|
Bidden is
bedding zijn voor bovenaardse
stromen naar 't
lage land alleen ervaart ze
jagend en
jeugdig als de weke maartse
waatren: diep
in de landen opgelopen
vormloze zee,
die een planeet herdopen
zal met verse
zangen... Want wie bedaart ze
die tomeloze
Minne is en open
macht? Haar
dwang wordt als het niet te bedwingen
windgeweld in
want en vogelzwingen,
aan de
weerspannigheid der aardse dingen
beproefd: haar
branding tussen zand en wolken
ontketend aan
het harde hart der volken -
wier kinderen
haar spel boeit als het springen
van lammeren,
al huiveren haar kolken...
Bidden is
schoot zijn voor de ongeboren
mysteriŽn,
aanzwellend door het gloren
en deemsteren
des tijds; ze toebehoren
gelijk dit land
zijn goud-geschubde beken -
dan als ze
popelend hun oevers breken
en deinen
onverstoord en weg-verloren:
bidden is lied
zijn na wanhopig spreken...
En mťťr dan
lied nog een gezongen zwijgen
te nacht, een
duizendstemmig stijgen
van heimlijkheŽn
ter lip der stilt', een hijgen
van God naar
God, een mild-aanmurmlend leven:
wat van nature
wringt wordt mee geheven
in onverwachten
aandrang en zal zwierig nijgen,
als een
doorweekte halm gans prijsgegeven...
En niemand,
niemand raadt het innig-schone
der ziel die in
Gods hevigheid moet wonen,
verpletterd en
geaaid door alle tonen,
gans los, gans
los, en weergaloos gevangen
gelijk een punt
in voortrukkende zangen;
beweegloos en
bewogen, ongewone
verademing in
doorscheppend Verlangen...
Oneindigheid is
rythmus aller dingen
en, stommer dan
het stof der stervelingen,
tot in hun
boodschap nog doordringend zingen.
En voor Haar
pramen moeten alle dijken
en
hooggebergten, alle sterren wijken:
bidden is,
zwijgzaam van vernietigingen,
hemel en aarde
aan elkander reiken.
De misten
slinken die het AL omringen,
er is niets
meer dan verblindend zingen
van Vader, Zoon
en Geest; en als de kringen
van dit geluid,
zo schuiven wijder, wijder
de sferen open,
tot de kleine tijd ervan
breken moet en
als een bloemknop springen
om zich heel -
dronken uit het Niet te wringen.
Zoals een klok
door kolken ingezogen
en in haar
slaap door barenspel bewogen
plots dringend
luidt en stilvalt na elk pogen,
zo roept een
ziel soms uit Uw Zaligheden.
Maar al wat zij
gewrocht heeft en geleden,
door U
verzwolgen, in Uw Schoot gewogen,
blijft
onvertolkt - zij rust in vrede, vrede...
RENINCA (geb.
1923)
Soms vraag ik
mij af waartoe
ik zeg: Laat
toekomen Uw rijk,
zodra dit hart,
zijn onrust moe,
bereid is tot
een vergelijk.
Gij komt niet
aan mijn oren toe,
niet aan mijn
ogen, als ik kijk,
niet aan mijn
handen, want ik doe
haast alles
buiten Uw bereik.
Maar als ik
naar mijn liefste kijk
sta ik met
ieder zintuig bloot
aan U. Zij
maakt U mogelijk.
Zij snijdt mijn
dagelijkse brood.
De naaste
toekomst van Uw rijk
ligt mij
geborgen in haar schoot.
GOVAERT VAN DEN
BERGH (geb. 1926)
Broeder, waar
ben je met je witte baard,
met die lange
zachte paardestaart
waarin je de
kindertjes laat graaien?
't Is tijd om
op termijn te gaan
met je kale
schedel, je volle maan,
waarop wij lang
na Paschen
nog 't kruisje
van Aschwoensdag zagen staan.
