HERINNERING.
Moeder, weet je
nog hoe vroeger
Toen ik klein
was, wij tezaam
Iedren nacht
een liedje, moeder,
Zongen voor het
raam?
Moe gespeeld en
moe gesprongen,
Zat ik op uw
schoot, en dacht,
In mijn
nacht-goed kleine jongen,
Aan 't geheim
der nacht.
Want als wij
dan gingen zingen
't Oude,
altijd-eendre lied,
Hoe God alle,
alle dingen,
Die wij doen
beziet,
Hoe zijn
eeuw'ge, grote wond'ren
Steeds
beschermend om ons zijn,
- Nimmer zong
je, moeder, zonder 'n
Beven dat
refrein -
Dan zag ik de
sterren fonk'ren
en de maan door
wolken gaan'
d'Ouden nacht
met wijze, donk're
oogen voor me
staan.
Waarom waren
het herders
Die hun kudde
en veld
Verlieten toen
de boodschap
In Bethlehem
werd verteld?
Omdat er een
lam
Er een Herder
kwam.
Waarom waren
het visschers
die van schip
en net
Werden
weggeroepen
Bij het meer
van Genesareth?
Omdat Hij een
Visch
En een Visscher
is.
Weet jij waarom
de krijgsknecht
Bloem en blad
afrukt
En een barre
krans van steelen
Op 't droevig
voorhoofd drukt?
O Roos zonder
doorn
Uit doornen
geboren!
Ach, dat Hem de
vijand
Kende met een
kus,
En dat Hij zijn
vrienden
Vreemd bleef
tot Emmaus?
Ach, waren dat
wij niet?
Ach, ik niet?
ach, jij niet?
Ik droeg nog
kleine kleren, en ik lag
Lang-uit met
moeder in de warme hei,
De wolken
schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg
wat 'k in de wolken zag.
En ik riep:
Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een
dame, schapen met een herder -
De wond'ren
werden woord en dreven verder,
Maar 'k zag dat
moeder met een glimlach weende.
Toen kwam de
tijd dat 'k niet meer naar boven keek,
Ofschoon de
hemel vol van wolken hing,
Ik greep naar
de vlucht van 't vreemde ding
Dat met zijn
schaduw langs mijn leven streek.
- Nu ligt mijn
jongen naast mij in de heide
En wijst me wat
hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik
zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken
waarom moeder schreide -
Ik zou een dag
uit visschen
ik voelde mij
moedeloos.
Ik maakte
tusschen de lisschen
met de hand een
wak in de kroos.
Er steeg licht
op van beneden
uit den zwarte
spiegel grond.
Ik zag een tuin
onbetreden
en een kind dat
daar stond.
Het stond aan
zijn schrijftafel
te schrijven op
een lei.
Het woord onder
de griffel
herkende ik,
was van mij.
Maar toen heeft
het geschreven,
zonder haast en
zonder schroom,
al wat ik van
mijn leven
nog ooit te
schrijven droom.
En telkens als
ik even
klikte dat ik
het wist,
liet hij het
water beven
en het werd
uitgewist.
De plaats waar
mijn bestaan begon.
Is 't mooglijk
dat ik die weer vond?
Zoo vaste
grond, zoo milde zon
Alsof hiervoor
nooit iets bestond,
Alsof hierna
niets komen kon.
Ik ging de
kleine wegen rond.
't Bleef alles
even frisch en klaar
Na 't afscheid,
na zoo menig jaar,
Te wreed, te
zoet om waar te zijn -
Vergeefsche
droom, verdwijn, verdwijn,
't Ligt alles
even frisch weer daar -
Een schijn,
waarop ik staar en staar.
De
menschen:
ook dezelfde nog.
Door
'tzelfde
noodlot voortgezweept,
Op
'tzelfde
leven ingescheept
En meegesleept
door 'tzelfde zog.
Ik vraag mij:
ben ik nu ontwaakt?
Ik heb de
stammen aangeraakt.
Maar alles
'tzelfde: zinsbedrog.
De bank die ik
mij telkens koos.
Gedoken rust ik
hier een poos,
Een kranke
ziel, die half genas.
De menschen
spoken dicht langs 't glas,
De deuren
dreunen echoloos:
'tBleef alles,
alles wat het was.
Hoe vaster de
drift wordt geboeid,
Hoe boozer zijn
lagen;
Hoe langer het
noodweer broeit,
Hoe
verwoestender slagen.
Zie, hoe het
water gaat
Omlaag onder de
rots!
Zoo stroomt
over uw gelaat
Alle gratie
Gods.
Het kruis wordt
naar buiten gedragen,
Het kruis wordt
naar buiten gedragen,
Het kruis met
rouw bekleed;
Aan het kruis
wordt ieder geslagen
Die zichzelf
door liefde vergeet.
Wel rijk moet
een arme heten
Die 't brood
verdient als een Christen,
En meer als arm
is een rijke
Die niets
vermag dan verkwisten.
Waar de pijn
zich in stilte smoort
Zijn de
zwaarste wonden,
Waar men de
rivier niet hoort
Zijn de diepste
gronden.
De tijden zijn
zwart.
wij zijn eeuwen
en eeuwen te laat geboren.
in een mantel
gehuld, door een
engel op
weerlichten doortocht verloren
en door het
onuitroeibaar heimwee vervult
den Koning te
zien voor Wien ik had willen strijden,
schrijd ik naar
den Dood
en die een
krijgsman had willen zijn
in de
hartstochtelijkste aller tijden,
moet nu in late
verwilderde woorden gewagen
van eeuwen, die
versomberden tot verhalen
- duister en
vurig - van Kruistochten
en Kathedralen.
H. MARSMAN
Tusschen het
venster en den donkren wand
een eenzaam
man, een kruisbeeld in de hand.
zijn hart wordt
stil en bovenwereldsch wit:
het hoort hoe
hij in duizend angsten bidt.
En het ivoren
Lichaam van de Man
tusschen twee
zwarte kruisen wordt een vlam,
die het
beslagen duister diep doorlicht:
een weergaloos,
doorschijnend vergezicht:
over een woest,
ontembaar bergland, groot
en weerbarstig,
het donker randgebergte van den Dood
Klimt langs een
wankel gemzenpad
een man naar
het verborgen ontoegankelijk hart
der
hemelgletschers, steil, vermetel, smal.
en stijgend,
roekeloos aan zichzelf ontstegen, vindt
hij, verscholen
tusschen puin en ijs,
de schemerenden
bloei der edelweisz
en alpenrozen,
de stille bloemen van het Paradijs.
