. Wat echter tenslotte uitgebeeld wordt, is meer dan de vruchtbaarheid van het land: de volheid van leven van de mens. Als de mens verandert, wordt ook alles om hem heen anders.  

Palmboom

En waarom is deze levensboom nu juist een palmboom? Vermoedelijk was deze erg geschikt als decoratiemotief, want ook de penanten van het poortgebouw waren ermee versierd (Ez. 40,16). Maar er moet meer zijn. Voor de nomaden die de Israëlieten waren geweest, was een boom een bijzondere belevenis: in de woestijn gaven bomen de plaats aan waar water was. Antoine de Saint-Exupéry vertelt hoede Mauretaanse opperhoofden die hij naar Senegal gevlogen had, tot tranen toe ontroerd waren, toen ze daar bomen te zien kregen. Nu waren het vaak palmbomen die in de oasen groeiden. De eerste rustplaats die de Schrift na de doortocht van Israël door de zee vermeldt, is de oase van Elim: 'een plaats met twaalf bronnen en zeventig palmen' (Ex. 15,27).

Hierbij kwam dat de palmboom een bijzonder mooie boom was. In de bijbel komt het Hebreeuwse woord voor palm, Tamar, een paar keer als meisjesnaam voor. In het Hooglied roept de bevalligheid en slankheid van de bruid het beeld van de palm boom op (7, 8-9). Door de sterkte en de duurzaamheid van zijn pracht kon de palm echter ook gelden als symbool van de rechtvaardige: De rechtvaardige gedijt als een palmboom, als een Libanonceder schiet hij omhoog: die, geplant in het huis van de Heer, in de hoven van God mogen groeien, dragen in hun grijsheid nog vrucht. Zij  blijven sappig en fris. (PS. 92, 13-15).

Geen boomgod

Voor de symbolisch denkende mens is de boom vanzelf een sprekende uitdrukking van levenskracht. De mythisch denkende mens gaat een stap verder en vereert in de boom het mysterieuze leven zelf, vooral als hij door zijn majesteit en hoge leeftijd het goddelijk leven lijkt te belichamen. Die verering kan Israël niet in zijn Adonai-geloof integreren. 'Het bijzondere van de ontwikkeling van het godsbeeld in de bijbel is, dat de ene God zich heel geleidelijk losmaakt van de beelden, dat hij zich gaat onderscheiden van de vruchtbaarheidsgodinnen, van de storm- en boomgoden, en tegenover hen komt te staan... Eerst is de boom de godheid. Dan woont de god in de boom. Dan duidt de boom de plaats aan waar de god te vinden is. Dan gaan boom en god ieder een eigen bestaan leiden. Tenslotte wordt de boom een schepsel Gods, dat -in de beeldspraak van de bijbel- God looft om zijn bestaan'.  (J.Zink).

De boom wordt voor Israël ook een teken en een beeld van de nabijheid en mildheid van Jahwe. Toen ze nog door de woestijn trokken, had de ziener Bileam, die op verzoek van de Moabieten Israël moest vervloeken, niet anders gekund dan hun glorieuze toekomst schouwen: Hoe mooi zijn uw woningen, Jakob, als valleien strekken zij zich uit, als tuinen aan een rivier, als aloëbomen door Jahwe geplant, als ceders die staan aan het water. (Num. 24,6).  

'Door Adonai geplant' zegt Bileam. De God die als degene die 'er voor hen is' achter hun lotgevallen stond, staat ook achter de weldaden van de natuur. Hij die bij de bevrijding uit Egypte Israël als volk had geschapen, is ook de Schepper van het land waarheen hij hen voert. Nu wordt voor de schepping van de bomen in het eerste scheppingsverhaal maar een halve dag van de zes uitgetrokken. Maar in het tweede scheppingsverhaal valt heel het scheppingswerk nagenoeg met de schepping van de bomen samen. Dat komt omdat de verteller vooral in verband met de landbouw een dringende waarschuwing kwijt wil. In de landbouw, die de bron van zegeningen kan zijn, ziet hij tevens, vanwege het lonken van Israël naar de Kanaänitische vruchtbaarheidsgodsdienst, de grote bedreiging en de mogelijke bron van onheil. Daarom vertelt hij een verhaal dat Israël eraan zal herinneren aan wie het het land en zijn vruchten te danken heeft, en waaruit het kan leren wat het moet doen en laten, wil het de gave van het land niet verspelen. Vanzelf diende zich de mythische voorstelling van de godentuin aan als beeld voor het land en voor het geluk dat met het bezit daarvan verbonden was. De bomen die Jahwe laat opschieten, zijn dus 'aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten'. Deze opmerking wijst echter ook op de verleiding die er in Adonais gaven kan liggen. De mens loopt het gevaar het leven dat Jahwe aanbiedt, verkeerd te verstaan. Hoe zit het precies met dat leven?  De voorstelling van de twee bomen in het midden van de tuin wil dit verduidelijken.  

Als een boom aan de rivier

Als visueel symbool is de levensboom, zoals gezegd, in de loop der eeuwen voorgekomen. In verschraalde vorm leeft hij voort in de heraldieke lelie, die wij vaak op wapenschilden zien. Ook voor ons is hij nog een begrijpelijk beeld: in sprookjes van Grimm bijvoorbeeld duikt hij soms zonder nadere uitleg op. De onverwoestbare levenskracht die spreekt uit het steeds weer uitbotten van de boom in de lente, alsook de ontzettend hoge leeftijd die een boom soms bereikt, verklaren voldoende het ontstaan van het mythische beeld van de onsterfelijkheid schenkende boom. Voor de verteller van het paradijsverhaal is deze boom, die niet voor niets in het midden van de tuin staat, de samenvatting van heel de tuin: het beeld van het lang en gelukkig leven van het volk op zijn grond, in gemeenschap met Adonai. Dit laatste aspect van het 'leven' dat de boom symboliseert, de gemeenschap met Adonai, de bron van alle leven, zou Israël wel eens uit het oog kunnen verliezen. Waarin zoekt een mens al niet geluk, welzijn, toekomst, leven? Israël dreigde 'leven' te zien als een goddelijke natuurkracht, die zij door magische praktijken naar hun hand dachten te kunnen zetten. 'Kennis van goed en kwaad' opdoen heet dat in het verhaal, d.i. macht over geluk en ongeluk veroveren. Zelf de plaats van Adonai innemen. 'Kennis van goed en kwaad' is immers een goddelijke eigenschap. Ook die wordt gesymboliseerd door een boom. Tussen levensboom en kennisboom, in de zin van wijsheidsboom, is er niet zo'n groot verschil. Maar de toevoeging 'van goed en kwaad', een uitdrukking die een totaliteit uitdrukt, maakt de kennisboom tot een boom waar de mens -uiteraard en in zijn eigen belang- af moet blijven. Hij staat eveneens, naast de levensboom, in het midden van de tuin, om duidelijk te maken dat de mens, om ten volle mens te zijn, God moet laten zijn. Dat hij niet als resultaat van menselijke prestatie moet willen bereiken wat hij slechts als gave van God kan ontvangen.

