religieus6
Start Omhoog

                 

HERINNERING.

TWEESPRAAK.

DE WOLKEN.

Erectiele disfunctie

HET KIND EN IK.

DE GEBOORTEPLAATS.

Het kruis wordt naar buiten gedragen,

HEIMWEE.

CRUCIFIX

 

ROEP.

Erectiele disfunctie

BOEREN

HET DORP.

WENN NUR EIN TRAUM DAS LEBEN IST...

HET GESTORVEN MEISJE.

FRANCISCUS IN HET WOUD.

MARSKRAMER.

LANDHUISJE.

HET STILLE LIED.

KNIELEN ZAL IK...

 

LAAT MIJ MIJN ZIEL DRAGEN...

DE BOOM.

MIJN VADERTJE.

 

DE MISLEZER.

DE NACHT-TREIN.

Hij kwam bij donkrend avondrood

Nachtstilte

HET KOREN

DE LEEUWERIK

De zoeker

POLLA TA DEINA

IN MEMORIAM FRATRIS.

DOODS-GEBED.

DINSKA BRONSKA.

DE TWEE VADERLANDEN VAN MIJN HART.

HET WAS GEEN LENTELIED...

VERKLARING.

DE DOOD VAN MARIA.

TOEN NA VEEL ZWERVENS

DE WOLKEN DRAGEN...

GEBED

SINT FRANCISCUS VAN ASSISIË

GIJ ZIJT DE ZIN VAN WAT WIJ ZIJN

AARDS

ANNA TOT JOZEF

VOOR EEN DOODE.

 


HERINNERING.

 

Moeder, weet je nog hoe vroeger

Toen ik klein was, wij tezaam

Iedren nacht een liedje, moeder,

Zongen voor het raam?

 

Moe gespeeld en moe gesprongen,

Zat ik op uw schoot, en dacht,

In mijn nacht-goed kleine jongen,

Aan 't geheim der nacht.

 

Want als wij dan gingen zingen

't Oude, altijd-eendre lied,

Hoe God alle, alle dingen,

Die wij doen beziet,

 

Hoe zijn eeuw'ge, grote wond'ren

Steeds beschermend om ons zijn,

- Nimmer zong je, moeder, zonder 'n

Beven dat refrein -

 

Dan zag ik de sterren fonk'ren

en de maan door wolken gaan'

d'Ouden nacht met wijze, donk're

oogen voor me staan.


TWEESPRAAK.

 

Waarom waren het herders

Die hun kudde en veld

Verlieten toen de boodschap

In Bethlehem werd verteld?

 

Omdat er een lam

Er een Herder kwam.

 

Waarom waren het visschers

die van schip en net

Werden weggeroepen

Bij het meer van Genesareth?

 

Omdat Hij een Visch

En een Visscher is.

 

Weet jij waarom de krijgsknecht

Bloem en blad afrukt

En een barre krans van steelen

Op 't droevig voorhoofd drukt?

 

O Roos zonder doorn

Uit doornen geboren!

 

Ach, dat Hem de vijand

Kende met een kus,

En dat Hij zijn vrienden

Vreemd bleef tot Emmaus?

 

Ach, waren dat wij niet?

Ach, ik niet? ach, jij niet?


DE WOLKEN.

 

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag

Lang-uit met moeder in de warme hei,

De wolken schoven boven ons voorbij

En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.

 

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,

Daar gaat een dame, schapen met een herder -

De wond'ren werden woord en dreven verder,

Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.

 

Toen kwam de tijd dat 'k niet meer naar boven keek,

Ofschoon de hemel vol van wolken hing,

Ik greep naar de vlucht van 't vreemde ding

Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

 

- Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide

En wijst me wat hij in de wolken ziet,

Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet

De verre wolken waarom moeder schreide -


HET KIND EN IK.

 

Ik zou een dag uit visschen

ik voelde mij moedeloos.

Ik maakte tusschen de lisschen

met de hand een wak in de kroos.

 

Er steeg licht op van beneden

uit den zwarte spiegel grond.