De avond daalt;
er valt een
vage schemer.
ik zoek de
vrede dien de dag mij nam;
en
onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden
naar 't stille
kerkhof waar ik na uw sterven
berooid en
eenzaam iedren avond kwam.
waarom? ik weet
te goed dat ik u niet kan wekken
en dat gij daar
zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt;
dat ik aan deze
steen niets kan onttrekken
van uwen staat
van ongenaakbaarheid
dooden zijn ver
en koud en dichters eenzaam,
maar zij
beluisteren elkanders lied; ik zing
en gij en ik
worden opnieuw gemeenzaam;
zegen - en
vloek der verhoovaardiging.
schuw dus dit
lied, vergeef het, blijf mij wachten;
bid voor mij al
de dagen uwer eeuwigheid,
opdat mijn boot
bij 't zwichten mijner krachten
niet nog in 't
zicht der kust te pletter splijt.
De nachten
waaien. Een vreemde regen
verschrikt mijn
gedachten. Een vreemde regen
raast in den
tijd. Ik denk aan U -
Lichten spoken
- Ik hunker naar U
die zoo ver weg
zijt... Ik zoek de sterren:
de nacht staat
gesloten. En van verre
komen de
winden, machtig en zwart,
en breken de
rozen, die nog leven -
Ik denk aan U
en de regens beven
wild en
stormachtig aan mijn hart.
De regens maken
de wankele huizen
tot blinde
vreezen, verstild in steen.
De nachten
waaien, de winden ruischen.
Ik denk aan U,
en ik lig alleen...
Ik lig alleen
met een verzwegen
roep om U in de
duisternis.
Altijd de wind.
Altijd de regen.
Altijd de nacht
en mijn hunkering.
THEUN DE VRIES
Goudig en
somber zwijgen heerscht in de verre dampen.
Over den
donkeren akker schrijdt langzaam een donker man
en zaait. De
hoeven der zware paarden stampen
door de
walmende voren. De stilte huivert ervan.
Geel en grauw
in het rond ontbranden aarzlende lampen.
Weeklagend om
het verloren jaar zwerven winden moe.
Zij strooien
het laatste zomersche purper tusschen de kekhofkruisen,
sidderen en
vergeten een oogwenk verder te ruischen...
Eensklaps raast
een snelle vlucht vogels voorbij. Dan sluit de dag zich toe.
Soms keer ik
terug en ga als een droom langs de slingerpaden der kerk;
de mannen en
vrouwen van mijn geslacht rusten onder hun grauwe zerk.
De zwarte
ernstige velden dragen den eersten oogst.
Een reuk van
rauwe vruchten waait. Het voorjaar is op zijn hoogst.
Het gras geurt
krachtig en pasgemaaid als toen hier het leven begon;
en achter de
breede hoeven staat nog een groote verblindende zon.
Maar o God - de
steden, de nachten, en alles wat sinds is geschied:
Ik ben een
ander geworden; de eenvoudigen groeten mij niet.
Ik ga de korte
grijze straat van 't verleden op en neer.
Maar levenden
en dooden erkennen mij niet meer.
WENN NUR EIN
TRAUM DAS LEBEN IST...
VOOR DEN
NOORMAN
Het werd mijn
droom in 's werelds kring
volkomen
zorgeloos
een schelp te
zijn, een suizend vuur,
een rank, een
wilde roos,
onkundig van
geluk en leed,
van plan en
overleg,
het stuifmeel
dat de wind verwoei,
lichtzinnig
langs de weg,
een vlinder op
een lelieblad
de vleugels
bijna dicht
en trillende
een oogwenk eer
zij opgaan in
de lucht,
een dauwdrop en
een sneeuwkristal,
een smettelooze
wolk,
een zonnestraal
zoo flitsend als
een wit
geslepen dolk,
een vogel en
een varen en
een held're
beek in 't woud,
in het
rivierbed een nog on-
gewonnen korrel
goud,
de wierook en
de myrrhe, en
het ruischend
requiem,
doch
schuldeloos en onbevreesd,
de
lout're,
pure stem -
Alleen een
mensch droomt zoo vergeefs,
ontwaakt zoo
moedeloos,
een vreemdeling
voor schelp en vuur
en rank en
wilde roos.
ANTHONIE DONKER
Het was een
koude, glinsterende nacht.
Wolken en
duisternis, sneeuw en sterren
waren er, en
wij hoorden verre
klokken. Haar
einde werd verwacht.
Het venster was
in de nacht een smal, veeg licht.
Zij was kleiner
geworden, lieflijker dan ooit,
het blonde haar
langs het voorhoofd geplooid,
en een glimlach
over haar wit gezicht.
Zij was zoo ver
van ons als sneeuw en sterren.
Voorbij het
smalle, verlichte raam
staarden wij in
het grondelooze verre.
Hier was haar
lichaam, klein en zonder naam.
Zijn stille
stem verscheen
tusschen het
scheem'rend hout,
en alle dieren
hoorden hem,
diep in het
woud.
Het had een
held're klank
als oud en
vroom latijn.
Toen wilden zij
van heinde en verre
bij hem zijn.
Er gloorde door
de stammen
een blauwe
morgengloed.
Merels en
wielewalen streken
er aan zijn
voet.
Schuw gluurde
tussen blaren,
terwijl
Franciscus bad,
een kleine
hinde trillende
als een
espenblad.
Het rijzig
edelhert
met hooggetakt
gewei,
in lange, ranke
sprongen gleed
het naderbij.
Een pauw
ontplooide pralend
zijn
fonkelenden pronk,
een
gouddoorgloeiden waaier die
weer statig
zonk.
Uit bruine
blaren hief
de slang zijn
gladde kop,
met spitse,
kronkelende tong
geruischloos
op.
En and'ren
vossen waren er,
de haas, de
wilde ezel,
een aap met
witte bakkebaard,
eekhoorn en
wezel.
En om dit
helder zingen
had elk van
hen, zijn aard
en eigenzin
vergetend, zich
erbij
geschaard.
Zoo teeder zong
Franciscus
hun van het
dierenlot,
zij stonden
onbeweeg'lijk in
het witte licht
van God.
In den
striemenden regen, langs zwarte akkers
is hij den
langen dag gegaan
van het ene
dorp naar het andere dorp,
er komt geen
einde aan.
