|
Ons is geen
toekomst en geen keus gelaten:
wij moeten
voort, verward en hulpeloos,
in een cultuur
van films en radio's en,
soms, wat over
het verleden praten.
Niemand ontkomt
er aan -
alleen het kind
is hetzelfde
als voor
duizend jaren:
nieuw en
verwonderd ligt het
rond te staren
alsof de wereld
vandaag begint.
O makker in
ditzelfde grauw getij,
moge altijd
komt het kind tot jou
en mij,
nog altijd kan
de wereld nieuw beginnen,
in ieder kind
kan het opnieuw beginnen.
Zolang God
Kind'ren in ons midden
zendt, heeft
Hij zich nog niet
van ons
afgewend.
Muus Jacobse
De engel aan de
overzijde stond
blinkend
weerspiegeld in het zwarte water.
Zo eindigt het,
maar is veel, veel later.
Nu staat hij
nog, tenger en
zilverblond,
tussen de takken van de groene boom
en heeft een
glimlach voor mijn kleine zonden
en een bazuin
om mede te
verkonden:
Kerstmis is
een ontroerend
schone droom.
Maar als wij
aan de laatste oever staan
is hij gegroeid
iedere droom te boven
tot een
verschrikking, tot een witte wind.
De laatste
vijand die te niet gedaan
wordt is de
dood. Engel haal nochthans
over want aan
zijn hand leidt ons het kerstmiskind.
W.S. Noordhout
Wat zal er
worden van dit Kind?
Dit is zo'n
wonderlijk, zo'n onvoorzien gebeuren.
Valt hier Gods
adem te bespeuren,
zo
onbevattelijk als de wind?
Er was een
groot geruis vannacht,
een held're
schijn en onverwacht bezoek.
En kleurrijk
was het prentenboek
dat herders
hadden meegebracht.
Nu slaapt mijn
pasgeboren zoon,
Maria laat hem
rusten aan haar borst.
Gestild is nu
zijn eerste dorst.
Maar alles
blijft zo ongewoon.
Er dwarrelen
beelden door mijn droom:
een duifken dat
in pluimen steekt,
een vogel die
de winter breekt,
een vredesduif,
een levensboom
Zal hij het
zijn, mijn pas gewonnen zoon:
een kind van
licht, uit God geboren?
Belichaamt hij
het ochtendgloren?
Of kwelt mij
slechts een ijdele droom?
Piet van der
Bruggen
LITANIE DER
ZONDERLINGE ZIELEN.
Ziel van den
blinden orgelman,
die langs
verlaten straten gaat en klaagt een rammelende dreun van levensweemoed, die geen
mens verstaat;
Een ziel van de
jongen, die half-idioot in
blindemans ogen
ziet en die in jou keeltje
voelt kroppen
de treurnis van blindemans lied;
En ziel van de
kromme petroleum-man
die je kar
duwt, dag in dag uit
en voorzichtig
de kannetjes vult en een
opgewekt
straatdeuntje fluit,
als leefde jij
voor je plezier - en je hebt amper een cent
in je zak
voor wat boter
en brood en
des Zondags een
builtje
goedkope tabak;
En ziel van de
tuinman, die altijd
de
kindermeisjes plaagt,
en bij avond
wat dalia's naar het
Zoete-Moeder-beeld
draagt;
En ziel van de
vrouw met de
broodkorf, die
glimlacht als ik naar je kijkt
omdat ik
zooveel op je jongen,
die onlangs
gestorven is, lijk;
En ziel van den
oerdomme klerk,
die op je
kantoorkruk zit en die,
als je boeken
niet kloppen, Sint Theeuwis
om uitkomst
bidt;
En ziel van de
schooiersvrouw,
die in 't
kerkportaal honger lijdt;
En zielen van
alle gewone mensen,
die arm en
verlaten zijt,
zielen der
zonderlingen van Jezus,
der vromen, die
niemand begrijpt,
maar die aan je
kruisboom tot
vruchten van
eeuwige vreugde rijpt,
bidt voor ons
in de gemeenschap
met alle Gods
heiligen samen om een
warm hart en
een heilige ziel en
het eeuwige
leven - Amen.
Een linde
bloeit in 't hemelrijk
met
bloesemtakken zonder tal.
Alle engelen
zingen tegelijk:
Heer Jezus is
het schoonst van al.
Een bode kwam
uit de hemel neer,
kwam neer in
glans van vuur,
ging door
gesloten deuren heen
en groette de
jonkvrouw puur.
Gegroet zijt
gij, Maria rein,
gegroet, gij,
die aan God hehaagt,
een kindje zal
u geboren zijn
en toch blijft
gij zuiver maagd.
