religieus2
Start OmhoogErectiele disfunctieStart

                 

Koptische Theotokie

PARAPHRASE OP EEN KOPTISCHE THEOTOKIE

AVE MARIA

O ROZENKNOP

EEN ZEER EENVOUDIG GEBED

UIT DE 'DIVINA COMMEDIA'

ONDER MARIA'S MANTEL

DE GEBOORTE VAN MARIA

DE DRIE WEZEN

SLAAPLIEDJE

MARIALIED 1

MARIALIED 2

DE HEILIGE MAAGD TE MIDDAG

GEESTELIJK LIED

DE ZWERVER

TOTDAT HIJ KOMT

KOPTISCHE THEOTOKIE

 

Welke tong kan u, o Maagd,

heilige Moeder Gods, bezingen?

Gij zijt de Vorstentroon, gij schraagt

Die zelf het koor der cherubijnen draagt

in gulden kringen!

 

Hoe kunnen wij u zalig prijzen,

op welke wijze?

Verheven zijt gij, in glans en duur,

boven alle natuur.

 

O schone duif en Moeder des Heren,

uw naam zingt tot in eeuwigheid

ieder geslacht ter ere.

 

Verheugt u, Moeder en reine Maagd;

de engelen prijzen Hem groot

Die woonde in uw zoete schoot.

 

De cherubijnen aanbidden

Hem als hun stralende midden;

de seraphijnen, onvermoeid,

wuiven hun snelle vleugels al zingend

voor Die in hun midden bloeit:

 

'Hij is de koning der heerlijkheid

en naar zijn grote ontferming

is Hij der wereld bescherming;

alle zonden schenkt Hij ons kwijt.'

 

En daarom, o Moeder, smeken

wij dat gij ons voor wilt spreken:

al is zijn barmhartigheid onverdiend,

spreek ons tot heil en zegen

bij de Mensenvriend.

 

Koptische kloosterliturgie, vierde tot zesde eeuw


PARAPHRASE OP EEN KOPTISCHE THEOTOKIE

 

Vol van genade, smetteloze, wees gegroet,

gij hebt de ware God gedragen

terwijl het zegel van uw maagdelijk bloed

gesloten bleef naar zijn behagen.

 

Den groten Koning zijt gij stad en land;

Hij koos u als zijn onbezaaide akker

waarop de bloem des levens openbrandt:

uw licht slaat alle zielen wakker.

 

Gegroet, gij zoete tortelduif, uw hals,

van glanzend goudgroen overtogen,

weerspiegelt de verrukking zijner ogen.

 

O troon van de Almachtige, gegroet,

gij wagen van de hoog verheven Heerser

en woonplaats van de Geest die leven doet.

 

O reine luchter, welks al-pure gloed

der hemelen hemel overspant,

o geestelijke wolk, waarin de hoge zon

der eeuwige gerechtigheid ons brandt.

 

Kind van Anna en Joachim, reine bloem,

die recht uit Davids wortel bloeide,

gegroet, gij zijt der volkeren roem.

 

O ladder die tot de hemel reikt:

de Heer der Heren vertoeft erboven,

terwijl Hem alle engelen loven.

 

O tweede nieuwe hemel, geestelijk gewaad,

dat alle serafijnen wil bekleden,

nieuw tabelnakel, dat eeuwig open staat,

geen der profeten kende de vrede

die ons tegenstraalt van uw heilig gelaat.

 

Want o, met wie zijt gij te vergelijken?

Van wie klonk des Heren getuigenis:

vol van genade? O glorierijke,

wees ons indachtig als wij bezwjjken, -

uit u is het heil, dat ons leven is.

 

Koptische kloosterliturgie, negende eeuw


AVE MARIA

 

Gij, die de zoetste aller maagden zijt

en de beminnelijkste aller vrouwen,

gij, alle moeders kroon en zaligheid,

Ave Maria, -

wil gij uw liefdesschat ontvouwen.

 

Mijn hart bemint u, schone, bovenal,

mijn tong wil uw geluk verhalen;

u zoekt mijn ziel in aarde's donker dal,

Ave Maria, -

lichter zijt gij dan de zonnestralen.

 

Uw bloei straalt rijker dan het morgenrood;

gij, koninklijke vrouwe, vol genade,

vreugde der engelen, ons levensbrood,

Ave Maria, -

uw zoete zorg behoedt ons voor verdwalen.

