Drie koningen
zijn er op reis gegaan,
vlugger nog dan
de wind,
van over de
bergen kwamen zij aan
te
Bethlehem,
bij het Kind.
Nergens hoefden
zij lang te zoeken,
zij vonden de
weg vanzelf,
naar het Kind
in sneeuwwitte doeken
wees een ster
aan het nachtgewelf.
De eerste die
er de stal betrad
was
Kaspar,
waardig en wijs;
de tweede was
koning Balthasar,
nog moe van de
lange reis.
Maar
Melchior,
zwart als een nikker,
durfde niet
binnen te gaan,
want het kind
begon schokkend te snikken
toen Het hem
donker zag staan.
Sint Jozef
maakte een vriendelijk gebaar:
'Wees niet
bang, kom stil dichterbij,'
Hij kwam en
kuste het Kind, dat zowaar
hem met heldere
stem iets zei:
'Ik huilde niet
om uw zwarte handen,
Ik huilde
alleen om de pijn
van de bittere,
zwarte zonde
die straks
genezen zal zijn.'
Frans,
zestiende eeuw
Het Kindje lag
aan haar hart geborgen,
Het sluimerde
in haar schoot.
Toen drupten
tranen, hel en groot,
die zacht het
Kindje raakten,
waardoor Het
licht ontwaakte.
Het sloeg zijn
ogen op naar 't licht,
zag lachend
moeder's lief gezicht
en zag toen op
haar wangen
de droeve
tranen hangen.
Het hief zijn
hoofdje schuin omhoog
en leunend aan
haar armenboog
begon Het als
zijn moeder deed,
te huilen om
een bitter leed.
Met lief
gebaren, ongevraagd,
omhelsde Het de
zoete maagd
en kuste haar
bedroefde mond
met liefde
recht uit 's harten grond.
Zijn kleine
handen streelden licht
langs haar van
leed gegroefd gezicht
en daarbij keek
Het diep haar aan
met beide ogen,
warm en lang,
tot al haar
tranen, droef en bang,
in vreugde
waren weggedaan.
Duits,
dertiende eeuw
Ex ore
infantium - uit een kindermond
Kleine Jezus,
waart Gij even bedeesd
en schuw als ik
het ben geweest?
Hoe voelde Gij
U buiten de hemel, ver
daar vandaan
als ik, op een andere ster?
Zijn vaak uw
gedachten daarheen gevaren,
vragend waar al
die engelen waren?
Vast had ik de
nacht gescheurd met gekrijs
om mijn bitter
verloren lichtpaleis
of nachtenlang
lag ik omhoog te staren,
verwonderd waar
toch mijn engelen waren,
en ontwakend
stortte ik tranen, wrede,
want er was
geen engel om mij te kleden.
En had Gij
niet, als de kinderen op aard',
speelgoed, een
tol of een houten paard?
En hebt Gij
niet in de hemel blij
gespeeld met de
bonte engelenrei?
Geknikkerd met
sterren? Of 'alle vogels vliegen'
met hen, die
het mooist met hun vleugels wiegen?
Ach, vertel mij
eens hoe uw Moeder het vond
als uw kleed
besmeurd werd met ónze grond!
Dat was iets
wat U d r nooit gebeuren zou,
want de hemel
is altijd schoon en blauw!
Hebt Gij 's
avonds ook geknield, wat moe,
en uw handen
gevouwen als ik het doe?
En gedaan of
Gij in de war zoudt raken
om zo het
gebedje wat langer te maken?
Vindt Gij fijn
dat wij vóór het slapen gaan
onze handen
vouwen als Gij hebt gedaan?
Vóór ik het
begreep heb ik vaak gedacht,
dat zo'n
spelend gebed U geen vreugde bracht...
Heeft uw Moeder
U kussend goë nacht gezegd
en uw kleren
recht op de stoel gelegd?
Zijt Gij ook,
gewassen, gekust, gebeden,
zo hartelijk
tussen de lakens gegleden?
Gij kunt toch
nog niet vergeten zijn
hoe een kind
zich voelt, bedeesd en klein.
Gij begrijpt
dus ook: nooit bid ik goed
met zo
plechtige taal als mijn vader doet.
Hebt Gijzelf
ooit kunnen bidden als Kind
met woorden als
slechts uw Vader vindt?
Ach,
Jezuskind,
daal neer en neem aan
een kind dat
bidt als Gijzelf hebt gedaan.
