religieus1
Start OmhoogErectiele disfunctieStart

                 

IK BEN BEDROEFD VANDAAG ....

VERDER

VIATICUM

 

ZOO TEEDERE SCHADE

IK BEN NIET EENZAAM

KRISTAL

BALLADE VAN DEN BOER.

COPLA'S.

 

Eens zat ik onder een wilgeboom

UIT DE STILTE

Moeder en maagd

De boodschap van de engel

Spreuken voor de advent

Advent

Een schip komt

Lied op kerstmorgen

De drie vogels

 


IK BEN BEDROEFD VANDAAG ....

 

Ik ben bedroefd vandaag. Vanmorgen vroeg,

toen alle ding nachtschemer droeg,

door 't kiergordijn de dag ging blinken,

hoord' ik mijn zoon opstaan en water drinken.

 

Dan, in mijn bed - ik hield de ogen dicht,

zijn hand ging over mijn gezicht,

zijn adem kwam mijn lippen strelen -

zei hij: "ik wil, wat 'k droomde, met jou spelen,

 

ik leg mij naast je, jij bent dood".-

Ik zag mijn kleinen speelgenoot

druk bezig mij een graf te maken...

De kou kroop op onder de witte laken.

 

Ik ben bedroefd vandaag, den ganschen tijd,

denk ik, hoe wild hij heeft geschreid,

wanhopig aan mijn haar ging trekken,

en wild zijn moeder riep om mij te wekken.

 

 

ED. HOORNIK


VERDER 

Het landschap met de bomen,

de bomen met het land,

daar kan ik niet uit komen,

zonder dat ik verbrand.

 

De zon is niet te tomen;

ik lag geknield in 't zand.

De wind vernielt de dromen;

'k sta aan den waterkant.

 

De psyche van het water

verrimpelt het geklater:

ik ben gevierendeeld.

 

De stroom gaat naar den molen,

die met mijn flarden speelt.

- Nog moet ik verder dolen.


VIATICUM 

Nu luister, kind, wat Maria deed

Die der menschen zoet en bitter weet; -

Hoe zij in een heilige kerstnacht

een kranke de laatste Teerspijs bracht:

 

Daar lag een man op een verre hoef,

Die man was krank tot de dood en droef,

Die vroeg met zijn mond en oogen groot

Almaar om Hemelsch Brood.

 

En een knaap die zijn honger niet verstond

Lei zijn handen op zijn open mond;

En als hij sliep of zijn oogen sloot

Nam de jongen weer zijn fluit en floot...

 

Maria, die als avondster waakt

Had in haar kapel wat licht gemaakt;

Zij kwam met haar lamp naar het altaar gegaan

En stak twee gele kaarsen aan.

 

Zij sprak tot Sint Jozeph: "Ik ga met Ons Heer."

Die legde zijn bloeiende lelie neer.

En met schoone, bleeke handen nam

Maria het witte Lam.

 

Zij hield Het hoog aan haar rijke hart

Als die eerste nacht toen zij moeder werd,

Zij sloeg er haar vlasblauwe mantel om dicht -

Sint Joseph droeg de bel en het licht.

 

Toen traden zij zonder enig woord

Door de open tempelpoort;

De voornacht stond in volle schijn

En blonk op dak en plein.

 

En plots in de stilte viel tel om tel

Het glazen geluid van de altaarschel,

De huizen rilden,- een kleine knaap

Riep: "moeder!" - in zijn eerste slaap.

 

Een man stak zijn hoofd door het luik en vroeg:

Ons Heer ging voorbij - en wie Hem droeg?

En menschen kwamen, met kaarsen aan,

Op de drempel van hun woning staan.

 

Twee vrouwen volgden tot aan de brug,

Toen kwamen ze bleek terug;

En Maria, licht als een paradijs, dacht

Aan die eerste, verre winternacht...

 

Een lange weg, een lichte laan

En schuin in de hemel de wintermaan;

Een toren sloeg op een verre stad,

Een beekje ruischte, een molenrad.

 

Zij kwamen voorbij een oud kasteel,

Toen sprong het geluk haar als licht uit de keel,

Toen zong Maria met schoone stem

Het heil van Bethlehem:

 

Geloofd zij mijn Heer op deez' schoone reis,

Mijn bloed werd drank en mijn vleesch werd spijs;

Geloofd zij mijn Heer in mijn schoot en lijf.