Een bekend gedicht, dat tussen de orakels van Jeremia staat, stelt tegenover degene die slim denkt te zijn en zijn houvast in menselijke beveiliging zoekt, de man die op Adonai vertrouwt. Precies die wijsheid is het die het paradijsverhaal ons wil bijbrengen. Alleen de voorstelling is een beetje anders: de man die op Adonai ver trouwt, woont niet te midden van paradijsbomen, hij is zelf ...als een boom geplant aan een rivier, met zijn wortels tot in het water. Laat de hitte maar komen, hij merkt het niet: zijn bladeren blijven groen. Laat er een tijd van droogte komen, het deert hem niet: hij blijft vruchten dragen. (Jer. 17,8).

Luc Geysels s.j.


Bomen zijn niet alleen natuur (Omgang met bomen) 

Bomen zijn niet alleen natuur. Ze zijn evenzeer cultuur. De boom in het oerwoud is nameloos onderdeel van blinde woekering. De mens heeft de boom apart gezet. Hij plant een boom bij het huis, bij het water, aan weerszijden van de weg. Ik heb tuinen en parken aangelegd, zegt koning Salomo, en ze met allerlei fruitbomen vol geplant.

Bomen hebben namen gekregen, zoals de dieren, de planten, de sterren. De mens snoeit de bomen, ent en veredelt ze. Door de boom wordt hij mens: verzorger, behoeder. Iedere boom is levensboom. Sappen worden omhoog gezogen door de schors. Groei speelt zich af vanbinnen, in het verborgene. Groei is onzichtbaar, onhoorbaar.

Jaarringen zijn de traagst denkbare zandlopers. Wie een boom plant, gaat een verbond aan met de tijd. En leert wat geduld is. Plant een boom, als er een kind geboren wordt. Dan zie je ze samen groeien. Het kind snel, de boom langzamer. Maar hij wordt groter dan het kind, de vrouw, de man. En duurt langer.

Ik verzamel bloesem van linde en vlier. Ik pluk de vruchten van kerselaar en pruimenboom. Dan de peren, de appelen. De najaarswind slaat de okkernoten los: ik raap de laatste vrucht van het jaar uit het vochtige gras. Nu komt de winter. Alles heeft zijn tijd.

Zolang je er de kracht toe hebt, moet je een keer per jaar in een appelboom klimmen. Om te voelen hoe de boom gewillig loslaat wat hij maanden lang heeft gedragen. Om dankbaar te zijn en te zeggen dat het goed is. Het bestaan is gezegend. En als de oogst schraal is meer genieten van minder.

In de krant van vandaag, Mother Lea Provo, stichteres van Sevapoor, bij Madras, een dorpsgemeenschap in de geest van Gandhi: 'De aanleg van een tuin was ‚‚n van de eerste dingen. We plantten er fruitbomen in. Je doet er niets aan en toch vallen de vruchten, elk seizoen. Je moet alleen je hand uitsteken. Fruit is geweldloos voedsel'. Ik zou, denk ik, niet zoveel houden van een boom 'die twaalfmaal vruchten draagt,

elke maand eens' (Apok 22,2). Het is teveel. Ik zou minder verwonderd zijn, minder dankbaar. Een keer per jaar is voldoende. Dan ben ik weer diep met de tijd verbonden. De gestalte van de boom. Zijn wortels. De donkerte waar alles begint. Ik heb donkerte nodig, grond, diepte, slaap, onbewogenheid. Zijn kruin. Reiken naar het licht.

Speling van twijgen en bladeren. Ik heb hemel nodig. Hoogte. Licht. Bewogenheid. De stam is ernst. Is kracht. De zijtakken: spanning naar alle zijden. Evenwicht van spanningen. Met de seizoenen  verandert zijn gestalte. Voor mij is hij het zuiverst boom in de  winter: naakt skelet, boom tot zijn pure vorm herleid.

Met de seizoenen verandert zijn relatie tot het licht. Pril en speels het licht van het voorjaar door nieuw groen en bloesems. Hoog en ernstig de zomerzon boven de volle kruinen. Het wijkende, zinkende najaar kleurt boom en glad en grond. Het lage, schaarse winterlicht rust op zijn lege takken.

Mensen vragen om je aandacht. Zie je me? Hoor je me? Wil je? Kun je? Mensen wekken en prikkelen je, dagen je uit. Bomen dringen zich niet op. Ze zijn er, als alle zwijgende dingen, water, aarde, steen en plant. Ze vragen of willen niets van je. Ze zijn er, als je oog ze nodig heeft of je hand. Daarom zijn bomen herbergzaam.

Vogels wonen erin. En kinderen soms. Tussen bomen wandelen. Opgenomen zijn. Rust vinden. Laat de bomen leven. Maar laat ze ook sterven als hun tijd is gekomen. Laat dendrologen zieke bomen genezen. Maar houd stervende bomen niet in leven tegen hun wet en wil, met injecties en ijzeren hoepels om hun stam. Oude mensen zeggen: Eens stond hier de linde op het plein. Ook dat is goed. Ik ben geen meester over leven en dood. Ook bomen zijn eindig.

Frans Cromphout s.j.


De eerste stof die Mozes (Jezus is onze mirreboom)  

De eerste stof die Mozes moest zoeken om de olie voor de zalving te bereiden was mirre. De mirreboom is vijf maten lang: hij heeft dus de grootte van een mens. Zijn  vrucht, de mirre, is bijzonder groen en zij verspreidt een zoete geur, maar zij is zeer bitter van smaak.  De bewoners van Arabië, waar die boom groeit, verbranden zijn  jonge scheuten die uit de stam schieten, om de boom beter te doen groeien en om hem meer vrucht te laten dragen. Zijn vrucht is de afgescheiden gom, die men mirre noemt.

