|
|
Er was eens een boom parabel van de panfluitEr was eens een boom, een onbekende boom, ergens langs de waterkant, geplant door niemand weet nog wie. Hij leefde daar, breeduit met vele takken. Hij droeg de forse stem van de wind, of de doodse stilte van de avondlucht. 's Winters was het leven kaal, en zwiepend op de harde wind en met zijn twijgen als toegeklemde vuisten vol nieuwe beloften stond hij maar te wachten tot het lente werd Ga je gang, knipoogde dan de voorjaarszon, en dan kwam hij weer toe aan zijn oude, groene uitbundigheid: zijn takken liepen weer uit en schoten bloesem uit ingehouden leven. Het was een lust voor de ogen. En als dan de zomer kwam, maakte hij een donkere hand gevuld met schaduw, gratis voor iedereen, - en soms een paraplu tegen de stromende regen. Zo leefde die boom met al zijn takken, jaar in jaar uit, - zijn krachten verbergend en weer uitplooiend, op en neer in telkens vier seizoenen. Maar op zekere dag kwam er een mens, een man, gewapend met een mes. De takken hielden van louter schrik het ruisen in. Er was geen ontkomen meer aan: de mooiste tak werd afgesneden en meegenomen naar het huis van die mens. Een dode tak, voorgoed uit het leven weggesneden, weggevallen uit de schaduw van velen, opvallend en straks natuurlijk stomweg vergeten, - wat is een tak over een hele boom?! Drie dagen later was die man opeens weer terug en de boom stond windstil van doodsangst met al zijn takken... Wie treft vandaag het bitter lot? Maar kijk de
man ging zitten, aan de voet van de boom en... hij blies op de afgesneden tak,
die hij zijn panfluit noemde. Hij speelde een lied en de boom verstond het zo:
Horen jullie mij? Ik leef, ik leef! Meer dan ooit tevoren Ik leef, ik
zing, ik fluit! Midden in de stad (De toren en de eik) Midden in de stad stond stevig en welgevormd een lange toren. Die had, naar hij galmde, het eeuwig leven. En dankzij monumentenzorg had hij inderdaad nog jaren voor de boeg. Met monumentale trots keek hij neer op het vluchtig stadsgebeuren en lachte om ieders kortstondigheid Met hele en halve uren sloeg hij de tijd om andermans oren en bedacht intussen voor zichzelf de eeuwigheid. Op zekere nacht, midden in de stilte tussen de slagen van half en heel, hoorde hij iets praten in zichzelf. Het kwam uit een van zijn galmgaten en het was de stem van een eikel Die was daar losgestormd terechtgekomen en lag nu hardop over zijn toekomst te dromen. De toren luisterde en hoorde de eikel zeggen: Eens zal ik groot en sterk zijn als een boom; eens zal ik wuiven en buigen naar andere bomen en zingen zal ik in de middagzon; licht zal ik zoeken en lucht voor al mijn bladeren, en aan wie maar wil zal ik gratis schaduw en beschutting geven. want leven doe je nooit alleen... Zo royaal en meesterlijk dacht de eikel over het leven. De toren schoot in de lach en schudde er lichtjes van op zijn grondvesten. Dat schrok de eikel wakker en de toren zei: wat een plannen, eikeltje! Je was me bijna over het hoofd gedroomd Maar je moet wel bijzonder groot zijn en vooral van steen om de eeuwigheid te halen. Dus droom jij maar, als dat je kan helpen. Vandaag of morgen zal de grond beneden jou wel anders leren! Zelfs de wind gaat liggen op den duur en alle vogels vallen op de grond, waarom zou jij dus anders? Alles valt, eikeltje, alles valt weer terug in de aarde; Alleen de toren blijft Die weet alleen van wanten, omdat hij niet van wijken weet. Een toren is van steen! Maar de eikel hield vol en gaf zijn droom niet prijs, tot groot vermaak van de toren. Toen kwam de wind. Die droeg de eikel een eindje mee en liet hem toen op de grond vallen, niet ver van de toren. De toren sloeg nog heel welwillend een paar slagen extra tot zijn gedachtenis en was hem meteen vergeten. Lang, heel lang na de dood van de eikel stond de toren er nog steeds. Ietwat scheef, dat wel, en sinds kort wist hij ook dat hij leed aan steenkanker, maar er werd gevochten in de steigers om hem heen voor zijn behoud, en dat stelde hem gerust. Wel was hij, meer dan vroeger, gevoelig voor al wat naar zijn hoogte reikte. Dat maakte hem onzeker en geprikkeld. Vooral op een stoere eik, dicht in de buurt. Had hij het niet begrepen, - die kwam met de dag nader tot zijn hoogte! En op zekere dag gebeurde wat hij diep verzwegen, altijd had gevreesd: de eik nam het woord en zei: nu wij spreken van top tot spits. Een klein zaadje werd door de wind meegedragen en kwam op het blad van een grote boom terecht. De grote boom schonk er geen aandacht aan, omdat hij het veel te druk had met pronken en pralen in de volle zon. Stoer en weids strekte hij zijn verkoelende bladeren uit. Zich bewust van zijn pracht en kracht, luisterde hij naar de mensen, die elkaar vertelden dat de boom wel 600 jaar oud kon zijn. Dat hij nog steeds vol leven en groene kracht de mensen koelte gaf en beschutting tegen zon en regen. Misschien uit verveling of uit neerbuigende beleefdheid begon de grote boom op een dag toch een gesprek met het zaadje. 'Jij komt zeker uit een arme familie en je hebt van huis uit niet veel meegekregen?' Het kleine zaadje schrok van de zelfverzekerde stem en zweeg. De grote boom ging verder: 'Wij zijn van een groot geslacht en door de mensen altijd gewaardeerd Onze toekomst was groots en vol beloften van ons ontstaan af. Mijn familie heeft al eeuwenlang perken en pleinen een mooi aanzien gegeven. De mensen houden rekening met ons, want als er wegen moeten worden aangelegd of huizen gebouwd, dan worden wij ontzien. Wij staan sterk Ver in het verleden en nog verder in de toekomst zal onze groei gaan'. Het kleine zaadje verbaasde zich aanvankelijk over dit gesprek maar geleidelijk aan werd het al bozer en ozer om zoveel trots en eigenwaan. Bits en afgemeten beet het naar de grote boom toe: 'maar ik heb ook leven in me'. De grote boom begon te schudden van het lachen en sloeg zo wild met zijn takken en bladeren als bij een storm. Het zaadje was zeer terneergeslagen en liet zich van het blad glijden en kwam een eind van de grote boom op de grond terecht. Het begroef zich in de aarde en putte zich uit in groeikracht. En langzaam
begon het leven in hem te ontwaken. Eerst schuchter en klein, aarzelend en teder
van kleur. Maar van jaar tot jaar werd het groter. Vogels bouwden hun nesten in
zijn takken en de mensen waardeerden hem om zijn frisheid en om zijn silhouet
tegen de hemel. En in de volksmond heette hij de Nieuwe, omdat in hem iets ouds
tot nieuw leven was gekomen. Ook de oude boom verzoende zich ermee en hij zag
het andere dat de Nieuwe bracht. Hun takken raakten elkaar en samen boden ze de
mensen een koele plek. Een
jongeman zit klaarblijkelijk te mediteren (zittend onder de vijgeboom) Een jongeman
zit klaarblijkelijk te mediteren over drie bokalen die voor hem staan. Met de
symboliek van de bokaal (beker, schaal) kun je meer dan één kant uit. Hij
verzinnebeeldt onder meer de levensmogelijkheden die iemand in zich draagt, de
levenskansen die hij aangeboden krijgt. Een bokaal is geen alledaags
drinkgereedschap, je drinkt er b.v. geen frisdrank uit, maar wel een kostbaar
vocht. Ook water kan een kostbaar vocht zijn. Maar ook dat is dan symbool - van
kennis b.v. van wijsheid, vruchtbaarheid, geluk, kortom het is dan op de een of
andere manier: levenswater. Je kunt je verder verdiepen in de vraag of ook het
feit dat er drie bokalen staan, een betekenis heeft. Maar wij staan hier niet
bij stil, en merken dat de jongeman vanuit een wolk een vierde bokaal krijgt
aangeboden. Hij lijkt hier echter geen aandacht aan te besteden. Waarom niet?
Ieder kan hierop zijn eigen antwoord geven. E. Gray geeft in zijn boek 'Het
geheim van de tarot' als
interpretatie: 'Onvrede met de huidige omgeving, maar twijfel over het begin van
iets nieuws. Overpeinzing, onvrede met materiële successen, een herwaardering
van de aardse genoegens'. Opmerkelijk nu
is dat de jongeman onder een boom zit. (Geen doodgewone boom overigens: let maar
eens op zijn plaats in het landschap). Ook over dat detail (?) kunnen wij onze
gedachten laten gaan. En misschien gaan zij vanzelf uit naar de kennisboom, de
levensboom... Opkomende
herinneringen, aangevuld met gegevens uit de geleerde literatuur, kunnen ons
verder helpen. Boeddha, zo wil de traditie, bereikte de volmaakte verlichting
onder een vijgeboom. Deze Boom der verlichting (Bodhi) wordt in het boeddhisme
sindsdien vereerd. Nog steeds? Ik heb althans van deze verering een afbeelding
gevonden uit de 1e eeuw v. Chr.: het is een zuiver symbolische boom geworden: de
boom der wijsheid, en tevens een weelderige, om zichzelf heen kronkelende
wereldboom, die uit zijn zaad de bron waaraan hij ontspringt, kracht put om
kosmisch uit te dijen Op de achtergrond immers van Boeddha's vijgeboom staat
ongetwijfeld de wereldboom uit de Indoeuropese mythologieën, waarvan het sap of
de vrucht ambrozijn en eeuwige zaligheid schenkt. De bekendste is die uit de
Scandinavische mythologie, de Yggdrasill. Onder deze boom (of in zijn takken?)
zou de God Odin (=Wodan) in extase de negen nachten hebben doorgebracht, die tot
zijn ontdekking van de runenwijsheid leidden. Socrates Socrates was
een stedeling, geboren en getogen binnen de muren van Athene, en ervan overtuigd
dat bomen en velden hem niets te leren hadden: alleen mensen vond hij belangrijk,
en dat waren dan op de eerste plaats de mensen die in de stad verbleven. Je kon
hem er moeilijk toe bewegen om, al was het maar voor een korte tijd of een
kleine afstand, de stad te verlaten. Toch is dit zijn leerling Phaedrus eens
gelukt, zoals een andere leerling van hem, Plato, vertelt. Phaedrus had namelijk
zijn meester weten te interesseren voor een filosofische tekst van een Atheense
rede naar uit die dagen, en hem zo, terwijl hij uit de redevoering voorlas,
langs een riviertje tot een eindje buiten de stadsmuren meegelokt. Daar zetten
beiden zich neer onder een boom, een plataan, met aan de voet daarvan een bron.