Ik zag een tuin onbetreden

en een kind dat daar stond.

 

Het stond aan zijn schrijftafel

te schrijven op een lei.

Het woord onder de griffel

herkende ik, was van mij.

 

Maar toen heeft het geschreven,

zonder haast en zonder schroom,

al wat ik van mijn leven

nog ooit te schrijven droom.

 

En telkens als ik even

klikte dat ik het wist,

liet hij het water beven

en het werd uitgewist.


DE GEBOORTEPLAATS.

 

De plaats waar mijn bestaan begon.

Is 't mooglijk dat ik die weer vond?

Zoo vaste grond, zoo milde zon

Alsof hiervoor nooit iets bestond,

Alsof hierna niets komen kon.

Ik ging de kleine wegen rond.

 

't Bleef alles even frisch en klaar

Na 't afscheid, na zoo menig jaar,

Te wreed, te zoet om waar te zijn -

Vergeefsche droom, verdwijn, verdwijn,

't Ligt alles even frisch weer daar -

Een schijn, waarop ik staar en staar.

 

De menschen: ook dezelfde nog.

Door 'tzelfde noodlot voortgezweept,

Op 'tzelfde leven ingescheept

En meegesleept door 'tzelfde zog.

Ik vraag mij: ben ik nu ontwaakt?

Ik heb de stammen aangeraakt.

Maar alles 'tzelfde: zinsbedrog.

 

De bank die ik mij telkens koos.

Gedoken rust ik hier een poos,

Een kranke ziel, die half genas.

De menschen spoken dicht langs 't glas,

De deuren dreunen echoloos:

'tBleef alles, alles wat het was.

 

Hoe vaster de drift wordt geboeid,

Hoe boozer zijn lagen;

Hoe langer het noodweer broeit,

Hoe verwoestender slagen.

 

Zie, hoe het water gaat

Omlaag onder de rots!

Zoo stroomt over uw gelaat

Alle gratie Gods.


Het kruis wordt naar buiten gedragen,

 

Het kruis wordt naar buiten gedragen,

Het kruis met rouw bekleed;

Aan het kruis wordt ieder geslagen

Die zichzelf door liefde vergeet.

 

Wel rijk moet een arme heten

Die 't brood verdient als een Christen,

En meer als arm is een rijke

Die niets vermag dan verkwisten.

 

Waar de pijn zich in stilte smoort

Zijn de zwaarste wonden,

Waar men de rivier niet hoort

Zijn de diepste gronden.


HEIMWEE.

 

De tijden zijn zwart.

wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren.

in een mantel gehuld, door een

engel op weerlichten doortocht verloren

en door het onuitroeibaar heimwee vervult

den Koning te zien voor Wien ik had willen strijden,

schrijd ik naar den Dood

en die een krijgsman had willen zijn

in de hartstochtelijkste aller tijden,

moet nu in late verwilderde woorden gewagen

van eeuwen, die versomberden tot verhalen

- duister en vurig - van Kruistochten

en Kathedralen.

 

H. MARSMAN


CRUCIFIX

 

Tusschen het venster en den donkren wand

een eenzaam man, een kruisbeeld in de hand.

 

zijn hart wordt stil en bovenwereldsch wit:

het hoort hoe hij in duizend angsten bidt.

 

En het ivoren Lichaam van de Man

tusschen twee zwarte kruisen wordt een vlam,

 

die het beslagen duister diep doorlicht:

een weergaloos, doorschijnend vergezicht:

 

over een woest, ontembaar bergland, groot

en weerbarstig, het donker randgebergte van den Dood

 

Klimt langs een wankel gemzenpad

een man naar het verborgen ontoegankelijk hart

 

der hemelgletschers, steil, vermetel, smal.

en stijgend, roekeloos aan zichzelf ontstegen, vindt

 

hij, verscholen tusschen puin en ijs,

de schemerenden bloei der edelweisz

 

en alpenrozen, de stille bloemen van het Paradijs.


VOOR EEN DOODE.