Deze mirre vloeit uit de boom door de kracht en de hitte van zon of als de schors van de boom gekwetst wordt. Deze mirreboom beschouwen wij als een symbool voor Jezus Christus, die in zijn vlees werd gekwetst. Hij zegt toch zelf: 'Een goede boom brengt goede vruchten voort ' (Mt. 7, 17). Zijn overvloedig lijden is die goede vrucht, waarvan wij leven. Dit lijden is een teken van genade, want het behaagde aan zijn hemelse Vader. Het verspreidt een zeer zoete geur. Want die geur geneest zieken en gewonden, doet doden verrijzen, haalt de vrienden Gods uit de hel en brengt alle levenden in de goddelijke glorie. Maar dit lijden was zeer bitter van smaak, want Hij kon het slechts voltooien met zijn dood. Ziet, dit lijden is een uitgelezen soort mirre, want zij is uit de boom gevloeid door de kracht en de hitte van de zon, d.i. door goddelijke mirre.  Zij vloeide ook uit de kwetsuur van de boom, want het gracieuze lichaam van ons Heer werd een grote wonde.

Wij moeten deze mirreboom, d.i. Jezus Christus en zijn lijden, midden in ons hart planten.  En zijn jonge scheuten moeten wij verbranden; dat zijn alle gedachten die zijn lijden bij ons oproept. Wij moeten die gedachten vermengen met het vuur van onze minne, zodat zij medelijden wekken, innige devotie, gevoelens van lof en dank.

Op die manier zal de vrucht van zijn lijden in ons altijd groeien en toenemen. Maar gij moet wel weten dat het overwegen van zijn lijden bijzonder aangrijpend en bitter is voor alle mensen die Hem met gevoelige liefde beminnen. Zulke mensen zijn van meet af aan te haastig en te onbedacht in het volbrengen van uitwendige werken en zij zijn te hard en te streng voor zichzelf in het versterven van hun lichaam. En zo vallen sommigen in een of andere ziekte, anderen verliezen het normale gebruik van hun zinnen en weer anderen krijgen beide kwalen, wat nog erger is. Daarom moeten wij te werk gaan als de bewoners van Arabië. Dezen zouden zich zware ziekten op de hals halen, als zij jonge scheuten van de mirreboom onvermengd verbranden, omdat de geur dan al te sterk is. Daarom gaan ze listig te werk: zij zoeken eerst gom van een andere boom die storax heet, en die gom verbranden zij samen met de  mirrescheuten. De zachte en zoete geur van die gom verkwikt hun innerlijk gemoed en beschermt hen tegen alle kwalen. Storax is dus de naam zowel van de boom als van zijn vrucht. Deze boom is een zachte en vette plant, waaruit een soort wit sap loopt, zoet als honing. Vloeit dit sap tot op de grond, dan wordt het onzuiver, maar blijft het kleven aan de boom of aan zijn twijgen, dan wordt het hard en rood door de hitte van de zon. Als men het in die vorm verbrandt, dan verblijdt de geur allen die hem opvangen.

Dit alles leert ons hoe wij het lijden des Heren moeten overwegen. Wij moeten zijn gevoelige mensheid beschouwen als een mirreboom, rijk beladen met de bittere mirre van zijn lijden. En wij moeten tegelijk zijn godheid beschouwen, rijk voorzien van alle rijkdom en alle weelden, die zoals de storaxboom voortdurend het sap laat lopen van zijn genaden. Want alles wat wij hebben en zijn, zowel van binnen als van buiten, zijn geschenken en gaven. Deze zijn zuiver en honingzoet, omdat zij alle uit zijn goedheid voortvloeien. Als deze gaven op aardse mensen neerkomen, worden zij besmet. Want zulke mensen willen God niet dienen met hun leven noch met alles wat zij van Hem gekregen hebben. Op die manier maken zij Gods gaven onzuiver.

Maar als zijn gaven op de twijgen van de boom vallen, dit is op mensen die liefdevol met Hem verenigd zijn, dan blijven zij zuiver en worden rood onder de hitte van de zon, dit is door zijn eeuwige minne. Die rode gom moeten wij op het vuur leggen van onze eigen minne. Dan wordt de geur zo zoet en zo vol weelde, dat hij allen die hem opvangen, verblijden doet.

Jan van Ruusbroec


Wortels

(Reeds voor kinderen zijn de knoestige wortels van een boom in het bos een mysterie dat aantrekt en bevreesd maakt. Soms half blootgelegd door het water in een beekje of een moddersloot, wijzen ze, zo heel anders dan de takken in de klare lucht, naar de geheimzinnige donkere aarde. En wanneer dan nog grote diepe gaten tussen de pezige stronken verlokken om even naar binnen te kijken, als naar het huisje van een fee of een kobold, dan voelen kinderen zich wonderlijk verbonden met het leven, groeiend en gevaarlijk tegelijk. Aan de wortels ervaren ze iets van de oorsprong, van de oergrond).

En sommigen zien al hoe de wortels een oude schatkist omvingeren of het graf van een dode prins toedekken. Kinderen worden bekoord door het geheim van de wortels.  Als heel klein kind ging ik zo 's morgens eens kijken naar de aspergebedden in onze tuin om te zien of de 'mysterieuze wezens' aan de onderkant van de aarde (die ik nog als een schijf dacht) de tere stengels al wat verder geduwd hadden tot de kopjes de oppervlakte deden barsten. Maar kinderen ervaren ook vlug dat men wortels moet eerbiedigen. Zo vertelt de oude kanselier Konrad Adenauer ergens dat hij dit als kind leerde toen hij, al te nieuwsgierig, kleine, onvolgroeide radijsjes uittrok om te zien wat er onderaan gebeurde - en natuurlijk verdorden de radijsjes. Aan de wortels raakt men niet ongestraft. Wortels hebben iets te maken met vaderschap en moederschap. Zij wijzen naar de schoot van moeder aarde en naar de mysterieuze kracht van heel klein zaad. Men zou ook eigenlijk beter spreken van een stamwortel dan van een stamboom. En ieder heeft wel ooit momenten in zijn leven gekend waarin hij die stamwortel ondervraagt, wil weten of men in liefde ontstaan is en met liefde aanvaard door moeder en vader. De wortels van elk mens liggen in vele voorbije generaties, geboren uit grote en kleine liefdes en soms geheel wildweg als in de grillige natuur, meer door toeval dan ontmoeting. Maar zoals bij de bomen, waar men de wortels veelal niet ziet, zo blijven ook de wortels van een mens voor de anderen en tevens voor hemzelf grotendeels verborgen. Ouders en grootouders herkennen hier en daar iets, maar ook zij weten dat elk kind vanuit gisteren meer geheimen bergt dan wie ook kan ontraadselen.