Geloof en gedankt om zijn verblijf.

 

Gezegend zijn lichaam dat vleesch is van mij,

Gezegend zijn hart dat leschte aan mij,

Gezegend zijn lippen die dorsten naar mij,

Gezegend zijn oogen allebei!

 

Gedankt zij zijn naaktheid em zijn nood,

Gedankt ook zijn handen, arm en bloot.

Gedankt ook zijn voeten in mijne schoot,

Gedankt zij zijn eucharistische dood.

 

Ik draag als een appelken U in mijn hand;

Gezegend de hemel om U en het land,

De menschen, de boomen, het licht en het Öl,

Gezegend de dieren in hunne stal!-

 

Een lange weg, maar een smaller pad,

Een beekje ruischte, een molenrad;

Een lage hoeve, met witte wand

Lag stil en puur aan de heuvelrand.

 

De maanlicht blonk in een gevelruit,

Een jongen blies in een herdersfluit

En klaar aan de stilte sloeg, tel om tel,

Het glazen geluid van de altaarschel.

 

"Adeste fideles", zong krank en dof

Een stem door een blanke bloemenhof,

Een wingerd dorde aan de witte muur,

Een schaapje blaatte in de donkere schuur.

 

Een deur kwam open, een deur ging dicht.

En het woonhuis stond vol zonnelicht.

Maar daar lag een man en die ging dood,

Naast een jongen, die hem de oogen sloot...

 

Maria spreidde een altaardwaal,

En las uit een oud, geel rituaal

Met een stem, als glas zoo rein,

Het schoone, smeekende kerklatijn.

 

Toen nam zij de Hostie in hare hand,

en gaf ze de man op zijn ledikant;

Toen sloot hij zijn oogen, toen sloot hij zijn mond,

Toen sloot hij voor eeuwig zijn ogen en zijn mond...

 

Een lange weg en een smaller pad:

Een beekje ruischte, een molenrad;

Het maanlicht doofde in een gevelruit,

Een jongen blies in een herdersfluit.

 

 

Een liedje ging door het winterland;

De maan zonk achter de heuvelrand.

En door de nanacht klonk ver en hel,

Het glazen geluid van de altaarschel.

 

JAC. SCHREURS


ZOO TEEDERE SCHADE

 

Zoo teedere schade als de bloemen vreezen

Van zachten regen in de maand van mei,

Zoo koel en teeder heeft uw sterven mij

Schade gedaan, die nimmer zal genezen.

 

Eens, toen wij na den nacht te saam verrezen

Lagen de rozen vochtig en gebroken, ik en gij

Wisten dien langen nacht den regen; ik noch gij

Konden van teerheid immermeer genzen.

 

Gij hebt de witte en roode rozebladen

Gebeurd in uw smalle hand, - zij vielen

Vochtig en sidderend weer in 't diepe gras.

 

Hoe zal dan 't hart van even teedere schade

Genezen, nu om u de rozen vielen,

Nu uwe handen stil zijn, diep in 't gras.

 

J.W.F.WERUMEUS BUBING


IK BEN NIET EENZAAM

 

Ik ben niet eenzaam sinds gij zijt gegaan.

Zooals het licht gansch om de wereld is

zijt gij met mij. Alle herinnering is

Vager en verder van mij heengegaan,

Overgegaan als bloemen in hun zaad,

Onder de aarde. En dit is zoo vreemd

dat nu Öl inniger de stilte neemt

Aard van uw wezen, sinds van u begon

Vergetelheid van woord en daad. Van dit gemis

Drenkt zich de lucht om mij van u

En ik verlies u, en ben gansch in u. -

Lang sinds geleden heb ik droefenis

Zeer liefgehad, om de gelijkenis

Dat zij mij smart en vrede gaf van u.

Maar zij is heen als gij, en nu

moest ik toch eenzaam zijn, nu niets gebleven is.

Maar eenzaam ben ik niet. Ik wist het niet;

Ik heb gansch op dit geheim bezonnen:

 

Ik weet alleen dat in de stille bronnen

Van licht mij drenken met wat mij verliet.


KRISTAL

 

(Fragment)

 

Aartsengel, eerste vlam, die zong

een eigen sombere muziek

is dit kristal de wereld niet

wier werk en kracht aan u ontsprong?