Reik mij uw
hand en leid mij voort
al luisterend
naar mijn kinderwoord,
geef mijn
kindergebed aan uw Vader door
(Hij vindt U zo
lief, schenkt U graag gehoor)
en zeg: 'Vader,
neem aan wat uw Zoon U geeft,
een gebed als
Hijzelf eens gebeden heeft.'
Dan lacht Hij,
omdat Hij het woord van zijn Kind,
sinds Gij jong
waart als ik, niet veranderd vindt.
Francis
Thompson
Land van
Galilea, land van ruisend graan
en bergen waar
de wijnstok eeuwig bloeit,
gij hebt de
Heer gezien, gewond, vermoeid,
en zag het volk
verlangend tot Hem gaan.
Zijn ogen waart
gij rust en welbehagen,
in zijn
parabels leerde gij ons te beminnen,
en zowel in uw
schoot dwingt tot bezinnen
dat wij uw
beeld als van een altaar dragen.
Uit zacht
gewelfde akkers, korengoud,
en uit de
ranken die het sap vergaarden
van de gewijde
grond, waarop mijn voeten staan,
richten zich op
- o goddelijk vlammend woud
van gouden
stammen en doorgeurde aarde -
zijn Bloed, de
wijnstok, en zijn Lichaam, graan.
Luis Felipe Contarde
't Wordt zomer
nu, de winter is voorbij,
de dagen worden
lang;
van alle vogels
blij
klinkt weer
gezang,
maar bang
is mijn hart en
blind
voor alle
vreugd, die ik vind
op het land:
'k lijd om een
Kind
hoezeer bemint
ons zijn hand.
Dit Kind, zo
goed, van rijke stam
en kostelijke
geest,
dat lang mij
zoeken kwam
in wild
foreest,-
't heeft mij
gevonden,
aan een tak
gebonden,
een appel rood:
Het maakt mij
uit mijn boeien
vrij
door zijn dood.
Dit Kind, zo
hoog en licht,
om mijnentwil
zijn rijkdom liet;
Het werd voor
mij ten val gericht.
Zijn beulen
kenden 't niet
en zeiden: ''t
Laat ons koud,
spijker Hem aan
het hout
buiten de stad;
maar eerst
werpen wij
om zijn kleren
vrij
het lot.'
Jezus heet dit
wondere Kind,
Koning van alle
landen,
om Hem speelden
zij verblind,
sloegen Hem met
hun handen;
weerloos aan
het hout,
wondden zijn
Hem menigvoud;
toen de pijn
zijn gezicht
vertrok,
gaven zij Hem
een slok
bittere azijn.
Had Hij niet
aan dit droeven hout
ons aller leven
gered,
er zou ons geen
enkel behoud
gebleven zijn;
geen wet
sprak ons nog
vrij,
ter helle
voeren wij
in duister
wreed
en eeuwig leed;
ons hielp geen
legermacht,
geen fort, geen
vestinggracht,
geen
oorlogskreet.
Maagd en
Moeder,- zo stond
Maria, vol
genaden erbij;
haar tranen
weekten de harde grond,
tranen van
bloed weende zij.
Zijn bloed
droop langs het hout,
zijn vlees werd
koud
en zonder
kracht.
Hij werd
geslagen
als een dier na
dagen
van felle
jacht.
Zo hing zijn
dierbaar lichaam dood
aan de hoge
stam,
omdat Hij al
onze zonden groot
op Zich nam.
Hij daalde fier
ter helle af
en brak de
ketens zwaar;
Hij droeg ons
aller straf,
bezweerde het
gevaar
met zijn
koningsstaf
en zij ogen
klaar.
Ten derden dage
rees Hij weer
en besteeg zijn
troon;
de oordeelsdag
ziet zijn wederkeer,
dan geeft Hij
ieder zijn loon.
Wie ooit zonder
Hem sterven zou
draagt leed en
rouw,
het is gewis.
Wil, Jezus, ons
leven
de glorie geven
van uw
verrijzenis!
Engels,
dertiende eeuw
Heilige kruis,
van alle bomen
zijt gij de
heerlijkste in 't woud;
ik ken geen
kostelijker aromen
dan spelen om
uw geurend hout.
Als
bloemenkelken, vlam na vlam,
zijn uw drie
nagelen gedreven,
en zoet is 't
hout van uwe stam,
doch zoeter is
de vrucht, het Lam,
aan u
verheerlijkt opgeheven.