Wortels vergen eerbied en vertrouwen. Mensen kunnen elkaars diepste wortels in  tederheid raken maar ook onherroepelijk kwetsen. Elke mens moet zijn eigen wortels beschermen op straffe van identiteitsverlies. Hij moet ergens 'voeten in de aarde hebben'. En dit houdt heel wat in: verbondenheid met zijn familie, met zijn afkomst, met zijn cultuur, met de natuur. Wij kennen allen ontwortelden. Niet weinige franstaligen in Vlaanderen geven die indruk. Opgegroeid tussen twee culturen, zijn ze dikwijls nergens thuis en maken een oppervlakkige indruk als missen ze een echte humus. De kosmopoliet is daarom dikwijls de moderne Ahasverus; zijn vermeende universaliteit openbaart zwaar wortelverlies door overijld en vroegtijdig overplanten. Zei Chesteron niet dat hij van de hele wereld hield, maar wel vanuit zijn eigen kleine tuin. Ook het collectieve geheugen is een voedende wortel. Het verminderen van lessen geschiedenis is daarom pedagogisch kortzichtig. Hier past de bekende uitdrukking: 'ware traditie is vooruitgang die slaagde'. Wortels krijgen vergt heel veel geduld van ouders en opvoeders; kleine mensenkinderen moeten zacht gedwongen worden in cultuur te aarden. Want alleen duurzame en sterke toewijding geeft jonge mensen die wortels mee die ze doet ontwikkelen tot forse en soepele bomen. Ook voor de mens is het waar: slechts hij, die sterke wortels heeft, mag zijn takken wijd doen uitgroeien zonder gevaar van omver te waaien. En slechts wie wortels heeft mag het wagen over de zee te wandelen- maar die moet het dan ook doen. Wanneer de wortels van de ander eenmaal betrouwbaar zijn geacht, dan moet men ze ook durven vertrouwen. Het dient tot niets steeds maar te woelen in zijn of haar wortels om bijvoorbeeld te zien of de liefde wel heel oprecht is, wel even absoluut of definitief als de eigen liefde. De boom van de ander kan slechts groeien door trouwe zon en regen, door stille winters en spelende lentes, niet door te graven in het mysterie van de wortels. Dit mysterie wordt onthuld door de kracht van de boom, door de beschuttende schaduw en door de steeds weerkerende frisheid van nieuwe bloemen en bladeren. Wanneer men de wortels vertrouwt, durft men verwachten dat ze een onuitputtelijke rijkdom in zich bergen en dat steeds opnieuw scheuten en bloemknoppen zichtbaar worden. Dan weet men ook dat na een storm die zelf grote takken heeft afgebroken, de wortels voedend aanwezig blijven en verdere groei mogelijk maken. Maar ook de krachtigste wortels zijn nooit helemaal gezond. Zij lopen gevaar te verzuren in modder. En wanneer de boom dan omvalt is de verwoesting pijnlijk om te zien. In 'Also sprach Zarathustra' heeft Friedrich Nietzsche dit scherp aangevoeld: 'Het is met de mens als met die boom. Hoe meer hij oprijst omhoog en naar het licht, des te dieper willen zijn wortels doordringen in de aarde, de duisternis, de diepten - het kwade'. Daarom moet elke mens zorg dragen dat de bodem, waarin hij verworteld is, gezond blijft en hij mag deze, zoals in de natuur, lang niet met alles voeden of hij wordt vergiftigd en d e takken rotten en de bladeren vallen af definitief. Ook in het woud der mensen staan giftige en dode bomen, alsof hun wortels zuigen in de hel. Mensen moeten elkaars wortels verzorgen door klaarheid in levensstijl en door neen te kunnen zeggen tegen wie onze wortels bedreigt. Zoals bij de bomen vergt dit alles een zekere afstandelijkheid om niet te verstikken; ook wortels hebben een eigen, veilige ruimte nodig.

Voor een kind reeds wijzen wortels erop dat wij van ergens komen, dat Leven leven geeft en dat een harmonische verbondenheid bestaat tussen al wat leeft. En mystieken worden stil bij de oergrond van alle bestaan. Zij voelen hun wezenskern geboren worden van Elders diep binnenin. Zij weten dat hun eigen diepste wortels slechts leven doordat ze zich drenken aan de heldere rivier in de Stad van Kristal, zoals de boom des levens (Apokalyps 22, 1-3). En steeds opnieuw worden zij uitgedaagd die onzichtbare oergrond te vertrouwen; dat deze trouw zal blijven, ook wanneer de eigen levensboom doorbreekt, ook wanneer de andere boom, met wiens wortels en takken men vergroeid was, sterft en men eenzaam de resterende wintertijd moet trotseren. Tot het ogenblik komt dat aan allen openbaar wordt dat ieder, van welke cultuur of religie, van welke historische of vergeten periode ook, elkaar erkent –zoals Rilke het dichtte - als bloeiende takken op een Wortelstronk. Tot alle eenzame bomen elkaar terugvinden als bloesems op een Levensboom. Tot in elk gelaat de oorsprong gezien wordt en de voltooiing, de trekken van het gelaat van de Ene,  waardoor allen Gods volk worden, een woud van eindelijk levenden.

Jan Kerkhofs s.j. 

uit Engelen in de liturgie

Twee kinderen staan voor een drukke verkeersweg. Het ene schiet snel naar de overkant, het andere wacht een rustig moment af. Vraagt het ene: 'Waar bleef je nou?'. Zegt het  andere: ' Mijn engelbewaarder zei me dat ik beter even kon wachten'.'O ja?, zei de andere, 'die van mij zei: opschieten, het kan nog niet'.