Zijn zolen
zuigen de natten weg,
de regen dringt
door zijn huid.
Schuilende
onder een druipende heg
at hij gulzig
een scheepsbeschuit.
Met den harden,
verfloozen bak op zijn rug
is hij dan weer
verder gegaan
de hutten langs
en de heiden door,
er komt geen
einde aan
dit gaan door
den wind en den mist en den regen,
bij duister,
bij helle zon,
grauw en
verwaarloosd langs alle wegen.
Maar vóór
zijn reis begon,
waren eens zijn
lippen verliefd en week
en zijn voeten
snel en licht?
En waren zijn
ogen als andere ogen
fel op geluk
gericht?
Met den harden,
houten bak op den rug
zal hij verder
gaan.
Er komt geen
liefde, geen jeugd terug.
Van het ene
dorp naar het andere dorp
blijven zijn
voeten gaan,
tot een
lentenacht, of een winternacht,
zijn last wordt
afgedaan
en hij haveloos
over den horizon
den hemel in
zal gaan.
Het doel en de
roes van het leven
en de wedren
van den tijd
zijn mij
langzamerhand om het even.
Het haastig
horloge ten spijt
zijn wij hier
achtergebleven,
gelukkig en
eigengereid.
Van wat ik
wellicht moest weten
is mij
velerhand ontgaan.
Doch mooi en om
nooit te vergeten
is de zon door
de berkenlaan,
en het beekje,
een smalle Lethe,
waarlangs onze
voeten gaan.
Het is of ons
niets ontbrak.
In den avond
het lief bekoren
van je hand die
het licht ontstak.
De hond richt
soms even de oren
om een vogel
onder het dak
of de wind in
de dennen te horen.
Voor de
zoveelste maal heb ik Botticelli over het land zien gaan
die bloemen
zaait.
En weer
strekken de bomen hun geweldig bottende takken,
levensdrift die
de Japanezen begrepen.
De avond
weerhoudt te vallen, de mensen haasten zich in dit jong getij,
arme
schelpvissers met de wilde hoop:
tans zal de
vloed hun rijkdom zijn.
De huizevlakten
en toonprojekties, die zijn de afstand tussen hen en mij,
verdringen mij
naar 't diepst van mijn geweten.
Doch niet meer
een roes is tans de Lente die van mij gaat,
niet meer het
zwak geloof: dit is zich geven.
Mocht het
mij tans worden het bruidsgetij der wijze maagden;
God in mij moet
ik wekken, - Jezus en Lazarus tevens, -
moesten ook
mijn nagels in mijn vlees de vreselijkste beproeving enten:
de snik, het
"alles is volbracht" en de drie-dagen-dood.
Nog niet heb ik
het leed, het grote godsgeschenk begrepen.
Nog sta ik
dwaas vóór al de wonderen en ben nog steeds mijn eigen demoed zoekend.
die mij de
sleutel geven moet.
Thans zal ik
enkel daarvoor zorgen:
olie te hebben
ten allen tijde, want wanneer de bruidegom komt weet geen.
Een ieder heeft
gereed te zijn,
want plots
kunnen de lichten de schaduwen van de bomen doen zinken,
dan is de
bruidegom dichtbij.
Hij die de
bruidegom van het Leven voor de poort laat staan,
zal blijven
onbevrucht een ganse leven.
Doch hij, - o
mocht ik reeds ver een Hosannah horen!-
die olie had,
de bruidegom zal in hem de lichten omzetten en hij zal zijn hooglied
mogen zingen,
de klare stem van God.
Dit lied dat
staan zal in de werkelijkheid der dingen
als een
gebeurtenis van een ruimere Lente, na de hopeloze wentelingen van een
lange
jarenreeks.
Knielen zal ik
tussen Uw
simpele luiden.
Het tempo van
hun hart
in de rustige
regelmaat
van koperen
slingers,
in antieke
klokkasten
van eikenhout.
Ik zal het
jagen stilleggen
van mijn hart,
met kalme
riemslag
roeien naar Uw
meren van licht.
Daar is geen
rimpel
in het
meervlak,
lijk daar geen
rimpel groeft
door Uw effen
gelaat.
Knielen zal ik
tussen Uw
simpele luiden.
Zij dragen
ruige baard
en spuwen op de
vloer van Uw heiligdom;
maar in hun
ogen is
de eenvoud der
kleinen,
terwijl zij
luisteren naar Uw woord.
Ik zal de
wortel der ijdelheid
rukken uit mijn
oogappel,
de hoge pracht
der begeerlijkheid
wassen van mijn
netvlies:
dat mijn ogen
worden gewijd
voor het
aanschouwen van wintermisŠre
en de
bespotting
van dompelaars
langs de straatweg.
WIES MOENS
Laat mij mijn
ziel dragen in het gedrang!
Tussen geringen
staan en hun ogen richten
naarboven, waar
blinken Uw eeuwige sterren.
Ik wil een
snoeier zijn in de wijngaard,
een werkman bij
de druivenpersen.
Laat mij mijn
ziel dragen in het gedrang!
Mijn woord in
de mond van stamelaars,
mijn hand voor
die liggen langs het pad.
En voor het
raam van mijn woning
een vlam in de
nacht
richt zijn
schreden
naar het Huis
van Toevlucht.
Ik zal het
wasbekken klaar zetten,
brood en wijn
op tafel -
en het Boek
geopend
aan de parabel
van de Goede Herder.
Godsliefde is
als een fruitboom
in deze aard
geplant
- de sterren
staan te lichten in de kruin -
de forse takken
in de wereldrand
van het gewicht
der vruchten nijgen diep en zwaar.
Eens in Italië
viel een gouden vrucht
een sjofele
minnezanger in de schoot.
Een jaculator
werd hij voor de Heer op markt op plein:
de wereld
gooide hij naar de hemel toe
en ving haar,
druipende van dauw en licht,
weer in zijn
handen op
en duwde haar
in het ruim!
Zijn woorden
stonden overal als vlaggen uit,
en met
gestrekte boeg schoot de aarde
rakelings Gods
bloemend hart voorbij!
Ofwel het was
een boeremeisje
in Duitsland in
een dorp:
zij plok de
vrucht en ziet:
seizoenen uit
Gods leven wandelden uit haar,
het oud verhaal
uit Golgotha,
en van de
straten van Jeruzalem
die dronken
bloed en zweet
van Hem die
bracht het leven en het leven heeft.