Ik citeer nu letterlijk uit het artikel dat mij op deze episode attent heeft
gemaakt. 'De plaats werkt duidelijk inspirerend. Wanneer Socrates aan het
vertellen geraakt is en verhaalt van een Egyptische god die aan een koning van
Thebe allerlei gaven en geschenken aanbiedt in de vorm van menselijke
vaardigheden, zoals het spel en het schrift, merkt Phaidros verrast op: 'Gij
weet de verhalen zo maar uit uw mouw te schudden, Egyptische evengoed als uit
welk land dan ook'. En dan zegt Socrates iets heel merkwaardigs: 'De priesters
uit de tempel van Zeus te Dodona vertelden dat de eerste orakelspreuken uit een
eik gekomen zijn. Zo namen de mensen van toen, die immers nog geen knappe koppen
waren, er in hun eenvoud vrede mee, naar een eik of een rots te luisteren,
wanneer deze waarheid sprak'. (S. IJsseling,
De eik van Dodona, een beschouwing over de boom in de filosofie, in
Streven januari 1968). Heidegger De Duitse
filosoof Martin Heidegger (1899-1976) was een man van het platteland. In het
werkje van 1953 vertelt hij hoe hij als volwassene soms nog terugkeerde naar de
houten bank onder een hoge eik waar hij als kind met zijn vader vaak naartoe
gewandeld was. Onder die eik zat hij zich dan te verdiepen in de grote wijsgeren
die hem de weg gewezen hebben in het denken. Jaren later, na zijn eigen weg
gevonden te hebben, komt hij nog eens bij de eik, en beseft daar hoe de boom hem
heeft aangesproken, en ook nu nog spreekt. Weer laat ik mijn bron, dezelfde
waaruit ik al geciteerd heb, aan het woord. Het woord van
de boom openbaart dat wat werkelijk groot en verheven, goed en degelijk is,
groeit met de traagheid van de eik; dat er slechts van echte wasdom sprake kan
zijn wanneer de mens bereid is te luisteren naar een hemel die geopend wordt
door de takken die als vragende armen naar de hemel reiken, en wanneer hij diep
geworteld is in de aarde die alles draagt en waaruit alles voortkomt en weer in
terugkeert. Het openbaart wat eigenlijk wasdom en groeien of tot stand komen is.
De mens moet om tot echte resultaten te komen en om tot een ware volwassenheid
te geraken, gehoor geven aan een stille stem en een geheimvol woord dat tot hem
komt 'uit een andere wereld' en hem te deken geeft, dat hem uitnodigt om op weg
te gaan en dwingt voort te gaan. Hij moet bereid zijn de zegen van de aarde te
ontvangen en zic h geborgen weten in een geheim dat hem behoedt voor ontheemding
of ontworteling. Het spreken van de eik openbaart de absurditeit van het alleen
maar werken om de arbeid zelf, van het eindeloze plannen en rekenen, passen en
meten, van het jachtende voortrennen zonder inkeer en stilte om bij zichzelf te
zijn en bij de dingen te verwijlen. De arbeid, uitsluitend verricht om de arbeid
zelf, neemt een hoge vlucht in onze dagen. Maar zoals Ikaros, die eigenhandig de
hemel probeerde te openen door zich vleugels aan te meten, noodlottig
neerstortte, zo loopt de hedendaagse mens, die zichzelf ontvlucht en verliest,
het gevaar zich te pletter te lopen in een wedloop die op niets uitloopt. Dergelijke
arbeid ontneemt de mens zijn vrijheid en zijn tijd. Deze vrijheid is geen luxe,
maar het wezen van de mens; en de tijd is geen geld, maar het de mens toegemeten
deel, het mens-zijn zelf. Luisteren naar het spreken van de eik brengt
daarentegen vrijheid en vreugde. De eik is als het ware de ontkenning van de
zelfgenoegzame zelfzekerheid van de mens, en daarmee schept hij ruimte en orde.
Het spreken van de eik geeft de mens een thuis, een plaats waar hij kan inkeren
in zichzelf en waarnaar hij kan terugkeren op de dwaalweg die hij aflegt. De eik
verleent de mens een wereld en een ruimte waarin hij kan zijn wie hij is. Hij
openbaart de mens aan zichzelf, maar dan niet in de zin als zou de mens eerst
ten volle zichzelf zijn en vervolgens ook nog openbaar zijn aan zichzelf. Het
openbaar worden van de mens voor zichzelf is echter het zich voltrekken van zijn
wezen. Het woord van de eik is de verklaring van de mens; zijn wezen wordt in de
aanwezigheid van de eik tot klaar heid gebracht. Dit wezen is een gaan door de
tijd die de zijne is, en een staan of standhouden in een beweging tussen
geboorte en dood. De eik die daar stil staat en toch vol leven is, die in de
herfst zijn bladeren verliest en ze weer opnieuw ontvangt in een komende lente,
is een beeld van de zwerftocht van de mens op aarde vanaf het geboren worden tot
aan het sterven. Natanaël Natanaël en
Jezus ontmoeten elkaar (Joh. 1, 45-50). De evangelist stelt Jezus graag voor als
paranormaal begaafd: 'Het was niet nodig dat iemand hem over de mens inlichtte:
hij wist wat er in de mens stak; (2,25). Deze
voorstelling staat in dienst van een theologische bedoeling: in Jezus komt een
andere wereld op ons toe, de wereld van de verbondenheid met de Vader, welke de
Zoon een scherpe blik geeft op de weg die hij moet gaan, en op de mensen
waaronder zijn weg hem voert. Zo complimenteert hij Natanaël, direct al bij een
eerste contact, met de woorden: 'Dat is nu eens een ware vertegenwoordiger van
het godsvolk, een man in wie geen bedrog is'. Natanaël wordt hierdoor des te
meer overrompeld omdat hij zojuist nog gezegd had, van iemand uit Nazaret niet
veel goeds te verwachten. 'Hoe kent u mij?' vraagt hij verrast. Tot zijn nog
grotere verrassing zegt Jezus: 'Voordat Filippus je geroepen heeft, had ik je al
gezien: toen je onder de vijgeboom zat'. Klaarblijkelijk
had Natanaël zich daar door niemand gezien gewaand. Wat deed hij daar? De lezer
moet nog maar eens de tarotkaart op zich laten inwerken. Hij realiseerde zich
ook dat Natanaël van deze woorden van Jezus dermate onder de indruk is, dat hij
reageert met hem te erkennen als 'de zoon van God, de Koning van Israël'. Als
de lezer dan ook nog bedenkt dat Natanaël niet 'onder een vijgeboom' maar 'onder
de vijgeboom' zat, dan zal hij wel moeten aannemen dat deze daar niet zomaar een
middagdutje deed (de 'eenvoudige, voor de hand liggende verklaring', aldus
indertijd H. Van den Bussche). De oud-joodse
literatuur bevestigt deze veronderstelling. 'Onder de vijgeboom zitten' was een
rabbijnse uitdrukking, waarin de vijgeboom stond voor de kennisboom, en die
zoveel betekende als: bezig zijn met de Tora. Schriftgeleerden waren overigens
gewoon zich onder een boom aan de studie van de Schrift te wijden. De wijsheid
die de mediterende of de zich bezinnende mens uit Oost en West, in het verleden
en het heden, onder een vijgeboom, een plataan of een eik probeert te leren
proeven, is in de bijbel geworden: de smaak voor het verhaal van bevrijding dat
God eertijds is begonnen en in ons leven wil voortzetten. Zou ook op ons niet de
blik van de Heer rusten als we -in de vakantie bijvoorbeeld- Natanaël eens
letterlijk zouden navolgen? Luc Geysels s.j. (Er was eens
een moerbeiboom. Een gezellige boom, met een dikke, stoere stam en brede kruin.
In de lente prijkte hij vol witte bloemetjes, net een bruidsboeket. En in de
herfst, prachtig, dan was hij zwaar van honderden, harige vruchtjes. Zo
smakelijk als frambozen. Hij was best
een aardige moerbeiboom. Hij was terecht redelijk tevreden over zich zelf.
Bovendien liet de boer zijde-rupsen leven op zijn grote vingerbladen.