 

Kristal, subliem vuur, diamant,

die in het duister der natuur

zichzelf verlicht en helder brandt

als fonkelende architectuur.

 

Kristal, vroeg licht van het heelal

alom de helderheid verwant,

die met eenzelfde heimwee brandt

in bloem en dier en mensch en plant

van ziel tot ziel, van ster tot ster..

 

Uw eeuwige arbeid, Lucifer,

die bevende in het eerste licht

nog ademloos van Gods gezicht

-o, engelen vonkelend vergaan

die hier in steen gebannen staan -

werd neergestort tot dezen plicht

te hoeden deze eigen vlam

waarvan de ziel haar heimwee kwam.


BALLADE VAN DEN BOER.

 

Er stonden drie kruisen op Golgotha,

Maar de boer hij ploegde voort.

Magdalena, Maria, Veronica,

Maar de boer hij ploegde voort,

En toen zijn akker ten einde was,

Toen keerde de boer den ploeg

En hij knielde naast zijn ploeg in het gras,

En de boer, hij werd verhoord.

 

Zoo menigeen had een schoonen droom,

Maar de boer hij ploegde voort.

Thermopylae, Troja, Salamis,

Maar de boer hij ploegde voert.

Het jonge graan werd altijd groen,

De sterren altijd licht,

Gods woord streed in de wereld voort

En de boer heeft het gehoord.

 

Men heeft den boer zijn hof verbrand,

Zijn vrouw en os vermoord;

Dan spande den boer zichzelf voor den ploeg.

Maar den boer hij ploegde voort.

Napoleon ging de Alpen op

En hij zag den boer aan 't werk,

Hij ging voor Sint-Helena aan boord

En de boer hij ploegde voort.

 

En wie is er beter dan een boer,

Die van de wereld hoort,

En hij ploegt niet, wat of er al geschiedt

Op dezen akker voort.

Zoo menigeen lei den ploegstaart om,

En deed het werk niet voort,

Maar de leeuwerik zong hetzelfde lied,

En de boer hij ploegde voort.

 

Heer God! De boer lag in het gras,

Toen droomde hij dezen droom:

Dat er eindelijk een rustdag was

Naar apostel Johannes' woord.

En de kwaden gingen hem links voorbij

En de goeden rechts voorbij,

Maar de boer had zijn naam nog niet gehoord

En de boer hij ploegde voort.

Eerst toen de boer dien hemel zag

Zoo vol van lichten schijn,

Toen spande hij zijn ploegpaard af,

En hij veegde het zweet van zijn aanschijn af,

En hij knielde naast zijn stilstaand paard,

En hij wachtte op God's woord.

 

Een stem sprak tot aarde, hemel en zee

En de boer heeft haar gehoord:

- ,,Terwille van den boer die ploegt

Besta de wereld voort!"


COPLA'S.

 

Dat geklets over kunst en leven

Komt altijd hierop neer:

Een vogel zingt in de boom,

En wie van de twee is meer?

 

Als ik zie door mijn wimpers

Zie ik wat ik heb bemind

Als ik het met open ogen zie

Slaat zijn pracht en ellende mij blind.

 

Ik heb nog net drie druppels inkt

Ik weet hoe de wereld stinkt

IK wou ermee schrijven in letters van goud

Hoeveel ik van de wereld houd.

 


Eens zat ik onder een wilgeboom 

Eens zat ik onder een wilgeboom,

een wilgeboom, een wilgeboom,

de zee lag voor mij, wijd en schoon,

't was kerstdag, vroeg in de morgen.

 

Ik zag drie scheepjes, de vlag in top,

de vlag in top, de vlag in top,

Jezus, Maria en Jozef er op,

't was kerstdag, vroeg in de morgen.

 

Jozef die floot wat, Maria die zong,

Maria die zong, Maria die zong,

en iedere klok op aarde die klonk

want Jezus was ons geboren.

 

Zij zeilden wiegend naar Bethlehem,

naar Bethlehem, naar Bethlehem,

Sint MichaŽl stuurde, zijn zware stem

was overal goed te horen.

 

Sint Jan zat zingend hoog in de mast,

hoog in de mast, hoog in de mast,

en engelen hielden de zeilen vast,

't was kerstdag, vroeg in de morgen.