Broeder waar
blijf je in je bruine pij,
met je korf en
met je sloof aan ieder zij!
met je mond
zonder tanden,
met lichaam
zonder handen
met je ziel als
een altaarschel
zoo zilver en
zoo zuiver wel?
Ben je bij de
zwaluws om de toren,
ben je hoog of
laag, of ben je in de cel,
ben jij bij de
bijen in de bloemenhof,
ben jij bij de
lijsters in de boomen
of ben jij met
de klokken soms naar Rome?-
Broer, je bent
laat dit jaar
want de
leeuwerik gaat al op de ploegstaart zitten
en de seringen
geuren zwaar;
de scharesliep
is al lang op pad
en de
bedelwagen verlaat de stad
om de delvers
te zien spitten.
Kom, broer, kom
- al ben jij laat -
ze zullen jou
niet meer missen, maat!
de dagdieven en
de kinderen der straat,
de man, die met
de tjingeltjangel gaat,
de lompenbaas
en - die ander:
jullie hielden
zooveel van elkander!
Weet je nog:
op de rand der stoep,
jij deelde met
een bedelaar je soep
en 'k hoorde
jou - daar jullie daar zoo zaten -
maar over
rijstebrei met zilvren lepels praten;
en jullie
lachten stiekum allebei:
die bedelaar en
jij.
Nu kirde je als
een duif, dan blaatte je als een schaap
juist als een
kind, een zieltje van een knaap;
ook viel je wel
eens in slaap
tussen de
irissen aan de waterkant
of bij de
bloemen van een korenland:
dan lei Jezus
zijn hand op jouw oogen...
Een kruisje op
je kop van pater Gardiaan;
broer, broer 't
is tijd om op termijn te gaan,
de hellingen
staan vol lelietjes van dalen.
Zet weer je
vals muziekske aan je mond
dat je op de
zolder van je ouwe klooster vond
en kom door
elke donkre buurt, door elke lichte wijk
en veil ons
weąr het hemelrijk
zooals die
andren mossels en garnalen.
Wij zijn drie
vrije herdersknapen:
bij 't beekje
ginds, daar wonen wij
en hoeden er
getrouw de schapen;
wij zingen er
een liedje bij.
Maar hoor, wat
wij vannacht daar zagen:
plots kwam een
engel voor ons staan.
Met stomheid
waren wij geslagen,
zo fier hief
hij zijn loflied aan
'De Zaligmaker
is geboren,
nog zachter dan
het liefste lam.
Een groot geluk
is ons beschoren!
Ga zien hoe hij
ter wereld kwam:
't Is in een
stal, je moet Hem zoeken,
waar gāān
een koning zoeken zou.
Zijn moeder
hulde Hem in doeken,
zij had niets
anders voor de kou.'
Na deze
wonderlijke boodschap
zijn wij gedrieŽn
heen gegaan
om de oorzaak
van zo grote blijdschap
met eigen ogen
ga te slaan.
En
o, hoe
konden wij ooit raden
de luister, die
dit Kindje spreidt:
een stroom van
loutere genade
ontsprong waar
Het was neergeleid.
Nog nimmer zag
ik in mijn leven
een kind zo
schoon en heerlijk licht;
ik heb Het al
mijn brood gegeven
en deed van
vreugd mijn ogen dicht.
Waar allen
schreeuwen
uit eigen hart
en harten van
anderen,
en alle
schreeuwende dingen
laten
schreeuwen naar U,
zal ik
fluisteren.
Gij zijt van
eeuwigheid,
buiten mode van
haat en liefde
van kwade en
goeden!
Gij weet, wat
er speelt in de stilten
van hoop,
verlangen en droom
en wat het
verzwegene
zeggen kan.
Niet smaden zal
ik, of richten
die hoonen den
weg naar Gehenna leeg
en vloeken de
Paradijsroos vol,
maar ijdel ook
Uw naam
in eigenwijzen
waan
sleuren in alle
dingen,
krijschende
maaksels der menschen
en ziellooze
bloeisels der natuur
Gij zijt
daarbuiten en nabij!