Die rupsen vraten wel zijn bladeren kaal. Maar de moerbei troostte zich:
Ze sponnen fijne draden tot zij en men maakte er kleurige shawls van en
sierlijke gewaden. Ja, hij voelde zich een nuttige boom en de mensen waren
tevreden over hem: kijk eens wat een geslaagde moerbeiboom') Alleen er was
iets niet in orde met zijn wortels. Hij praatte er met niemand over. Trouwens
hij had het veel te druk met zijn rupsen en zijn werk aan de vruchten en er
moest nog dit en er moest nog dat. Maar ja, die wortels. Och, hij geloofde wel
dat er ergens een Bron van levend water moest zijn. Jaren geleden had de
moerbeiboom daar volop van geleefd. Hij voelde echt contact met de Bron; het gaf
levensmoed en stille vreugde. Een vrede die niet van deze wereld kan zijn. Hij
wist nog dat hij toen eigenlijk een gelukkige boom was, in ieder geval met
gezonde wortels. Maar nu waren zijn wortels aan het verdorren. Ze hadden geen
verbinding meer met het water. Het zei hem allemaal niets meer. En geloven in de
grote Aanwezige en stil worden bij het Geheim van het leven? Hij vond het steeds
moeilijker. Soms dacht hij: het ligt aan mijn omgeving. Al die veranderingen ook; ik voel me niet meer thuis. Of dan dacht hij: ze moesten meer eisen stellen en de grond eens goed omspitten en dorre takken afkappen. Maar 's avonds als het weer rustig geworden is, moet hij eerlijk bekennen: het probleem zit in mijn wortels. Ze graven niet diep genoeg, ik flodder zo maar wat aan, het persoonlijke contact, de echte bezieling is er uit. En dan ruist een smeken door zijn takken. Het leek wel of er tranen hingen aan de topjes van de bladeren, die al geel werden. 'Geef mij meer geloof'. Er was eens een
mosterdzaadje. Dat lag zo toevallig naast die grote zekere moerbeiboom met zijn
ongekend verdriet. Dat zaadje was maar onooglijk; je zag het over het hoofd,
echt een prutsding van niets. Het lag in het gras te staren naar zijn naaste, de
moerbeiboom. Het mosterdzaadje had ook zijn zorgen. Niet over zichzelf, want hij
had een groot geloof. Hij had serieuze zorgen over zijn buurman. Als er storm
zou komen, een flinke najaarsstorm van beproeving of vervolging of een ernstig
verdriet, dan zou die machtige boom met zijn zwakke worteltjes zeer
waarschijnlijk kapseizen. Op een goede
dag vatte het mosterdzaadje al zijn geloof bij elkaar en met een flinke stem zei
hij tot moerbeiboom: 'maak uw wortels los uit de grond en plant ze in de zee'.
Gos, hij schrok er zelf van. De moerbeiboom reageerde aanvankelijk niet. 'Ik zal
er nog eens een nachtje over slapen'. Maar midden in de nacht bracht het geloof
van het mosterdzaadje de grote boom in beweging. Hij maakte zijn wortels los en
tsjoep hij zweefde in de lucht. Hij voelde zich hopeloos raar. Zijn takken in de
ijle lucht, de bladeren bungelden losjes, hij was al zijn zekerheden kwijt. En
hij had met zijn wortels geen vaste grond meer onder de voeten. Hij voelde zich
leeg en hulpeloos. 'Mijn God, houd me vast. Op u alleen vertrouw ik. Help me, ik
val naar beneden. Het
mosterdzaadje keek naar boven, naar die zwevende moerbeiboom en bad en smeekte
dat hij zou blijven vertrouwen in zijn geloof. Na een tijdje door de lucht
gezweefd te hebben, begon de moerbei er een beetje plezier in te hebben. Hij was
niet meer zo bezorgd over zich zelf. Hij zag de mensen met hun zorgen en de
steden met hun verdriet. Hij zag van boven af dat alle torens eigenlijk even
hoog zijn. En dat God de zon laat opgaan over goeden en kwaden. Vooral een grote
ontdekking deed de zwevende, onzekere moerbeiboom; dat hij eigenlijk maar heel
klein was, een nederig boompje tussen de wolken. Wat een fantastisch fijne
ervaring: een klein eenvoudig moerbeitje, gedragen door de wind. Gaandeweg kreeg
hij meer geloof in de sterke Hand die hem vasthield en die hem niet naar beneden
liet tuimelen. Ja, en toen
gebeurde er weer iets raars. De moerbeiboom kwam langzaam naar beneden. Het leek
alsof de sterke hand van God zelf hem naar beneden duwde. Doch hij kwam niet
meer terug op zijn oude vertrouwde plekje van zijn kwasi-zekerheden, niet in de
tuin, waar alles was geordend. Anders zou hij denken dat alles maar een droom
was geweest. Neen, hij werd in de zee geplant. Hij rilde er van. Een moerbeiboom
midden in de zee.. De mensen keken hun ogen uit. Die gezellige oubollige boom
was nu een baken in zee. De schepen bepaalden hun koers door op hem te letten.
Hij wees de weg in het leven van de mensen. J‚, en zijn wortels... Zij
begonnen geweldig te groeien, meters diep in de bodem, want hij wilde stevig
staan bij alle golven en stormen. Zijn geloof begon heel sterk te worden, in een
heel persoonlijk contact met zijn Grond. Zijn liefde, och die werd zo wijd als
de zee. Hij wou soms alle mensen wel omarmen en onder zijn bladeren laten
schuilen. 's Avonds als de sterren begonnen te lichten, dan huilde hij niet meer.
Je hoorde een zacht smeken in zijn takken: 'mijn God, geef mij meer geloof, om
voor anderen een teken van hoop te zijn'. Bijna was hij
het mosterdzaadje vergeten. Het was ook zo klein en nietig. Nou, die was
natuurlijk blij dat hij weer eens de blijde boodschap had kunnen doorgeven met
zijn stevig geloof. Hij was blij dat de moerbeiboom, zijn vriend, had geluisterd
en gehoorzaamd. Hij was blij dat hij het onnutte knechtje was die alles had
gedaan wat hem was opgedragen. Hij stond er niet te lang bij stil. Hij had al
weer andere zorgen. Naast hem stond een populier, die met alle winden meewaaide.
Maar hij had geen diepe wortels... 'De apostelen
zeiden nu tot de Heer: 'geef ons meer geloof'. De Heer antwoordde: als ge een
geloof had als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: maak uw
wortels los uit de grond en plant u in de zee, en hij zou u gehoorzamen'. (Lucas
17, 5-6). Jan van Deenen s.j. In
al de muren van de tempel (Paradijsbomen) ('In al de
muren van de tempel liet Salomo rondom kerubs, palmbomen en bloemreliëfs
snijden': het wordt zo terloops vermeld in de beschrijving van de door Salomo
gebouwde tempel. Wij zouden bij deze onschuldige versiering van de tempelmuren
niet stilstaan als niet de bijbel zelf, in een latere tekst, op twee van de drie
motieven was teruggekomen, zodat we ons de versiering wat duidelijker kunnen
voorstellen. In het visioen waarin hij de herstelde tempel beschrijft, heeft
Ezechiël het ook over de lambrizering: 'Daarop waren afwisselend kerubs en
palmen aangebracht. Elke kerub had twee gezichten: een mensengezicht gekeerd
naar de palm aan de ene kant, en het gezicht van een leeuw gekeerd naar de palm
aan de andere kant.' (40,18-19).) Als het alleen
maar kerubs waren, zou het antwoord eenvoudig zijn: deze gevleugelde stiermensen
plegen in het oude Oosten, als een soort buitenwereldlijke lakeien, op wacht te
staan bij paleizen en tempels. Als behoeders van het heilige kunnen ze door Israël
in dienst genomen worden om het Adonai-geloof een minimuum aan plastische
uitdrukking te geven. Zo vormen zij een geschikte troon voor de onzichtbare God.
Zo zouden ook de kerubs op de tempelmuren naar de aanwezigheid van God kunnen
verwijzen. Maar wat doen wij dan met de palmen, waarmee de kerubs blijkbaar een
eenheid vormen? Kerubs Salomo en
Ezechiël konden moeilijk anders dan aan het oud-oosterse symbool van de
levensboom denken. Als wij uit de fries die palmen en kerubs bij Ezechiël
vormen, één enkele palm nemen met
aan weerszijden een kerub (slechts met één gezicht dan, dat wat naar de palm
in hun midden gekeerd staat), dan zien wij duidelijk een motief verschijnen dat
zich vanuit de semitische wereld in talloze variaties wijd en zijd heeft
verspreid: een gestileerde boom, geflankeerd door twee naar de boom gekeerde
figuren: dieren, menselijke gestalten of gemengde wezens zoals kerubs. Soms werd
de reeds schematische boom nog verder gestileerd of zelfs van zijn takken
ontdaan, zoals boven de leeuwenpoort van Mycene, zo genoemd naar de twee leeuwen
links en rechts van een zuil. In de Middeleeuwen is, via de Arabieren, het
motief tot in onze gewesten doorgedrongen, waar het vooral op wapenschilden
voortleeft. Wat het motief
betekent, is niet overal even duidelijk. Maar waar de boom door kerubs
geflankeerd wordt, staan wij in ieder geval voor een heilige boom. En dat kan
alleen maar de levensboom zijn. Denk aan het bijbelse paradijsverhaal, waar
kerubs de weg naar de levensboom moeten bewaken. En volgens een heel
aannemelijke vertaling van een ietwat duistere tekst van Ezechiël wordt de
koning van Tyrus vergeleken met een kerub, door Jahwe aangesteld om de godentuin
te bewaken (28, 14-16). De schrijver van het tempelvisioen van Ezechiël heeft
dus, met Salomo, een bekend motief uit de hem omringende wereld overgenomen. Wat
kan hem daarbij bezield hebben? In Jeruzalem ziet hij aan de oevers van de
rivier die aan de ingang van de tempel ontspringt, paradijselijke bomen groeien,
waarvan de bladeren niet verdorren en die nooit zonder vruchten zijn (47, 12;
het zijn dezelfde bomen die de schrijver van de Apokalyps ziet staan aan de
rivier die midden door het hemels Jeruzalem stroomt: 22,2). Dan zal Ezechiël
wel geweten hebben wat hij deed bij het ontwerpen van zijn fries voor de nieuwe
tempel. Deze neemt in die fries de paradijselijke landelijkheid van het gebied
rondom Jeruzalem in zich op. En deze paradijselijkheid kan niet beter uitgebeeld
worden dan door de levensboom: de traditionele behoeders van het heilige staan
ernaast om duidelijk te maken over welke boom het gaat. Wat echter tenslotte
uitgebeeld wordt, is meer dan de vruchtbaarheid van het land: de volheid van
leven van de mens. Als de mens verandert, wordt ook alles om hem heen anders.
Palmboom En waarom is
deze levensboom nu juist een palmboom? Vermoedelijk was deze erg geschikt als
decoratiemotief, want ook de penanten van het poortgebouw waren ermee versierd (Ez.
