religieus5
Start OmhoogErectiele disfunctieStart

                 

Bidden

Aan den oever

Advent

Broeder met je blije

De bedelbroeder

De dijk

De drie herders

De staart

Fluistering

Juxta Crucem

Marie te Canne

Narrenwijsheid

Nacht

Ode aan de Engelbewaarder

Sonnet

Visitatie II

Zo reegent de regen


BIDDEN

 

Bidden is bedding zijn voor bovenaardse

stromen naar 't lage land alleen ervaart ze

jagend en jeugdig als de weke maartse

waatren: diep in de landen opgelopen

vormloze zee, die een planeet herdopen

zal met verse zangen... Want wie bedaart ze

die tomeloze Minne is en open

 

macht? Haar dwang wordt als het niet te bedwingen

windgeweld in want en vogelzwingen,

aan de weerspannigheid der aardse dingen

beproefd: haar branding tussen zand en wolken

ontketend aan het harde hart der volken -

wier kinderen haar spel boeit als het springen

van lammeren, al huiveren haar kolken...

 

Bidden is schoot zijn voor de ongeboren

mysteriŽn, aanzwellend door het gloren

en deemsteren des tijds; ze toebehoren

gelijk dit land zijn goud-geschubde beken -

dan als ze popelend hun oevers breken

en deinen onverstoord en weg-verloren:

bidden is lied zijn na wanhopig spreken...

 

En mťťr dan lied nog een gezongen zwijgen

te nacht, een duizendstemmig stijgen

van heimlijkheŽn ter lip der stilt', een hijgen

van God naar God, een mild-aanmurmlend leven:

wat van nature wringt wordt mee geheven

in onverwachten aandrang en zal zwierig nijgen,

als een doorweekte halm gans prijsgegeven...

 

En niemand, niemand raadt het innig-schone

der ziel die in Gods hevigheid moet wonen,

verpletterd en geaaid door alle tonen,

gans los, gans los, en weergaloos gevangen

gelijk een punt in voortrukkende zangen;

beweegloos en bewogen, ongewone

verademing in doorscheppend Verlangen...

 

Oneindigheid is rythmus aller dingen

en, stommer dan het stof der stervelingen,

tot in hun boodschap nog doordringend zingen.

En voor Haar pramen moeten alle dijken

en hooggebergten, alle sterren wijken:

bidden is, zwijgzaam van vernietigingen,

hemel en aarde aan elkander reiken.

 

De misten slinken die het AL omringen,

er is niets meer dan verblindend zingen

van Vader, Zoon en Geest; en als de kringen

van dit geluid, zo schuiven wijder, wijder

de sferen open, tot de kleine tijd ervan

breken moet en als een bloemknop springen

om zich heel - dronken uit het Niet te wringen.

 

Zoals een klok door kolken ingezogen

en in haar slaap door barenspel bewogen

plots dringend luidt en stilvalt na elk pogen,

zo roept een ziel soms uit Uw Zaligheden.

Maar al wat zij gewrocht heeft en geleden,

door U verzwolgen, in Uw Schoot gewogen,

blijft onvertolkt - zij rust in vrede, vrede...

 

RENINCA (geb. 1923)


SONNET

 

Soms vraag ik mij af waartoe

ik zeg: Laat toekomen Uw rijk,

zodra dit hart, zijn onrust moe,

bereid is tot een vergelijk.

 

Gij komt niet aan mijn oren toe,

niet aan mijn ogen, als ik kijk,

niet aan mijn handen, want ik doe

haast alles buiten Uw bereik.

 

Maar als ik naar mijn liefste kijk

sta ik met ieder zintuig bloot

aan U. Zij maakt U mogelijk.

Zij snijdt mijn dagelijkse brood.

 

De naaste toekomst van Uw rijk

ligt mij geborgen in haar schoot.

 

GOVAERT VAN DEN BERGH (geb. 1926)


DE BEDELBROEDER.

 

Broeder, waar ben je met je witte baard,

met die lange zachte paardestaart

waarin je de kindertjes laat graaien?