Daarom zal ik
fluiterend
bidden,
als een kind
van mijn land
in witte
kapellen,
en dan lachen
over de wegen gaan,
met vreugde in
alle zinnen,
om gronden en
steden en menschen,
om dieren,
bloemen en boomen,
met Uw vrede
diep in het hart;
wijd en zuiver
en stil.
Op de
horizonten van Uw nacht
heeft de
nerveuze lichtcirkel der steden,
langs alle
einders
kreunt, kreunt
het
martyrium,
-en onze mond
droeg en weerbarstig.
Verlatenheid is
over de menschen:
in een
angstigen morse sleutel
tasten de
continenten naar elkaars nabijheid,
-op den
wankelen rand der cafā-tafeltjes
klemmen
desperado's zich in feilloos evenwicht.
Ergens wordt nu
een wit meisje verbrijzeld
en baart een
moeder haar kindje
voor de
Eeuwigheid.
Heer, hoe staat
ons weten wankel in den storm van uw toorn,
de rivieren
staan op,
de bergen
breken,
volk vernietigt
volk,
Gij hebt hen in
Uw gramschap gemalen
en hun wegen in
duisternis gehuld,
-de nachttrein
gilt een angst-gordel om de wereld.
Wij leven
gelijkelijk op alle kontinenten,
de sterren
hebben wij geteld,
de zeeŽn
gemeten,
-ons weten
waanden wij een oceaanstomer
maar onze
wijsheid werd wankel en ongestaag:
in een plooi
van een getailleerde jas hebben ons voor elkaar gered.
Geef ons de
genade
Uw wil te
verstaan
uit de Wijsheid
van Uw boek:
dat de teekenen
ons niet verwarren
en Gij tot ons
spreekt.
GERARD BRUNING Avond:
De
majestaties-strakke vaart van verlichte elektriese tram:
triomfbaan door
stadsverdwazing;
het gebel
feestelik konfetti van witte bloesems over de hoofden.
En de luide
angst der stroef-krassende wielen door de warreling van mensen.
De wilde
hartstochtelikheid van autoos:
flitsend
lichtgezwaai tegen gevels en mensen:
verre beving
vooruit van lichtbundels,
luide
klakson-kreten snijdend door straat-daver:
onder de mensen
onverwachte verschrikking telkens opnieuw.
En het gedurig
gedrentel en gedrentel van kleine levens
als beekjes
armoedig en armzalig:
gedurig
herhaling van almaar dezelfde temaas:
lopen en
stilstaan, lopen en stilstaan
en parapluutje
of parasolletje:
in het smal
lichtgaatje onder het eeuwige duister:
tijdelikheidje
van klein geluid in stilten der eeuwigheid.
Overal
Christus, en de wereld angstwekkend van belachelikheid en troosteloos ellendig
van burgelike zekerheid
- getailleerde
jassen en lakschoenen en zijen sokken
en de
waanzinnige eenzaamheid van Rembrandt -
dat alle
grootheid als vergeefs is.
En de
maansikkel in een pover lichtsirkeltje
als een
schommelende mallemolenschuit,
een leeggegeten
banaanschil, of een afgebeten nagel.
HENRI BRUNING BROEDER, MET JE
BLIJE GEZICHT!
Als ik langs de
kaden kom, zie ik je sterke verschijning,
en je blije
gezicht.
Op jou is mijn
aandachtig oog gericht:
je hebt een
opostelkop.
En apostolisch
is je lach die van tusschen je vaten en kisten komt naar mij.
Sjouwer ben je,
voor den Heer. En altijd blij.
Als wij 's
middags schuiven langs de muur (daar is een streepje schaduw) sta je te lachen
op het hete dek van de geduldige schuit.
Je lacht.
De olievaten
rol je, in de regen; je kleren plakken aan je lijf.
En je lacht.
Je bent ons een
sterkte in het middag-uur.
Een steun voor
den arbeid in den avond.
De kinderen
noemen je baas,
jij stoeit
geduldig
met hen op de
kade.