40,16). Maar er moet meer zijn. Voor de nomaden die de Israëlieten waren
geweest, was een boom een bijzondere belevenis: in de woestijn gaven bomen de
plaats aan waar water was. Antoine de Saint-Exupéry vertelt hoede Mauretaanse
opperhoofden die hij naar Senegal gevlogen had, tot tranen toe ontroerd waren,
toen ze daar bomen te zien kregen. Nu waren het vaak palmbomen die in de oasen
groeiden. De eerste rustplaats die de Schrift na de doortocht van Israël door
de zee vermeldt, is de oase van Elim: 'een plaats met twaalf bronnen en zeventig
palmen' (Ex. 15,27). Hierbij kwam
dat de palmboom een bijzonder mooie boom was. In de bijbel komt het Hebreeuwse
woord voor palm, Tamar, een paar keer als meisjesnaam voor. In het Hooglied
roept de bevalligheid en slankheid van de bruid het beeld van de palm boom op
(7, 8-9). Door de sterkte en de duurzaamheid van zijn pracht kon de palm echter
ook gelden als symbool van de rechtvaardige: De rechtvaardige gedijt als een
palmboom, als een Libanonceder schiet hij omhoog: die, geplant in het huis van
de Heer, in de hoven van God mogen groeien, dragen in hun grijsheid nog vrucht.
Zij blijven sappig en fris. (PS.
92, 13-15). Geen boomgod Voor de
symbolisch denkende mens is de boom vanzelf een sprekende uitdrukking van
levenskracht. De mythisch denkende mens gaat een stap verder en vereert in de
boom het mysterieuze leven zelf, vooral als hij door zijn majesteit en hoge
leeftijd het goddelijk leven lijkt te belichamen. Die verering kan Israël niet
in zijn Adonai-geloof integreren. 'Het bijzondere van de ontwikkeling van het
godsbeeld in de bijbel is, dat de ene God zich heel geleidelijk losmaakt van de
beelden, dat hij zich gaat onderscheiden van de vruchtbaarheidsgodinnen, van de
storm- en boomgoden, en tegenover hen komt te staan... Eerst is de boom de
godheid. Dan woont de god in de boom. Dan duidt de boom de plaats aan waar de
god te vinden is. Dan gaan boom en god ieder een eigen bestaan leiden. Tenslotte
wordt de boom een schepsel Gods, dat -in de beeldspraak van de bijbel- God looft
om zijn bestaan'. (J.Zink). De boom wordt
voor Israël ook een teken en een beeld van de nabijheid en mildheid van Jahwe.
Toen ze nog door de woestijn trokken, had de ziener Bileam, die op verzoek van
de Moabieten Israël moest vervloeken, niet anders gekund dan hun glorieuze
toekomst schouwen: Hoe mooi zijn uw woningen, Jakob, als valleien strekken zij
zich uit, als tuinen aan een rivier, als aloëbomen door Jahwe geplant, als
ceders die staan aan het water. (Num. 24,6). 'Door Adonai
geplant' zegt Bileam. De God die als degene die 'er voor hen is' achter hun
lotgevallen stond, staat ook achter de weldaden van de natuur. Hij die bij de
bevrijding uit Egypte Israël als volk had geschapen, is ook de Schepper van het
land waarheen hij hen voert. Nu wordt voor de schepping van de bomen in het
eerste scheppingsverhaal maar een halve dag van de zes uitgetrokken. Maar in het
tweede scheppingsverhaal valt heel het scheppingswerk nagenoeg met de schepping
van de bomen samen. Dat komt omdat de verteller vooral in verband met de
landbouw een dringende waarschuwing kwijt wil. In de landbouw, die de bron van
zegeningen kan zijn, ziet hij tevens, vanwege het lonken van Israël naar de
Kanaänitische vruchtbaarheidsgodsdienst, de grote bedreiging en de mogelijke
bron van onheil. Daarom vertelt hij een verhaal dat Israël eraan zal herinneren
aan wie het het land en zijn vruchten te danken heeft, en waaruit het kan leren
wat het moet doen en laten, wil het de gave van het land niet verspelen. Vanzelf
diende zich de mythische voorstelling van de godentuin aan als beeld voor het
land en voor het geluk dat met het bezit daarvan verbonden was. De bomen die
Jahwe laat opschieten, zijn dus 'aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te
eten'. Deze opmerking wijst echter ook op de verleiding die er in Adonais gaven
kan liggen. De mens loopt het gevaar het leven dat Jahwe aanbiedt, verkeerd te
verstaan. Hoe zit het precies met dat leven? De voorstelling van de twee
bomen in het midden van de tuin wil dit verduidelijken. Als een boom
aan de rivier Als visueel
symbool is de levensboom, zoals gezegd, in de loop der eeuwen voorgekomen. In
verschraalde vorm leeft hij voort in de heraldieke lelie, die wij vaak op
wapenschilden zien. Ook voor ons is hij nog een begrijpelijk beeld: in sprookjes
van Grimm bijvoorbeeld duikt hij soms zonder nadere uitleg op. De onverwoestbare
levenskracht die spreekt uit het steeds weer uitbotten van de boom in de lente,
alsook de ontzettend hoge leeftijd die een boom soms bereikt, verklaren
voldoende het ontstaan van het mythische beeld van de onsterfelijkheid
schenkende boom. Voor de verteller van het paradijsverhaal is deze boom, die
niet voor niets in het midden van de tuin staat, de samenvatting van heel de
tuin: het beeld van het lang en gelukkig leven van het volk op zijn grond, in
gemeenschap met Adonai. Dit laatste aspect van het 'leven' dat de boom
symboliseert, de gemeenschap met Adonai, de bron van alle leven, zou Israël wel
eens uit het oog kunnen verliezen. Waarin zoekt een mens al niet geluk, welzijn,
toekomst, leven? Israël dreigde 'leven' te zien als een goddelijke natuurkracht,
die zij door magische praktijken naar hun hand dachten te kunnen zetten. 'Kennis
van goed en kwaad' opdoen heet dat in het verhaal, d.i. macht over geluk en
ongeluk veroveren. Zelf de plaats van Adonai innemen. 'Kennis van goed en kwaad'
is immers een goddelijke eigenschap. Ook die wordt gesymboliseerd door een boom.
Tussen levensboom en kennisboom, in de zin van wijsheidsboom, is er niet zo'n
groot verschil. Maar de toevoeging 'van goed en kwaad', een uitdrukking die een
totaliteit uitdrukt, maakt de kennisboom tot een boom waar de mens -uiteraard en
in zijn eigen belang- af moet blijven. Hij staat eveneens, naast de levensboom,
in het midden van de tuin, om duidelijk te maken dat de mens, om ten volle mens
te zijn, God moet laten zijn. Dat hij niet als resultaat van menselijke
prestatie moet willen bereiken wat hij slechts als gave van God kan ontvangen. Een bekend
gedicht, dat tussen de orakels van Jeremia staat, stelt tegenover degene die
slim denkt te zijn en zijn houvast in menselijke beveiliging zoekt, de man die
op Adonai vertrouwt. Precies die wijsheid is het die het paradijsverhaal ons wil
bijbrengen. Alleen de voorstelling is een beetje anders: de man die op Adonai
ver trouwt, woont niet te midden van paradijsbomen, hij is zelf ...als een boom
geplant aan een rivier, met zijn wortels tot in het water. Laat de hitte maar
komen, hij merkt het niet: zijn bladeren blijven groen. Laat er een tijd van
droogte komen, het deert hem niet: hij blijft vruchten dragen. (Jer. 17,8). Luc Geysels s.j. Bomen
zijn niet alleen natuur (Omgang met bomen) Bomen zijn niet
alleen natuur. Ze zijn evenzeer cultuur. De boom in het oerwoud is nameloos
onderdeel van blinde woekering. De mens heeft de boom apart gezet. Hij plant een
boom bij het huis, bij het water, aan weerszijden van de weg. Ik heb tuinen en
parken aangelegd, zegt koning Salomo, en ze met allerlei fruitbomen vol geplant. Bomen hebben
namen gekregen, zoals de dieren, de planten, de sterren. De mens snoeit de bomen,
ent en veredelt ze. Door de boom wordt hij mens: verzorger, behoeder. Iedere
boom is levensboom. Sappen worden omhoog gezogen door de schors. Groei speelt
zich af vanbinnen, in het verborgene. Groei is onzichtbaar, onhoorbaar. Jaarringen zijn
de traagst denkbare zandlopers. Wie een boom plant, gaat een verbond aan met de
tijd. En leert wat geduld is. Plant een boom, als er een kind geboren wordt. Dan
zie je ze samen groeien. Het kind snel, de boom langzamer. Maar hij wordt groter
dan het kind, de vrouw, de man. En duurt langer. Ik verzamel
bloesem van linde en vlier. Ik pluk de vruchten van kerselaar en pruimenboom.
Dan de peren, de appelen. De najaarswind slaat de okkernoten los: ik raap de
laatste vrucht van het jaar uit het vochtige gras. Nu komt de winter. Alles
heeft zijn tijd. Zolang je er de
kracht toe hebt, moet je een keer per jaar in een appelboom klimmen. Om te
voelen hoe de boom gewillig loslaat wat hij maanden lang heeft gedragen. Om
dankbaar te zijn en te zeggen dat het goed is. Het bestaan is gezegend. En als
de oogst schraal is meer genieten van minder. In de krant van
vandaag, Mother Lea Provo, stichteres van Sevapoor, bij Madras, een
dorpsgemeenschap in de geest van Gandhi: 'De aanleg van een tuin was ‚‚n van
de eerste dingen. We plantten er fruitbomen in. Je doet er niets aan en toch
vallen de vruchten, elk seizoen. Je moet alleen je hand uitsteken. Fruit is
geweldloos voedsel'. Ik zou, denk ik, niet zoveel houden van een boom 'die
twaalfmaal vruchten draagt, elke maand eens'
(Apok 22,2). Het is teveel. Ik zou minder verwonderd zijn, minder dankbaar. Een
keer per jaar is voldoende. Dan ben ik weer diep met de tijd verbonden. De
gestalte van de boom. Zijn wortels. De donkerte waar alles begint. Ik heb
donkerte nodig, grond, diepte, slaap, onbewogenheid. Zijn kruin. Reiken naar het
licht. Speling van
twijgen en bladeren. Ik heb hemel nodig. Hoogte. Licht. Bewogenheid. De stam is
ernst. Is kracht. De zijtakken: spanning naar alle zijden. Evenwicht van
spanningen. Met de seizoenen verandert
zijn gestalte. Voor mij is hij het zuiverst boom in de
winter: naakt skelet, boom tot zijn pure vorm herleid. Met de
seizoenen verandert zijn relatie tot het licht. Pril en speels het licht van het
voorjaar door nieuw groen en bloesems. Hoog en ernstig de zomerzon boven de
volle kruinen. Het wijkende, zinkende najaar kleurt boom en glad en grond. Het
lage, schaarse winterlicht rust op zijn lege takken. Mensen vragen
om je aandacht. Zie je me? Hoor je me? Wil je? Kun je? Mensen wekken en
prikkelen je, dagen je uit. Bomen dringen zich niet op. Ze zijn er, als alle
zwijgende dingen, water, aarde, steen en plant. Ze vragen of willen niets van je.