't Is tijd om op termijn te gaan

met je kale schedel, je volle maan,

waarop wij lang na Paschen

nog 't kruisje van Aschwoensdag zagen staan.

 

Broeder waar blijf je in je bruine pij,

met je korf en met je sloof aan ieder zij!

met je mond zonder tanden,

met lichaam zonder handen

met je ziel als een altaarschel

zoo zilver en zoo zuiver wel?

 

Ben je bij de zwaluws om de toren,

ben je hoog of laag, of ben je in de cel,

ben jij bij de bijen in de bloemenhof,

ben jij bij de lijsters in de boomen

of ben jij met de klokken soms naar Rome?-

 

Broer, je bent laat dit jaar

want de leeuwerik gaat al op de ploegstaart zitten

en de seringen geuren zwaar;

de scharesliep is al lang op pad

en de bedelwagen verlaat de stad

om de delvers te zien spitten.

 

Kom, broer, kom - al ben jij laat -

ze zullen jou niet meer missen, maat!

de dagdieven en de kinderen der straat,

de man, die met de tjingeltjangel gaat,

de lompenbaas en - die ander:

jullie hielden zooveel van elkander!

 

Weet je nog: op de rand der stoep,

jij deelde met een bedelaar je soep

en 'k hoorde jou - daar jullie daar zoo zaten -

maar over rijstebrei met zilvren lepels praten;

en jullie lachten stiekum allebei:

die bedelaar en jij.

 

Nu kirde je als een duif, dan blaatte je als een schaap

juist als een kind, een zieltje van een knaap;

ook viel je wel eens in slaap

tussen de irissen aan de waterkant

of bij de bloemen van een korenland:

dan lei Jezus zijn hand op jouw oogen...

 

Een kruisje op je kop van pater Gardiaan;

broer, broer 't is tijd om op termijn te gaan,

de hellingen staan vol lelietjes van dalen.

Zet weer je vals muziekske aan je mond

dat je op de zolder van je ouwe klooster vond

en kom door elke donkre buurt, door elke lichte wijk

en veil ons weąr het hemelrijk

zooals die andren mossels en garnalen.


De drie herders

 

Wij zijn drie vrije herdersknapen:

bij 't beekje ginds, daar wonen wij

en hoeden er getrouw de schapen;

wij zingen er een liedje bij.

 

Maar hoor, wat wij vannacht daar zagen:

plots kwam een engel voor ons staan.

Met stomheid waren wij geslagen,

zo fier hief hij zijn loflied aan

 

'De Zaligmaker is geboren,

nog zachter dan het liefste lam.

Een groot geluk is ons beschoren!

Ga zien hoe hij ter wereld kwam:

 

't Is in een stal, je moet Hem zoeken,

waar gāān een koning zoeken zou.

Zijn moeder hulde Hem in doeken,

zij had niets anders voor de kou.'

 

Na deze wonderlijke boodschap

zijn wij gedrieŽn heen gegaan

om de oorzaak van zo grote blijdschap

met eigen ogen ga te slaan.

 

En o, hoe konden wij ooit raden

de luister, die dit Kindje spreidt:

een stroom van loutere genade

ontsprong waar Het was neergeleid.

 

Nog nimmer zag ik in mijn leven

een kind zo schoon en heerlijk licht;

ik heb Het al mijn brood gegeven

en deed van vreugd mijn ogen dicht.


FLUISTERING.

 

Waar allen schreeuwen

uit eigen hart

en harten van anderen,

en alle schreeuwende dingen

laten schreeuwen naar U,

zal ik

fluisteren.

Gij zijt van eeuwigheid,

buiten mode van haat en liefde

van kwade en goeden!

Gij weet, wat er speelt in de stilten

van hoop, verlangen en droom

en wat het verzwegene

zeggen kan.