Iedereen snapt dat de handelwijze van deze kinderen eerder samenhangt met het voorzichtige karakter van de een en de waaghalzerij van de andere dan met de inschatting van de verkeerssituatie door de engelbewaarders. Is dat van die engelbewaarders dan maar flauwekul? Of worden wij toch op een of andere manier vergezeld door hemelse geesten? Wat betekenen engelen voor ons? Hoe komen wij ze tegen in de liturgie?  

Hemelse liturgie

In de Bijbel wordt op verschillende plaatsen de uiteindelijke toestand van de mensheid, de grote finale van onze geschiedenis, beschreven als een grote en indrukwekkende plechtigheid, waaraan een onafzienbare menigte van engelen en mensen deelneemt. Je kunt het lezen in de brief aan de Hebreeën en in het boek Apokalyps. Het daar beschreven gebeuren doet nog het meest denken aan een groots opgezette ceremonie zoals je die ziet bij de Olympische Spelen. In plaats van het centraal geplaatste vuur is in dit visioen de aanwezigheid van God zelf het middelpunt.

Engelen vervullen een belangrijke rol in dit visioen. Zij worden de ene keer beschreven als hovelingen, de andere keer als soldaten die samen de legermacht van de hemel vormen. Uiteraard is het een vliegende brigade, voorzien van vleugels, want zij moeten overal tegelijk inzetbaar zijn. De Griekse boodschapper van de goden, Hermes, had ook van die vleugels. 

Namen

De engelen worden in de liturgie met allerlei namen aangeduid. Er zijn negen afdelingen van dat hemelse leger of, wellicht wat vreedzamer, er zijn negen koren die de lofzang voor God zingen. Je komt tegen: engelen, aartsengelen, tronen en vorstendommen, heerschappijen en machten, krachten der hemelen, cherubijnen en serafijnen.  Daarnaast zijn er ook enkele engelen die in de Bijbel met name

genoemd worden. Een van de belangrijkste is ongetwijfeld de heilige Michaël, afgebeeld als aanvoerder tegenover de machten van de satan. Hij is ook degene die de gestorvenen begeleidt op de weg van het aardse leven naar het hemelse leven. In het algemeen is dat trouwens een van de taken van de engelen. Denk aan het 'In paradisum' dat gezongen wordt aan het eind van de uitvaart als de baar wordt weggedragen uit de kerk: 'Mogen de engelen u naar het paradijs begeleiden'.

Heel wat kerken zijn genoemd naar de heilige Michaël. Aanvankelijk probeerden de kerkelijke leiders de engelenverering af te remmen. Men was bang dat er een soort halfgoden van werden gemaakt, tussenwezens tussen God en de mensen. Het gevaar was dat men zich vertrouwder zou gaan voelen met deze wezens die een stuk dichter bij de mensen staan dan met God, die zo ver is. En ze konden toch ook niet op een lijn worden gesteld met de heiligen en de martelaren.

Gabriël is de naam van de engel die aan Maria de blijde boodschap brengt (Lc. 1,26). Zijn feest is dan ook in de buurt van 25 maart waarop Maria Boodschap wordt gevierd. Aangezien dat in de Veertigdagentijd valt, merken we daar niet veel meer van, want alle feesten moeten wijken voor de voorbereiding van Pasen.

Ten slotte is er nog Rafaël, die in het ontroerende reisverhaal van Tobias de trouwe metgezel van de hoofdpersoon is, die hem voor alle gevaren behoedt. Pas op het eind van het verhaal maakt hij zich bekend als een engel van de Allerhoogste. Geen wonder dat Rafaël de patroon is geworden van alle mensen op reis. 

Plafondengeltjes

Het zou te ver voeren om alle bijbelse plaatsen na te lopen waarin sprake is van engelen. Het zijn er te veel. Wat echter steeds opvalt, is de diepe religieuze ervaring die mensen overkomt als er een engel in het verhaal verschijnt. De bootschapper van God verschijnt namens God zelf. Het zijn de momenten waarop God iets teweeg brengt in een mensenleven. De belofte aan Abraham, gedaan door drie engelen die op bezoek kwamen (Gen. 18); de redding van Lot en zijn dochters (Gen. 19); de bemoediging van Jacob die op de vlucht is (Gen. 32, 23); de bootschappers aan de herders (Lc.2); de wachters bij het graf van Jezus (Lc. 24,4); de bevrijder uit de gevangenis van Petrus (Hand. 5).

Pas veel later in de geschiedenis zijn de engelen gedegradeerd tot maatjes voor iedere mens die constant bezig zijn je goede dingen in het oor te fluisteren, terwijl aan de andere kant de duivel met meer succes het tegenovergestelde aan het doen is.

Het is een wonder dat niet meer mensen zijn komen zitten met de ziekte van de gespleten persoonlijkheid. Wat engelen óók geworden zijn: ornamenten in stucwerk. Zo mochten zij met mollige blote billetjes vrome spreuken omhoog houden of op een andere manier als lijstwerk fungeren. Dan is er helemaal niets meer over van die sterke figuren, die de kracht van Gods aanwezigheid mochten laten voelen aan de mensen en tegelijk hun steun mochten zijn. 

In de liturgie

Als wij samenkomen om liturgie te vieren, zijn we tegenwoordig meer ingesteld om ons dagelijks leven aan God voor te leggen en er het licht van de Bijbel over te laten schijnen, dan met een afspiegeling van de hemelse liturgie. We laten de engelen

rond Gods troon bij wijze van spreken hun hemelse gang gaan, terwijl wij ons hier met onze eigen zaken bezighouden. Toch is het goed om dit visioen niet helemaal te laten verbleken. We zoeken immers óók naar ontroerende schoonheid in de liturgie. We hopen iets te voelen van Gods aanwezigheid. We worden uitgenodigd in te stemmen met de lofzang van de engelen bij het Heilige, heilig. En niemand zal verontwaardigd zijn als van het koor gezegd wordt:' ze zongen vandaag weer als engelen'.