Ze zijn er, als je oog ze nodig heeft of je hand. Daarom zijn bomen herbergzaam. Vogels wonen
erin. En kinderen soms. Tussen bomen wandelen. Opgenomen zijn. Rust vinden. Laat
de bomen leven. Maar laat ze ook sterven als hun tijd is gekomen. Laat
dendrologen zieke bomen genezen. Maar houd stervende bomen niet in leven tegen
hun wet en wil, met injecties en ijzeren hoepels om hun stam. Oude mensen zeggen:
Eens stond hier de linde op het plein. Ook dat is goed. Ik ben geen meester over
leven en dood. Ook bomen zijn eindig. Frans Cromphout s.j. De
eerste stof die Mozes (Jezus is onze mirreboom) De eerste stof
die Mozes moest zoeken om de olie voor de zalving te bereiden was mirre. De
mirreboom is vijf maten lang: hij heeft dus de grootte van een mens. Zijn
vrucht, de mirre, is bijzonder groen en zij verspreidt een zoete geur,
maar zij is zeer bitter van smaak. De
bewoners van Arabië, waar die boom groeit, verbranden zijn jonge scheuten
die uit de stam schieten, om de boom beter te doen groeien en om hem meer vrucht
te laten dragen. Zijn vrucht is de afgescheiden gom, die men mirre noemt. Deze mirre
vloeit uit de boom door de kracht en de hitte van zon of als de schors van de
boom gekwetst wordt. Deze mirreboom beschouwen wij als een symbool voor Jezus
Christus, die in zijn vlees werd gekwetst. Hij zegt toch zelf: 'Een goede boom
brengt goede vruchten voort ' (Mt. 7, 17). Zijn overvloedig lijden is die goede
vrucht, waarvan wij leven. Dit lijden is een teken van genade, want het behaagde
aan zijn hemelse Vader. Het verspreidt een zeer zoete geur. Want die geur
geneest zieken en gewonden, doet doden verrijzen, haalt de vrienden Gods uit de
hel en brengt alle levenden in de goddelijke glorie. Maar dit lijden was zeer
bitter van smaak, want Hij kon het slechts voltooien met zijn dood. Ziet, dit
lijden is een uitgelezen soort mirre, want zij is uit de boom gevloeid door de
kracht en de hitte van de zon, d.i. door goddelijke mirre. Zij vloeide ook uit de kwetsuur van de boom, want het
gracieuze lichaam van ons Heer werd een grote wonde. Wij moeten deze
mirreboom, d.i. Jezus Christus en zijn lijden, midden in ons hart planten.
En zijn jonge scheuten moeten wij verbranden; dat zijn alle gedachten die
zijn lijden bij ons oproept. Wij moeten die gedachten vermengen met het vuur van
onze minne, zodat zij medelijden wekken, innige devotie, gevoelens van lof en
dank. Op die manier
zal de vrucht van zijn lijden in ons altijd groeien en toenemen. Maar gij moet
wel weten dat het overwegen van zijn lijden bijzonder aangrijpend en bitter is
voor alle mensen die Hem met gevoelige liefde beminnen. Zulke mensen zijn van
meet af aan te haastig en te onbedacht in het volbrengen van uitwendige werken
en zij zijn te hard en te streng voor zichzelf in het versterven van hun lichaam.
En zo vallen sommigen in een of andere ziekte, anderen verliezen het normale
gebruik van hun zinnen en weer anderen krijgen beide kwalen, wat nog erger is.
Daarom moeten wij te werk gaan als de bewoners van Arabië. Dezen zouden zich
zware ziekten op de hals halen, als zij jonge scheuten van de mirreboom
onvermengd verbranden, omdat de geur dan al te sterk is. Daarom gaan ze listig
te werk: zij zoeken eerst gom van een andere boom die storax heet, en die gom
verbranden zij samen met de mirrescheuten.
De zachte en zoete geur van die gom verkwikt hun innerlijk gemoed en beschermt
hen tegen alle kwalen. Storax is dus de naam zowel van de boom als van zijn
vrucht. Deze boom is een zachte en vette plant, waaruit een soort wit sap loopt,
zoet als honing. Vloeit dit sap tot op de grond, dan wordt het onzuiver, maar
blijft het kleven aan de boom of aan zijn twijgen, dan wordt het hard en rood
door de hitte van de zon. Als men het in die vorm verbrandt, dan verblijdt de
geur allen die hem opvangen. Dit alles leert
ons hoe wij het lijden des Heren moeten overwegen. Wij moeten zijn gevoelige
mensheid beschouwen als een mirreboom, rijk beladen met de bittere mirre van
zijn lijden. En wij moeten tegelijk zijn godheid beschouwen, rijk voorzien van
alle rijkdom en alle weelden, die zoals de storaxboom voortdurend het sap laat
lopen van zijn genaden. Want alles wat wij hebben en zijn, zowel van binnen als
van buiten, zijn geschenken en gaven. Deze zijn zuiver en honingzoet, omdat zij
alle uit zijn goedheid voortvloeien. Als deze gaven op aardse mensen neerkomen,
worden zij besmet. Want zulke mensen willen God niet dienen met hun leven noch
met alles wat zij van Hem gekregen hebben. Op die manier maken zij Gods gaven
onzuiver. Maar als zijn
gaven op de twijgen van de boom vallen, dit is op mensen die liefdevol met Hem
verenigd zijn, dan blijven zij zuiver en worden rood onder de hitte van de zon,
dit is door zijn eeuwige minne. Die rode gom moeten wij op het vuur leggen van
onze eigen minne. Dan wordt de geur zo zoet en zo vol weelde, dat hij allen die
hem opvangen, verblijden doet. Jan van Ruusbroec (Reeds voor
kinderen zijn de knoestige wortels van een boom in het bos een mysterie dat
aantrekt en bevreesd maakt. Soms half blootgelegd door het water in een beekje
of een moddersloot, wijzen ze, zo heel anders dan de takken in de klare lucht,
naar de geheimzinnige donkere aarde. En wanneer dan nog grote diepe gaten tussen
de pezige stronken verlokken om even naar binnen te kijken, als naar het huisje
van een fee of een kobold, dan voelen kinderen zich wonderlijk verbonden met het
leven, groeiend en gevaarlijk tegelijk. Aan de wortels ervaren ze iets van de
oorsprong, van de oergrond). En sommigen
zien al hoe de wortels een oude schatkist omvingeren of het graf van een dode
prins toedekken. Kinderen worden bekoord door het geheim van de wortels.
Als heel klein kind ging ik zo 's morgens eens kijken naar de
aspergebedden in onze tuin om te zien of de 'mysterieuze wezens' aan de
onderkant van de aarde (die ik nog als een schijf dacht) de tere stengels al wat
verder geduwd hadden tot de kopjes de oppervlakte deden barsten. Maar kinderen
ervaren ook vlug dat men wortels moet eerbiedigen. Zo vertelt de oude kanselier
Konrad Adenauer ergens dat hij dit als kind leerde toen hij, al te nieuwsgierig,
kleine, onvolgroeide radijsjes uittrok om te zien wat er onderaan gebeurde - en
natuurlijk verdorden de radijsjes. Aan de wortels raakt men niet ongestraft.
Wortels hebben iets te maken met vaderschap en moederschap. Zij wijzen naar de
schoot van moeder aarde en naar de mysterieuze kracht van heel klein zaad. Men
zou ook eigenlijk beter spreken van een stamwortel dan van een stamboom. En
ieder heeft wel ooit momenten in zijn leven gekend waarin hij die stamwortel
ondervraagt, wil weten of men in liefde ontstaan is en met liefde aanvaard door
moeder en vader. De wortels van elk mens liggen in vele voorbije generaties,
geboren uit grote en kleine liefdes en soms geheel wildweg als in de grillige
natuur, meer door toeval dan ontmoeting. Maar zoals bij de bomen, waar men de
wortels veelal niet ziet, zo blijven ook de wortels van een mens voor de anderen
en tevens voor hemzelf grotendeels verborgen. Ouders en grootouders herkennen
hier en daar iets, maar ook zij weten dat elk kind vanuit gisteren meer geheimen
bergt dan wie ook kan ontraadselen. Wortels vergen
eerbied en vertrouwen. Mensen kunnen elkaars diepste wortels in
tederheid raken maar ook onherroepelijk kwetsen. Elke mens moet zijn
eigen wortels beschermen op straffe van identiteitsverlies. Hij moet ergens 'voeten
in de aarde hebben'. En dit houdt heel wat in: verbondenheid met zijn familie,
met zijn afkomst, met zijn cultuur, met de natuur. Wij kennen allen ontwortelden.