Niet smaden zal ik, of richten

die hoonen den weg naar Gehenna leeg

en vloeken de Paradijsroos vol,

maar ijdel ook Uw naam

in eigenwijzen waan

sleuren in alle dingen,

krijschende maaksels der menschen

en ziellooze bloeisels der natuur

Gij zijt daarbuiten en nabij!

Daarom zal ik

fluiterend bidden,

als een kind van mijn land

in witte kapellen,

en dan lachen over de wegen gaan,

met vreugde in alle zinnen,

om gronden en steden en menschen,

om dieren, bloemen en boomen,

met Uw vrede diep in het hart;

wijd en zuiver

en stil.


NACHT.

 

Op de horizonten van Uw nacht

heeft de nerveuze lichtcirkel der steden,

langs alle einders

kreunt, kreunt

het martyrium,

-en onze mond droeg en weerbarstig.

 

Verlatenheid is over de menschen:

in een angstigen morse sleutel

tasten de continenten naar elkaars nabijheid,

-op den wankelen rand der cafā-tafeltjes

klemmen desperado's zich in feilloos evenwicht.

 

Ergens wordt nu een wit meisje verbrijzeld

en baart een moeder haar kindje

voor de Eeuwigheid.

 

Heer, hoe staat ons weten wankel in den storm van uw toorn,

de rivieren staan op,

de bergen breken,

volk vernietigt volk,

Gij hebt hen in Uw gramschap gemalen

en hun wegen in duisternis gehuld,

-de nachttrein gilt een angst-gordel om de wereld.

 

Wij leven gelijkelijk op alle kontinenten,

de sterren hebben wij geteld,

de zeeŽn gemeten,

-ons weten waanden wij een oceaanstomer

maar onze wijsheid werd wankel en ongestaag:

in een plooi van een getailleerde jas hebben ons voor elkaar gered.

 

Geef ons de genade

Uw wil te verstaan

uit de Wijsheid van Uw boek:

dat de teekenen ons niet verwarren

en Gij tot ons spreekt.

 

GERARD BRUNING


DE STAART.

 

Avond:

De majestaties-strakke vaart van verlichte elektriese tram:

triomfbaan door stadsverdwazing;

het gebel feestelik konfetti van witte bloesems over de hoofden.

En de luide angst der stroef-krassende wielen door de warreling van mensen.

De wilde hartstochtelikheid van autoos:

flitsend lichtgezwaai tegen gevels en mensen:

verre beving vooruit van lichtbundels,

luide klakson-kreten snijdend door straat-daver:

onder de mensen onverwachte verschrikking telkens opnieuw.

 

En het gedurig gedrentel en gedrentel van kleine levens

als beekjes armoedig en armzalig:

gedurig herhaling van almaar dezelfde temaas:

lopen en stilstaan, lopen en stilstaan

en parapluutje of parasolletje:

in het smal lichtgaatje onder het eeuwige duister:

tijdelikheidje van klein geluid in stilten der eeuwigheid.

 

Overal Christus, en de wereld angstwekkend van belachelikheid en troosteloos ellendig van burgelike zekerheid

- getailleerde jassen en lakschoenen en zijen sokken

en de waanzinnige eenzaamheid van Rembrandt -

dat alle grootheid als vergeefs is.

 

En de maansikkel in een pover lichtsirkeltje

als een schommelende mallemolenschuit,

een leeggegeten banaanschil, of een afgebeten nagel.

 

HENRI BRUNING


BROEDER, MET JE BLIJE GEZICHT!

 

Als ik langs de kaden kom, zie ik je sterke verschijning,

en je blije gezicht.

Op jou is mijn aandachtig oog gericht:

je hebt een opostelkop.

En apostolisch is je lach die van tusschen je vaten en kisten komt naar mij.

Sjouwer ben je, voor den Heer. En altijd blij.

Als wij 's middags schuiven langs de muur (daar is een streepje schaduw) sta je te lachen op het hete dek van de geduldige schuit.

Je lacht.

De olievaten rol je, in de regen; je kleren plakken aan je lijf.

En je lacht.

Je bent ons een sterkte in het middag-uur.