(Gerard Broekhuiysen) 


Engelen in de liturgie - Gebeden

In de Bijbel is er een aantal engelen die met name genoemd worden, naast de velen die wij slechts als 'boden' aangeduid horen. Die laatsten maken ons duidelijk dat er van godswege altijd door bemiddeling gesproken wordt, God zelf blijft  buiten ons gezicht. Van de met name genoemden is de betekenis van hun naam boeiend: je mag zeggen dat God zich via hen op drie manieren kenbaar maakt: als makker, bondgenoot van mensen, als genezende kracht en ten slotte, om ons zijn onderscheid van ons kenbaar te maken, als geheel Andere. Het zijn drie thema’s die je biddenderwijze aldus zou kunnen verwoorden: 

Gabriël: God is mijn makker Niet in grote dingen

die opzien baren, niet in tekenen die mensen overdonderen

maar in mensen  die in kleine gebaren, eenvoudige woorden

ons moed inspreken, het hart verkwikken, spreekt Gij zelf ons aan,

zijt Gij onze tochtgenoot, herademen wij om zonder vrees verder te gaan:

stuur die mensen naar ons toe opdat er licht opgaat over ons leven.

 

Rafaël: God geneest

Als wij de weg in ons leven dreigen te verliezen, als onze ogen gesloten zijn

en wij in het duister tasten: komt Gij dan tot ons in helende kracht,

als genezing voor ons dorre hart? Zie naar ons om,

wij wachten op uw komst, wij hopen op nieuwe kracht, tot wie moeten wij ons anders wenden?

 

Michaël: Wie is als God

Hoe moet ik U noemen, hoe kan ik U bereiken,

als Gij niet zelf het zwijgen doorbreekt, onze eigenwaan beschaamt,

onze duisternis verlicht? Geef ons woorden die raken aan uw geheim,

geef ons oren die U horen in de stilte. 

(H. Jongerius)


Engelen in de liturgie - uitleg

Engelen: wezens die tussen God en de mensen staan, die God dienen maar ook voor mensen opkomen, bemiddelaars. Beelden en afbeeldingenvan met name genoemde engelen zijn voor velen van ons uit het zicht verdwenen, restanten uit een verouderd verleden. Ze zijn overbodig geworden, want in onze beleving is God van zijn voetstuk gekomen en naast de mensen komen staan. Er staat met andere woorden niets meer tussen God en de mensen in. (Of hebben we nu de mens op een te hoog voetstuk geplaatst?) Bidden wij voor mensen voor wie deze vredebodes een levende werkelijkheid zijn: dat zij er leefbare oriëntatiepunten in ontdekken; en bidden wij voor mensen die zich niets kunnen voorstellen bij deze herinneringen uit het verleden: dat zij andere leefbare oriëntatiepunten vinden.

Engelen: gedaantes die uit het niets verschijnen en in het niets verdwijnen, onverklaarbare gebeurtenissen die jouw redding hebben betekend, alsof iets of iemand continu over je waakt. Bovennatuurlijke krachten hebben we grotendeels uit onze belevingswereld verdrongen. Als er iets gebeurt wat we niet kunnen begrijpen, dan noemen we het een samenloop van omstandigheden. Leuke dingen zijn een verdienste van onszelf, minder leuke dingen zijn een gevolg van stomme pech. We doen alles om de greep op onze wereld niet te verliezen. Bidden wij voor mensen die zich bij alles richten op krachten van buiten hen: dat zij ook zichzelf durven te vertrouwen, en bidden wij voor mensen die niets willen weten van dingen die onze waarneming te buiten gaan: dat zij ook het onbekende leren te vertrouwen.

Engelen: mensen die er plotseling voor je blijken te zijn en die onverwacht een helpende hand toesteken die het onmogelijke mogelijk maken. Het is gevaarlijk om jezelf te verlaten op andere mensen – ze zouden je kunnen kwetsen. Het is misschien nog gevaarlijker om toe te geven dat je anderen nodig hebt - dat betekent immers toegeven dat je het niet in je eentje kunt, een teken van zwakte. Niettemin is het van tijd tot tijd prettig om te weten dat je niet alleen op de wereld bent.

Bidden wij voor mensen die volledig durven te vertrouwen op anderen ook al zijn die onbekenden: dat zij mensen als engelen om zich heen weten, en bidden wij voor mensen die niet graag op anderen aangewezen zijn: dat zij mensen als engelen om zich heen vinden.


Mijn hart brak - en Huil niet aan mijn graf (bij overlijden)

Mijn hart brak. Een uitspraak van Da Free John bleef maar door me heen gaan: 'Beoefen de wond van de liefde... beoefen de wond van de liefde.' Echte liefde doet pijn; echte liefde maakt je totaal kwetsbaar en open; echte liefde zal je ver voorbij jezelf brengen; en daarom zal echte liefde je vernietigen. ik moest steeds denken, als liefde je niet verbrijzelt, ken je geen liefde. We hadden beiden de wond van de liefde beoefend, en ik was verbrijzeld. Als ik er op terug kijk, komt het me voor dat we op dat eenvoudige en direkte moment beiden zijn gestorven. 

Huil niet aan mijn graf; Daar ben ik niet. Ik slaap niet. Ik ben duizend winden die waaien; Ik ben de diamanten schitteringen op sneeuw. Ik ben het zonlicht op rijp graan; Ik ben de zachte regen in de herfst. Als je wakker wordt in de stilte van de ochtend, Ben ik de zwerm van vogels Die in een vlaag opstijgen.

Ik ben de zachte ster die s nachts schijnt. Huil niet aan mijn graf, Daar ben ik niet...


Mijn broer heeft een kind doodgereden

DE SCHULD VAN MIJN BROER

mijn broer heeft een kind doodgereden het was niet zijn schuld het was de schuld van het kind dat niet uitkeek mijn broer reed niet hard het kind was in gedachten het was niet de schuld van het kind zijn moeder had hem recht uit zijn leesboek voor een boodschap de straat opgestuurd de moeder wilde tabak voor de vader die in de fabriek had gestaan en nu moe was zelf had ze geen tijd

mijn broer heeft een kind doodgereden het was niet zijn schuld het was de schuld van het kind het was niet de schuld van het kind  het was de schuld van zijn moeder het was niet de schuld van de moeder het was de schuld van de vader het was niet de schuld van zijn vader het was de schuld van mijn broer niet hoe troost men een broer 

Jan-Willem Overeem


Afscheid nemen is loslaten

VERDER....

Afscheid nemen is loslaten en toch nog iets van die persoon of die plek (waar je geweest bent) in je houden.