 

De klokken op aarde luidden zo schoon,

luidden zo schoon, luidden zo schoon,

'Welkom, Jezus, welkom, Gods Zoon,

op kerstdag, vroeg in de morgen!'

Engels, waarschijnlijk begin zestiende eeuw


UIT DE STILTE

 

Wanneer ik in een stillen nacht den berg beklim

alleen, zelfs zonder schaduw en blijft staan

dat 'k ook den echo van mijn stem verlies en ik een ding

word tussen aarde en hemel zonder naam.

 

Niets dan een bleke vlek in dezen nacht

waarop het licht van duizend sterren valt,

niets dan een mens die nog begeert en wacht

wien ondanks alles nog de aard' bevalt.

 

Spreek dan tot mij vanuit Uw hemels rijk,

Laat er een kruis zijn dat mijn oog verblindt,

geef mij een enkel teken maar, een blijk

dat Gij mij duldt, en, als het kan, bemint.

 

Zo roep ik U, terwijl de stilte rond

mij op de loer ligt en mijn woorden hoort,

geen antwoord dan in 't diepe dal een hond

door de eeuwge onrust in mijn slaap gestoord.

 

Gij zendt tot dezen mens geen teken meer,

want onze tijden zijn U vreemd en ver;

hier in den nacht voel ik opnieuw hoezeer

de aard' verdwaalde van haar tweelingster.

 

LOUIS DE BOURBON (geb. 1908)


Moeder en maagd

 

Ik zing van een maagd

als een witte roos,

die God uit allen

tot moeder koos.

 

Hij kwam zo stil

waar zijn moeder was

als dauw in April

zich vlijt aan het gras.

 

Hij kwam zo stil

naar een kleine prieel,

als dauw in April

op een bloemflueel.

 

Hij kwam zo stil,-

een wonderlijk licht,

als dauw in April,

lag op zijn gezicht.

 

Moeder en Maagd,

niemand was het dan zij,

Daarom koos Hij haar -

Moeder, bid voor mij.

 

Engels, begin zestiende eeuw


De boodschap van de engel

 

De Eeuwige wilde een kindje worden,

toen sprak Hij tot GabriŽl, vriendelijk blij:

Ga naar Galilea, en daar zal je vinden

een vredig, klein dorp in een groene vallei.

 

Nazareth heet het, een naam om te zingen,

een huisje met bloeiende wingerd staat daar

en binnen in, waar eens David mocht wonen,

woont nu een meisje van vijftien jaar.

 

Een timmerman werd zij tot vrouw gegeven,

doch al is zij arm, mijn liefde is groot;

zeg haar, dat Ik geen woning kan vinden,

die heerlijker is dan haar reine schoot.'

 

GabriŽl ging, door de winden gedragen,

vlug kwam hij aan bij het nederig huis

en van Maria's heerlijkheid bevend,

sprak hij zijn woord, - 't klonk als vleugelgeruis.

 

'God laat u groeten,' zo sprak hij verlegen,

'God groet u, Koningin zalig en trouw,

Hij is met u, machtig zijt gij gezegend,

rijker zijt gij dan enige vrouw.

 

Gezegend is ook wat in u zal ontbloeien,

de vrucht van uw lichaam, Jezus de Heer,

Koning des hemels en Heerser der aarde,

vroeger en heden en immermeer.'

 

Spaans, zestiende eeuw


Spreuken voor de advent

 

De ongeworden God wordt midden in de tijd

wat Hij nooit is geweest in alle eeuwigheid.

 

Het ongeschapen Licht wordt een geschapen wezen,

dat door Zichzelf zijn schepsel kan genezen.

 

Maria, Nazareth, de bode GabriŽl,

zij zijn: mijn ziel, mijn hart, Gods licht, - maar weet het wel.

mijn hart moet dan een dal vol pure bloemen zijn,

mijn ziel moet wezen als een maagd, verblindend rein,

en wonen in dit dal; tot hemels licht ontspruit

als God diep in haar geest zijn eeuwig Woord ontsluit.

 

Angelus Silesius (1624-1677)


Advent

 

De dag valt ons uit handen,

zo donker zijn de landen;

in sneeuw en toegevroren

licht alle bloei verloren.

 

Tussen de lange nachten

ligt bang de dag te wachten,

als had voor 't laatst geschenen

de zon, en is verdwenen.