Een steun voor den arbeid in den avond.

De kinderen noemen je baas,

jij stoeit geduldig

met hen op de kade.

Na de dagtaak vouwen zich je moede handen

en je lachende oogen vinden God.

De menschen lachen om jou, de onnoozele!

Maar heilig is je onnoozelheid

En zalig je lach.

Je hebt een apostelkop, broeder met je blije gezicht.

Sjouwer voor den Heer!

 

ALBERT KUYLE  - Louis Kuitenbouwer


MARIA TE CANNE.

 

Tussen Eben en Canne steeg een kuische maan:

dit is het uur dat Maria moest gaan

over de heuvels, in den zachten val

en witte slaap van het schemerdal.

De peppels trillen, een oeroud lied

zingt de snelle beek tusschen bloemen en riet.

Daar rijst zij over de zwarte kling

als een ster die haar eigen stralen ving:

een zilveren vlam van de mergelgroeve,

een witter droom dan een witte hoeve.

Haar voeten zijn lievelijk in de dalen

als duiven die in den schemer dwalen.

In een slanke band van violieren

laat zij het rijke hoofdhaar zwieren,

het gelaat leliestil. Op de zuiv're schaal

van haar kleine hand zingt een nachtegaal

en een rankste hert aan een band van zij

danst voor haar uit op de bloemenwei.

Bij den driesprong kust zij de vurige wonden

van haar Zoon, die gekruist werd voor mijn zonden:

de nagelgaten zij worden rozen

die purperdiep in het maanlicht blozen.

Zij schudt de boomen, een roode regen

van appelbloesem valt op de wegen.

En recht op mij aan - maar niet voor mij -

lachende, zwevende gaat zij voorbij,

den boomgaard in waar een dromend kind

op de helling slaapt en den hemel vindt.

Ze legt het de lichte handen op,

het kind staat zingend en stralend op,

voor de zuiverheid houdt zij buigend klaar

de zachte wieg van haar armenpaar

en over de schietbeek, de waterval

voert zij het ijlende uit het dal.

"Moedermaagd", smeek ik, "die zůů bemint,

zoek in mijn schamelheid naar het kind",

en loop haar na, een laatste maal

hoor ik de zang van den nachtegaal.

In de zwarte mond van de mergelgroeve

stuift zilveren licht. Bij de witte hoeve

staat een schuldig man die haar Zoon bedroog:

tusschen Eben en Canne stijgt de maan omhoog.

 JAN ENGELMAN 1900.


AAN DEN OEVER.

 

Verdwaald - maar vaker vluchtelingen aan den oever

der beek des levens die mij zingende bespoelt.

Daar ligt een lam, zijn standaard wappert

den hemel over in een wind die alles koelt.

En van dit lam op 't eeuwig boek

het liggen, 't vleien en het zachte, zachte

blaten, dat in d'oorschelp groeit

als waanzin, klagend en alleen gelaten -

tot in het uiterst eind, vermoeid

van liefde die haar doelwit voelt,

men 't hoofd beveiligt in zijn vachten

en met de zuivre geesten stoeit.

 


DE DIJK.

 

De dijk ligt tussen 't land en 't water

met palen en bazalt.

Hier ligt hij nu, hier ligt hij later,

totdat de aarde valt.

 

Hij heeft de zee het land ontstolen:

haal op, haal op die hei!,

gespoten tongen, vette zoolen,

gewassen in de klei.

 

Hij is gestegen uit de vloeden

met norsche langzaamheid,

hij is tot schutten en tot hoeden,

tot worstelen bereid.

 

Vooraan, waar d'elementen  woelen,

de schelle noodhoorn schalt,

schijnt hij voorwereldlijk te stoelen -

en 't water, dat vervalt

 

van stortzee tot de drift van kolken,

maar nimmer overmocht,

moet waaiers vouwen naar de wolken

van zilt en glinstrend vocht.

 

De golven mogen rijzen, dalen,

hij heeft ze steeds geveld.