 

Die de verrukking aller heiligen zijt,

de hulp waar alle christenen op bouwen,

glans van de tijd en licht der eeuwigheid,

Ave Maria, -

bid voor mij, beminnelijkste der vrouwen.

 

Hildegard van Bingen (1098-1179)


O ROZENKNOP

 

O rozenknop, o lelieblad,

gij, Koningin der hoogste stad,

die nooit betrad

een vrouw als gij te prijzen!

Gij, licht in alle somberheid

en vreugd in alle bitterheid,

u zij gewijd

wat wij aan eer bewijzen.

Den hoogste God was eens uw schoot

een klein verblijf, beminde!

Gelijk een zonnestraal doorstoot

het glas zo mocht - o wonder groot -

de Geest uw lichaam vinden.

Gij rozendal, viooltjesveld,

waaruit der harten zoetheid welt,

o bloemkelk, God-geheven,

gij klaar en fonkelend morgenrood,

gij, trouwe helpster in de nood,

het Levensbrood

hebt gij dit leven rein gegeven.

En vele harten, droef en koud,

kwam Het verlichten en doordringen

met zoete liefde menigvoud:

zo heeft zich s'Heren macht ontvouwd.

Dus zullen jong en oud

uw eeuwigdurend loflied zingen!

 

Gotfried van Straatsburg, begin dertiende eeuw


EEN ZEER EENVOUDIG GEBED

 

Moeder Maria, gezegend zijt gij!

Maagd Maria, waakt over mij!

Maagd en Moeder, - gij waart het alleen,

gij, Lieve Vrouwe, en anders geen.

Moeder Maria, smetteloos rein,

bescherm mij heden voor angst en pijn.

Help mij tegen de zonde strijden,

wil mij genadig van kwaad bevrijden.

Maria, om uwe vreugde vijf,

bewaar mij zolang ik in leven blijf.

Om uw tranen bij uw Zoons bittere dood,

help mij te winnen mijn dagelijks brood,

help mij te kleden, help mij te voeden,

neem gans mijn leven in uwe hoede.

 

Help mij, Vrouwe, en al mijn gezellen,

dat de duivel ons niet zal kwellen.

Bescherm ons tegen s'werelds doem,

tegen de hoogmoed, de valse roem.

Doe ons allen het goede belijden

en laat ons kwaad gezelschap vermijden.

Lieve Vrouwe, gij, zoete maagd,

weer  f de vijand, die mij belaagt;

nimmer zal hij mij verslaan,

als ik in uw hoede mag staan,

dag en nacht, zo lang ik mag leven,

Lieve Vrouwe, heerlijk verheven.

 

Voor mijn vrienden wil ik u vragen

gelijke liefde en welbehagen;

wil hen, naar ziel en lichaam beide,

gelijke vreugd en geluk bereiden.

En mijn vijanden, - Vrouwe, wil geven

dat zij en ik toch in vrede leven

en dat wij elkander vinden mogen

in ware vriendschap, met open ogen.

En, Vrouwe, laat hen die gelukkig zijn

hun vreugde behouden, - spaar hen voor pijn.

 

En zij, die de duivel moordend besprong,

laat hen allemaal, hetzij oud of jong,

niet sterven in hun halsstarrig kwaad.

Moeder Maria, geef hun uw raad,

help hen weer opstaan, sterk en blijde,

toon hun uw mildste medelijden.

 

Maria, bid gij de hemelse Koning,

mij eens te nodigen in zijn woning,

mij eens te schenken een zalige dood, -

verleen mij deze genade groot.

Maria, gij, mijn Vrouwe rein,

laat mijn gebed niet vruchteloos zijn

en help mij, door uw barmhartigheid,

Gods licht te winnen in eeuwigheid.

 

Engels, dertiende eeuw


UIT DE 'DIVINA COMMEDIA'

 

'O Moedermaagd, gij, dochter van uw Kind,

verheven boven alle creatuur,

in wie Gods plan zijn eeuwig einddoel vindt,

 

gij zijt het, die de menselijke natuur

doorstraalde tot haar Maker haar verkoos,

zich tot haar maaksel makend, licht en puur.

 

Diep in uw schoot ontstak zich eindeloos

de liefde weer, die door haar warme gloed

de bloem des vredes opent, mateloos.

 

Hier zijt gij 't vuur, dat alle liefde voedt;

beneden, in der stervelingen kring,

zijt gij de bron der hoop, die leven doet.