Je kunt iemand niet vasthouden. Je moet afscheid nemen ook niet als iets droevigs zien, eerder als blijdschap die mens, die plek laat iets in jouw achter opdat jij ermee verder kunt.

Je kunt blij zijn omdat je zo rijk bent dat je die persoon  hebt mogen ontmoeten dat je op die plaats bent geweest en er vol van bent.

Afscheid nemen is dag zeggen en proberen verder te gaan met de steun die je gekregen hebt.


Hij die sterft laat alles, alles achter - Alles wordt achtergelaten.

Hij, die sterft, laat alles, alles achter. Ook het zijn, het spreken, het luisteren, het denken en vooral het liefhebben. Alles laat hij achter. Hij vertrekt zo bezitloos als hij gekomen is. En de ruimte die er ontstaat met de dood van deze mens, is vol van herinneringen aan zijn spreken, zijn luisteren, zijn liefhebben, zijn goede wil. Dat lijkt leeg, koud en kaal. Maar wie die ruimte durft betreden, voelt en ervaart zijn nabijheid en warmte, zijn liefde en bekommernis.

Zij die achterblijven, verloren een mens, een unieke mens. Maar zijn/haar geest, de geest, waardoor hij/zij sprak en dacht en kon beminnen, blijft leven in anderen. Wie in de Geest gelooft, blijft in leven, al gaat zijn lijf ten onder. En wie zo leeft, in en door de Geest, sterft nooit, nooit omdat de Geest onverwoestbaar is, onsterfelijk, dat is: Eeuwig.


'n Mens heeft niet veel jaren nodig

'n Mens heeft niet veel jaren nodig om iemand te worden, iemand te zijn, betekenisvol voor anderen. 'n Mens heeft niet veel jaren nodig om gemist te worden, node gemist.

Drie jaren zijn het geweest zesendertig maanden, ruim duizend dagen waarin Hij openbaar leefde, die Jezus van Nazareth. Drie jaar, drieëndertig jaar in totaal, waren voldoende om deze mens, deze jonge man eeuwenlang en nog steeds te doen leven in harten van tientallen generaties en miljarden mensen.

Wat was er dan zo wonderlijk, zo uitzonderlijk aan deze mens, deze medemens, die Jezus van Nazareth heette? Het antwoord is even simpel als onbegrijpelijk: Hij was Liefde. Hij leefde uit Liefde, van Liefde, naar de Liefde. En Liefde is God, zegt de apostel Johannes.


Wij mensen, staan weerloos tegenover de dood.

OVERDENKING

Wij mensen, staan weerloos tegenover de dood. De dood is onontkoombaar. Even onontkoombaar  als de roep om leven in ons.

Ook ons geloof in Christus geeft geen sluitende oplossing voor dit probleem. Maar het tracht de herinnering levend te houden aan de gekruisigde Heer. De herinnering aan een onvergetelijk levens- en lijdensverhaal, dat hoop geeft. Hoop, omdat het de aandacht voor arme, weerloze en ongelukkige mensen sterker laat zijn dan de angst voor de dood.

De herinnering aan Jezus vraagt ons niets voor onszelf te houden. Als wij de herinnering aan Jezus willen nemen, dan dienen wij zonder voorbehoud zijn verhaal in ons eigen leven door te vertellen.

Ook wij zullen ons moeten verliezen aan de noden van de wereld, in het geloof dat in  het licht van Jezus' levensverhaal de rollen van rijk en arm, sterk en zwak, dood en leven, voorgoed zijn omgedraaid. Onszelf verliezen in het geloof dat brood breken en aan onszelf sterven de weg is, die naar het leven leidt. 


Een bekende zegswijze bij een afscheid luidt:

OVERDENKING: AFSCHEID NEMEN

Een bekende zegswijze bij een afscheid luidt: Afscheid nemen is een beetje sterven. Sterven is voorgoed afscheid nemen. Misschien bent u wel eens bij het afscheid van een stervende aanwezig geweest. Hij staat vlak voor zijn dood. Zelf heeft hij al afscheid genomen van het leven. Hij staat eigenlijk al aan de overkant.

Zeker nu heeft hij geen aandacht meer voor zichzelf. Zijn aandacht is bij de mensen, die rond zijn bed staan, bij de mensen die hij liefheeft. Hij probeert in een paar laatste woorden uit te drukken wat hij hun altijd heeft willen zeggen. Zijn hart gaat voor hen open. Wat hij zegt dringt nu nog niet helemaal tot hen door. Ze horen het wel, maar het verdriet is sterker. Later zullen ze zich zijn woorden te binnen brengen als een dierbare herinnering. Als ze die woorden onder elkaar weer ophalen, is het net of de overledenen weer heel dichtbij is. 

Werkgroep Gebedsdiensten Minderbroeders


De dood brengt een vreselijke scheiding

OVERDENKING

De dood brengt een vreselijke scheiding en een grenzeloze onmacht.

Denkend aan de eigen dood worden mensen bang. De dood is de oppermachtige spelbreker, die elke zekerheid aanvreet en het orgaan afbreekt waarmee ik in het  leven kan staan.

Niemand weet raad met de dood. Ook de wetenschap niet. Men zwijgt, men probeert te vergeten. Het verkeer gaat vlug verder als de begrafenisstoet voorbij is.

Maar ik mag alle gedachten aan de dood niet uit mijn eigen leven bannen.

Dat is struisvogelpolitiek.

De dood stelt mij voor de diepe vraag: is de daad het einde of niet? Als de dood het einde is dan krijgt mijn sterven het karakter van een vreselijke verminking. Als hij niet het einde is, dan krijgt mijn dood een verbazingwekkende nieuwe dimensie. De dood stelt me voor het alles of niets, voor de zin of de onzin van mijn bestaan, voor God of de oneindige leegte.

Het geheim van leven en dood hangt samen met het geheim van God, En daartoe hebben we het geloof en de hoop in ons hart, dat ook voor ons de weg zal gaan zoals in Christus Jezus; dat ook wij allen door de dood heen tot het leven zullen komen.


Is de dood het einde?

OVERDENKING BIJ DE DOOD VAN EEN JONGERE

Is de dood het einde?

Je moet alles loslaten, mensen met wie je verbonden was, dingen waaraan je gehecht bent. De dood hoort niet thuis in het leven van een jong mens. De dood overkomt alleen anderen, nooit ons. De buurman, die een hartinfarct kreeg, de kennis die met  zijn wagen tegen een boom beukte.