 

De avond daalt;

er valt een vage schemer.

ik zoek de vrede dien de dag mij nam;

en onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden

naar 't stille kerkhof waar ik na uw sterven

berooid en eenzaam iedren avond kwam.

 

waarom? ik weet te goed dat ik u niet kan wekken

en dat gij daar zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt;

dat ik aan deze steen niets kan onttrekken

van uwen staat van ongenaakbaarheid

 

dooden zijn ver en koud en dichters eenzaam,

maar zij beluisteren elkanders lied; ik zing

en gij en ik worden opnieuw gemeenzaam;

zegen - en vloek der verhoovaardiging.

 

schuw dus dit lied, vergeef het, blijf mij wachten;

bid voor mij al de dagen uwer eeuwigheid,

opdat mijn boot bij 't zwichten mijner krachten

niet nog in 't zicht der kust te pletter splijt.


ROEP.

 

De nachten waaien. Een vreemde regen

verschrikt mijn gedachten. Een vreemde regen

raast in den tijd. Ik denk aan U -

Lichten spoken - Ik hunker naar U

die zoo ver weg zijt... Ik zoek de sterren:

de nacht staat gesloten. En van verre

komen de winden, machtig en zwart,

en breken de rozen, die nog leven -

Ik denk aan U en de regens beven

wild en stormachtig aan mijn hart.

De regens maken de wankele huizen

tot blinde vreezen, verstild in steen.

De nachten waaien, de winden ruischen.

Ik denk aan U, en ik lig alleen...

Ik lig alleen met een verzwegen

roep om U in de duisternis.

Altijd de wind. Altijd de regen.

Altijd de nacht en mijn hunkering.

 

THEUN DE VRIES


 BOEREN

 

Goudig en somber zwijgen heerscht in de verre dampen.

Over den donkeren akker schrijdt langzaam een donker man

en zaait. De hoeven der zware paarden stampen

door de walmende voren. De stilte huivert ervan.

Geel en grauw in het rond ontbranden aarzlende lampen.

Weeklagend om het verloren jaar zwerven winden moe.

Zij strooien het laatste zomersche purper tusschen de kekhofkruisen,

sidderen en vergeten een oogwenk verder te ruischen...

Eensklaps raast een snelle vlucht vogels voorbij. Dan sluit de dag zich toe.


HET DORP.

 

Soms keer ik terug en ga als een droom langs de slingerpaden der kerk;

de mannen en vrouwen van mijn geslacht rusten onder hun grauwe zerk.

De zwarte ernstige velden dragen den eersten oogst.

Een reuk van rauwe vruchten waait. Het voorjaar is op zijn hoogst.

Het gras geurt krachtig en pasgemaaid als toen hier het leven begon;

en achter de breede hoeven staat nog een groote verblindende zon.

Maar o God - de steden, de nachten, en alles wat sinds is geschied:

Ik ben een ander geworden; de eenvoudigen groeten mij niet.

Ik ga de korte grijze straat van 't verleden op en neer.

Maar levenden en dooden erkennen mij niet meer.

 


WENN NUR EIN TRAUM DAS LEBEN IST...

 

VOOR DEN NOORMAN

 

Het werd mijn droom in 's werelds kring

volkomen zorgeloos

een schelp te zijn, een suizend vuur,

een rank, een wilde roos,

 

onkundig van geluk en leed,

van plan en overleg,

het stuifmeel dat de wind verwoei,

lichtzinnig langs de weg,

 

een vlinder op een lelieblad

de vleugels bijna dicht

en trillende een oogwenk eer

zij opgaan in de lucht,

 

een dauwdrop en een sneeuwkristal,

een smettelooze wolk,

een zonnestraal zoo flitsend als

een wit geslepen dolk,

 

een vogel en een varen en

een held're beek in 't woud,

in het rivierbed een nog on-

gewonnen korrel goud,

 

de wierook en de myrrhe, en

het ruischend requiem,

doch schuldeloos en onbevreesd,

de lout're, pure stem -

 

Alleen een mensch droomt zoo vergeefs,

ontwaakt zoo moedeloos,

een vreemdeling voor schelp en vuur

en rank en wilde roos.