Engels,
veertiende eeuw
Liefde heeft
Mij gebracht,
Liefde gaf Mij
de kracht,
o mens, uw
ridder te zijn.
Liefde heeft
Mij gesterkt,
liefde heeft in
Mij gewerkt
en in liefde
lijd Ik hier pijn.
In liefde liet
Ik Mij jagen,
om liefde werd
Ik geslagen,
de liefde
kruisigde Mij.
Liefde is al
mijn wens,
want alleen in
liefde, o mens,
koop ik voor
God u vrij.
O mens, zie
mijn lijden nu,
altijd door
zocht Ik u,
altijd door,
dag en nacht.
'k Vond u
thans,- alle pijn
zal nu vergeten
zijn:
Liefde heeft
het volbracht.
John Grimstone (gest. 1372)
Heb je geen
medelij met mijn Kind?
Of met mij, van
rouw geslagen?
Neem af van het
hout mijn lieve Kind
of laat Het ons
samen dragen.
Meer pijn dan
ik lijd zal er nimmer zijn,
niets blijft
mij dan rouw en verdriet.
In zijn liefde
blijven wij samenzijn,
ik wil sterven
als Hij, anders niet.
John Grimstone (1372)
TOEN GOD DE
HEER IN DE STILLE HOF
Toen God de
Heer in de stille hof
zijn lijden
begon, geknield in het stof,
toen treurde
alles wat daar was,
de vogels, het
kruid en het groene gras.
Maria hoorde
een hamer slaan....
'O wee, mijn
Kind! Wat vang Je aan?
O wee, o wee,
mijn zoon, mijn …,
ik voel dat Je
mij verlaten zal!'
Maria kwam
onder het kruis gegaan,
daar hing haar
Kind, haar liefste aan,
naakt aan het
kruis,- hoe vals, hoe wreed!
Nooit kende een
moeder feller leed.
'Johannes,
liefste vriend van Mij,
zorg voor mijn
moeder, sta haar bij.
Ga weg met
haar, opdat zij niet
mijn bittere
marteling hier ziet!'
'Ach Heer,
graag doe ik wat Gij vraagt,
ik zal haar
geven wat haar behaagt,
ik zal haar
troosten stil en zoet
zoals een kind
het zijn moeder doet.'
'Bomen en
bloemen, buigt wenend neer,
mijn Kind heeft
rust noch vrede meer.
Bladeren en
vruchten, buigt neer in smart,
laat dit lijden
gesneden zijn in uw hart!'
De hoge bomen
bogen zwaar,
de rotsen
spleten van elkaar,
de zon verloor
haar fonkeling,
de vogels
hielden hun zingen in.
De wolken
weenden ach en wee,
de steile
bergwand spleet in twee,
men zag de
graven open gaan
en de doden
zijn koninklijk opgestaan.
Duits
volkslied, zestiende eeuw
Tuinman, zeg,
wat zal hier groeien?
Welke zaden
strooit gij neer?
'Wees geduldig,
kind, keer weer
als voor jou
hier rozen bloeien.
Dan heeft God
voor Mij gereed
scherpe
doornen, fel en wreed.'
Tuinman,
heerlijk kunt gij sproeien!
Deze tuin zal
komend jaar
dicht van
bloemen staan te bloeien.
'Ja' kind,
vlecht dan in je haar
bloemenkransen
licht en blij,-
andere kransen
zijn voor mij...'
Tuinman, Heer,
wie zal ons kronen,
wie ons tooien,
hoog en vrij?
Wie uw werk met
kransen lonen?
Zijn er bloemen
ook voor mij?
' Kind, de
bloemen zijn voor jou,-
Mij de doornen
scherp en rauw....'
Spaans lied,
zestiende eeuw
Sinds Hij
stierf, de Heer des levens,
Hij, mijn Zoon,
is de dood mijn
enig streven
en mijn loon.
Moeder werd ik
als nog gene,
zonder pijn en
zonder smart,
smart die
dubbel mij doet wenen
nu zij dubbel
snijdt mijn hart.
Dubbel leed
wordt mij gegeven.
Ach, waar bleef
mijn geluk nu
Hij , mijn leven
niet meer
leeft?
Alle dood is
overwonnen,
dat deed Hij,
mijn Zoon, alleen.
Sterft nu voor
zijn bittere wonden
van de mensen
er niet ‚‚n?
Ach, ik wil
mijn lichaam geven,
want om niet
rek ik hier
mijn lege leven
in verdriet.
