religieus4
Start OmhoogErectiele disfunctieStart

                 

Het kind

Kerstmis

Jozef droomt in de kerstnacht

LITANIE DER ZONDERLINGE ZIELEN.

Een linde bloeit

De geburen

Maria zingt in de kerstnacht

Maria zingt

Herderslied

De vrolijke herder

Kerstwens

Laat ons Maria's minne zingen

Vreugde van Bethlehem

Een lied van een ware gebeurtenis 


Het kind

 

Ons is geen toekomst en geen keus gelaten:

wij moeten voort, verward en hulpeloos,

in een cultuur van films en radio's en,

soms, wat over het verleden praten.

 

Niemand ontkomt er aan -

alleen het kind is hetzelfde

als voor duizend jaren:

nieuw en verwonderd ligt het

rond te staren alsof de wereld

vandaag begint.

 

O makker in ditzelfde grauw getij,

moge altijd komt het kind tot jou

en mij,

nog altijd kan de wereld nieuw beginnen,

in ieder kind kan het opnieuw beginnen.

Zolang God Kind'ren in ons midden

zendt, heeft Hij zich nog niet

van ons afgewend.

 

Muus Jacobse  


Kerstmis

 

De engel aan de overzijde stond

blinkend weerspiegeld in het zwarte water.

Zo eindigt het, maar is veel, veel later.

Nu staat hij nog, tenger en

zilverblond, tussen de takken van de groene boom

en heeft een glimlach voor mijn kleine zonden

en een bazuin om mede te

verkonden: Kerstmis is

een ontroerend schone droom.

 

Maar als wij aan de laatste oever staan

is hij gegroeid iedere droom te boven

tot een verschrikking, tot een witte wind.

 

De laatste vijand die te niet gedaan

wordt is de dood. Engel haal nochthans

over want aan zijn hand leidt ons het kerstmiskind.

 

W.S. Noordhout


Jozef droomt in de kerstnacht

 

Wat zal er worden van dit Kind?

Dit is zo'n wonderlijk, zo'n onvoorzien gebeuren.

Valt hier Gods adem te bespeuren,

zo onbevattelijk als de wind?

 

Er was een groot geruis vannacht,

een held're schijn en onverwacht bezoek.

En kleurrijk was het prentenboek

dat herders hadden meegebracht.

 

Nu slaapt mijn pasgeboren zoon,

Maria laat hem rusten aan haar borst.

Gestild is nu zijn eerste dorst.

Maar alles blijft zo ongewoon.

 

Er dwarrelen beelden door mijn droom:

een duifken dat in pluimen steekt,

een vogel die de winter breekt,

een vredesduif, een levensboom

 

Zal hij het zijn, mijn pas gewonnen zoon:

een kind van licht, uit God geboren?

Belichaamt hij het ochtendgloren?

Of kwelt mij slechts een ijdele droom?

 

Piet van der Bruggen


LITANIE DER ZONDERLINGE ZIELEN.

 

Ziel van den blinden orgelman,

die langs verlaten straten gaat en klaagt een rammelende dreun van levensweemoed, die geen mens verstaat;

Een ziel van de jongen, die half-idioot in

blindemans ogen ziet en die in jou keeltje

voelt kroppen de treurnis van blindemans lied;

En ziel van de kromme petroleum-man

die je kar duwt, dag in dag uit

en voorzichtig de kannetjes vult en een

opgewekt straatdeuntje fluit,

als leefde jij voor je plezier - en je hebt amper een cent

in je zak

voor wat boter en brood en

des Zondags een builtje

goedkope tabak;

En ziel van de tuinman, die altijd

de kindermeisjes plaagt,

en bij avond wat dalia's naar het

Zoete-Moeder-beeld draagt;

En ziel van de vrouw met de

broodkorf, die glimlacht als ik naar je kijkt

omdat ik zooveel op je jongen,

die onlangs gestorven is, lijk;

En ziel van den oerdomme klerk,

die op je kantoorkruk zit en die,

als je boeken niet kloppen, Sint Theeuwis

om uitkomst bidt;

En ziel van de schooiersvrouw,

die in 't kerkportaal honger lijdt;

En zielen van alle gewone mensen,

die arm en verlaten zijt,

zielen der zonderlingen van Jezus,

der vromen, die niemand begrijpt,

maar die aan je kruisboom tot

vruchten van eeuwige vreugde rijpt,

bidt voor ons in de gemeenschap

met alle Gods heiligen samen om een

warm hart en een heilige ziel en

het eeuwige leven - Amen.


Een linde bloeit

 

Een linde bloeit in 't hemelrijk

met bloesemtakken zonder tal.

Alle engelen zingen tegelijk:

Heer Jezus is het schoonst van al.