En overal,
waar uit de
boom een vrucht viel in de mens
sprong op een
helle vreugd gelijk een hemellicht
of gingen
wonden open in het kranke vlees:
en telkens
spoelden stromen licht
of bloed en
tranen de oude wereld rein.
Daar leefden
vrouwen op een grauwe brits
die lagen lijk
melaatsen aan de zoom der stad
maar uit wier
keel gezang als uit een woud van nachtegalen brak.
En mannen die
zich rolden in de sneeuw
op hoge bergen
in de gure wind.
Landlopers vuil
en vaal,
die geurden op
hun sterfbed lijk een lelieveld.
Soldaten en
matrozen,
kinderen ook,
in wie de vrucht haar wondersappen goot.
Dan de
miljoenen van wie niemand weet:
de droeven, in
een duister minneleed
gedompeld,
zonder zucht noch klacht,
de vrolijken
die dansen in het klare gras
onder de boom
van God
die strooit
zijn vruchten
in het
Morenland en langs de Ganges
in Japan waar
de vuurberg kraakt,
in oud Europa
rokend nog van bloed,
tot in het land
der Yankees,
langs de lichte
pleinen en in stegen goor van roet en puin.
Het is de blooi
waaraan geen einde komt,
waarin geen
snoeimes hakt,
het weids gewas
dat tiert in elke lucht:
ruisende groen
asyl van Ruusbroec in het Zoniënwoud;
en baldakijn
van bloesem in het rijk der zon
waaronder
schrijden in hun wit gewaad
op slanke
voeten, jonge katechumenen
wiegelend lijk
de ma‹spluim!
Mijn vadertje
hij was rechtvaardig.
Hij had den
zwaren last op zich geladen,
een eerlijk man
te zijn
in woord en
daad.
Dat is het
schone, dwaze kwaad
waar, na ons
Heere Jezus Christus,
de sterkste man
aan ondergaat.
Zijn oog was
rustigblauw; een verre zee.
Zijn woord van
blijheid soms plotse fusee
in stalen
nacht.
Hij lachte rood
en zoende onverwacht
mijn dwaze
haren en mijn jong gedacht.
De hooge
schepen die de Schelde droeg,
Hij wist hun
laden vast en schoon te sturen.
Hij had hun
namen lief,
om mee te
spelen - als een kind naïef;
Karatschi, Pantos, Calcutta,
lijk schoon
koralen.
Hij wist de
haven; heimwee en verdriet
bij vroegen
morgenmist
en in den avond
onder luid en rauw sirenenlied.
Hij heeft de
bosschen van zijn jeugd bemind.
Hij kende
boomen lijk wij menschen kennen.
Hij wist de
winden en den oogst,
en wou mijn
hand aan't ruw bedrijf des jagers wennen.
Mijn vadertje;
hij was rechtvaardigheid.
Hij had de
goede liefde tot de still' en ware dingen.
Onder de
schaduw van een dorpsche kerk
ligt zijn
sobere zerk.
Ik weet hoe
zijn gedenken mij gelijk een lichte wolk behoedt.
Zijn rode,
bange handen hield hij stervend Christus tegemoet.
Hij is een arm,
oud man,
de grijze
mislezer met zijn kaal hoofd,
en die der
wereld niet behagen kan.
Onder het
krakend geweld van goud en brokaat,
voor een
snobsenpubliek leest hij de Mis,
gansch in het
wit.
Hij kent de
overspelige vrouw die recht staat,
en de
woekermeneer die daar zit.
Hij is simpel
en moe,
hij beseft de
zonde en den strijd, diep en fel:
de vrouw die de
wimpers luifelt
en van den man
het wulpsch oogenspel.
Hij weet de
verwaandheid
van dit rijk
geslacht
en hun trots op
vleesch en kleed.
Hij murmelt
zijn snelle gebeden heel zacht
en buigt zijn
kaal hoofd
in leed.
Hij spreekt
geen woord
hooger dan de
kabbel-lijn van ‚‚n toon.
Hij is
eerbiedig en oud
en de
nederigste man in Gods woon.
Hij opent de
armen en teekent een fel kruis:
onder die
zegening gaan de vunze vrouw
en de dikke
meneer lachend naar huis;
zij hoorden een
half uur, verstrooid,
zijn onhoorbare
taal.
Maar hij
schouwt hen aan
met de
droefheid van Job op zijn vaalt.
Onder de vracht
van goud en brokaat,
bidt hij, stil
en gebroken.
Hij is
eenvoudig en oud
en zijn kennis
is in simpelheid verdoken.
Zijn schoenen
gapen: zijn hoed heeft kleur noch vorm.
Maar hij bidt
kindsch en eenzelvig naar Christus,
die hangt boven
d'aarde "lijk een worm".
(Zondagmis
12.15 u) "sicut vermis"
MARNIX GIJSEN
De trein rolt
op den zwarten bol der aarde:
o,
angst-versnelling van mijn hartstocht
in de afgrond
naar God.
De gloeiende
veeg van mijn vinger,
fosforisch op
den blauwen glaswand van een nacht;
het grauw
geraas van een levenslot
aan de duistere
bocht
van een
dennenbosch waar God mij wacht.
O, gij daverend
hart der machien,
en uw
God-verloren vlucht,
o, gij
kreunende jacht van wiel na wiel,
gij, gij,
wroegende zucht
die uit den
schoorsteen viel;
en de lange,
angstige glijding der sporen
die achter de
aarde reeds het gerucht
van den verre
trein doen hooren.
De nacht-trein
gilt en loeit.
Maar, de
nacht-trein gloeit:
traan van
Laurentius in Augustus-nacht,
glimworm in een
ver veld,
goud-meteoor
die onder den
blauwen nacht-boog snelt.
De nacht-trein
zit vol menschen
die droomen,
waken ,denken, wenschen
en vooral met
pijn iets verwachten:
zij rijden
dagen, weken, nachten
op den
brandzwarten bol der aarde.
-Is God nog
ver?-
zoo denkt een
somber man,
die uit een
raampje staarde
naar maan en
ster.
KAREL VAN DEN
OEVER
Hij kwam bij
donkrend avondrood
Hij kwam bij
donkrend avondrood,
het hoofd
gekroond, de voeten bloot;
Hij klopte: ik
liet hem binnen.