Vogels in de
bloesemhagen,
dieren vrij in
bos en veld,
zegt mij, wilt
gij met mij klagen
om de doodsnood
die mij kwelt?
Want die mij
zijn troost kon geven,
Hij alleen,
Hij, de Heer
van dood en leven,
ging nu heen.
Later zal Hij
weder komen,
ja, Hij heeft
het mij gezegd!
Zoete troost om
van te dromen,-
doch nu is Hij
weggelegd.
Ja, kom terug,
o Heer des levens,
'k kan niet
meer....
Gij zult mij
mijn kracht hergeven,
keert Gij weer.
Ja, Gij zult
mijn jeugd verblijden,
alles maakt Gij
nieuw en goed!
Weggevaagd is
alle lijden,
doornen,
ketens, kruis en bloed.
Ja, Hij stierf,
de Heer des levens,
doch zijn dood
heeft ons leven
hoog geheven,
maakt ons
groot!
Spaans,
zestiende eeuw
In stille nacht
ving
wonderzacht
een stemme aan
te klagen.
'k Stond stil
en hief
mijn hoofd,-
wat riep
zij daar
sidderend vlagen?
Het was de
Heer,
stil lag Hij
neer,
zijn hoofd diep
in zijn armen.
Het was zo wit
als
sterrenlicht,-
een steen zou
zich erbarmen.
'Ach, Vader
mijn,
ach, Vader
mijn,
moet Ik die
beker drinken?
Kan 't anders
niet,
uw wil
geschied',
doch laat mijn
kracht niet zinken!
Laat God
vannacht
u troosten
zacht,
Maria, Moeder
pure....
Is géén
hierbij
die waakt met
Mij
in deze bange
ure?
De zilveren
maan
wil ondergaan,-
van angst is
zij verdwenen.
De sterren zijn
nu bleek van
pijn,
zij willen met
Mij wenen.'
Friedrich von
Spee (1591-1635)
Een
schemeravond in April,
de lucht was
zacht en blij,
kwam een grote
kudde schapen
mij onderweg
voorbij.
Er waren ook
kleinere lammeren
bij de stoet
die langs mij kwam,
in April, op
een schemeravond,
en ik dacht aan
het goddelijk Lam.
Moe waren de
lammeren, zij blaatten
luid door de
schemering.
Stil dacht ik
aan het goddelijk Lam
dat zwijgend
sterven ging.
Hoog in de
blauwe bergen
zijn de weiden
mals en zoet,
daar vinden de
klagende lammeren
geluk in
overvloed.
Maar ach, Gods
eigen liefste Lam
bracht de
bergtop geen gewin:
niets vond het
daar dan een bittere kruis
tussen twee
moordenaars in.
't Was April,
een schemeravond,
dat die kudde
langs mij kwam.
Ik zag de
schapen, groot en klein,
en ik dacht aan
het goddelijk Lam.
Katherine Tynan Hinkson (1861-1931)
De haan, de
bode van de dag,
verkondigt ons
't ontwakend licht,
doch Christus
roept tot nieuwe plicht
de geest, die
lang te slapen lag.
Ontwaakt, gij
zieken, traag van geest,
weest fier en
eerlijk, sterk en rein,
staat op, weest
nuchter allermeest,
en waakt: dra
zal Ik met u zijn.
Dus roepen wij
de Christus aan
het oog
betraand, de ziel benard:
wil ons gebed,
o God, verstaan,
verdrijf de
slaap uit 's werelds hart.
Verjaag de
nacht, die ons omhult,
de duisternis
omsluit ons dicht:
bevrijd ons van
de zonden schuld
en schenk ons
uw vernieuwend licht!
Aurelius Prudentius Clemens (348-405)
HYMNE OP DE
MORGEN VAN DE EERSTE PAASDAG
De rode glans
van 't ochtendlicht
doorstraalt het
hemels vergezicht,
de wereld
juicht vol blijde kracht,
de hel slaakt
zuchtend klacht na klacht,
want Christus,
onze sterke held,
heeft fier de
macht des doods geveld;
de ziel, die
zonde's boeien droeg,
werd vrij nu
Hij de hel versloeg.
De Heer, wiens
graf verzegeld werd,
heeft ook geen
wacht de weg versperd;
als
overwinnaar, stralend groot,
verrijst Hij
edel van de dood.