 

Een bode kwam uit de hemel neer,

kwam neer in glans van vuur,

ging door gesloten deuren heen

en groette de jonkvrouw puur.

 

Gegroet zijt gij, Maria rein,

gegroet, gij, die aan God hehaagt,

een kindje zal u geboren zijn

en toch blijft gij zuiver maagd.

 

Hoe blijf ik maagd en kan ik ooit

een kindje dragen in mijn bloed?

Een man begeren deed ik nooit

Engel, engel, zeg het mij goed!

 

Dat zal ik u zeggen. Wees gerust,

gij, Koningin, die de wereld behoud.

Het is de heilige geest die u kust,

die Gods leven in u ontvouwt.

 

Heinrich von Laufenberg (eerste helft vijftiende eeuw)


De geburen

 

Buurman, heb je 't ook gehoord?

Ik werd in mijn slaap gestoord,

zelfs mijn kinderen werden wakker.

Hoorde je die vreemde stem

klinken over veld en akker:

Herders, gaat naar Bethlehem?

 

Schaam je, buurman, 't is gewis,

dat hier God geboren is,

in een stal, een vreemde koning.

Niemand, die een aalmoes gaf,

maar zelfs in die arme woning

straalt hij niets dan rijkdom af.

 

Buur, let op, zowaar ik leef,

dat 'k hun beter woning geef,

vader, moeder en de Kleine -

Als ik Hem mijn woning wijs

zal zijn licht mijn huis doorschijnen

als het heerlijkste paleis.

 

Frans, dertiende eeuw


Maria zingt in de kerstnacht

 

'Jezus, mijn lieve kind,

het is weinig wat Je hier vindt,

een houten kribbe, - niet meer.

Ik heb voor Jou ook niemand tot vrind

dan een os, een ezel, - mijn liefste Kind,

het doet mij zeer.

 

Jezus, lieve, ach wees niet kwaad,

dat ik geen warm en kostbaar gewaad

om Je henenvouw, -

maar leg je voetjes, wanneer het gaat,

dicht aan mijn borst, waar mijn hart voor Je slaat,

dan voel Je geen kou.'

 

Engels, veertiende eeuw


Maria zingt

 

O machtig God, o machtig Heer,

in hemels hoge hoven,

hoe geef ik U gerechte eer,

hoe kan ik U ooit loven?

 

Gij hebt van uw genadetroon

op mij uw oog geslagen:

nu is uw eengeboren Zoon

door mij op aard' gedragen.

 

Dat ik, zo klein, U heb behaagd,

laat vol van vreugd mij wezen;

dat ik, een nederige maagd,

door U niet ben misprezen,-

 

hoe kon ik daartoe waardig zijn?

Wat mocht mij toebehoren,

dat Gij, mijn God, als kindje klein,

uit mij hier werd geboren?

 

O innig lief, o edel Kind,

te groot is mijn geluk,

Vergeef, dat 't al mij overwint

en ik aan mijn borst U druk.

 

Uit een Duits Kerstspel, vijftiende eeuw


Herderslied

 

Ach, kleine Jezus, zie ons aan,

wij herders komen voor U staan;

een engel heeft op 't wijde veld

ons zingende uw komst gemeld.

 

Hoe, kleine Jezus, ligt Gij daar

met open ogen, licht en klaar;

een kleine kribbe is uw deel

om onzentwil-, het is niet veel.

 

Kom, os en ezel, dichterbij,

kom bij de krib en adem vrij,

blaas stil en rustig, keer op keer,

dan voelt het Kind de kou niet meer.

 

Ach, Kindje, steek uw voetjes snel

in 't warme stro, -het doet U wèl.

Vouw ook uw beide handjes toe

en slaap dan in, want Gij zijt moe.

 

Jij, ezel, maak niet 't minst geluid

voordat de slaap van 't Kind heeft uit,

en os, loei niet, sta roerloos stil

zo lang het Kindje slapen wil.

 

Gij, cherubijnen, zing uw lied

en, seraphijnen, aarzelt niet:

Wiegt zacht het kleine Jezuskind

en zingt van sterrenlicht en wind.

 

Wij moeten naar de kudde heen

en laten U hier nu alleen;

wiegt zacht het kleine Jezuskind,

dat kwam, omdat Het ons bemint.

 

Uit een Duits Kerstspel, vijftiende eeuw


De vrolijke herder

 

Ik zing u van de herder Jan

zo blij als ik maar zingen kan.

 

Hij zat op een heuvel, stil en goed,

met zijn dikke jas en zijn vilten hoed;

hij had een fluit, wat brood en een kan,

een veldfles vol, en hij heette Jan.

Hij speelde op zijn fluit een vrolijk lied,

zo licht en vrolijk kan ik het niet.