De dijk zal nimmer, nimmer falen

bij water en geweld.

 

Hij ligt er met zijn taaie wieren

gelijk een donker dier,

de wind kan langs zijn flanke gieren

of fluiten in een kier,

 

Hij kan in grondzee onderduiken,

gekranst met lillend schuim -

geen kracht kan deze kracht verbruiken,

hij staat er groot en ruim!

 


ADVENT.

 

Zoo stil, zoo stil - nu kan het sneeuwen

op d'aarde, die, tot slaap bereid,

vergat de heugenis van eeuwen

en niets verwekt in dezen tijd.

 

Waar zijn uw eerzucht, angst en droomen,

de liefde en haar ijdelheid?

Zaagt gij wel ooit een winter komen,

in doffer deemstering verbeid?

 

Verwacht niet meer! - gij moet het dulden,

dat alles naar de bodem buigt.

Het bloed, dat eens de harten vulde,

heeft niet de zielsdrift overtuigd.

 

Verwacht een kind - en die zal stralen

aan Jesse, aan zijn stam en stok.

Wanneer de witte sneeuw wil dalen

legt hij ze voor u, vlok na vlok.

 

De weg, de waarheid en het leven

zijn van dien sneeuwval geplaveid.

Geen mensch kan minder aan hem geven

dan honger naar zijn eeuwigheid.

 


VISITATIE II.

 

De avondval geeft zijn stil, hoog voorteken:

de hemel wordt een koeler dieper blauw.

 

Zij komt van het laatste bergpad naar beneden.

Als zij het zwijgend dorp gaat binnentreden

komt flonkrend met haar mee een eerste ster.

 

Heel deze dag, dat zij, de kleine vrouw,

de smalle, hoge paden over de bergen ging,

zijn haar de Vader, de Zoon en de Geest

onzegbaar verheven gezellen geweest,

of zij een tocht door 't eeuwig licht beging:

haar aangezicht is helder als een ster.

 

O, ochtendster en avondster!

 

Zij gaat, gelukkig, door de smalle straten,

de huizen schijnen scheemrende gelaten

die, in een beschroomd stilzwijgen gekeerd,

eerbiedig naar haar schreden neigen.

 

GERARD WIJDEVELD


ODE AAN DEN ENGELBEWAARDER.

 

Gij waart de schutse mijner prilste dagen,

meer dan mijn moeder en haar moederschoot.

Behoedzaam hebt gij mij, met haar, gedragen

en uit het water uit den vroegen dood,

't Woelwater van dien donkren ontij-nacht,

mij in Gods hooge, lichte huis gebracht.

Ik hoor den wind nog om de muren gaan,

ik zie het donker voor de ramen staan

en weet: gij, engel, hebt mij daar gedaan!

 

Geen ogenblik liet gij mij daar alleen.

Langs welke kansen en gevaren heen

ben ik gegaan met onbeschroomde oogen,

omdat gij, zorgzaam over mij gebogen,

mijn voet een streep verschoof, of, door mij licht

- maar 't moet geweest zijn met die snelle woede,

waarmee een mensch wel voor zijn oogen

de hand heft, om hun teere vlies te hoeden -

te trekken aan de hand, in evenwicht

mij, die al zwichten ging, hield opgericht!

 

Maar dat gij 't leven van mijn lijf behoedt,

wat mag het wegen tegen 't onvergeldbaar goed,

dat gij sinds jaar en dag al hebt gedaan,

levenslang doen zult en dit uur hier doet,

om niet mijn ziel te laten ondergaan?

 

Want wat zij liet of dee',

al doolend die eentonige, die roemlooz' Odyssee

- of ik moet lachen, of ik er om schreien zal? -

die beurtvaart van verraden naar verdriet

en daarvandaan weer, met den golfstroom mee,

naar 't land (het vaderland) van schand en laffen val,

wat zij al deed of liet,

wien zij verlaten heeft, wie haar verliet,

van U vrij, engel, komt zij niet:

meeuw van haar schip, gij wiekt van ree tot ree,

door tij en ontij mee.