 

Ach, alle lichten Vader,

snel komt uw oordeel nader.

Breek 't duister onzer uren!

Wie kan dit ooit verduren?

 

Niet ťťn of hij moet sterven,

valt eeuwig in verderven,

tenzij Gij wilt ontsteken

uw schitterend hemelteken.

 

Doe, Heer, opnieuw ontvonken

de troost, vanouds geschonken,

het licht, dat onze nachten

stralend uw heil doet wachten.

 

Wil, Heer, ons hart verblijden

en zend ons ten geleide

uw ster, die ons komt leren

dat alle tijden keren

 

en die ons zegt: 'De pijnen

van 't oude gaan verdwijnen.

Ik kom en neem u mede

 

naar een nieuwjaar van vrede.'

 

Rudolf Alexander SchrŲder


Een schip komt

 

Een schip komt, zwaar geladen,

het water staat tot de boord,

het brengt de Zoon des Vaders,

het eeuwig ware Woord.

 

Het scheepje komt gedreven

op vloeden zacht en stil,

met een geschenk verheven,

de liefste Koningin.

 

Maria , edele roze,

hemelse bloesemtwijg,

lentebloem, smetteloze,

met ons van zonden vrij.

 

Het scheepje vaart haast binnen

met kostelijke last;

het zeil Gods eigen minne,

de Heilige Geest de mast.

 

Johannes Tauler (gest.1361)


Lied op kerstmorgen

 

De maan verbleekt in het grijze licht,

de nacht wijkt voor de dag,

en God roept ons op; zijn stem beduidt

dat niemand meer slapen mag.

 

Staat op, wordt wakker, overal!

Hoort allen zijn woorden aan!

God stierf aan het kruis,- wie doet voor Hem,

wat Hij voor ons heeft gedaan?

 

O blinkende stad Jeruzalem,

wanneer bereik ik uw poort?

Wanneer wordt mijn lijden uitgewist

in het lied, dat mijn hart al hoort?

 

Groen zijn de velden, zo groen, zo groen,

en zoet als het hemelrijk.

God wandelt over de wegen en drenkt

met zijn dauw ons allen gelijk.

 

Ons leven is niet dan een handbreed lang,

in de zomer wordt het gemaaid.

Nu zijn wij hier en morgen daar,

waar de wind van de dood ons waait.

 

Gij rijken viert feest, want gij hebt geen zorg,

gij hebt uw geld, uw goed,

maar morgen, als gij gestorven zijt,

blijft niets van uw overvloed.

 

Wat mager gras aan uw hoofdeneind

en om uw lijf wat hout

Dan staat gij boven, naakt als een kind,

met zonden duizendvoud.

 

Mijn lied is uit, ik ga naar huis,

maak al Gods woorden waar!

Zijn zegen voor u, voor arm en rijk,

zijn licht in het nieuwe jaar!

 

Engels, achttiende eeuw


De drie vogels

 

De bergen op, de bergen af,

de ezel in een sukkeldraf,

Sint Jozef loopt te hijgen,

en daar beneden in het dal

zijn dat Herodes' knechten al?

Zij zullen 't Kind niet krijgen!

 

En weer een lang, verschroeiend pad,

het zonlicht brandt het stoffig blad,

de dag heeft duizend uren.

Sint Jozef zoekt een veilig land,

zijn voeten zijn bebloed, verbrand,

zijn ogen blind van 't turen.

 

Hier is het stil, zo leeg en hoog;

niets is er dan de hemelboog,

de bergtop ligt verlaten.

Wie hier ooit kwam en liep en zocht

al dorstend naar een druppel vocht,

het zou hem toch niet baten.

 

Maar plotseling duikt met licht gerucht

een grijze duif hoog uit de lucht,

strijkt neer voor Jozefs voeten.

Die mompelt wat, maar hoort de maagd

die trouw het slapend Kindje draagt,

de vogel vriendelijk groeten.

 

Het dier, met ogen blinkend fel,

kijkt schrander en verstaat het wel,

want dadelijk hoort zij vragen:

'Waar gaat de reis zo schielijk heen?

Wie durft zich hier zo gans alleen

in 't barre land te wagen?'

 

Maria, niet verwonderd, staart

de vogel aan:'Egypte waart,

wij moeten ijlings vluchten.