Hij wist mijn
leed, Hij wist mijn strijd
en wat ik
hopend had verbeid
in 't nijgen
mijner zinnen.
Hij zat, en
sprak den langen nacht
van wegen naar
een morgenpracht,
die zonde en
smart zou dooden.
Hij is gegaan,
toen zachter glans
mijn oog
verwon;.... aan blijder trans
blijdere
sterren vloden.
De verre stilte
van den verren nacht!
Er is nu rust
op landen en op wegen;
rust in de
dalen, op de heuv'len rust.
De winden
sluimeren, het loof is stil;
de honden op de
verre, verre hoeven,
zij slapen wel,
nu …alle leven slaapt.
Het is heel
stil, heel stil, zoo stil of niets
bestaat dan 't
luisteren van wie er luistert,
en 't bonzend
kloppen van het bange hart
van wie er
leeft, eenzaam in de eenzaamheid
der verre
stilte van den verren nacht.
De lichte
stilte van den lichten nacht!
De maan verrees
gelijk een groote lamp,
die vriendelijk
wil lichten door het duister.
Hoe mooi de
klaarte door de plechtigheid
der hooge
boomgewelven op de wegen komt.
En schoon de
maan nog laag is in de luchten,
trilt reeds het
prille lichten van den ochtend,
tegen de
rossige ijlten van het Oosten.
Wat is de nacht
nu vriendelijk en goed!
Wie kan nu
vreezen bij zoo milde stilte!
En wie ontwaakt
niet uit een boozen droom
en treedt dan
niet in heilig schromen binnen
de lichte
stilte van den lichten nacht.
Geweldig lente
wordt het op de wereld!
Blauw, blauw en
niets dan blauw, dan pleilloos blauw
omhoog de
lucht, die met haar blauwen gloed
het koele groen
der open landen kleurt.
Blauw zijn de
heuvels; blauw de ruige kloven;
blauw zijn de
klimmen, en de verre torend
der verre stad
zijn blauw als lucht en land.
In dit groot
wonder van vergroenend blauw
en blauwend
groen liggen de korenvelden.
Nog zijn ze
frisch en gaaf en koel en goed
de jonge
halmen, breed en omgebogen;
ze deinen
zwijgend in den vochten wind,
die als een
lauwe donder door de landen
gevaren komt in
losse, korte vlagen.
Verloren in het
wijde der landouwen
liggen de
velden, die in heeter tijd
gaan schenken
't graan, dat ons het brood zal bieden.
Zoo ligt een
akker op een stillen heuvel
en een ligt
tusschen lichte abeelenweiden,
een andere
achter kiezelige helling;
daar zijn
'r
honderden in 't blauwe land.
Van welken
akker brengt men mij het brood,
wanneer de
winter me in de steden sluit?
Ik weet het
niet; waarom er over denken?
Het is zoo goed
het denken te vergeten,
nu algeweldig
blauwe lente blauwt
in rijken dag
en nog véél rijker nacht, -
nu 't groote
blauw verwonnen heeft de lucht,
het dal, de
heuvels en het schoon verschiet
en al de vele,
vochte korenvelden.
P. Kemp
Naar zonnefeest
van zilvren luchten
stort hij zich
dol en dronken op
en werpt een
zwerm van zanggeruchten
neer over dal
en heuvelkop.
Wat deert hem
's werelds wel en wee!
hem kwelt een
vreugd; hij moet die melden,
hij moet
verstoren stilte en vreë,
van weiden,
wegen en van velden.
Hij stierf, zoo
iets hem zwijgen deë.
P. Kemp
Gij vraagt me,
waarom mij de wereld zoo weinig rijkdom bracht?
Ik heb te ver
gewandeld, te veel gedroomd en gedacht.
Waarom ik bij
dolen en denken zoo weinig vreugde vond?
Ik staarde te
vaak naar de sterren en zag te zelden den grond.
Der sterren
vreugde is te verre; te nabij zijn de lusten der aard,
al kon mijn
hart die verlangen, mijn geest vond ze 't grijpen niet waard!
Ik zoek achter
wijkende einders, ervaren als een kind,
naar een oord
waar de dalende hemel de stijgende aarde vindt.
P. Kemp
Ach de mens,
die reus op de grond,
hij heeft in de
wildernis
de bomen
gerooid en de voren
gericht naar de
einder toe.
Hij heeft de
godvruchtige grond
met steden en
dorpen bezaaid
en de zee met
zilveren schepen.
Hij wordt zo
groot als een god,
hij verheft
zich tot in de hemel,
hij neemt de
maan in de hand,
hij kijkt de
zon in het oog.
Ach de mens,
hij sterft op de grond,
hij valt met
zijn schaduw samen,
het gras groeit
over zijn graf
en niemand weet
waar hij is.
Alleen zijn
stem blijft bestaan,
alleen als een
lied leeft hij voort,
overal gaat hij
om
in tedere
trillingen licht,
in lange golven
geluid.
Een witte bloei
overdekt
de grote aarde
van God.
Jan Willem
Schulte Nordholt
De Heer nam hem
uit zijn lichaam
als de moeder
haar kind uit de wieg
en zijn gade
stond plots eenzaam;
op de ledige
wereld-bal,
een mater
dolorosa
met een zwaard
door haar hart.
O, wat een
smart!
O, wat een
droevig geval!
De dood kleedde
mijn broeder wit en bleek,
hij werd steeds
witter,
hij werd
winter-wit en heel koud.
O, onze pijn
werd bitter!
Neen, God, hij
had niet zoo laat geleefd
en te schielijk
groeide zijn graf-gras.
Hij arbeidde
aan zijn taak
als een swaluw
aan haar nest;
plots kuste de
dood hem op de rechter-kaak
en hij viel als
een jongetje dat zijn bal naloopt.
Hij kreeg voor
eeuwig vaak.
O, menschen,
ziet onze wonden:
we werden
versch gestoken met een mes,
we dronken het
walg-gevoel
dat de gansche
stad een klucht is
en het leven
een zonderling doel.
Mijn broeder
hield in zijn koude hand
het
Kruis-der-goede-Dood.
Mijn God, na
zulk een nood!
Heer, als ik
sterf
op een
December-dag
in het ziek
laken dat ruikt,
en mijn
gezicht: geel als een raap,
mijn baard
verwoest door het zweet,
terwijl mijn
hand vol angst in het kussen plukt,
Heer, houd dan
van mij, arm schaap,
houd uw
barmhartigheid gereed.