Denken aan de dood is denken over het heengaan van anderen. We leven maar eens, en als je jong bent spring je roekeloos om met het leven. En plotseling staat hij daar toch, als een jong mens sterft, een vriend of vriendin. We worden er stil van, we staan machteloos, verdriet, tranen, opstanding, waarom? De dood is altijd een spelbreker en toch is het een zekerheid voor iedereen. De dood is rechtvaardig! niet om te kopen met geld of macht of wetenschappelijke kennis. Een teken van hoop is er alleen voor gelovige mensen. 'Heer God, uw hand in mijn hand en al wordt mijn leven ook afgebroken, al sterft mijn hart, dan bent U de toekomst die op mij wacht.

Ik ben bij U geborgen.' Hoe met je je dat voorstellen? Ik weet het niet, maar ik geloof erin.

Erik Stijnen Het wonder ligt in jezelf


Te moeten sterven is een angst

OVERDENKING OVER DE DOOD

Te moeten sterven is een angst die in ons sluimert. Die wordt wakker bij de dood of het ongeval van anderen. We schuiven het sterven weg, ver van ons; het is iets voor later. En toch is het sterven het enige waar we zeker van kunnen zijn, waar we onvermijdelijk naar toe leven. Leven en dood horen bijeen, maar wij hebben  ze elk een eigen bestaan gegeven. Voor velen is de dood een eindpunt en geen rustpunt.

dood is ook bevrijding van tijd en ruimte, weg van de drukte, rust voor het lichaam.

Het is een stilvallen van elke beweging, een verharden van je gevoel, een verliezen van je stem, een verkillen van je lach, het einde van je dromen. Laten we dood niet langer doodzwijgen, maar leren ermee leven, wetend dat er een plaats is waar de doden leven.

Erik Stijnen


Onze taal kent wonderbaarlijke dubbelzinnigheden

LEVEN GEVEN (OVERDENKING)

Onze taal kent wonderbaarlijke dubbelzinnigheden. Volkomen tegengestelde dingen worden soms door een en hetzelfde woord aangeduid. Zo'n dubbelzinnig woord is:

"Het leven geven". Dat kan allereerst betekenen: aan een nieuw wezen het bestaan schenken. Maar het kan ook betekenen: het eigen bestaan  geven, zijn leven geven, sterven! Een groter tegenstelling lijkt nauwelijks denkbaar. Misschien is de dubbelzinnigheid van onze taal niet zo vreemd, en onthult zij iets van de diepe menselijke werkelijkheid, dat mensen pas leven schenken aan anderen, als zij het eigen leven ervoor durven inzetten. Of zoals Christus zei: "Niemand heeft groter liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden." En.....Hijzelf heeft het voorgedaan: het zaad moet sterven om te leven.


Ik wil een moment nadanken over de dood

OVERDENKING OVER DE DOOD

Ik wil een moment nadenken over de dood. Dood.

Zo hardvochtig, zo koud. Soms toch mild, bevrijdend. Dood.

Het definitieve einde of juist 'n begin....? Ik weet het niet. Dood.

Zoveel beschreven, zo wisselend voorgesteld: Magere Hein - skelet - duisternis,

of juist 'n zee van licht, 'n overgang. Dood.

Je maakt me kwaad, machteloos, eenzaam, je ontneemt me iets kostbaars.

Deze keer heb ik je echt van dichtbij gezien, té dichtbij.

Je kwam geruisloos, snel, té snel. Ik had willen vechten tegen je, je willen verdrijven.

Maar tegelijkertijd weet ik: je bent te machtig. Ik kan en mag niet over jou beslissen.

Kwaadheid en machteloosheid zijn in me, de meest moeilijke combinatie van gevoelens. Dood.

Misschien wel de meest moeilijk te accepteren zekerheid in ieders leven.


Afscheid heeft iets weemoedigs

OVERWEGING: AFSCHEID

Afscheid heeft iets weemoedigs, iets treurigs en verdrietigs. Er gebeurt iets, dat eigenlijk niet zou moeten gebeuren. De liefde is niet verdwenen, de relatie niet  verbroken, en toch gaan mensen uit-een. Dat betekent: geen directe communicatie meer, niet meer genieten van elkaars nabijheid, van woord, handdruk en omhelzing, maar uit elkaar, heel ver, heel lang, zelfs voorgoed. Dat is dan geen beetje sterven, maar sterven zonder meer.

Desondanks stroomt het leven verder. Een mens moet daarin mee, met zijn herinneringen aan vroeger, intense ervaringen, fijne momenten, samen beleefd, verdrietelijkheden, samen doorstaan. Hij moet alleen verder met de taak waaraan samen geestdriftig werd begonnen, maar die men niet samen mocht afmaken. Midden in de bouw is de ander weggeroepen.

Mensen die geloven in de gemeenschap der heiligen op grond van woorden en daad van Jezus Christus, weten dat dit afscheid niet absoluut is, dat hun relatie geenszins tot niets is teruggebracht. Zij is nog aanwezig, maar anders. Hoe? Dat kan niemand exact invullen. De ander is afwezig en toch aanwezig, ver weg en toch dichtbij, zwijgend en toch welsprekend.

Iets, dat heilig is in Gods ogen kan niet verdwijnen in het lege niets, omdat het iets van God is, de Heilige, die is, gisteren, heden en morgen. 

Th.v.d. Vossenberg


En als ik doodga treurt maar niet (afscheid bij een overlijden)

Licht

En als ik doodga treurt maar niet

Ik ben niet echt weg moet je weten

Het is de heimwee die ik achterliet

Dood ben ik pas als jij mij bent vergeten

 

Licht moge stralen in de duisteren.

Nieuwe vrede dalen waar geen hoop meer is.

Geef ons dan te leven in het nieuwe licht.

Wil het woord ons geven dat hier vrede sticht.

Bloem

"Als een bloem zo is het leven

het begin is teer en klein

De een die bloeit uitbundig de ander geurt heel fijn. 

Sommige bloemen blijven lang weer anderen blijven even

Vraag niet bij welke groep je hoort - dat is het geheim van het leven." 

 

Mijn liefde zal blijven

Mijn lichaam deed pijn,

niets kan me meer deren.