Nu wijken
klachten, eens zo fel,
nu vlucht de
angst voor straf en hel;
een lichtende
engel kondigt aan:
'De Heer is
waarlijk opgestaan!'
Aurora lucis
rutilat
Drie
jonkvrouwen zijn er vroeg opgestaan
om vroom naar
het heilige graf te gaan;
zij hielden
haar kostelijke balsem gereed
als ook
eertijds Maria van Magdala deed.
De jonkvrouwen
gingen bedrukt naar het graf:
'Wie wentelt
ons toch de steen er af?
Wij willen het
lichaam van onze Heer
zorgvuldig
zalven ter zijner eer.'
Toen zij bij
het graf waren aangekomen
met de balsem,
die zij hadden meegenomen,
ontdekten zij
angstig de open poort;
twee stralende
engelen stonden ervoor.
'Gij
jonkvrouwen, blijft er niet roerloos staan,
snel moet gij
naar Galilea gaan;
gaat snel
Galilea berichten, jonkvrouwen,
dan doe ik u uw
Heer Jezus aanschouwen.'
Doch Maria van
Magdala liet niet af,
zij zocht naar
haar Meester nog in het graf
waar gelegen
hadden zijn leden zoet;
maar toen kwam
Heer Jezus haar zelf tegemoet.
Hij kwam
getreden al over het gras
in een mantel
alsof Hij een tuinman was,
Hij droeg een
spade vast in zijn hand
alsof hij ging
arbeiden op het land.
'Ach tuinman,
ik bid u, dat gij het mij zegt:
waar hebt gij
mijn Meester toch neergelegd?
Hebt gij hem
gezien? Ach, wil toch spreken,
angst en
verdriet doet mijn hart haast breken.'
Doch toen Hij
haar met zijn woord begroette,
herkende zij
Hem en viel aan zijn voeten;
zij knielde
neer op de harde steen,
want zij vond
haar Meester, zij alleen.
'Maria van
Magdala, raak Mij niet aan,
het is nog te
vroeg, gij moet verder gaan.
Ga heen en raak
Mij niet aan met uw hand
vóórdat Ik
zal zijn in mijns Vaders land.'
Duits,
veertiende eeuw
Ik ging
bedroefd de stadsmuur langs
en liep de
heuvel op:
ik zag - hoe
kwelde mij de angst -
daar op de kale
top
het kruis,
waaraan zijn lichaam hing.
Ik zag het
bevend aan:
de lijdensweg,
die Jezus ging,
is Hij voor mij
gegaan.
Drie droeve
dagen stond ik daar,
Hij was al
afgenomen,
toen werd 'k
een kleine stoet gewaar:
ik zag drie
vrouwen komen.
Zij liepen
haastig langs mij heen,
haar kruiken
aan haar borst geprest,
geen groet, een
fluisteren alleen:
Filius Regis mortuus est.
Bedrukt en
zwijgend volgde ik haar
naar 't graf,
waar Jezus lag:
een engel,
licht en goddelijk klaar,
kwam van de
grafsteen af.
De vrouwen
schrokken en zeiden hem:
'Hier legden
wij Hem toch neer.'
Toen zei de
engel met gouden stem:
'Dien gij
zoekt, is hier niet meer.
Hij rees uit de
dood, zoals Hij zeide,
licht als een
vogel uit zijn nest.
Gaat, zegt het
voort en wilt u verblijden,
want:
Resurrexit! Non mortuus est!'
Snel ging ik
heen om blij van zin
de wondere
tijding voort te dragen,
doch bij een
tempel, waarlangs ik ging,
vernam ik een
bitter klagen.
Ik zocht en zag
een arme vrouw,
gans in haar
leed verdoken;
zij keek mij
aan vol diepe rouw
nog vóór ik
had gesproken.
'Ach,' weende
zij, 'wie zag ooit als ik
haar eigen Kind
gekwetst?'
Ik zei haar het
zelfde ogenblik:
'Filius Regis non mortuus est!'
Sint Thomas
zegt, en anderen met hem,
dat Hij eerst
verscheen Onze Lieve Vrouw;
geen was Hem
nader sinds Bethlehem
en geen droeg
dieper rouw.
Hij was in
lichtglans opgestaan,
en morgen, diep
en klaar,
Hij kwam
eerbiedig op haar aan
en groette en
zeide haar:
'Salva sancta
parens,'- dit is Latijn,
doch luidt, in
eigen taal gezegd:
'Mijn Moeder,
wil gezegend zijn.'