Want gedurig
was ik lui en dom,
on kuisch,
hoovaardig en zot,
ik was gulzig
aan bier- en wijnpot
en mijn tanden
bruin van de pijp.
Heer, als ik
sterf
en mijn voeten
zijn koud als glas,
de kaars druipt
op mijn hand
en de dokter
zegt: "'t Is gedaan",
als bij de
kamer-wand
de priester
bidt: "Heer, laat hem gaan"'
dat ik dan
bidde:
Heer, neem mij
in uw ontferming aan".
Uit een oud
dorp
- kameelbruin
als de steppe -
uit Plocka
kwam Dinska
Bronska
Haar hoofddoek
was pruisisch-blauw
en heur haar
vlas-geel;
ook waren haar
oogen blauw
als
fjord-water.
Zij rook naar
knoflook en spar,
zij droeg
laarsen
en ging zeer
zwaar en gauw.
In het
"Hotel Lapland" zat zij
bij een tafel
aan het straat-raam:
zij schreef een
brief.
Een haarlok
viel laag op haar roode kaak
en zij stak
haar tong uit,
want zij
schreef moeilijk die brief
en daaronder
"Dinska Bronska", haar naam.
Ze stak ook de
penstok in haar mond
en zocht met
haar oogen langs het plafond.
Op het papier
waren 'n inktvlek
en groot
gestrompel van letters:
zijn kocht het
voor vijf centiem
in de
kruideniers-zaak
over het hotel.
Er was een
beetje inkt aan heur kaak.
O Dinska
Bronska,
gij vertrekt
naar Canada:
de verroeste
stoomboot wacht aan de kaai.
Gij laast op
een almanach
der "Red Star Line"
dat Canada
grooter appels,
o, hooger en
geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in
Canada veel beter zijn!
O, Dinska
Bronska,
met je zeer
dikke vingers:
je schrijft zoo
moeilijk die brief.
Je oogen zoeken
vliegen op het plafond.
"Moj
Boze!'
Er zit een
tranen-veeg,
o zoo
verdrietig,
van je blauwe
oogen naar je mond.
O, Dinska
Bronska!
DE TWEE
VADERLANDEN VAN MIJN HART.
Hoe staat de
zomer te bloeien in 't harte van mijn land...
Hij steekt de
dageraˆn aan met duizend zonnebloemen
en doet de
dingen van hemel en aarde in blauw en goud openvloeien,
't Licht klimt
de bergen over en de sterren dansen aan de hemeltransen
en de winden
blazen de verten vol zoete bruiloftsmuziek...
hoe staat mij
de aarde nu rood van zon en pralend met bloemen,
en hoe komen
haar wijde heemlen wonderdiep in mij opengaan
o! mijn God,
gij kwelt mij te zoet met de grondeloosheid uwer zaligheid,
gij kust mij al
te woest met al de kwetsuren uwer liefde
en nooit genoeg
toch, nooit algeheel, nooit tot den laatsten afgrond,
nooit zóó
aanbiddelijk-onmeedoogend dat mijn hart is ‚‚n open wonde van liefde
in ‚‚n
berging van extase versmolten in u;
er blijft nog
altijd een abijs ongevuld, onverlicht; een honger nimmer gestild,
die in mij
opslaat en breekt in mij als een zee met de muziek van zijn tranen;
er blijft,
wanneer ik bezwijmd van wierook en zon ga knielen aan 't goud uwer voeten,
een heugenis
aan donkerder bloemen, en aan al de glorie van armoe en pijn.
Ik ben als een
viool, waar de vingertoppen van God
al de deiningen
van zijn mysteriën op lokken
tot vloeden van
muziek;
ik ben als een
bloesemend bosch in de kussen der lente herboren,
waar God met al
de geuren zijner winden in ritselt en speelt;
maar ook zijn
in mijn hart eenzamer snaren gespannen,
waar geen
hemelsche streelingen melodieën doen uit opstaan als dageraën van geluk,
snaren die
alleen de liefkoozingen van honger en smart verstaan
en wier adems
als ritmen van onrust door de nachten der aarde gaan.
Ik ben niet
alleen, o sterren, het kind van de likkende toverijen uwer gouden bivakken,
ik heb honger
geleden en geweend in steegjes waar gij niet binnenkomt;
gij zijt niet
alleen, o God, mijn vaderland waar mijn heimwee naar trekt -
er is nog een
ander vaderland van dorre rotsen en steile paden,
van stinkende
stallen en kleumende menschen, waar ik voor sterven wil.
Ik ben maar
eenstraatkind van een dag en nacht ronkende fabrieksstad
en ik heb als
kind gesjouwd in 't orkaan van donderende dokken,
ik heb gespeeld
met het stof en de modder van greppels zoo teer als met witte bloemen
en de vuile
schotels van mijn moederken gewasschen als blinkende sieraden;
's avonds kroop
ik naar bed op den zolder bij de muizen,
die mij kenden
en speelden met mij,
toen stond
telkens opnieuw de drift om de kimmen te zien in mij op
en 'k wrong mij
door het dakvenster: dan tuurde mijn ziel over de wereld,
‚‚n
panorama van rooie daken - maar de vleermuizen scheerden langs mijn hoofd
en zij brachten
mij het eerste teken van uw eeuwig geheimnis, o God.
Ik ben maar een
sjofel kind van grommende fabrieken en dokken,
ik ben maar een
kind van veel honger en een beetje vreemde teerheid en oneindige opstandige
liefde,
ik ben maar als
een arme bloem van de straat.
Nu spant gij, o
God, de hymnen van uw leeuweriken boven mijn hoofd
en stelt uwe
sterren als bloemen langs de wegen mijns leven; maar in mijn bloed speelt
onstilbaar de muziek van machines en kranen
en mijn hart
onderhoudt de herinnering aan al den donker van weleer.
O gij verre
vogelaar van de metaphysische kimmen,
die mij zoo
vleiend zoet lokt op de fluiten der winden,
neen neen! ik
kan niet uitvliegen naar u alleen
en mij voor
eeuwig gevangenen geven aan de zaligheid uwer liefde alleen,
ik kan niet
alleen gelukkig zijn, en ik heb zoo'n wroeging.
o mijne
broeders,
zoo'n berouw
over 't minste uur van eenzaam heil,
wijl gij zwoegt
en hongert daarbeneˆn.