 

 

En zoo om mij begaan,

zult, tot den laatsten oogwenk van dit leven,

gij hulp en goed, meer dan ik kan verstaan,

onuitgeputte, blijven geven,

geven tot aan dien lijf en ziel doorsidderenden tel,

dat ik met u, Licht-echte, zuivere gezel,

en 't Licht zal staan.

 

Dan? Heffen wij dan aan,

ik met u aan, het eeuwige refrein?

o Engel, moet het anders zijn,

de schuld is mijn en enkel mijn.

Maar mag mijn stem met uw stem opwaarts gaan,

dan zing ik u, in dankbaarheid

voor alle zorg, aan mij gewijd,

mijn eindelijk, volslagen lied,

't Lied, dat ik nu wou zingen, dat ik niet

in verste verte heb gedaan.

Ach, neem wat ik u bied,

als van een schuldenaar dan, die 't

uiterste heeft gedaan,

voorlopig aan!


JUXTA CRUCEM.

 

De vrouwen weenden, achtbare en verachte

en in haar midden, naast Maria, stond

doodstil Johannes, dien Hij liefhad om de zachte,

stilwijze glimlacht van zijn jonge mond.

 

De stilte was ondraaglijk. Waarom lachte

geen krijgsman meer? Het bloed droop op den grond.

God zou zijn lijden zelf niet meer verzachten,

omdat het alles zoo geschreven stond.


NARRENWIJSHEID.

 

Niets is wat niet goddelijk is.

Daarom wil ik niets uitzonderen.

Ik geef geen namen.

Ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar recht,

ik blijf niet staan bij slecht en lelijk.

Goed en deugdzaam gaan mij niet aan.

 

De regen regent over bosch

en zee en over de stille velden.

In de slootjes regent de regen,

op de verre buitenwegen en op het

zinken platje van de keuken,

In de vuile gootjes van de binnenstad

regent de regen en de regen regent

op de keetjes van de burgerwacht

En op het trottoir met de natte krant,

de uieschil en het lucifertje.

De gevangene in zijn cel hoort den regen,

de moeder staat voor het raam met haar kindje.

De kellner staart in den regen

door de spiegelruit, voorbij het kleintje koffie.

De politicus loopt op en neer in

zijn kamer en bedenkt, van wat

hij zeggen zal, maar hij blijft staan

en luistert naar de regen.

De regen regent over de schepen in de havens,

over het station en over de emplacementen,

over de fabrieken buiten de stad.

En over het oude paard van den kolenwagen aan de overkant.

Zachtjes ritselt de regen in de graskantjes van de weg;

Hij leekt langs de planken van het fietsenhok

en langs het warme gezicht van het schoolmeisje,

Langs het gelaat van den oude man,

die heeft liefgehad, langs de vale gezichten van

den chauffeur en den journalist met zijn potloodje.

Op de rode pannendaken der oude

huizen, op de afdakjes en de binnenplaatsen,

in de steegjes en de hofjes en in de groene

grachten van de oude stad regent de regen.

Hij regent pokkeputjes in het kille strand,

waar het seizoen verkeken is,

Op de daken der hotels met de rood

pluche kamertjes regent hij, over de leege

ambtenaarsbuurten en de bouwterreinen.

Op de tramremise en de kar van den bakker,

op den werkman van den sintelpad,

En er is een diepe, zwarte toon gekomen in

de dingen, oud en droomerig en vertrouwd.

 


Zoo regent de regen.

 

Daarom geef ik geen namen.

Ik ga maar en ben.

 

 

Wie goed weet, dat alles uit de noodzakelijkheid

van Gods natuur voortvloeit en volgens de eeuwige

wetten der natuur geschiedt, hij zal zeker niets

aantreffen, dat haat, lach of verachting waardig is,

maar ook niets met medelijden bezien...

 

Jan van Schagen


                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

    voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.net

canandanann - 20-02-2006 18:04:20