Herodes zoekt dit kleine Kind

en zal het doden als hij 't vindt.'

't Gedenken doet haar zuchten.

 

De duif knikt met haar grijze kop,

kijkt naar het Kind, maar vliegt snel op,

want daar klinkt dof rumoeren.

Een verre stofwolk, dicht en zwaar,

verraadt Herodes' legerschaar

die op het Kind moet loeren.

 

Dus verder, vlug, de berg weer af,

de ezel in zijn snelste draf,

Sint Jozef loopt te blazen.

Maria zelve ongerust,

lacht stil nu zij haar Kindje zust.

Wie zou d  r nu op azen?

 

Weer is het stil: de rots was steil,

hier is de lucht zo wonder ijl,-

hier zal toch niemand zoeken.

Maar eensklaps fladdert uit het blad

der lage struiken langs het pad

een kwartel op, een kloeke,

 

die staat nu midden op de weg

en blaast zich op en kakelt: 'Zeg,

wat loop jij hier te zweten?

Hier komt haast nooit een sterveling

en Öis er een dit pad langs ging,

daar mocht men 't niet van weten.'

 

Sint Jozef kijkt de kwartel aan:

'Wel, ijdel beest, ga hier vandaan!

Wat doe je ons te kwellen?'

Maar dan hoort hij - waarom, waartoe? -

Maria's zachte stem, die moe

toch alles wil vertellen.

 

'Wij reizen naar Egypteland.

Herodes zoekt met felle hand

dit schuldloos Kind te doden.

Daarom gaan wij waar 't veilig is

en trekken door de wildernis.

Dat is toch niet verboden?'

 

De kwartel kijkt nu schuw omhoog

en knippert met zijn kralenoog:

wie zou zo'n woord verwachten?

Hij loopt het wegje op en neer

en draait verlegen heen en weer,

verward in zijn gedachten.

 

Maar in de verte rommelt wat

en zie, aan 't einde van het pad

soldaten, fel als raven.

De kwartel vlucht in 't kreupelhout,

Sint Jozef wordt van schrik ijskoud

en laat de ezel draven.

 

En weer de bergen op en af,

de ezel in zijn korte draf,

Sint Jozef laat hem lopen

als hij nog nooit gelopen heeft

of lopen zal zolang hij leeft,

van gutsend zweet bedropen.

 

Tot het weer stil wordt: een vallei

welft vriendelijk zich ter wederzij,

hier is het heerlijk rusten.

Daarginder ruist een waterval,

waar Jozef dadelijk drinken zal;

Maria zal ook lusten.

 

Hier zijn zij zeker ongestoord,

want hier is toch, hoe scherp hij hoort,

geen onraad te bespeuren.

Hij keert zich veilig om en lacht

Maria toe en zamelt kracht

om haar van 't dier te beuren.

 

Doch plotseling: een vreemd geluid, -

Sint Jozef laat zijn zoete bruid

en keert zich om te kijken.

Was daarvoor nu zijn zware schrik?

Op 't wegje staat een leeuwerik

in 't volle licht te prijken.

 

Sint Jozef is beschaamd en boos,

maar 't diertje kijkt zo argeloos,

zijn kopje schuin geheven.

Het trippelt wat en piept en fluit

en stoot dan felle woorden uit,

die licht als klanken beven.

 

'Waar ga je toch zo vlug naar toe?

Ben je van dat gezwoeg niet moe?

Ga liever eerst wat slapen.

Hier in het dal is heerlijk gras,

'k ging er in rusten als 'k jou was,

't Gezicht doet mij al gapen.'

 

Maria buigt zich, mild en teer,

glimlachend tot de vogel neer

en zegt het dier de reden:

'Wij sloegen ijlings op de vlucht,

wij zijn voor 't kleine Kind beducht

omdat de vorst, de wrede

 

Herodes het te doden zoekt,

Hij heeft het in zijn trots vervloekt

en stuurde zijn soldaten.

Nu gaan wij naar Egypteland;

daar zijn wij samen veilig, want

daar zal zijn drift niet baten.'

 

De leeuwerik zwijgt stil en beeft

alsof hij het begrepen heeft.

Dan, alsof hij het kon bevroeden,

tript hij verbeten heen en weer,

slaat boos zijn vleugels op en neer

en kwettert fel van woede.