Niet weinige franstaligen in Vlaanderen geven die indruk. Opgegroeid tussen twee
culturen, zijn ze dikwijls nergens thuis en maken een oppervlakkige indruk als
missen ze een echte humus. De kosmopoliet is daarom dikwijls de moderne
Ahasverus; zijn vermeende universaliteit openbaart zwaar wortelverlies door
overijld en vroegtijdig overplanten. Zei Chesteron niet dat hij van de hele
wereld hield, maar wel vanuit zijn eigen kleine tuin. Ook het collectieve
geheugen is een voedende wortel. Het verminderen van lessen geschiedenis is
daarom pedagogisch kortzichtig. Hier past de bekende uitdrukking: 'ware traditie
is vooruitgang die slaagde'. Wortels krijgen vergt heel veel geduld van ouders
en opvoeders; kleine mensenkinderen moeten zacht gedwongen worden in cultuur te
aarden. Want alleen duurzame en sterke toewijding geeft jonge mensen die wortels
mee die ze doet ontwikkelen tot forse en soepele bomen. Ook voor de mens is het
waar: slechts hij, die sterke wortels heeft, mag zijn takken wijd doen
uitgroeien zonder gevaar van omver te waaien. En slechts wie wortels heeft mag
het wagen over de zee te wandelen- maar die moet het dan ook doen. Wanneer de
wortels van de ander eenmaal betrouwbaar zijn geacht, dan moet men ze ook durven
vertrouwen. Het dient tot niets steeds maar te woelen in zijn of haar wortels om
bijvoorbeeld te zien of de liefde wel heel oprecht is, wel even absoluut of
definitief als de eigen liefde. De boom van de ander kan slechts groeien door
trouwe zon en regen, door stille winters en spelende lentes, niet door te graven
in het mysterie van de wortels. Dit mysterie wordt onthuld door de kracht van de
boom, door de beschuttende schaduw en door de steeds weerkerende frisheid van
nieuwe bloemen en bladeren. Wanneer men de wortels vertrouwt, durft men
verwachten dat ze een onuitputtelijke rijkdom in zich bergen en dat steeds
opnieuw scheuten en bloemknoppen zichtbaar worden. Dan weet men ook dat na een
storm die zelf grote takken heeft afgebroken, de wortels voedend aanwezig
blijven en verdere groei mogelijk maken. Maar ook de krachtigste wortels zijn
nooit helemaal gezond. Zij lopen gevaar te verzuren in modder. En wanneer de
boom dan omvalt is de verwoesting pijnlijk om te zien. In 'Also sprach
Zarathustra' heeft Friedrich Nietzsche dit scherp aangevoeld: 'Het is met de
mens als met die boom. Hoe meer hij oprijst omhoog en naar het licht, des te
dieper willen zijn wortels doordringen in de aarde, de duisternis, de diepten -
het kwade'. Daarom moet elke mens zorg dragen dat de bodem, waarin hij
verworteld is, gezond blijft en hij mag deze, zoals in de natuur, lang niet met
alles voeden of hij wordt vergiftigd en d e takken rotten en de bladeren vallen
af definitief. Ook in het woud der mensen staan giftige en dode bomen, alsof hun
wortels zuigen in de hel. Mensen moeten elkaars wortels verzorgen door klaarheid
in levensstijl en door neen te kunnen zeggen tegen wie onze wortels bedreigt.
Zoals bij de bomen vergt dit alles een zekere afstandelijkheid om niet te
verstikken; ook wortels hebben een eigen, veilige ruimte nodig. Voor een kind
reeds wijzen wortels erop dat wij van ergens komen, dat Leven leven geeft en dat
een harmonische verbondenheid bestaat tussen al wat leeft. En mystieken worden
stil bij de oergrond van alle bestaan. Zij voelen hun wezenskern geboren worden
van Elders diep binnenin. Zij weten dat hun eigen diepste wortels slechts leven
doordat ze zich drenken aan de heldere rivier in de Stad van Kristal, zoals de
boom des levens (Apokalyps 22, 1-3). En steeds opnieuw worden zij uitgedaagd die
onzichtbare oergrond te vertrouwen; dat deze trouw zal blijven, ook wanneer de
eigen levensboom doorbreekt, ook wanneer de andere boom, met wiens wortels en
takken men vergroeid was, sterft en men eenzaam de resterende wintertijd moet
trotseren. Tot het ogenblik komt dat aan allen openbaar wordt dat ieder, van
welke cultuur of religie, van welke historische of vergeten periode ook, elkaar
erkent –zoals Rilke het dichtte - als bloeiende takken op een Wortelstronk.
Tot alle eenzame bomen elkaar terugvinden als bloesems op een Levensboom. Tot in
elk gelaat de oorsprong gezien wordt en de voltooiing, de trekken van het gelaat
van de Ene, waardoor allen Gods volk worden, een woud van eindelijk
levenden. Jan Kerkhofs s.j. Twee kinderen
staan voor een drukke verkeersweg. Het ene schiet snel naar de overkant, het
andere wacht een rustig moment af. Vraagt het ene: 'Waar bleef je nou?'. Zegt
het andere: ' Mijn engelbewaarder
zei me dat ik beter even kon wachten'.'O ja?, zei de andere, 'die van mij zei:
opschieten, het kan nog niet'. Iedereen snapt
dat de handelwijze van deze kinderen eerder samenhangt met het voorzichtige
karakter van de een en de waaghalzerij van de andere dan met de inschatting van
de verkeerssituatie door de engelbewaarders. Is dat van die engelbewaarders dan
maar flauwekul? Of worden wij toch op een of andere manier vergezeld door
hemelse geesten? Wat betekenen engelen voor ons? Hoe komen wij ze tegen in de
liturgie? Hemelse
liturgie In de Bijbel
wordt op verschillende plaatsen de uiteindelijke toestand van de mensheid, de
grote finale van onze geschiedenis, beschreven als een grote en indrukwekkende
plechtigheid, waaraan een onafzienbare menigte van engelen en mensen deelneemt.
Je kunt het lezen in de brief aan de Hebreeën en in het boek Apokalyps. Het
daar beschreven gebeuren doet nog het meest denken aan een groots opgezette
ceremonie zoals je die ziet bij de Olympische Spelen. In plaats van het centraal
geplaatste vuur is in dit visioen de aanwezigheid van God zelf het middelpunt. Engelen
vervullen een belangrijke rol in dit visioen. Zij worden de ene keer beschreven
als hovelingen, de andere keer als soldaten die samen de legermacht van de hemel
vormen. Uiteraard is het een vliegende brigade, voorzien van vleugels, want zij
moeten overal tegelijk inzetbaar zijn. De Griekse boodschapper van de goden,
Hermes, had ook van die vleugels. Namen De engelen
worden in de liturgie met allerlei namen aangeduid. Er zijn negen afdelingen van
dat hemelse leger of, wellicht wat vreedzamer, er zijn negen koren die de
lofzang voor God zingen. Je komt tegen: engelen, aartsengelen, tronen en
vorstendommen, heerschappijen en machten, krachten der hemelen, cherubijnen en
serafijnen. Daarnaast zijn er ook
enkele engelen die in de Bijbel met name genoemd worden.
Een van de belangrijkste is ongetwijfeld de heilige Michaël, afgebeeld als
aanvoerder tegenover de machten van de satan. Hij is ook degene die de
gestorvenen begeleidt op de weg van het aardse leven naar het hemelse leven. In
het algemeen is dat trouwens een van de taken van de engelen. Denk aan het 'In
paradisum' dat gezongen wordt aan het eind van de uitvaart als de baar wordt
weggedragen uit de kerk: 'Mogen de engelen u naar het paradijs begeleiden'. Heel wat kerken
zijn genoemd naar de heilige Michaël. Aanvankelijk probeerden de kerkelijke
leiders de engelenverering af te remmen. Men was bang dat er een soort halfgoden
van werden gemaakt, tussenwezens tussen God en de mensen. Het gevaar was dat men
zich vertrouwder zou gaan voelen met deze wezens die een stuk dichter bij de
mensen staan dan met God, die zo ver is. En ze konden toch ook niet op een lijn
worden gesteld met de heiligen en de martelaren. Gabriël is de
naam van de engel die aan Maria de blijde boodschap brengt (Lc. 1,26). Zijn
feest is dan ook in de buurt van 25 maart waarop Maria Boodschap wordt gevierd.