 

Gij, Vrouwe, zijt zo groot dat wie , gering,

genade zoekt en zich tot u niet keert,

wil vliegen zonder vleugels, - een dood ding.

 

Want niet alleen die smekend haar begeert

zendt gij uw milde kracht, doch ongeteld

zoekt gij die haar, nog onbewust, ontbeert.

 

Erbarming is de titel, die u geldt;

u is grootmoedigheid en al wat ooit

aan goedheid enig sterveling ontwelt.'

 

Dante Alighieri (1265-1321)


ONDER MARIA'S MANTEL

 

Maria, spreid uw mantel wijd,

ons tot een schild en zekerheid,

laat ons daaronder veilig staan,

tot onze vijand is heengegaan.

 

Uw kleed is zo verrukkelijk wijd,

het dekt de ganse Christenheid;

tot aan het uiterst wereldend

is 't aller toevlucht, aller tent.

 

Als alle vijanden samengaan

en grimmig in onze rijen slaan,

blijf ons dan bij, wees onze speer,

dan leggen we iedere vijand neer.

 

Maria, kom, help ons, hoor ons lied,

neem uw Kind op uw arm en aarzel niet,

zend ons uw engelen, sterk en geducht,

dan slaan onze vijanden op de vlucht.

 

O Moeder der barmhartigheid,

houd boven ons uw kleed gespreid;

wij zijn dan goed beschermd, voorwaar,

bij dag en nacht, voor alle gevaar.

 

Zoete en al-goede,

neem ons in uw hoede.

 

Soldatenliedje uit de dertigjarige oorlog


DE GEBOORTE VAN MARIA

 

De zoete vogels in het bos

doen 's morgens vroeg hun kelen los,

het jubelt in het lover;

zodra het ochtendrood de nacht

verdrijft, betrekken zij de wacht

en strooien 't bos uit alle macht

met gouden klankgetover.

 

Komt, mensen, aldus naderbij,

wilt u niet schamen, jubelt vrij

om 't kindje te vereren.

Het werd geboren deze nacht

en zij, die het ter wereld bracht,

Sint Anna, heeft u al verwacht, -

wat kunt ge méér begeren?

 

De morgendauw laaft koel en nat

de frisse velden, bloem en blad,

want alles wil nu stralen

om 't kleine kind gebenedijd,

dat alles drenkt in zaligheid,

met overvloed van dankbaarheid

en vreugde in te halen.

 

Doch puurder dan de morgendauw

verkwikt thans Onze Lieve Vrouw

ons aller mensen harten.

Deemoedig groet zij iedereen,-

gaat daarom aller tot haar heen

want weet dat zij, en zij alleen,

ons troost in alle smarten.

 

Uit 'Des Knaben Wunderhorn'


DE DRIE WEZEN

 

Er kwamen drie wezen over de weg,

Maria stond bij de bloemenheg,

zij lachte de kinderen vriendelijk toe:

'Waar ga je heen? Je bent al zo moe.'

 

'Wij lopen naar het kerkhof heen,

onze moeder ligt daar koud en alleen.'

'Hier heb je een stok van zuiver goud,

zorg dat je die goed in je handen houdt.

 

Als je daarmee naar het kerkhof gaat

en zacht er mee tegen de grafsteen slaat,

hoor je al wat je moeder je zeggen wil.

Vraag haar alles en luister dan stil.'

 

De kinderen gingen er dansend heen

en tikten tegen de zware steen.

'Wat zullen we vragen?' zei de jongste toen,

en de oudste: 'Ik zal het woord wel doen.'

'Moeder, red ons van ons ongeluk,

sta op, sta op, onze kleren zijn stuk.'

-Mijn zoon, hoe zou op kunnen staan?

Al mijn spieren zijn spoorloos vergaan.

 

Mijn spieren verteerden een voor een,

mijn handen, mijn voeten, mijn arm en been,

mijn stromende bloed werd als stof zo grauw,

mijn ziel verdampte als morgendauw.

 

'Geef mij de sleutel,' zei de tweede toen,

'dan zal ik uw kist wel open doen,

dan kus ik uw voeten alle twee,

dan staat u op en gaat met ons mee.'

 

-Zie, kind, daar wandelt een jonge vrouw,

haar wangen geverfd, haar ogen helblauw;

als stiefmoeder zal zij met je gaan,

zij trekt je wel schone kleren aan.