Na de dagtaak
vouwen zich je moede handen
en je lachende
oogen vinden God.
De menschen
lachen om jou, de onnoozele!
Maar heilig is
je onnoozelheid
En zalig je
lach.
Je hebt een
apostelkop, broeder met je blije gezicht.
Sjouwer voor
den Heer!
ALBERT KUYLE
- Louis Kuitenbouwer
Tussen Eben en
Canne steeg een kuische maan:
dit is het uur
dat Maria moest gaan
over de
heuvels, in den zachten val
en witte slaap
van het schemerdal.
De peppels
trillen, een oeroud lied
zingt de snelle
beek tusschen bloemen en riet.
Daar rijst zij
over de zwarte kling
als een ster
die haar eigen stralen ving:
een zilveren
vlam van de mergelgroeve,
een witter
droom dan een witte hoeve.
Haar voeten
zijn lievelijk in de dalen
als duiven die
in den schemer dwalen.
In een slanke
band van violieren
laat zij het
rijke hoofdhaar zwieren,
het gelaat
leliestil. Op de zuiv're schaal
van haar kleine
hand zingt een nachtegaal
en een rankste
hert aan een band van zij
danst voor haar
uit op de bloemenwei.
Bij den
driesprong kust zij de vurige wonden
van haar Zoon,
die gekruist werd voor mijn zonden:
de nagelgaten
zij worden rozen
die purperdiep
in het maanlicht blozen.
Zij schudt de
boomen, een roode regen
van
appelbloesem valt op de wegen.
En recht op mij
aan - maar niet voor mij -
lachende,
zwevende gaat zij voorbij,
den boomgaard
in waar een dromend kind
op de helling
slaapt en den hemel vindt.
Ze legt het de
lichte handen op,
het kind staat
zingend en stralend op,
voor de
zuiverheid houdt zij buigend klaar
de zachte wieg
van haar armenpaar
en over de
schietbeek, de waterval
voert zij het
ijlende uit het dal.
"Moedermaagd",
smeek ik, "die zůů bemint,
zoek in mijn
schamelheid naar het kind",
en loop haar
na, een laatste maal
hoor ik de zang
van den nachtegaal.
In de zwarte
mond van de mergelgroeve
stuift zilveren
licht. Bij de witte hoeve
staat een
schuldig man die haar Zoon bedroog:
tusschen Eben
en Canne stijgt de maan omhoog.
JAN
ENGELMAN 1900.
Verdwaald -
maar vaker vluchtelingen aan den oever
der beek des
levens die mij zingende bespoelt.
Daar ligt een
lam, zijn standaard wappert
den hemel over
in een wind die alles koelt.
En van dit lam
op 't eeuwig boek
het liggen, 't
vleien en het zachte, zachte
blaten, dat in
d'oorschelp groeit
als waanzin,
klagend en alleen gelaten -
tot in het
uiterst eind, vermoeid
van liefde die
haar doelwit voelt,
men 't hoofd
beveiligt in zijn vachten
en met de
zuivre geesten stoeit.
De dijk ligt
tussen 't land en 't water
met palen en
bazalt.
Hier ligt hij
nu, hier ligt hij later,
totdat de aarde
valt.
Hij heeft de
zee het land ontstolen:
haal op, haal
op die hei!,
gespoten
tongen, vette zoolen,
gewassen in de
klei.
Hij is gestegen
uit de vloeden
met norsche
langzaamheid,
hij is tot
schutten en tot hoeden,
tot worstelen
bereid.
Vooraan, waar
d'elementen woelen,
de schelle
noodhoorn schalt,
schijnt hij
voorwereldlijk te stoelen -
en 't water,
dat vervalt
van stortzee
tot de drift van kolken,
maar nimmer
overmocht,
moet waaiers
vouwen naar de wolken
van zilt en
glinstrend vocht.
De golven mogen
rijzen, dalen,
hij heeft ze
steeds geveld.
De dijk zal
nimmer, nimmer falen
bij water en
geweld.