Aangezien dat in de Veertigdagentijd valt, merken we daar niet veel meer van,
want alle feesten moeten wijken voor de voorbereiding van Pasen. Ten slotte is
er nog Rafaël, die in het ontroerende reisverhaal van Tobias de trouwe metgezel
van de hoofdpersoon is, die hem voor alle gevaren behoedt. Pas op het eind van
het verhaal maakt hij zich bekend als een engel van de Allerhoogste. Geen wonder
dat Rafaël de patroon is geworden van alle mensen op reis. Plafondengeltjes Het zou te ver
voeren om alle bijbelse plaatsen na te lopen waarin sprake is van engelen. Het
zijn er te veel. Wat echter steeds opvalt, is de diepe religieuze ervaring die
mensen overkomt als er een engel in het verhaal verschijnt. De bootschapper van
God verschijnt namens God zelf. Het zijn de momenten waarop God iets teweeg
brengt in een mensenleven. De belofte aan Abraham, gedaan door drie engelen die
op bezoek kwamen (Gen. 18); de redding van Lot en zijn dochters (Gen. 19); de
bemoediging van Jacob die op de vlucht is (Gen. 32, 23); de bootschappers aan de
herders (Lc.2); de wachters bij het graf van Jezus (Lc. 24,4); de bevrijder uit
de gevangenis van Petrus (Hand. 5). Pas veel later
in de geschiedenis zijn de engelen gedegradeerd tot maatjes voor iedere mens die
constant bezig zijn je goede dingen in het oor te fluisteren, terwijl aan de
andere kant de duivel met meer succes het tegenovergestelde aan het doen is. Het is een
wonder dat niet meer mensen zijn komen zitten met de ziekte van de gespleten
persoonlijkheid. Wat engelen óók geworden zijn: ornamenten in stucwerk. Zo
mochten zij met mollige blote billetjes vrome spreuken omhoog houden of op een
andere manier als lijstwerk fungeren. Dan is er helemaal niets meer over van die
sterke figuren, die de kracht van Gods aanwezigheid mochten laten voelen aan de
mensen en tegelijk hun steun mochten zijn. In de liturgie Als wij
samenkomen om liturgie te vieren, zijn we tegenwoordig meer ingesteld om ons
dagelijks leven aan God voor te leggen en er het licht van de Bijbel over te
laten schijnen, dan met een afspiegeling van de hemelse liturgie. We laten de
engelen rond Gods troon
bij wijze van spreken hun hemelse gang gaan, terwijl wij ons hier met onze eigen
zaken bezighouden. Toch is het goed om dit visioen niet helemaal te laten
verbleken. We zoeken immers óók naar ontroerende schoonheid in de liturgie. We
hopen iets te voelen van Gods aanwezigheid. We worden uitgenodigd in te stemmen
met de lofzang van de engelen bij het Heilige, heilig. En niemand zal
verontwaardigd zijn als van het koor gezegd wordt:' ze zongen vandaag weer als
engelen'. (Gerard
Broekhuiysen) Engelen
in de liturgie - Gebeden In de Bijbel is
er een aantal engelen die met name genoemd worden, naast de velen die wij
slechts als 'boden' aangeduid horen. Die laatsten maken ons duidelijk dat er van
godswege altijd door bemiddeling gesproken wordt, God zelf blijft buiten ons gezicht. Van de met name genoemden is de betekenis
van hun naam boeiend: je mag zeggen dat God zich via hen op drie manieren
kenbaar maakt: als makker, bondgenoot van mensen, als genezende kracht en ten
slotte, om ons zijn onderscheid van ons kenbaar te maken, als geheel Andere. Het
zijn drie thema’s die je biddenderwijze aldus zou kunnen verwoorden: Gabriël: God
is mijn makker Niet in grote dingen die opzien
baren, niet in tekenen die mensen overdonderen maar in mensen
die in kleine gebaren, eenvoudige woorden ons moed
inspreken, het hart verkwikken, spreekt Gij zelf ons aan, zijt Gij onze
tochtgenoot, herademen wij om zonder vrees verder te gaan: stuur die
mensen naar ons toe opdat er licht opgaat over ons leven. Rafaël: God
geneest Als wij de weg
in ons leven dreigen te verliezen, als onze ogen gesloten zijn en wij in het
duister tasten: komt Gij dan tot ons in helende kracht, als genezing
voor ons dorre hart? Zie naar ons om, wij wachten op
uw komst, wij hopen op nieuwe kracht, tot wie moeten wij ons anders wenden? Michaël: Wie
is als God Hoe moet ik U
noemen, hoe kan ik U bereiken, als Gij niet
zelf het zwijgen doorbreekt, onze eigenwaan beschaamt, onze duisternis
verlicht? Geef ons woorden die raken aan uw geheim, geef ons oren die U horen in de stilte. (H. Jongerius) Engelen
in de liturgie - uitleg Engelen: wezens
die tussen God en de mensen staan, die God dienen maar ook voor mensen opkomen,
bemiddelaars. Beelden en afbeeldingenvan met name genoemde engelen zijn voor
velen van ons uit het zicht verdwenen, restanten uit een verouderd verleden. Ze
zijn overbodig geworden, want in onze beleving is God van zijn voetstuk gekomen
en naast de mensen komen staan. Er staat met andere woorden niets meer tussen
God en de mensen in. (Of hebben we nu de mens op een te hoog voetstuk geplaatst?)
Bidden wij voor mensen voor wie deze vredebodes een levende werkelijkheid zijn:
dat zij er leefbare oriëntatiepunten in ontdekken; en bidden wij voor mensen
die zich niets kunnen voorstellen bij deze herinneringen uit het verleden: dat
zij andere leefbare oriëntatiepunten vinden. Engelen:
gedaantes die uit het niets verschijnen en in het niets verdwijnen,
onverklaarbare gebeurtenissen die jouw redding hebben betekend, alsof iets of
iemand continu over je waakt. Bovennatuurlijke krachten hebben we grotendeels
uit onze belevingswereld verdrongen. Als er iets gebeurt wat we niet kunnen
begrijpen, dan noemen we het een samenloop van omstandigheden. Leuke dingen zijn
een verdienste van onszelf, minder leuke dingen zijn een gevolg van stomme pech.
We doen alles om de greep op onze wereld niet te verliezen. Bidden wij voor
mensen die zich bij alles richten op krachten van buiten hen: dat zij ook
zichzelf durven te vertrouwen, en bidden wij voor mensen die niets willen weten
van dingen die onze waarneming te buiten gaan: dat zij ook het onbekende leren
te vertrouwen. Engelen: mensen
die er plotseling voor je blijken te zijn en die onverwacht een helpende hand
toesteken die het onmogelijke mogelijk maken. Het is gevaarlijk om jezelf te
verlaten op andere mensen – ze zouden je kunnen kwetsen. Het is misschien nog
gevaarlijker om toe te geven dat je anderen nodig hebt - dat betekent immers
toegeven dat je het niet in je eentje kunt, een teken van zwakte. Niettemin is
het van tijd tot tijd prettig om te weten dat je niet alleen op de wereld bent. Bidden wij voor mensen die volledig durven te vertrouwen op anderen ook al zijn die onbekenden: dat zij mensen als engelen om zich heen weten, en bidden wij voor mensen die niet graag op anderen aangewezen zijn: dat zij mensen als engelen om zich heen vinden. Mijn
hart brak - en Huil niet aan mijn graf (bij overlijden) Mijn hart brak.
Een uitspraak van Da Free John bleef maar door me heen gaan: 'Beoefen de wond
van de liefde... beoefen de wond van de liefde.' Echte liefde doet pijn; echte
liefde maakt je totaal kwetsbaar en open; echte liefde zal je ver voorbij jezelf
brengen; en daarom zal echte liefde je vernietigen. ik moest steeds denken, als
liefde je niet verbrijzelt, ken je geen liefde. We hadden beiden de wond van de
liefde beoefend, en ik was verbrijzeld. Als ik er op terug kijk, komt het me
voor dat we op dat eenvoudige en direkte moment beiden zijn gestorven. Huil niet aan
mijn graf; Daar ben ik niet. Ik slaap niet. Ik ben duizend winden die waaien; Ik
ben de diamanten schitteringen op sneeuw. Ik ben het zonlicht op rijp graan; Ik
ben de zachte regen in de herfst. Als je wakker wordt in de stilte van de
ochtend, Ben ik de zwerm van vogels Die in een vlaag opstijgen. Ik ben de
zachte ster die s nachts schijnt. Huil niet aan mijn graf, Daar ben ik niet... Mijn
broer heeft een kind doodgereden DE SCHULD VAN
MIJN BROER mijn broer
heeft een kind doodgereden het was niet zijn schuld het was de schuld van het
kind dat niet uitkeek mijn broer reed niet hard het kind was in gedachten het
was niet de schuld van het kind zijn moeder had hem recht uit zijn leesboek voor
een boodschap de straat opgestuurd de moeder wilde tabak voor de vader die in de
fabriek had gestaan en nu moe was zelf had ze geen tijd mijn broer
heeft een kind doodgereden het was niet zijn schuld het was de schuld van het
kind het was niet de schuld van het kind het
was de schuld van zijn moeder het was niet de schuld van de moeder het was de
schuld van de vader het was niet de schuld van zijn vader het was de schuld van
mijn broer niet hoe troost men een broer Jan-Willem Overeem VERDER.... Afscheid nemen
is loslaten en toch nog iets van die persoon of die plek (waar je geweest bent)
in je houden. Je kunt iemand
niet vasthouden. Je moet afscheid nemen ook niet als iets droevigs zien, eerder
als blijdschap die mens, die plek laat iets in jouw achter opdat jij ermee
verder kunt. Je kunt blij
zijn omdat je zo rijk bent dat je die persoon
hebt mogen ontmoeten dat je op die plaats bent geweest en er vol van
bent. Afscheid nemen is dag zeggen en proberen verder te gaan met de steun die je gekregen hebt. Hij
die sterft laat alles, alles achter - Alles
wordt achtergelaten. Hij, die sterft,
laat alles, alles achter. Ook het zijn, het spreken, het luisteren, het denken
en vooral het liefhebben. Alles laat hij achter. Hij vertrekt zo bezitloos als
hij gekomen is. En de ruimte die er ontstaat met de dood van deze mens, is vol
van herinneringen aan zijn spreken, zijn luisteren, zijn liefhebben, zijn goede
wil. Dat lijkt leeg, koud en kaal. Maar wie die ruimte durft betreden, voelt en
ervaart zijn nabijheid en warmte, zijn liefde en bekommernis. Zij die
achterblijven, verloren een mens, een unieke mens. Maar zijn/haar geest, de
geest, waardoor hij/zij sprak en dacht en kon beminnen, blijft leven in anderen.
Wie in de Geest gelooft, blijft in leven, al gaat zijn lijf ten onder. En wie zo
leeft, in en door de Geest, sterft nooit, nooit omdat de Geest onverwoestbaar
is, onsterfelijk, dat is: Eeuwig. 'n
Mens heeft niet veel jaren nodig 'n Mens heeft
niet veel jaren nodig om iemand te worden, iemand te zijn, betekenisvol voor
anderen. 'n Mens heeft niet veel jaren nodig om gemist te worden, node gemist. Drie jaren zijn
het geweest zesendertig maanden, ruim duizend dagen waarin Hij openbaar leefde,
die Jezus van Nazareth. Drie jaar, drieëndertig jaar in totaal, waren voldoende
om deze mens, deze jonge man eeuwenlang en nog steeds te doen leven in harten
van tientallen generaties en miljarden mensen. Wat was er dan zo wonderlijk, zo uitzonderlijk aan deze mens, deze medemens, die Jezus van Nazareth heette? Het antwoord is even simpel als onbegrijpelijk: Hij was Liefde. Hij leefde uit Liefde, van Liefde, naar de Liefde. En Liefde is God, zegt de apostel Johannes. Wij
mensen, staan weerloos tegenover de dood. OVERDENKING Wij mensen,
staan weerloos tegenover de dood. De dood is onontkoombaar. Even onontkoombaar
als de roep om leven in ons. Ook ons geloof
in Christus geeft geen sluitende oplossing voor dit probleem. Maar het tracht de
herinnering levend te houden aan de gekruisigde Heer. De herinnering aan een
onvergetelijk levens- en lijdensverhaal, dat hoop geeft. Hoop, omdat het de
aandacht voor arme, weerloze en ongelukkige mensen sterker laat zijn dan de
angst voor de dood. De herinnering
aan Jezus vraagt ons niets voor onszelf te houden. Als wij de herinnering aan
Jezus willen nemen, dan dienen wij zonder voorbehoud zijn verhaal in ons eigen
leven door te vertellen. Ook wij zullen
ons moeten verliezen aan de noden van de wereld, in het geloof dat in
het licht van Jezus' levensverhaal de rollen van rijk en arm, sterk en
zwak, dood en leven, voorgoed zijn omgedraaid. Onszelf verliezen in het geloof
dat brood breken en aan onszelf sterven de weg is, die naar het leven leidt.