 

'Maar, moeder, dan bloeien fonkelend rood

drie rozen op uit uw lege schoot,

en geeft zij ons ieder een harde korst

dan druppelen tranen warm, op uw bordt.'

 

-Ach, kinderen, laat mij hier maar alleen,

ik lig hier onder mijn grauwe steen,

ik lig hier stil, ik ben al zo moe,-

kinderen, ga naar Maria toe.

 

Zij zal je verzorgen, zij neemt je aan,

beter dan ik ooit heb gedaan.

'Moeder, o moeder...'-Ach, laat mij alleen,

ik lig hier onder mijn zware steen.'

 

Hongaars volksliedje


SLAAPLIEDJE

 

Hoog op de bergen in de wind

zit met haar Kind

Onze Lieve Vrouw.

Zij schommelt het kleine ledikant

met haar sneeuwwitte hand

zonder wiegetouw,

wiegetouw,

Lieve Vrouw -

 

Uit 'Des Knaben Wunderhorn'


MARIALIED

1 

Wie, Moeder, eens u heeft aanschouwd,

wordt nimmer door verderf benauwd.

Scheiding van u verscheurt zijn zinnen,

eeuwig zal hij u vurig minnen.

Uw heerlijkheid, hem eens ontbloeid,

blijft de verrukking die zijn geest doorgloeit.

 

Mijn hart is warm u toegewijd,

gij zijt al wat ik mis of lijd.

Wil, zoete moeder, tot mij spreken,

geef mij nog eens een zalig teken.

Gij zijt mij rust in alle pijn,

laat mij en ogenblik uw woning zijn.

 

Vaak, als ik droomde, heeft uw beeld

mijn hart met innig schoon gestreeld.

Het kleine Godskind op uw armen

toonde mijn, speelgenoot, erbarmen;

gij echter wendde hoog uw blik

en trok u terug in wolken koninklijk.

 

Wat heb ik, arme, u misdaan?

Mijn liefde blijft om u begaan.

Tot de kapellen, die u eren,

blijven toch steeds mijn gangen keren.

Vorstin, gebenedijde, kom,

mijn hart en leven zijn uw eigendom.

 

Ach, Koningin, gij weet het nu,

al wat ik heb, het is van u.

Mocht ik al niet sinds lange jaren

in stilte uw geluk ervaren?

Ja, voor ik zien of denken kon,

was mij uw borst een zalige levensbron.

 

Gij waart zo dikwijls mij nabij,

mijn kinderblik aanschouwde u vrij.

Uw Kindje strekte blij zijn handen,

dat ik weer veilig zou belanden.

Uw glimlach was vol tederheid,

uw kus vol liefde, hemelzoete tijd!

 

Voorbij is nu dit zalig uur,

lang zijn mijn wegen kil en guur,

droefenis leidt mij alle dagen.

Heb ik mij dan zo zwaar misdragen?

Zacht als een kind raak ik uw zoom,

wek mij uit deze radeloze droom.

 

Als slechts een kind een beeld aanschouwt

en op uw bijstand vrij vertrouwt,

verlos mij dan van leeftijds boeien,

laat als een kind mij voor u bloeien.

Want kindertrouw en kindermin

bewonen sinds die gouden tijd mijn zin.

 

Novalis (1772-1801)


MARIALIED

2

 

Als het noodweer aarde's flanken

geselt en de mens doortrilt,

zijt Gij 't, die als klokkenklanken

biddend alle stormen stilt.

 

Als het veld na zware regen

zijn betraande vruchten tilt,

straalt de regenboog uw zegen, -

Moeder, ach, wat zijt gij mild.

 

Eens, als 't donker mij zal komen

en de koele avond zacht

nederruist in blad en bomen,

dan, Maria: heilige nacht!

 

Laat mij anderer hoogmoed derven,

dek mijn lichaam, oud en moe,

eindelijk rustend van mijn zwerven

met uw sterrenmantel toe.

 

Joseph von Eichendorff (1788-1857)


DE HEILIGE MAAGD TE MIDDAG

 

't Is middag nu. de kerkdeur zie ik open. Men kan er binnengaan.

Moeder van Jezus, niet als smekeling kom ik voor u staan.

 

Ik heb u niets te bieden, ik kan u niet verrijken,

Ik kom alleen, Moeder, om naar u te kijken.

 

U aan te zien, te wenen van gelukzaligheid,

te weten dat ik uw zoon ben en dat gij er nog zijt.