Hoe blijf ik
maagd en kan ik ooit
een kindje
dragen in mijn bloed?
Een man begeren
deed ik nooit
Engel, engel,
zeg het mij goed!
Dat zal ik u
zeggen. Wees gerust,
gij, Koningin,
die de wereld behoud.
Het is de
heilige geest die u kust,
die Gods leven
in u ontvouwt.
Heinrich von
Laufenberg (eerste helft vijftiende eeuw)
Buurman, heb je
't ook gehoord?
Ik werd in mijn
slaap gestoord,
zelfs mijn
kinderen werden wakker.
Hoorde je die
vreemde stem
klinken over
veld en akker:
Herders, gaat
naar Bethlehem?
Schaam je,
buurman, 't is gewis,
dat hier God
geboren is,
in een stal,
een vreemde koning.
Niemand, die
een aalmoes gaf,
maar zelfs in
die arme woning
straalt hij
niets dan rijkdom af.
Buur, let op,
zowaar ik leef,
dat 'k hun
beter woning geef,
vader, moeder
en de Kleine -
Als ik Hem mijn
woning wijs
zal zijn licht
mijn huis doorschijnen
als het
heerlijkste paleis.
Frans,
dertiende eeuw
'Jezus, mijn
lieve kind,
het is weinig
wat Je hier vindt,
een houten
kribbe, - niet meer.
Ik heb voor Jou
ook niemand tot vrind
dan een os, een
ezel, - mijn liefste Kind,
het doet mij
zeer.
Jezus, lieve,
ach wees niet kwaad,
dat ik geen
warm en kostbaar gewaad
om Je henenvouw,
-
maar leg je
voetjes, wanneer het gaat,
dicht aan mijn
borst, waar mijn hart voor Je slaat,
dan voel Je
geen kou.'
Engels,
veertiende eeuw
O machtig God,
o machtig Heer,
in hemels hoge
hoven,
hoe geef ik U
gerechte eer,
hoe kan ik U
ooit loven?
Gij hebt van uw
genadetroon
op mij uw oog
geslagen:
nu is uw
eengeboren Zoon
door mij op
aard' gedragen.
Dat ik, zo
klein, U heb behaagd,
laat vol van
vreugd mij wezen;
dat ik, een
nederige maagd,
door U niet ben
misprezen,-
hoe kon ik
daartoe waardig zijn?
Wat mocht mij
toebehoren,
dat Gij, mijn
God, als kindje klein,
uit mij hier
werd geboren?
O innig lief, o
edel Kind,
te groot is
mijn geluk,
Vergeef, dat 't
al mij overwint
en ik aan mijn
borst U druk.
Uit een Duits
Kerstspel, vijftiende eeuw
Ach, kleine
Jezus, zie ons aan,
wij herders
komen voor U staan;
een engel heeft
op 't wijde veld
ons zingende uw
komst gemeld.
Hoe, kleine
Jezus, ligt Gij daar
met open ogen,
licht en klaar;
een kleine
kribbe is uw deel
om
onzentwil-,
het is niet veel.
Kom, os en
ezel, dichterbij,
kom bij de krib
en adem vrij,
blaas stil en
rustig, keer op keer,
dan voelt het
Kind de kou niet meer.
Ach, Kindje,
steek uw voetjes snel
in 't warme
stro, -het doet U wèl.
Vouw ook uw
beide handjes toe
en slaap dan
in, want Gij zijt moe.
Jij, ezel, maak
niet 't minst geluid
voordat de
slaap van 't Kind heeft uit,
en os, loei
niet, sta roerloos stil
zo lang het
Kindje slapen wil.
Gij,
cherubijnen, zing uw lied
en,
seraphijnen,
aarzelt niet:
Wiegt zacht het
kleine Jezuskind
en zingt van
sterrenlicht en wind.
Wij moeten naar
de kudde heen
en laten U hier
nu alleen;
wiegt zacht het
kleine Jezuskind,
dat kwam, omdat
Het ons bemint.
Uit een Duits
Kerstspel, vijftiende eeuw
Ik zing u van
de herder Jan
zo blij als ik
maar zingen kan.
Hij zat op een
heuvel, stil en goed,
met zijn dikke
jas en zijn vilten hoed;
hij had een
fluit, wat brood en een kan,
een veldfles
vol, en hij heette Jan.
Hij speelde op
zijn fluit een vrolijk lied,
zo licht en
vrolijk kan ik het niet.
Hij lag op de
heuvel, op de grond
dicht naast hem
waakte zijn grote hond.
Toen hij nog
maar even geslapen had,
ontwaakte hij -
Wat een lied was dat!
Snel stond hij
op - Waar kwam het vandaan?
Zijn schapen
kwamen rondom hem staan.