Resurrexit! Non mortuus est!
Wie zag ooit
groter wonder aan:
de moeder en
haar verrezen Kind!
Ge kunt de
verste wegen gaan,
maar stralender
vreugde dan ge hier vindt
was er nooit en
zal er ook nooit zijn.
De aarde is
zuiver, en de zon staat hoog,
nooit gaf zij
blijder schijn,
licht als het
lichten van Jezus' oog.
Christenen,
wilt daarom blijde wezen
en zingt met
mij, voor het allerlest:
Hic dies, o
vreugd, is Hij verrezen!
Resurrexit! Non mortuus est!
Engels, begin
vijftiende eeuw
Hoe heerlijk is
dit morgenuur,
als bloemen
licht! 't Is Pasen!
Vier blij dit
feest, mijn beste buur,
ik wens u zalig
Pasen!
Dit wens ik
allen, voor en na,
maar aan
mijnheer pastoor het eerst,
en dan aan
Vrouw' Justitia,
die in dit dorp
rechtvaardig heerst.
De koster wens
ik 't vlak daarna,
hoe dankbaar
ben ik hem!
Hij zingt zo
mooi Halleluja
op 't koor met
hoge stem!
Hoe heerlijk is
dit morgenuur
nu Christus is
verrezen,
de lucht is als
de bloemen puur,
vier vrolijk
feest, mijn beste buur,
en laat ons
dankbaar wezen,
want Christus
is verrezen!
Liedje, dat de
kinderen in de Spaanse provincie
Segovia op
Paasmorgen langs de huizen zingen
Maria sprak
bedroefd en moe:
'Mijn Zoon,
waar moet ik nu naar toe?
Ik treur en
klaag de ganse dag
als ik U niet
meer volgen mag.'
En Hij: 'Neen,
lieve Moeder, neen,
Ik laat u niet
bedroefd alleen.
Ik wees u al
mijn liefste vrind,
Sint Jan, in
wie gij vreugde vindt.
Zijn liefde zal
uw aardse pad
verlichten als
uw grootste schat.
Hij zal u
minnen, eren;
niets hoeft gij
nog begeren.
En ook het
vrome vrouwental
neemt weg al
wat u deren zal.'
Maria sprak:
'Die troost is klein,
moet ik van U
gescheiden zijn.'
En Hij: 'O
Moeder, neen,
Ik laat u niet
alleen.
Tot troost u
allermeest
zend Ik de
Heilige Geest,
die uit Gods
wijde hemelzalen
op deze aarde
neer zal dalen
om met zijn
leer en wijze troost
uw hart te
sterken, onverpoosd.'
Duits,
dertiende eeuw
Pure vlam van
de Heilige Geest,
trooster van de
Vader allermeest,
levenwekkend
wonder, -
oorsprong en
heil van al wat leeft,
bron die het
enig leven geeft,
geen schepsel
kan er zonder.
Heilig zijt
Gij, uw balsem spreidt
levenskracht
over al wat lijdt,
hoe fel het
werd gebroken;
heilig zijt
Gij, - Gij wast ons rein,
al onze zonden,
al onze pijn,
alles wat is
ontstoken.
Krater van
heiligheid, liefdevuur,
ons hart kent
nimmer smaak zo puur
als Gij het
mild laat proeven:
het is de smaak
der zoetste deugd, -
o schenk ons
haar tot eeuwige vreugd,
laat ons niets
méér behoeven.
Reinste der
bronnen, spiegelvlak,
waarin wij zien
dat al wie zwak
en blind
verloren,
vervreemd van
God, hier ommegaan,
eens in zijn
heil weer samen staan
zijn stem te
horen.
Schild van ons
leven, merg en kracht
van ons
gebeente, wie U verwacht
kan gelukkig
sterven.
Sla ons allen
de gordel om
van uw verheven
adeldom,
laat ons U beërven.
Waak over hen,
die in kerkernood
boeten wat hun
de vijand gebood,
ontsla hen van
hun lijden;
Gij, die zelfs
de scherpste pijnen stilt,
Gij redt allen,
allen die Gij wilt,
allen kunt Gij
bevrijden.
Machtigste der
wegen, die geleidt
tot de hoogste
toppen van de tijd,
tot de diepste
gronden, -
alles voegt Gij
tezamen, alle ding
staat vast
geklonken in uw flonkering,
alles houdt Gij
verbonden.