 

ANTHONIE DONKER


HET GESTORVEN MEISJE.

 

Het was een koude, glinsterende nacht.

Wolken en duisternis, sneeuw en sterren

waren er, en wij hoorden verre

klokken. Haar einde werd verwacht.

Het venster was in de nacht een smal, veeg licht.

Zij was kleiner geworden, lieflijker dan ooit,

het blonde haar langs het voorhoofd geplooid,

en een glimlach over haar wit gezicht.

Zij was zoo ver van ons als sneeuw en sterren.

Voorbij het smalle, verlichte raam

staarden wij in het grondelooze verre.

Hier was haar lichaam, klein en zonder naam.


FRANCISCUS IN HET WOUD.

 

Zijn stille stem verscheen

tusschen het scheem'rend hout,

en alle dieren hoorden hem,

diep in het woud.

 

Het had een held're klank

als oud en vroom latijn.

Toen wilden zij van heinde en verre

bij hem zijn.

 

Er gloorde door de stammen

een blauwe morgengloed.

Merels en wielewalen streken

er aan zijn voet.

 

Schuw gluurde tussen blaren,

terwijl Franciscus bad,

een kleine hinde trillende

als een espenblad.

 

Het rijzig edelhert

met hooggetakt gewei,

in lange, ranke sprongen gleed

het naderbij.

 

Een pauw ontplooide pralend

zijn fonkelenden pronk,

een gouddoorgloeiden waaier die

weer statig zonk.

 

Uit bruine blaren hief

de slang zijn gladde kop,

met spitse, kronkelende tong

geruischloos op.

 

En and'ren vossen waren er,

de haas, de wilde ezel,

een aap met witte bakkebaard,

eekhoorn en wezel.

 

En om dit helder zingen

had elk van hen, zijn aard

en eigenzin vergetend, zich

erbij geschaard.

 

Zoo teeder zong Franciscus

hun van het dierenlot,

zij stonden onbeweeg'lijk in

het witte licht van God.


MARSKRAMER.

 

In den striemenden regen, langs zwarte akkers

is hij den langen dag gegaan

van het ene dorp naar het andere dorp,

er komt geen einde aan.

Zijn zolen zuigen de natten weg,

de regen dringt door zijn huid.

Schuilende onder een druipende heg

at hij gulzig een scheepsbeschuit.

Met den harden, verfloozen bak op zijn rug

is hij dan weer verder gegaan

de hutten langs en de heiden door,

er komt geen einde aan

dit gaan door den wind en den mist en den regen,

bij duister, bij helle zon,

grauw en verwaarloosd langs alle wegen.

Maar vóór zijn reis begon,

waren eens zijn lippen verliefd en week

en zijn voeten snel en licht?

En waren zijn ogen als andere ogen

fel op geluk gericht?

Met den harden, houten bak op den rug

zal hij verder gaan.

Er komt geen liefde, geen jeugd terug.

Van het ene dorp naar het andere dorp

blijven zijn voeten gaan,

tot een lentenacht, of een winternacht,

zijn last wordt afgedaan

en hij haveloos over den horizon

den hemel in zal gaan.


LANDHUISJE.

 

Het doel en de roes van het leven

en de wedren van den tijd

zijn mij langzamerhand om het even.

Het haastig horloge ten spijt

zijn wij hier achtergebleven,

gelukkig en eigengereid.

 

Van wat ik wellicht moest weten

is mij velerhand ontgaan.

Doch mooi en om nooit te vergeten

is de zon door de berkenlaan,

en het beekje, een smalle Lethe,

waarlangs onze voeten gaan.

 

Het is of ons niets ontbrak.

In den avond het lief bekoren

van je hand die het licht ontstak.

De hond richt soms even de oren

om een vogel onder het dak

of de wind in de dennen te horen.


 HET STILLE LIED.

 

Voor de zoveelste maal heb ik Botticelli over het land zien gaan

die bloemen zaait.