Een
bekende zegswijze bij een afscheid luidt: OVERDENKING:
AFSCHEID NEMEN Een bekende
zegswijze bij een afscheid luidt: Afscheid nemen is een beetje sterven. Sterven
is voorgoed afscheid nemen. Misschien bent u wel eens bij het afscheid van een
stervende aanwezig geweest. Hij staat vlak voor zijn dood. Zelf heeft hij al
afscheid genomen van het leven. Hij staat eigenlijk al aan de overkant. Zeker nu heeft
hij geen aandacht meer voor zichzelf. Zijn aandacht is bij de mensen, die rond
zijn bed staan, bij de mensen die hij liefheeft. Hij probeert in een paar
laatste woorden uit te drukken wat hij hun altijd heeft willen zeggen. Zijn hart
gaat voor hen open. Wat hij zegt dringt nu nog niet helemaal tot hen door. Ze
horen het wel, maar het verdriet is sterker. Later zullen ze zich zijn woorden
te binnen brengen als een dierbare herinnering. Als ze die woorden onder elkaar
weer ophalen, is het net of de overledenen weer heel dichtbij is. Werkgroep Gebedsdiensten Minderbroeders De
dood brengt een vreselijke scheiding OVERDENKING De dood brengt
een vreselijke scheiding en een grenzeloze onmacht. Denkend aan de
eigen dood worden mensen bang. De dood is de oppermachtige spelbreker, die elke
zekerheid aanvreet en het orgaan afbreekt waarmee ik in het
leven kan staan. Niemand weet
raad met de dood. Ook de wetenschap niet. Men zwijgt, men probeert te vergeten.
Het verkeer gaat vlug verder als de begrafenisstoet voorbij is. Maar ik mag
alle gedachten aan de dood niet uit mijn eigen leven bannen. Dat is
struisvogelpolitiek. De dood stelt
mij voor de diepe vraag: is de daad het einde of niet? Als de dood het einde is
dan krijgt mijn sterven het karakter van een vreselijke verminking. Als hij niet
het einde is, dan krijgt mijn dood een verbazingwekkende nieuwe dimensie. De
dood stelt me voor het alles of niets, voor de zin of de onzin van mijn bestaan,
voor God of de oneindige leegte. Het geheim van leven en dood hangt samen met het geheim van God, En daartoe hebben we het geloof en de hoop in ons hart, dat ook voor ons de weg zal gaan zoals in Christus Jezus; dat ook wij allen door de dood heen tot het leven zullen komen. OVERDENKING BIJ
DE DOOD VAN EEN JONGERE Is de dood het
einde? Je moet alles
loslaten, mensen met wie je verbonden was, dingen waaraan je gehecht bent. De
dood hoort niet thuis in het leven van een jong mens. De dood overkomt alleen
anderen, nooit ons. De buurman, die een hartinfarct kreeg, de kennis die met
zijn wagen tegen een boom beukte. Denken aan de
dood is denken over het heengaan van anderen. We leven maar eens, en als je jong
bent spring je roekeloos om met het leven. En plotseling staat hij daar toch,
als een jong mens sterft, een vriend of vriendin. We worden er stil van, we
staan machteloos, verdriet, tranen, opstanding, waarom? De dood is altijd een
spelbreker en toch is het een zekerheid voor iedereen. De dood is rechtvaardig!
niet om te kopen met geld of macht of wetenschappelijke kennis. Een teken van
hoop is er alleen voor gelovige mensen. 'Heer God, uw hand in mijn hand en al
wordt mijn leven ook afgebroken, al sterft mijn hart, dan bent U de toekomst die
op mij wacht. Ik ben bij U
geborgen.' Hoe met je je dat voorstellen? Ik weet het niet, maar ik geloof erin. Erik Stijnen Het wonder ligt in jezelf Te
moeten sterven is een angst OVERDENKING
OVER DE DOOD Te moeten
sterven is een angst die in ons sluimert. Die wordt wakker bij de dood of het
ongeval van anderen. We schuiven het sterven weg, ver van ons; het is iets voor
later. En toch is het sterven het enige waar we zeker van kunnen zijn, waar we
onvermijdelijk naar toe leven. Leven en dood horen bijeen, maar wij hebben
ze elk een eigen bestaan gegeven. Voor velen is de dood een eindpunt en
geen rustpunt. dood is ook
bevrijding van tijd en ruimte, weg van de drukte, rust voor het lichaam. Het is een
stilvallen van elke beweging, een verharden van je gevoel, een verliezen van je
stem, een verkillen van je lach, het einde van je dromen. Laten we dood niet
langer doodzwijgen, maar leren ermee leven, wetend dat er een plaats is waar de
doden leven. Erik Stijnen Onze
taal kent wonderbaarlijke dubbelzinnigheden LEVEN GEVEN (OVERDENKING) Onze taal kent
wonderbaarlijke dubbelzinnigheden. Volkomen tegengestelde dingen worden soms
door een en hetzelfde woord aangeduid. Zo'n dubbelzinnig woord is: "Het leven
geven". Dat kan allereerst betekenen: aan een nieuw wezen het bestaan
schenken. Maar het kan ook betekenen: het eigen bestaan geven, zijn leven
geven, sterven! Een groter tegenstelling lijkt nauwelijks denkbaar. Misschien is
de dubbelzinnigheid van onze taal niet zo vreemd, en onthult zij iets van de
diepe menselijke werkelijkheid, dat mensen pas leven schenken aan anderen, als
zij het eigen leven ervoor durven inzetten. Of zoals Christus zei: "Niemand
heeft groter liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden."
En.....Hijzelf heeft het voorgedaan: het zaad moet sterven om te leven. Ik
wil een moment nadanken over de dood OVERDENKING
OVER DE DOOD Ik wil een
moment nadenken over de dood. Dood. Zo hardvochtig,
zo koud. Soms toch mild, bevrijdend. Dood. Het definitieve
einde of juist 'n begin....? Ik weet het niet. Dood. Zoveel
beschreven, zo wisselend voorgesteld: Magere Hein - skelet - duisternis, of juist 'n zee
van licht, 'n overgang. Dood. Je maakt me
kwaad, machteloos, eenzaam, je ontneemt me iets kostbaars. Deze keer heb
ik je echt van dichtbij gezien, té dichtbij. Je kwam
geruisloos, snel, té snel. Ik had willen vechten tegen je, je willen verdrijven. Maar
tegelijkertijd weet ik: je bent te machtig. Ik kan en mag niet over jou
beslissen. Kwaadheid en
machteloosheid zijn in me, de meest moeilijke combinatie van gevoelens. Dood. Misschien wel
de meest moeilijk te accepteren zekerheid in ieders leven. Afscheid
heeft iets weemoedigs OVERWEGING:
AFSCHEID Afscheid heeft
iets weemoedigs, iets treurigs en verdrietigs. Er gebeurt iets, dat eigenlijk
niet zou moeten gebeuren. De liefde is niet verdwenen, de relatie niet
verbroken, en toch gaan mensen uit-een. Dat betekent: geen directe
communicatie meer, niet meer genieten van elkaars nabijheid, van woord, handdruk
en omhelzing, maar uit elkaar, heel ver, heel lang, zelfs voorgoed. Dat is dan
geen beetje sterven, maar sterven zonder meer. Desondanks
stroomt het leven verder. Een mens moet daarin mee, met zijn herinneringen aan
vroeger, intense ervaringen, fijne momenten, samen beleefd, verdrietelijkheden,
samen doorstaan. Hij moet alleen verder met de taak waaraan samen geestdriftig
werd begonnen, maar die men niet samen mocht afmaken. Midden in de bouw is de
ander weggeroepen. Mensen die
geloven in de gemeenschap der heiligen op grond van woorden en daad van Jezus
Christus, weten dat dit afscheid niet absoluut is, dat hun relatie geenszins tot
niets is teruggebracht. Zij is nog aanwezig, maar anders. Hoe? Dat kan niemand
exact invullen. De ander is afwezig en toch aanwezig, ver weg en toch dichtbij,
zwijgend en toch welsprekend. Iets, dat
heilig is in Gods ogen kan niet verdwijnen in het lege niets, omdat het iets van
God is, de Heilige, die is, gisteren, heden en morgen. Th.v.d. Vossenberg En
als ik doodga treurt maar niet (afscheid bij een overlijden) Licht En als ik
doodga treurt maar niet Ik ben niet
echt weg moet je weten Het is de
heimwee die ik achterliet Dood ben ik pas
als jij mij bent vergeten Licht moge
stralen in de duisteren. Nieuwe vrede
dalen waar geen hoop meer is. Geef ons dan te
leven in het nieuwe licht. Wil het woord
ons geven dat hier vrede sticht. Bloem "Als een
bloem zo is het leven het begin is
teer en klein De een die
bloeit uitbundig de ander geurt heel fijn. Sommige bloemen
blijven lang weer anderen blijven even Vraag niet bij welke groep je hoort - dat is het geheim van het leven."
Mijn liefde zal
blijven Mijn lichaam
deed pijn, niets kan me
meer deren. |