 

Niets zoek ik op dit ene ingehouden moment:

Middag! - dan bij u te zijn, Maria, hier, waar ik mij tot u wend.

 

Zonder woorden, met mijn ogen stil naar uw gelaat,

met niets dan het eigen lied, dat mijn harte slaat.

 

Zonder woorden, met niets dan een lied, daar mijn hart van verrukking hijgt,

als de merel, die niet dan zichzelve volgend, zijn klanken tezamen rijgt.

 

Omdat gij schoon zijt, omdat gij zijt de smetteloze,

de vrouw in genade hersteld, daartoe gekozen.

 

Het schepsel in zijn eerste glorie en zijn uiteindelijke pracht,

zoals het God verliet op de morgen van zijn oorspronkelijke kracht.

 

Onuitsprekelijk zuiver, omdat gij de moeder van Jezus zijt,

Die de Waarheid is in uw armen, onze enige hoop en zaligheid.

 

Omdat gij zijt de Vrouw, het Eden der oude, vergeten tederheden,

wier aanblik aller hart overrompelt tot het bitterst leed is beleden.

 

Omdat gij mij gered hebt, omdat gij Frankrijk hebt gered,

omdat gij op dit land als ik, uw gedachten hebt gezet,

 

omdat gij, toen alles verloren scheen, tussenbeide zijt gekomen,

omdat gij Frankrijk n¢g eens in bescherming hebt genomen,

 

omdat het middag is, omdat wij op dit moment van de tijd zijn aangekomen.

 

Omdat gij hier altijd blijven zult, alleen omdat Maria zijt, alleen omdat gij zijt,

Moeder van Jezus Christus, wees gebeneijd!

 

Paul Claudel (geb. 1868)


GEESTELIJK LIED

 

Jezus, die nooit uw pijn

door 't eigen hart voelt snijden,

die vlucht voor uw kruis, uw lijden,

zal nooit in vrede zijn.

 

Heer, schenk mij uw genƒ,

laat mij de wereld vluchten,

de wereld vol valse geruchten,

tot ik uw wegen ga.

 

Geef mij veel leed, veel pijn.

Wie kan zonder smart beginnen

uw vreugde op aarde te winnen?

't Zal tijd verloren zijn.

 

Want, Heer, in U alleen

is geluk en liefde en vrede, -

daarom wil ik uw paden treden

en anders wil ik geen.

 

Leg in mijn hart uw gloed

en laat mij uw dood verteren,

laat mijn hart tot ‚‚n vuur verkeren,

dan is mij 't sterven zoet.

 

Want, Heer, wie nooit uw pijn

door 't eigen hart voelt snijden,

die vlucht voor uw kruis, uw lijden,

zal nooit in vrede zijn.

 

Girolamo Beniveni (1453-1542)


DE ZWERVER

 

Kom, troost der wereld, stille nacht,

hoe stijgt gij van de bergen zacht,

de wind rust vol erbarmen.

Alleen een schipper waakt aan 't stuur.

zingt over zee van 't avonduur

en Vaders havenarmen.

 

Als wolken snel de jaren gaan

zij laten mij hier eenzaam staan,

geen wil nog van mij weten.

Alleen uw zegen bracht mij thuis

als onder 't wonder boomgeruis

ik peinzend was gezeten.

 

O troost der wereld, stille nacht,

de dag ontstal mij al mijn kracht,

de verre branding monkelt...

Laat mij hier rusten van mijn nood

totdat het eeuwig morgenrood

het stille bos doorfonkelt.

 

Joseph von Eichendorff (1788-1857)


TOTDAT HIJ KOMT

 

Totdat Hij komt zal het hier zo gebeuren:

's morgens de melkboer tweemaal bellen, dan

gordijnen open en met grauwe kleuren

breekt het eerste licht de nachtelijke ban.

 

Het heldere ontbijt iedere morgen,

dan naar de stad, de tram zingt langs de rand

heen van je dromen en je kleine zorgen,

en 's avonds staan de grote in de krant.

 

Zo zal het eindeloos zich hier herhalen,

liefelijkheid der huiselijke haard,

kinderen, zorgen en de angst rondom.

 

En eind'lijk met het vege lijf betalen

de koorts des levens en diep in de aard

wachten en luisteren, totdat Hij komt.

 

J.W. SCHULTE NORDHOLT


 
                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

    voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.net

canandanann - 20-02-2006 18:04:18