 

Hij lag op de heuvel, op de grond

dicht naast hem waakte zijn grote hond.

Toen hij nog maar even geslapen had,

ontwaakte hij - Wat een lied was dat!

Snel stond hij op - Waar kwam het vandaan?

Zijn schapen kwamen rondom hem staan.

Hij krabde verwonderd onder zijn hoed,

want hij zag een ster zo rood als bloed.

 

Een 'Gloria in excelsis' klonk

waar het engelenlicht hem tegenblonk.

Hij groette zijn kudde, dier na dier,

en zei: 'Blijf stil, want ik ga van hier,

ik ga Jezus aanbidden, ik ga nu vlug,

maar morgenochtend ben ik weer terug.

En, hond, pas goed op ieder schaap,

dat 't niet gestoord wordt in zijn slaap.'

 

Snel liep hij naar Bethlehem van de berg;

hij kreeg het warm, maar dat was niet erg,

want hij vond dichtbij het dorp in het dal

Jezus, een Kind in een arme stal.

Hij geloofde bijna zijn ogen niet,

't was mooier nog dan het engelenlied.

Hij zei: 'De engelen zongen zo blij,

dus al wat ik heb, ik geef het vrij.

 

Hier, Jezus, hebt U mijn fluit en mijn jas,

mijn broek, mijn fles en mijn herderstas;

nu ga ik terug, - al weet ik niet hoe,

want ik moet weer vlug naar mijn schapen toe.'

Maria zei zacht: 'Dag, herder Jan!'

En hij: Als ik d…t begrijpen kan!

Hoe weet U mijn naam? Maar 't is al goed,

dag, Jezuskind, dag, en slaap maar zoet.'

 

Hij danste terug en zong: 'Wat een feest!

Ik ben bij Jezus te gast geweest!

Ik haal mijn vrienden allemaal,

wij vieren Christus' geboortemaal.'

 

Toen kweelde Jan zijn hoogste lied:

zo hoog en vrolijk kan ik het niet.

 

Engels, begin zestiende eeuw


Kerstwens

 

Geluk, mijn goede mensen,

geen droefheid meer of klacht,

want Jezus, onze Heiland,

werd mens in deze nacht.

Om ons te redden van de dood,

van Satan's felle klauw,

d  rom werd Jezus mens vannacht

uit Onze Lieve Vrouw.

 

In Bethlehem, de kleine stad,

zag Hij het eerste licht,

daar werd Hij in een krib gelegd,

het stralend, hemels wicht.

Zijn moeder zat er wenend bij,

niets had zij voor de kou,

maar Jezus lachte wonderzacht

naar Onze Lieve Vrouw.

 

Van God, de goede Vader,

kwam blank een engel neer,

die zong voor arme herders

van 't Kindje, zacht en teer,

hoe dat in Bethlehem vannacht

in armoe en in kou

tot aller vreugd geboren werd

uit Onze Lieve Vrouw.

 

Vrees niet, zo zong de engel,

ken angst noch zorg vannacht,

want die daar werd geboren

heeft deugd en macht en kracht.

Zo sterk is Hij, dat zijn geweld

de duivel drijft in 't nauw,

Zo sterk is Hij, het hulpeloos Kind

van Onze Lieve Vrouw.


Laat ons Maria's minne zingen

 

Laat ons Maria's minne zingen

van harte blij, van stemme klaar;

zij droeg tot heil der stervelingen

de vrucht des levens, zoet en zwaar.

 

Zij ging met Jozef langs de wegen

naar Bethlehem, 't was 's avonds laat,

doch niemand was haar groet genegen

en in geen herberg vond zij baat.

 

Zij klopten aan, maar geen der deuren

wilde op hun vraag geopend zijn.

Maria wist: nog weinig uren

dan zou haar Kind geboren zijn.

 

En Jozef keek Maria dringend,

vol sombere gedachten aan;

hij fluisterde: Mijn welbeminde,

waar moeten wij nu slapen gaan?

 

Een rijke burger deed hen open,

zij vroegen nederig onderdak;

hij zeide: Heb je ver gelopen?

Heb je veel dieren, zwaar gepakt?

 

Wij hebben niets dan deze dieren,

een os, een ezel, - dat is al.

Dan ben je arm, mijn beste vrienden,

'k weet niet hoe ik je bergen zal.

 

Toen is een arme boer gekomen,

die zag Maria, bleek en klein;

hij riep: Moet je nog verder lopen?

Dat meisje zal haast moeder zijn.

 

Ik weet een stal, wel wat vervallen,

maar voor één nacht zal het nog gaan.

Maria, Moeder van ons allen,

heeft daar de bittere kou doorstaan.