Gij drijft de
wolken, beweegt de lucht,
gans de aarde
hebt Gij bevrucht,
Gij stuwt de
stromen;
U is de nevel,
de morgendauw,
Gij kleurt de
sterren, het hemelblauw
en het groen
der bomen.
En ook de
wijzen schenkt Gij uw raad:
geen kennis die
zonder U ontstaat.
Al wie U horen,
luisterend naar
uw innige stem,
zoeken naar God
en zij vinden Hem, -
geen gaat
verloren.
Dus zij U lof,
Gij, die zelve zijt
goddelijk
loflied in eeuwigheid,
eindeloos
verlangen;
vreugde van ons
leven, hoop en eer,
sterk
vertrouwen, nu en immermeer,
Gij zult ons
tot loon bij de wederkeer
in uw licht
ontvangen.
toegeschreven
aan Hildegard van Bingen (1098-1179)
Gij, die eeuwig
met de Vader
en de Zoon in
licht tegader
ongedeeld
verbonden zijt,
laat ons, na uw
vurige tongen
gans en al van
U doordrongen,
kondigen uw
heerlijkheid.
Liefde,
immermeer begerig,
Zoon en Vader
wederkerig
bindend en aan
Hen gelijk, -
alles werkt Gij
alles leidt Gij,
sterren stelt
Gij, hemelen breidt Gij:
tekens van uw
vuren rijk.
Gouden vlam, uw
blinkend schijnen
doet de droeve
nacht verdwijnen
onzer onmacht,
blind en laf;
Gij, die 't al blijft overstralen,
redt de zielen
die verdwalen,
wast hen rein
van zonde's draf.
Waarheid zendt
Gij hier beneden,
die de rechte
weg betreden,
't voetspoor
der gerechtigheid;
blinde harten
tot ontferming,
lichte harten
tot bescherming
zijt Gij,
troost en kracht altijd.
Spreekt Gij,
dan wijkt alle duister,
komt Gij, dan
verspreidt uw luister
reinheid,
wijsheid en geluk.
Gij zult alle
geest bevrijden,
allen kunnen
zich verblijden,
want Gij redt
van leed en druk.
Gij bezielt de
elementen,
en de Heilige
Sacramenten
lenen U hun
werkzaamheid;
Gij geneest der
zinnen schade,
licht ons bij
waar sluw de kwade
nacht der
zonden is gespreid.
Zie, uw komst
verblijdt ons allen;
klaar van 's
hemels hoge wallen
klinkt uw stem,
- de vijand vlucht.
Heilig vuur,
dat ons doet strijden,
Gij zult
juichend ons bevrijden;
niemand, die uw
kracht niet ducht.
Zieken, die
verlamd, verlangen,
dood in duister
nederlagen,
geeft Gij jeugd
en nieuwe moed;
dichters doet
Gij stralend zingen;
alle harten
blijft Gij dwingen
tot het
onvergankelijk goed.
Redder der
verongelukten,
milde trooster
der bedrukten,
aller armen
onderstand, -
leer ons aards
genot verzaken
en alleen naar
't hemels haken;
wees ons
machtig onderpand.
Hij, die 't al bezielt en heiligt,
opwekt,
aandrijft en beveiligt,
woont in het
deemoedig hart,-
w‚‚r het
kwaad, verdrijf het lijden,
bind tezaam wat
was gescheiden,
duid ons wat
ons nu verwart.
Gij, die eens
zijt neergekomen
tot de
jongeren, wier schromen
uw geduchte
kracht verwon, -
wil nu ons
gebed verhoren,
zonder U zijn
wij verloren;
laat niet los
wat toen begon.
Onveranderd is
uw wezen
bron van
krachten uitgelezen,
één met God
in goddelijkheid;
Gij, van alle
eeuwigheden
met de Zoon en
Vader mede
heerser over
ruimte en tijd,
weidser dan wij
ooit bezinnen,
grootser dan
wij ooit beminnen,-
hoor dit pover
zingen aan,
tot wij, in uw
licht tegader
met de Zoon en
met de Vader,
eeuwig uw
geheim verstaan.
Vrij naar Adam
van St. Victor,
einde twaalfde
eeuw
Waar barre
Noordenwinden woeien
laat, hemels
Zuiden, zacht ontbloeien
de warmte van
uw ademtocht;
o Geest, die
alle harten heiligt,
de zwakken met
uw kracht beveiligt,
hoor 't volk,
dat lang uw zegen zocht.