En weer strekken de bomen hun geweldig bottende takken,

levensdrift die de Japanezen begrepen.

 

De avond weerhoudt te vallen, de mensen haasten zich in dit jong getij,

arme schelpvissers met de wilde hoop:

tans zal de vloed hun rijkdom zijn.

De huizevlakten en toonprojekties, die zijn de afstand tussen hen en mij,

verdringen mij naar 't diepst van mijn geweten.

 

Doch niet meer een roes is tans de Lente die van mij gaat,

niet meer het zwak geloof: dit is zich geven.

Mocht het  mij tans worden het bruidsgetij der wijze maagden;

God in mij moet ik wekken, - Jezus en Lazarus tevens, -

moesten ook mijn nagels in mijn vlees de vreselijkste beproeving enten:

de snik, het "alles is volbracht" en de drie-dagen-dood.

 

Nog niet heb ik het leed, het grote godsgeschenk begrepen.

Nog sta ik dwaas vóór al de wonderen en ben nog steeds mijn eigen demoed zoekend.

die mij de sleutel geven moet.

Thans zal ik enkel daarvoor zorgen:

olie te hebben ten allen tijde, want wanneer de bruidegom komt weet geen.

Een ieder heeft gereed te zijn,

want plots kunnen de lichten de schaduwen van de bomen doen zinken,

dan is de bruidegom dichtbij.

Hij die de bruidegom van het Leven voor de poort laat staan,

zal blijven onbevrucht een ganse leven.

 

Doch hij, - o mocht ik reeds ver een Hosannah horen!-

die olie had, de bruidegom zal in hem de lichten omzetten en hij zal zijn hooglied

mogen zingen, de klare stem van God.

Dit lied dat staan zal in de werkelijkheid der dingen

als een gebeurtenis van een ruimere Lente, na de hopeloze wentelingen van een

lange jarenreeks.


KNIELEN ZAL IK...

 

Knielen zal ik

tussen Uw simpele luiden.

Het tempo van hun hart

in de rustige regelmaat

van koperen slingers,

in antieke klokkasten

van eikenhout.

Ik zal het jagen stilleggen

van mijn hart,

met kalme riemslag

roeien naar Uw meren van licht.

Daar is geen rimpel

in het meervlak,

lijk daar geen rimpel groeft

door Uw effen gelaat.

Knielen zal ik

tussen Uw simpele luiden.

Zij dragen ruige baard

en spuwen op de vloer van Uw heiligdom;

maar in hun ogen is

de eenvoud der kleinen,

terwijl zij luisteren naar Uw woord.

Ik zal de wortel der ijdelheid

rukken uit mijn oogappel,

de hoge pracht der begeerlijkheid

wassen van mijn netvlies:

dat mijn ogen worden gewijd

voor het aanschouwen van wintermisŠre

en de bespotting

van dompelaars langs de straatweg.

 

WIES MOENS


LAAT MIJ MIJN ZIEL DRAGEN...

 

Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang!

Tussen geringen staan en hun ogen richten

naarboven, waar blinken Uw eeuwige sterren.

Ik wil een snoeier zijn in de wijngaard,

een werkman bij de druivenpersen.

 

Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang!

Mijn woord in de mond van stamelaars,

mijn hand voor die liggen langs het pad.

En voor het raam van mijn woning

een vlam in de nacht

richt zijn schreden

naar het Huis van Toevlucht.

 

Ik zal het wasbekken klaar zetten,

brood en wijn op tafel -

en het Boek geopend

aan de parabel van de Goede Herder.


DE BOOM.

 

Godsliefde is als een fruitboom

in deze aard geplant

- de sterren staan te lichten in de kruin -

de forse takken in de wereldrand

van het gewicht der vruchten nijgen diep en zwaar.

 

Eens in Italië viel een gouden vrucht

een sjofele minnezanger in de schoot.

Een jaculator werd hij voor de Heer op markt op plein:

de wereld gooide hij naar de hemel toe

en ving haar, druipende van dauw en licht,

weer in zijn handen op

en duwde haar in het ruim!