Ik moet mijn
deel hebben van onrust en pijn,
omdat ik, o
moederken, de erfenis draag
van al uwen
strijd en uwe offervaardigheid.
Mijn hart is op
zoek naar een hero‹sch liefdelied
om het 's
nachts aan de zoldervenstertjes van jochies en weesjes
te joedelen als
een vooizeken van den meie;
mijn hart, met
al den honger van zijn kussen,
met al de
loutering zijner tranen,
is op zoek naar
de apotheose van God
in de bevende
vuile handen van een besje;
mijn hart is,
van kimme tot kimme, van afgrond tot afgrond,
zoekend het pad
naar gansch God en gansch de mensch
in ééne en
dezelfde liefde.
ACHILLES
MUSSCHE
Het was geen
lentelied
wat ik zoeven
heb verzonnen.
Het licht is er
niet
en om de hoge
bomen
hangt dik
getast de mist.
De merel hurkt
in 't hout
en tript en
tinkt, maar mist
de blijdschap
van een lied.
De winter hangt
weer grijs en koud
boven het
schraal gazon
en hard zijn
alle wegen.
Het was geen
lentelied
dat wij te
horen kregen,
toch bleef er
iets - wat weet men niet -
toch bleef iets
achter van de zon.
Zo hangt een
nevel rondom ons
een nevel
tussen U en mij;
De winter laat
niet los
toch voel ik U
nabij.
PAUL VERBRUGGEN
Laat mij alleen
als de engel komt.
Gij noemt met
een ondankbaar woord
stoel en tafel,
water en brood,
en zoo zoudt
gij de engel noemen - de dood.
Laat mij als
het nacht bij dage
en het dag bij
nacht voor mij zal zijn;
en er komt bij
tijden een vernietegende klaarte
die in mijn
uitgebrande lichaam binnen schijnt.
als de engel
mij verlaat
na dit
bitterschóon bezoek:
noem niet met
een ondankbaar woord
geest en lijf,
gebeente en bloed.
In droom zult
ge mij wedervinden,
schrikaanjagend
in mijn gloed
- maar heet mij
uw beminde.
Toen haar de
doffe gloed der zaligheid ontstelde
liet zij zich
dwingen door zoet en dwaas geweld
en om zich meer
en gansch te laten overstelpen,
als ware ze in
vervoering zwaar onhelsd.
Die haar gekend
hadden en haar zóo zagen rusten,
de handen leeg
van wat aan haar had toebehoord,
luisterden naar
het scherp vechten van haar lispelende kussen
tegen de
strenge teerheid van de dood.
En, weldra, als
zij gelijk een steen in stilstaand water,
blind en
omsloten lag en zelf niet meer wist
dat zij pas
n— haar smart omgrensd kon dragen
en door haar
versteven bloed omkringd.
- o Haar gelaat
was niet meer te bereiken
tot in de
diepte van zijn uitgestorven staat,
en haar
lichaam, als een stilgevallen wijzer,
had zijn klein
verleden in die ijlte saamgegaard.
Toen, na veel
zwervens op een donkere baan,
raapte ik, wat
nog aan krach me bleef, te gader:
"Hij woont
toch hier, Hij die zich noemt mijn vader?"
- en 'k ben den
klopper op zijn poort gaan slaan.
En luisterend
bleef ik lang te wachten staan,
en luider sloeg
ik, immer kwaad en kwader;
soms hoorde ik
iets als kwamen stappen nader,
maar 't was
bedrog, en 'k wou maar weer vandaan.
Vandaan?
Waarheen? weer in den nacht gaan zwerven
en altijd
honger lijde' en liefde derven
en dood-gaan
zonder ‚‚n me de ogen sluit?
Neen, liever
rusten aan zijn deur, gelaten,
en stapt Hij
eerstdaags toch zijn tempel uit,
dien Hij eerst
vindt, zal hij eerst binnen laten.
URBAIN VAN DE
VOORDE
De wolken
dragen,
moe geschreid,
het lijk der
dagen
naar de
eeuwigheid.
Nu doen de
menschen,
van bibbren
moe,
op doode
wenschen,
hunne ogen toe
En zachtjes
vragen,
ter rust
gevlijd,
voor 't
kouwlijk klagen
vergetelheid...
Niet 't wél-gaan
en 't verblijen
Zijt gij ons
het naast.
Als de wind in
spelemeien
Langs het water
blaast,
Kringelt hij de
rimpelingen
Langs den
spiegel heen,
en de broze
schaduwingen
Brokkelen
uiteen.
Als de wind is
uitgewiegeld
Ongebroken
staat
In de stilte
diep-gespiegeld
Weder Uw
gelaat.
Breken ook de
ijdelheden
Van 't gedroomd
geluk
Met haar
speelschen aˆm den vrede
Dagelijks weer
stuk:
Tusschen eindig
en onendig,
Tusschen God en
aard,
Drijft de ziel,
tot ze bestendig
Keert zich
t'Uwenwaart.
BERNARD VERHOEVEN Ik dank U,
Heer, den moed mij ingeschapen,
Die in den wind
wuift als een ridderpluim,
Dat ik mijn wil
hanteren leerde als wapen,
Bij de
vervuiling van mijn knapenluim.
Mijn hart
sprong op tot glanzende gevechten
In mijner
jonkheid bontbewogen spel,
Geen neerlaag
kon mijn hooge eerzucht knechten,
In driftig
streven werd mijn daadkracht fel.
Nooit ging het
ridderlijke hart ten onder,
Al was 't in
grillig avontuur verdwaald,
Omdat de droom
van het volmaakte wonder
Mij voortdreef
tot het einddoel was behaald.
Ik heb gepoogd
met welige gezangen,
Met klank van
wapenspel en feestgewoel
Te stillen dit
ontembare verlangen,
Diep-peilend en
hoog-reikend naar zijn doel.
Mijn roemzieke
hart, dat tot zooveel tournooien
Schuimend van
drift en strijdlust werd geleid,
Bleef achter,
na het jammerlijk verstrooien,
Schamel en
rillend van oneindigheid.
Ik dank U, dat
ge mij hebt begenadigd,
En als een wig
van tweespalt in mij dreef:
Omdat mijn
ziel, van tederheid verzadigd,
In hoogen trots
en onrust eenzaam bleef.