 

Doch eensklaps staat hij stil en beurt

zijn kopje of hij onraad speurt

en ja, - hij hoort soldaten.

Sint Jozef kijkt in 't kleine dal

waar hij 't gezin verbergen zal, -

't is leeg hier en verlaten.

 

Geen boom is hier en geen spelonk,

geen struik en ook geen zware tronk

om achter te verschuilen.

Sint Jozef tuurt met lange blik,

Maria beeft van angst en schrik,

het Kind begint te huilen.

 

En de soldaten naderen al,

hun helmen blinken ginds in 't dal,-

waar is nog hulp te vinden?

De leeuwerik van vrees ontdaan,

blijft stokstijf op het wegje staan,

dan, of hij zich bezinde,

 

stoot hij wat trillers, hoog en ras,

en trippelt naar een plekje in 't gras;

daar gaat hij smekend fluiten.

Hij zingt een vol en bruisend lied,-

Sint Jozef durft zijn ogen niet

geloven: er ontspruiten

 

in wondere, bliksemsnelle groei

een stam en takken, rijk in bloei:

een struik met kostelijk lover.

De bladerschat is zeldzaam dicht

en bergt hen makkelijk voor 't gezicht;

er blijft nog ruimte over.

 

Hij loopt er dankbaar heen, gezwind,

Maria volgt hem met het Kind,

de ezel loopt er achter.

En waar zij, nog bedremmeld, staan,

daar buigt de struik zijn takken saam:

nooit was er trouwer wachter.

 

Zij zijn omhuld door veilig groen,

geen berghol zou het beter doen,

Herodes' volk te schande.

De knechten zoeken overal

doch zij verlaten 't vredig dal

met lege, boze handen.

 

Al lang verstierf hun bars geluid,

nu komt Sint Jozef 't schuilhol uit,

kijkt lachend om zich henen.

Maria volgt hem met het Kind,

ook zij kijkt of zij 't diertje vindt -

de leeuwerik is verdwenen.

 

Dus zetten zij, nu ongestoord,

hun reis naar 't ver Egypte voort

dank zij dit goddelijk teken.

God bleef hen zegenend nabij,

Hij liet hen vluchten, veilig, vrij,

en deed de dieren spreken.

            

Doch wie kan nu dit oud verhaal

herlezen uit de wondertaal

die, eindeloos verscheiden,

in wisseling van stand en staat

het dierenrijk beluisteren laat?

Ik zal het u herleiden.

 

De bange duif zocht hulp noch raad

en vluchtte weg voor ťťn soldaat

haar vinnig kon beloeren.

God straffe haar die laffe vrees

en nam haar lied; nu kan zij, hees,

niet meer dan droevig koeren.

 

De kwartel, onbeschaamd en dik,

gedroeg zich als een lomperik,

God heeft ook hem geslagen:

hij fladdert schichtig op en neer,

bevreesd voor wie met fel geweer

voortdurend op hem jagen.

 

Maar zie, de kleine leeuwerik,

hij vond een loon zo kostelijk

als hij zich nooit kon dromen.

God gaf, voor 't redden van zijn Zoon,

hem een gezang, dat vol en schoon

als puur geluk kan stromen.

 

En iedere dag in 't zomertij

wiekt hij omhoog en jubelt vrij

de blauwe hemel tegen;

die blinkt dan als het blauwe kleed

der Moeder, die het nooit vergeet,

en hoger nog gestegen

 

zingt hij ook hier zijn volste lied,

het klinkt en klinkt en eindigt niet

voor hij is moe gevlogen.

Dan daalt hij naar het groene gras,

zo zacht als waar hij eertijds was,

en veilig in Gods ogen

 

slaapt hij de ganse, lange nacht

om 's morgens weer met nieuwe kracht

zijn lofzang te beginnen:

een lied van ongekend geluk,

een stem, die boven leed en druk

stijgt in een klaar beminnen.

 

En zoekt gij troost na angst of schrik,

hoort dan de kleine leeuwerik;

gij hoeft u niet te schamen.

God loont als een gelijke daad

in 't eeuwig licht van zijn gelaat.

Of gij er ook te zingen staat?

dat hoop en bid ik. - Amen.

 

Naar een oude Franse legende

 


 
                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

    voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.net

canandanann - 20-02-2006 18:04:17