Zijn woorden stonden overal als vlaggen uit,

en met gestrekte boeg schoot de aarde

rakelings Gods bloemend hart voorbij!

 

Ofwel het was een boeremeisje

in Duitsland in een dorp:

zij plok de vrucht en ziet:

seizoenen uit Gods leven wandelden uit haar,

het oud verhaal uit Golgotha,

en van de straten van Jeruzalem

die dronken bloed en zweet

van Hem die bracht het leven en het leven heeft.

 

En overal,

waar uit de boom een vrucht viel in de mens

sprong op een helle vreugd gelijk een hemellicht

of gingen wonden open in het kranke vlees:

en telkens spoelden stromen licht

of bloed en tranen de oude wereld rein.

 

Daar leefden vrouwen op een grauwe brits

die lagen lijk melaatsen aan de zoom der stad

maar uit wier keel gezang als uit een woud van nachtegalen brak.

En mannen die zich rolden in de sneeuw

op hoge bergen in de gure wind.

Landlopers vuil en vaal,

die geurden op hun sterfbed lijk een lelieveld.

Soldaten en matrozen,

kinderen ook, in wie de vrucht haar wondersappen goot.

 

Dan de miljoenen van wie niemand weet:

de droeven, in een duister minneleed

gedompeld, zonder zucht noch klacht,

de vrolijken die dansen in het klare gras

onder de boom van God

die strooit zijn vruchten

in het Morenland en langs de Ganges

in Japan waar de vuurberg kraakt,

in oud Europa rokend nog van bloed,

tot in het land der Yankees,

langs de lichte pleinen en in stegen goor van roet en puin.

 

Het is de blooi waaraan geen einde komt,

waarin geen snoeimes hakt,

het weids gewas dat tiert in elke lucht:

ruisende groen asyl van Ruusbroec in het Zoniënwoud;

en baldakijn van bloesem in het rijk der zon

waaronder schrijden in hun wit gewaad

op slanke voeten, jonge katechumenen

wiegelend lijk de ma‹spluim!


MIJN VADERTJE.

 

Mijn vadertje hij was rechtvaardig.

Hij had den zwaren last op zich geladen,

een eerlijk man te zijn

in woord en daad.

Dat is het schone, dwaze kwaad

waar, na ons Heere Jezus Christus,

de sterkste man aan ondergaat.

 

Zijn oog was rustigblauw; een verre zee.

Zijn woord van blijheid soms plotse fusee

in stalen nacht.

Hij lachte rood en zoende onverwacht

mijn dwaze haren en mijn jong gedacht.

 

De hooge schepen die de Schelde droeg,

Hij wist hun laden vast en schoon te sturen.

Hij had hun namen lief,

om mee te spelen - als een kind naïef;

Karatschi, Pantos, Calcutta,

lijk schoon koralen.

 

Hij wist de haven; heimwee en verdriet

bij vroegen morgenmist

en in den avond onder luid en rauw sirenenlied.

 

Hij heeft de bosschen van zijn jeugd bemind.

Hij kende boomen lijk wij menschen kennen.

Hij wist de winden en den oogst,

en wou mijn hand aan't ruw bedrijf des jagers wennen.

 

Mijn vadertje; hij was rechtvaardigheid.

Hij had de goede liefde tot de still' en ware dingen.

 

Onder de schaduw van een dorpsche kerk

ligt zijn sobere zerk.

Ik weet hoe zijn gedenken mij gelijk een lichte wolk behoedt.

Zijn rode, bange handen hield hij stervend Christus tegemoet.

 

 


DE MISLEZER.

 

Hij is een arm, oud man,

de grijze mislezer met zijn kaal hoofd,

en die der wereld niet behagen kan.

 

Onder het krakend geweld van goud en brokaat,

voor een snobsenpubliek leest hij de Mis,

gansch in het wit.

Hij kent de overspelige vrouw die recht staat,

en de woekermeneer die daar zit.

Hij is simpel en moe,

hij beseft de zonde en den strijd, diep en fel:

de vrouw die de wimpers luifelt

en van den man het wulpsch oogenspel.