Hij ligt er met
zijn taaie wieren
gelijk een
donker dier,
de wind kan
langs zijn flanke gieren
of fluiten in
een kier,
Hij kan in
grondzee onderduiken,
gekranst met
lillend schuim -
geen kracht kan
deze kracht verbruiken,
hij staat er
groot en ruim!
Zoo stil, zoo
stil - nu kan het sneeuwen
op
d'aarde,
die, tot slaap bereid,
vergat de
heugenis van eeuwen
en niets
verwekt in dezen tijd.
Waar zijn uw
eerzucht, angst en droomen,
de liefde en
haar ijdelheid?
Zaagt gij wel
ooit een winter komen,
in doffer
deemstering verbeid?
Verwacht niet
meer! - gij moet het dulden,
dat alles naar
de bodem buigt.
Het bloed, dat
eens de harten vulde,
heeft niet de
zielsdrift overtuigd.
Verwacht een
kind - en die zal stralen
aan
Jesse, aan
zijn stam en stok.
Wanneer de
witte sneeuw wil dalen
legt hij ze
voor u, vlok na vlok.
De weg, de
waarheid en het leven
zijn van dien
sneeuwval geplaveid.
Geen mensch kan
minder aan hem geven
dan honger naar
zijn eeuwigheid.
De avondval
geeft zijn stil, hoog voorteken:
de hemel wordt
een koeler dieper blauw.
Zij komt van
het laatste bergpad naar beneden.
Als zij het
zwijgend dorp gaat binnentreden
komt flonkrend
met haar mee een eerste ster.
Heel deze dag,
dat zij, de kleine vrouw,
de smalle, hoge
paden over de bergen ging,
zijn haar de
Vader, de Zoon en de Geest
onzegbaar
verheven gezellen geweest,
of zij een
tocht door 't eeuwig licht beging:
haar aangezicht
is helder als een ster.
O, ochtendster
en avondster!
Zij gaat,
gelukkig, door de smalle straten,
de huizen
schijnen scheemrende gelaten
die, in een
beschroomd stilzwijgen gekeerd,
eerbiedig naar
haar schreden neigen.
GERARD
WIJDEVELD
Gij waart de
schutse mijner prilste dagen,
meer dan mijn
moeder en haar moederschoot.
Behoedzaam hebt
gij mij, met haar, gedragen
en uit het
water uit den vroegen dood,
't Woelwater
van dien donkren ontij-nacht,
mij in Gods
hooge, lichte huis gebracht.
Ik hoor den
wind nog om de muren gaan,
ik zie het
donker voor de ramen staan
en weet: gij,
engel, hebt mij daar gedaan!
Geen ogenblik
liet gij mij daar alleen.
Langs welke
kansen en gevaren heen
ben ik gegaan
met onbeschroomde oogen,
omdat gij,
zorgzaam over mij gebogen,
mijn voet een
streep verschoof, of, door mij licht
- maar 't moet
geweest zijn met die snelle woede,
waarmee een
mensch wel voor zijn oogen
de hand heft,
om hun teere vlies te hoeden -
te trekken aan
de hand, in evenwicht
mij, die al
zwichten ging, hield opgericht!
Maar dat gij 't
leven van mijn lijf behoedt,
wat mag het
wegen tegen 't onvergeldbaar goed,
dat gij sinds
jaar en dag al hebt gedaan,
levenslang doen
zult en dit uur hier doet,
om niet mijn
ziel te laten ondergaan?
Want wat zij
liet of dee',
al doolend die
eentonige, die roemlooz' Odyssee
- of ik moet
lachen, of ik er om schreien zal? -
die beurtvaart
van verraden naar verdriet
en daarvandaan
weer, met den golfstroom mee,
naar 't land
(het vaderland) van schand en laffen val,
wat zij al deed
of liet,
wien zij
verlaten heeft, wie haar verliet,
van U vrij,
engel, komt zij niet:
meeuw van haar
schip, gij wiekt van ree tot ree,
door tij en
ontij mee.