 

De klok sloeg twaalf gedragen slagen,

Maria baarde stil haar Kind;

zij had geen wieg om Hem te dragen,

geen warmte in de gure wind.

 

De houten voerbak van de beesten,

een steen als kussen, - dat was al;

dit was de rustplaats van de Meester,

de Schepper van het rijk heelal.

 

Frans, zestiende eeuw


Vreugde van Bethlehem

 

Verheugt u allen,deze nacht

heeft Maria het Kind ter wereld gebracht;

Maria, die altijd maagd is gebleven,

heeft aan ons allen dit Kind gegeven.

't Was bitter koud, om het twaalfde uur,

de nacht was donker, de wind was guur,

en toen de engelen het Kindje zagen,

hebben zij stro naar de stal gedragen

en daarop legde Maria Hem blij;

de engelen zongen en dansten erbij.

 

De kudde lag rustig onder de bomen;

de herders zijn bij de dieren gekomen,

maar groot was hun schrik: een stralend licht,

als een vreemde ster, stond voor hun gezicht.

Doch snel, om hen weer gerust te stellen,

begon in dit licht een stem te vertellen,

een klare stem, van de duizenden ‚‚n:

'Vreest niet en gaat er dadelijk heen.

Gaat naar de stal en onthoudt wat je ziet,

want het is voor alle mensen geschied.'

 

De herders liepen zo hard ze konden

naar de stal, waarin zij het Kindje vonden:

ze zagen een beeld van heerlijk geluk,

het leek wel een hemels altaarstuk.

Met een klein, wit kleedje, simpel en recht,

was een Kind in de kribbe neergelegd

en van alle zijden kwamen gedrongen

duizenden engelen; zij speelden en zongen

voor de Moeder, die van geluk nog bleek,

naar het Kindje in de houten kribbe keek.

 

Ook dieren zagen zij in de stal,

een os en een ezel - een vreemd geval,

maar zij vroegen toch vriendelijk en bedeesd

naar binnen te mogen bij het feest;

zij gingen stil voor de Moeder staan

en spraken haar buigend, deemoedig aan:

'O Koningin, hoe komt in een stal

de machtige Koning van het heelal?

Een wonder geheim, een wondere nacht:

Gij hebt Gods Zoon ter wereld gebracht.

 

Stil, Kindje, stil, blijf rustig dromen,

wij kunnen geen traan uit je oogjes zien komen.

Gegroet, en ook gij, vriendelijk ouderpaar,

heb dank; wij leggen nu bij elkaar

al wat wij hebben, stil en devoot:

een lam voor het Kind, als speelgenoot.

Gegroet, os en ezel, het beste met u,

houdt trouw de wacht, wij verlaten u nu -'

Toen traden de herders weer in de nacht

en hebben God prijzend hun dank gebracht.

 

Spaans, zestiende eeuw

 


Een lied van een ware gebeurtenis

 

Toen God de Heer geboren werd,

was 't bitter koud.

Wat zag Maria langs de weg?

Een vijgeboom.

Maria, laat toch die vijgen er aan,

nog drie mijl moeten wij verder gaan,

het wordt zo laat.

 

En toen Maria in 't stadje kwam,

voorbij een poort,

toen vroeg zij aan de oude boer:

Neem ons te gast,

ik vraag het alleen voor het kleine Kind,-

ik wed, dat je 't zelf ook het beste vindt,

de nacht is koud.

 

De boer sprak dadelijk: ja, 't is goed,

ga naar de stal.

Maar toen de klok sloeg middernacht,

stond hij weer op.

Hij ging naar de schuur en vroeg vol berouw:

Bezweek je nog niet in de barre kou?

Dat valt mij mee

 

De boer ging vlug weer naar zijn huis,

verliet de stal.

Sta op, beste vrouw, sta dadelijk op

en maak wat vuur.

maak een lekker vuur van droge twijgen,

opdat die mensen wat warmte krijgen,

dat arme volk.

 

Maria was blij en zingende kwam

zij de kamer in.

Jozef, een stille, vrome man,

droeg een wollen zak.

Daaruit nam hij een pan van simpel tin,

het Kind deed een handvol sneeuw erin

en dat werd meel.

 

Toen nam het Kind een handvol ijs,

dat suiker werd;

een handvol water veranderde snel

in verse melk.

Zij hingen het pannetje boven het vuur,

dat knetterde lustig en binnen het uur

was de maaltijd klaar.

 

Jozef sneed rap van een berketak

lepel en bord,

en plotseling waren die van ivoor

en diamant.

Maria gaf 't Kind de pap, zo fijn,

toen dacht de boer: Dat moet Jezus zijn,

en zei 't zijn vrouw.

 

Uit: 'Des Knaben Wunderhorn'


                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

    voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.net

canandanann - 20-02-2006 18:04:19