Hij krabde
verwonderd onder zijn hoed,
want hij zag
een ster zo rood als bloed.
Een 'Gloria in
excelsis' klonk
waar het
engelenlicht hem tegenblonk.
Hij groette
zijn kudde, dier na dier,
en zei: 'Blijf
stil, want ik ga van hier,
ik ga Jezus
aanbidden, ik ga nu vlug,
maar
morgenochtend ben ik weer terug.
En, hond, pas
goed op ieder schaap,
dat 't niet
gestoord wordt in zijn slaap.'
Snel liep hij
naar Bethlehem van de berg;
hij kreeg het
warm, maar dat was niet erg,
want hij vond
dichtbij het dorp in het dal
Jezus, een Kind
in een arme stal.
Hij geloofde
bijna zijn ogen niet,
't was mooier
nog dan het engelenlied.
Hij zei: 'De
engelen zongen zo blij,
dus al wat ik
heb, ik geef het vrij.
Hier, Jezus,
hebt U mijn fluit en mijn jas,
mijn broek,
mijn fles en mijn herderstas;
nu ga ik terug,
- al weet ik niet hoe,
want ik moet
weer vlug naar mijn schapen toe.'
Maria zei
zacht: 'Dag, herder Jan!'
En hij: Als ik
d…t begrijpen kan!
Hoe weet U mijn
naam? Maar 't is al goed,
dag,
Jezuskind,
dag, en slaap maar zoet.'
Hij danste
terug en zong: 'Wat een feest!
Ik ben bij
Jezus te gast geweest!
Ik haal mijn
vrienden allemaal,
wij vieren
Christus' geboortemaal.'
Toen kweelde
Jan zijn hoogste lied:
zo hoog en
vrolijk kan ik het niet.
Engels, begin
zestiende eeuw
Geluk, mijn
goede mensen,
geen droefheid
meer of klacht,
want Jezus,
onze Heiland,
werd mens in
deze nacht.
Om ons te
redden van de dood,
van Satan's
felle klauw,
d rom
werd Jezus mens vannacht
uit Onze Lieve
Vrouw.
In
Bethlehem,
de kleine stad,
zag Hij het
eerste licht,
daar werd Hij
in een krib gelegd,
het stralend,
hemels wicht.
Zijn moeder zat
er wenend bij,
niets had zij
voor de kou,
maar Jezus
lachte wonderzacht
naar Onze Lieve
Vrouw.
Van God, de
goede Vader,
kwam blank een
engel neer,
die zong voor
arme herders
van 't Kindje,
zacht en teer,
hoe dat in
Bethlehem vannacht
in armoe en in
kou
tot aller
vreugd geboren werd
uit Onze Lieve
Vrouw.
Vrees niet, zo
zong de engel,
ken angst noch
zorg vannacht,
want die daar
werd geboren
heeft deugd en
macht en kracht.
Zo sterk is
Hij, dat zijn geweld
de duivel
drijft in 't nauw,
Zo sterk is
Hij, het hulpeloos Kind
van Onze Lieve
Vrouw.
Laat ons
Maria's minne zingen
van harte blij,
van stemme klaar;
zij droeg tot
heil der stervelingen
de vrucht des
levens, zoet en zwaar.
Zij ging met
Jozef langs de wegen
naar
Bethlehem,
't was 's avonds laat,
doch niemand
was haar groet genegen
en in geen
herberg vond zij baat.
Zij klopten
aan, maar geen der deuren
wilde op hun
vraag geopend zijn.
Maria wist: nog
weinig uren
dan zou haar
Kind geboren zijn.
En Jozef keek
Maria dringend,
vol sombere
gedachten aan;
hij fluisterde:
Mijn welbeminde,
waar moeten wij
nu slapen gaan?
Een rijke
burger deed hen open,
zij vroegen
nederig onderdak;
hij
zeide: Heb
je ver gelopen?
Heb je veel
dieren, zwaar gepakt?
Wij hebben
niets dan deze dieren,
een os, een
ezel, - dat is al.
Dan ben je arm,
mijn beste vrienden,
'k weet niet
hoe ik je bergen zal.
Toen is een
arme boer gekomen,
die zag Maria,
bleek en klein;
hij riep: Moet
je nog verder lopen?
Dat meisje zal
haast moeder zijn.
Ik weet een
stal, wel wat vervallen,
maar voor één
nacht zal het nog gaan.
Maria, Moeder
van ons allen,
heeft daar de
bittere kou doorstaan.
De klok sloeg
twaalf gedragen slagen,
Maria baarde
stil haar Kind;
zij had geen
wieg om Hem te dragen,
geen warmte in
de gure wind.