Kom, aller
liefde bron en spijze,
fontein der
kennis, licht der wijzen,
Gij, aller
deugden fier begin;
kom, gever van
Gods eigen waarheid,
doorlicht ons
wezen met uw klaarheid
en stort ons uw
genaden in.
Niets blijft
ons donker, niets verdoken,
hebt Gij in ons
uw licht ontstoken;
met U in ons
geen weg te steil.
Hoe zwaar
geboeid in leed en zonde,
ons hart wordt
zevenmaal ontbonden
door 't wonder
van uw stralend heil.
Gij zijt de
eeuwige steen der wijzen,
hun weten moet
uit U verrijzen,
gelukkig hij,
die U verkoor;
de balsem van
uw zeven gaven
zal allen, die
hier dorsten, laven;
Gij schenkt hun
smeken snel gehoor.
Blijf ons
verlichten, sterken, leiden;
Gij zijt de
kracht, waarin wij strijden,
uw adem wekte
ons uit niet.
Gij, eeuwig met
ons aller Vader
en met de Zoon
in licht tegader,
geleid ons tot
uw rijksgebied.
West-Duitsland,
dertiende eeuw
TOEN DE HEILIGE
GEEST VAN DE HEMEL KWAM
Toen de Heilige
Geest van de hemel kwam,
met stormgeweld
het huis innam
waar Jezus'
jongeren zaten:
O welk een
stralend feest
is Pinksteren
toen geweest,
God wilde hen
niet verlaten.
Veel vurige
tongen daalden er neer,
zij moesten
getuigen, meer en meer;
de Geest bleef
hen ertoe dwingen.
O welk een
stralend feest
is Pinksteren
toen geweest:
hun hart kon
van vreugde springen.
Zij predikten
in bijkans iedere taal,
Gods woord deed
wonderen duizendmaal,
duizenden die
het aanvaarden.
O welk een
stralend feest
is Pinksteren
toen geweest:
Gods vuur
daalde op de aarde.
God zende ons
dit teken, nu als toen,
zijn Geest
blijve onder ons wonderen doen,
dan zingen wij
blijde tezamen:
O welk een
stralend feest
is Pinksteren
toen geweest, -
Halleluja, dank
en Amen.
Vrij naar
Ludwig Helmbold, begin zestiende eeuw
O Heilige
Geest, wiens tempel ik ben,
van lemen muren
en verdichte mist,
geschonden werd
ik in de felle ren
der
jongelingsjaren: ontucht, trots en twist.
daarna werd 'k
w‚‚r gegeseld, keer op keer -
Verdubbel in
mijn hart, dat lijdt,
uw vuur, opdat
ik niets begeer
dan diep
berouw. Kom, werp mij neer, -
dan ben ik, als
uw bliksemlicht mij splijt,
vuur, offer,
offeraar tezelfdertijd.
John Donne
(1573-1631)
Fontein van
liefde, duive zoet,
Gij liet uw til
in 'shemels gloed,
hebt onder ons
uw nest gebouwd
om ons te
sterken zevenvoud.
Zacht als uw
veren, licht en puur,
zij ons uw
liefde in dit uur:
laat ons U
prijzen, dag na dag,
beschermd door
Uwer wieken slag.
Joseph Beaumont
(1615-1699)
O dag van
Pinksteren, dag der dagen,
vlam in 't
azuur, oplaaiende bloem van goud,
door de donkere
toppen der bomen jagen
de oceanen uwer
stormen, zevenvoud.
Gij, zomer van
de Geest, fonkelenste aller dagen,
bloeiende
pijnbomen spreiden zich naar uw licht:
hun zevenarmige
kandelaren dragen
uw purperen
wolken in het vergezicht.
Bloemengeuren,
die mij met verdriet omringen,
worden
verdreven: geler wordt het graan.
Als een verre
stem van herinneringen
blijft in het
bos de koekoek slaan.
Machtige
Pinksterwind, sterkste der tederheden,
sla weg de
donkere bossen, hurkend aan de kim,
de dorre
droefheid en het zwaar verleden,
dat elk seizoen
beschaduwt met zijn schim.
Breng ons van
berg tot berg uw diep verblijden,
en laat de
zonnegeur van hars en honingraat,
drijvend op uw
stormwind, ons geleiden
tot 't
hemellicht, dat blinkend openstaat.
Louis Pize
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 20-02-2006 18:04:19 |