En zoo om mij
begaan,
zult, tot den
laatsten oogwenk van dit leven,
gij hulp en
goed, meer dan ik kan verstaan,
onuitgeputte,
blijven geven,
geven tot aan
dien lijf en ziel doorsidderenden tel,
dat ik met u,
Licht-echte, zuivere gezel,
en 't Licht zal
staan.
Dan? Heffen wij
dan aan,
ik met u aan,
het eeuwige refrein?
o Engel, moet
het anders zijn,
de schuld is
mijn en enkel mijn.
Maar mag mijn
stem met uw stem opwaarts gaan,
dan zing ik u,
in dankbaarheid
voor alle zorg,
aan mij gewijd,
mijn eindelijk,
volslagen lied,
't Lied, dat ik
nu wou zingen, dat ik niet
in verste verte
heb gedaan.
Ach, neem wat
ik u bied,
als van een
schuldenaar dan, die 't
uiterste heeft
gedaan,
voorlopig aan!
De vrouwen
weenden, achtbare en verachte
en in haar
midden, naast Maria, stond
doodstil
Johannes, dien Hij liefhad om de zachte,
stilwijze
glimlacht van zijn jonge mond.
De stilte was
ondraaglijk. Waarom lachte
geen krijgsman
meer? Het bloed droop op den grond.
God zou zijn
lijden zelf niet meer verzachten,
omdat het alles
zoo geschreven stond.
Niets is wat
niet goddelijk is.
Daarom wil ik
niets uitzonderen.
Ik geef geen
namen.
Ik laat adel en
schoonheid liggen, ik vraag niet naar recht,
ik blijf niet
staan bij slecht en lelijk.
Goed en
deugdzaam gaan mij niet aan.
De regen regent
over bosch
en zee en over
de stille velden.
In de slootjes
regent de regen,
op de verre
buitenwegen en op het
zinken platje
van de keuken,
In de vuile
gootjes van de binnenstad
regent de regen
en de regen regent
op de keetjes
van de burgerwacht
En op het
trottoir met de natte krant,
de uieschil en
het lucifertje.
De gevangene in
zijn cel hoort den regen,
de moeder staat
voor het raam met haar kindje.
De kellner
staart in den regen
door de
spiegelruit, voorbij het kleintje koffie.
De politicus
loopt op en neer in
zijn kamer en
bedenkt, van wat
hij zeggen zal,
maar hij blijft staan
en luistert
naar de regen.
De regen regent
over de schepen in de havens,
over het
station en over de emplacementen,
over de
fabrieken buiten de stad.
En over het
oude paard van den kolenwagen aan de overkant.
Zachtjes
ritselt de regen in de graskantjes van de weg;
Hij leekt langs
de planken van het fietsenhok
en langs het
warme gezicht van het schoolmeisje,
Langs het
gelaat van den oude man,
die heeft
liefgehad, langs de vale gezichten van
den chauffeur
en den journalist met zijn potloodje.
Op de rode
pannendaken der oude
huizen, op de
afdakjes en de binnenplaatsen,
in de steegjes
en de hofjes en in de groene
grachten van de
oude stad regent de regen.
Hij regent
pokkeputjes in het kille strand,
waar het
seizoen verkeken is,
Op de daken der
hotels met de rood
pluche
kamertjes regent hij, over de leege
ambtenaarsbuurten
en de bouwterreinen.
Op de
tramremise en de kar van den bakker,
op den werkman
van den sintelpad,
En er is een
diepe, zwarte toon gekomen in
de dingen, oud
en droomerig en vertrouwd.
Daarom geef ik
geen namen.
Ik ga maar en
ben.
Wie goed weet,
dat alles uit de noodzakelijkheid
van Gods natuur
voortvloeit en volgens de eeuwige
wetten der
natuur geschiedt, hij zal zeker niets
aantreffen, dat
haat, lach of verachting waardig is,
maar ook niets
met medelijden bezien...
Jan van Schagen |
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 20-02-2006 18:04:20 |