De houten
voerbak van de beesten,
een steen als
kussen, - dat was al;
dit was de
rustplaats van de Meester,
de Schepper van
het rijk heelal.
Frans,
zestiende eeuw
Verheugt u
allen,deze nacht
heeft Maria het
Kind ter wereld gebracht;
Maria, die
altijd maagd is gebleven,
heeft aan ons
allen dit Kind gegeven.
't Was bitter
koud, om het twaalfde uur,
de nacht was
donker, de wind was guur,
en toen de
engelen het Kindje zagen,
hebben zij stro
naar de stal gedragen
en daarop legde
Maria Hem blij;
de engelen
zongen en dansten erbij.
De kudde lag
rustig onder de bomen;
de herders zijn
bij de dieren gekomen,
maar groot was
hun schrik: een stralend licht,
als een vreemde
ster, stond voor hun gezicht.
Doch snel, om
hen weer gerust te stellen,
begon in dit
licht een stem te vertellen,
een klare stem,
van de duizenden ‚‚n:
'Vreest niet en
gaat er dadelijk heen.
Gaat naar de
stal en onthoudt wat je ziet,
want het is
voor alle mensen geschied.'
De herders
liepen zo hard ze konden
naar de stal,
waarin zij het Kindje vonden:
ze zagen een
beeld van heerlijk geluk,
het leek wel
een hemels altaarstuk.
Met een klein,
wit kleedje, simpel en recht,
was een Kind in
de kribbe neergelegd
en van alle
zijden kwamen gedrongen
duizenden
engelen; zij speelden en zongen
voor de Moeder,
die van geluk nog bleek,
naar het Kindje
in de houten kribbe keek.
Ook dieren
zagen zij in de stal,
een os en een
ezel - een vreemd geval,
maar zij
vroegen toch vriendelijk en bedeesd
naar binnen te
mogen bij het feest;
zij gingen stil
voor de Moeder staan
en spraken haar
buigend, deemoedig aan:
'O Koningin,
hoe komt in een stal
de machtige
Koning van het heelal?
Een wonder
geheim, een wondere nacht:
Gij hebt Gods
Zoon ter wereld gebracht.
Stil, Kindje,
stil, blijf rustig dromen,
wij kunnen geen
traan uit je oogjes zien komen.
Gegroet, en ook
gij, vriendelijk ouderpaar,
heb dank; wij
leggen nu bij elkaar
al wat wij
hebben, stil en devoot:
een lam voor
het Kind, als speelgenoot.
Gegroet, os en
ezel, het beste met u,
houdt trouw de
wacht, wij verlaten u nu -'
Toen traden de
herders weer in de nacht
en hebben God
prijzend hun dank gebracht.
Spaans,
zestiende eeuw
Een lied van
een ware gebeurtenis
Toen God de
Heer geboren werd,
was 't bitter
koud.
Wat zag Maria
langs de weg?
Een
vijgeboom.
Maria, laat
toch die vijgen er aan,
nog drie mijl
moeten wij verder gaan,
het wordt zo
laat.
En toen Maria
in 't stadje kwam,
voorbij een
poort,
toen vroeg zij
aan de oude boer:
Neem ons te
gast,
ik vraag het
alleen voor het kleine Kind,-
ik wed, dat je
't zelf ook het beste vindt,
de nacht is
koud.
De boer sprak
dadelijk: ja, 't is goed,
ga naar de
stal.
Maar toen de
klok sloeg middernacht,
stond hij weer
op.
Hij ging naar
de schuur en vroeg vol berouw:
Bezweek je nog
niet in de barre kou?
Dat valt mij
mee
De boer ging
vlug weer naar zijn huis,
verliet de
stal.
Sta op, beste
vrouw, sta dadelijk op
en maak wat
vuur.
maak een lekker
vuur van droge twijgen,
opdat die
mensen wat warmte krijgen,
dat arme volk.
Maria was blij
en zingende kwam
zij de kamer
in.
Jozef, een
stille, vrome man,
droeg een
wollen zak.
Daaruit nam hij
een pan van simpel tin,
het Kind deed
een handvol sneeuw erin
en dat werd
meel.
Toen nam het
Kind een handvol ijs,
dat suiker
werd;
een handvol
water veranderde snel
in verse melk.
Zij hingen het
pannetje boven het vuur,
dat knetterde
lustig en binnen het uur
was de maaltijd
klaar.
Jozef sneed rap
van een berketak
lepel en bord,
en plotseling
waren die van ivoor
en diamant.
Maria gaf 't
Kind de pap, zo fijn,
toen dacht de
boer: Dat moet Jezus zijn,
en zei 't zijn
vrouw.
Uit: 'Des
Knaben Wunderhorn'
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 20-02-2006 18:04:19 |