Dat Gij den
springvloed van mijn hunkeringen,
Mijn wezen,
liefde-ontvlamd en licht-ontroerd,
Gestadig tot de
diepten van de dingen
En tot de Bron
der Liefde hebt gevoerd.
Ik dank U voor
het afgronddiepe donker,
De pijniging
der onbegrepen smart,
Het vreemd
geheim van schaduw en geflonker.
Het heimwee en
het raadsel van mijn hart.
Ik dank U meer,
dat Gij met koelen zegen
Van kuischheid
mij bij 't zwerven hebt bespreid,
En dat ik
zuiver, onontwijd mocht wegen
De liefde in al
haar onvolkomenheid.
In zoelen
avond, rijp voor zoet vervoeren
Om d'oogen van
een schoone droomenvrouw,
Begon iets
lichts zich in mijn ziel te roeren,
Of zich een
Serafijn ontvouwen wou.
Mijn hart bleef
vrij, in voorgevoel en schromen
Voor
onvoldaanheid, en vond nergens vree,
Tot heel mijn
liefdevloed zich uit kon stromen
In Liefde's
matelooze Moederzee.
Dank, dat Gij
dit weerbarstig hart wilt stemmen
Tot wisselzang
van ootmoed en van trots,
Dat Gij dit
wild en dartel hart wilt temmen
En maken tot
een minnezanger Gods!
Gij hebt
gezaaid de drift van het volmaakte
In mij,
onwaarige, die zwerven moet:
Een door Uw
witte gloeihand aangeraakte,
Tot hij wordt
opgezogen in Uw gloed!
GIJ ZIJT DE ZIN
VAN WAT WIJ ZIJN
Gij zijt de zin
van wat wij zijn,
de hartsfontein
die water geeft
dat leven is
voor al wat leeft.
Gij gaat in 't
donker voor ons uit
en niemand
stuit
uw grote gang
de eeuwen door,
een wereld lang.
Al dwalen we
ook ten dode af
tot over 't
graf,
voorgoed zijt
Gij
ons met uw
tederheid nabij.
Wij keren allen
tot U weer,
beminde Heer
en grote God.
Hoe liefelijk
is dan ons lot.
Als alles nieuw
wordt voor ons oog,
de hemel hoog,
de aarde wijd
glanzen van
onverganklijkheid.
Als in het
vorstelijke licht
voor uw gezicht
wij blinkend
staand
met witte
waarheid aangedaan.
Jan Willem
Schulte Nordholt
O lieve God, ik
dank U dat ik niet
opgevouwen ben
gebleven in mijn vleugels
in de cocon van
de ziel, of op de heuvels
des hemels ben
ontbloeid als engelenlied.
Maar dat ik
meeviel met al het zaad
waaruit
mensenkinderen worden geboren,
dat ik bij de
aarde mag behoren
als een witte
boom die op sterven staat.
Dat ik ben
gevallen maar dat ik leef
en opga in al
mijn armen en benen,
dwaas en zalig,
door liefde beschenen
aan leven en
dood mij overgeef.
Jan Willem
Schulte Nordholt
Het eten was al
opgedaan.
Ik had haar
driemaal moeten roepen, had driemaal
de lepel in
mijn hand gewogen.
Toen zag ik
haar op de drempel staan
met nieuwe
ogen,
grote, nee,
kleiner, ik weet niet, ze gaven zich uit
voor duiven, o
ja, ik zag duiven achter haar sluier.
De ogen van een
bruid.
Zij dorst ze
haast niet op te slaan.
Ze zei alleen:
Een bries...
er is een bries
door mijn kamer heen gegaan.
Ik weet niet
waarom, maar ik geloof dat ik ben gaan staan.
Ik dacht opeens
dingen uit boeken, ik weet niet, ik dacht
aan een roos na
zachte regen.
Ik stond met
die lepel in mijn hand, van de wijs verlegen:
dat kwam door
het licht dat zij in de kamer bracht,
dat kwam door
de witte holten boven haar blos,
daar wilden de
duiven uit los.
En het was
of achter haar
huid een vuur te trillen stond,
zoals dat bos,
waarvan ik dikwijls las,
dat brandde
zonder te verteren,
in heilige
grond.
Wij aten
zwijgend, zij en ik,
als luisterend
naar een ver zwaar onweer.
Pas na het
danken, zwijgend opgestaan,
een ver zwaar,
een oneindig ogenblik,
keek zij mij
aan.
O moeder zei
ze,
Een wingerd aan
de deurpost, zachtjes bevend;
breekbaar; een
kaars van wil je 't mij vergeven.
O moeder, zei
ze
en schreide,
maar ik zag geen traan.
En nog eens:
moeder, of zij 't woord kon strelen.
En langzaam,
fluisterend
Gegroet door
een schaduw
nee,
Overschaduwd
door een groet
(ik weet niet
of ik het heb verstaan)
en zuchtend
dansend,
onder geluk
gebogen,
(ik weet niet
hoe ik het zeggen moet)
is zij de
schemer het weiland ingegaan.
Er zijn dingen
die ons te boven gaan.
Had ik maar
tranen gezien, haar stem maar horen breken,
ik had haar
naam geroepen, over haar haar gestreken,
maar zij was
haar naam niet, ik heb niets gedaan.
Er zijn grote
dingen aan haar gedaan
en wij zijn
niet gewaarschuwd, wij hebben de duiven
niet achter
haar sluier neer zien strijken.
Wij zijn
bedrogen:
zij is al
hemelend; goud, en al gewogen;
zestien en
zonder gisteren;
zestien en met
verzadigde ogen.
God is met ons
bezig, God is met ons bezig
en het is
verschrikkelijk.
Wij zijn niet
gewaarschuwd, wij zien ook geen schaduw, wij gaan
dingen uit
boeken denken,
wartaal
uitslaan.
Wij zullen
zwijgen, jij en ik.
Wij zullen
dikwijls eenzaam zijn voortaan,
en
stomgeslagen, en met lege handen,
vervreemdend
van de
schouders en
wangen waar zij nu naar staan.
Zij zal veel
dingen zeggen die wij niet verstaan.
Zij zal van
vuur zijn en maar niet opbranden.
Want als de
bries haar dit heeft aangedaan,
wat als de
storm opstaat?
En als de
schaduw haar al doet verdwijnen,
wat dan wanneer
het licht eens in zal slaan?
Jongen, probeer
haar tegemoet te gaan.
MICHEL VAN DER PLAS
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 20-02-2006 18:04:51 |