Hij weet de verwaandheid

van dit rijk geslacht

en hun trots op vleesch en kleed.

Hij murmelt zijn snelle gebeden heel zacht

en buigt zijn kaal hoofd

in leed.

 

Hij spreekt geen woord

hooger dan de kabbel-lijn van ‚‚n toon.

Hij is eerbiedig en oud

en de nederigste man in Gods woon.

Hij opent de armen en teekent een fel kruis:

onder die zegening gaan de vunze vrouw

en de dikke meneer lachend naar huis;

zij hoorden een half uur, verstrooid,

zijn onhoorbare taal.

Maar hij schouwt hen aan

met de droefheid van Job op zijn vaalt.

Onder de vracht van goud en brokaat,

bidt hij, stil en gebroken.

Hij is eenvoudig en oud

en zijn kennis is in simpelheid verdoken.

 

Zijn schoenen gapen: zijn hoed heeft kleur noch vorm.

Maar hij bidt kindsch en eenzelvig naar Christus,

die hangt boven d'aarde "lijk een worm".

 

(Zondagmis 12.15 u)  "sicut vermis"

 

MARNIX GIJSEN


DE NACHT-TREIN.

 

De trein rolt op den zwarten bol der aarde:

o, angst-versnelling van mijn hartstocht

in de afgrond naar God.

De gloeiende veeg van mijn vinger,

fosforisch op den blauwen glaswand van een nacht;

het grauw geraas van een levenslot

aan de duistere bocht

van een dennenbosch waar God mij wacht.

O, gij daverend hart der machien,

en uw God-verloren vlucht,

o, gij kreunende jacht van wiel na wiel,

gij, gij, wroegende zucht

die uit den schoorsteen viel;

en de lange, angstige glijding der sporen

die achter de aarde reeds het gerucht

van den verre trein doen hooren.

De nacht-trein gilt en loeit.

Maar, de nacht-trein gloeit:

traan van Laurentius in Augustus-nacht,

glimworm in een ver veld,

goud-meteoor

die onder den blauwen nacht-boog snelt.

De nacht-trein zit vol menschen

die droomen, waken ,denken, wenschen

en vooral met pijn iets verwachten:

zij rijden dagen, weken, nachten

op den brandzwarten bol der aarde.

-Is God nog ver?-

zoo denkt een somber man,

die uit een raampje staarde

naar maan en ster.

 

KAREL VAN DEN OEVER


Hij kwam bij donkrend avondrood

 

Hij kwam bij donkrend avondrood,

het hoofd gekroond, de voeten bloot;

Hij klopte: ik liet hem binnen.

 

Hij wist mijn leed, Hij wist mijn strijd

en wat ik hopend had verbeid

in 't nijgen mijner zinnen.

 

Hij zat, en sprak den langen nacht

van wegen naar een morgenpracht,

die zonde en smart zou dooden.

 

Hij is gegaan, toen zachter glans

mijn oog verwon;.... aan blijder trans

blijdere sterren vloden.


Nachtstilte

 

De verre stilte van den verren nacht!

Er is nu rust op landen en op wegen;

rust in de dalen, op de heuv'len rust.

De winden sluimeren, het loof is stil;

de honden op de verre, verre hoeven,

zij slapen wel, nu …alle leven slaapt.

Het is heel stil, heel stil, zoo stil of niets

bestaat dan 't luisteren van wie er luistert,

en 't bonzend kloppen van het bange hart

van wie er leeft, eenzaam in de eenzaamheid

der verre stilte van den verren nacht.

De lichte stilte van den lichten nacht!

De maan verrees gelijk een groote lamp,

die vriendelijk wil lichten door het duister.

Hoe mooi de klaarte door de plechtigheid

der hooge boomgewelven op de wegen komt.

En schoon de maan nog laag is in de luchten,

trilt reeds het prille lichten van den ochtend,

tegen de rossige ijlten van het Oosten.

Wat is de nacht nu vriendelijk en goed!

Wie kan nu vreezen bij zoo milde stilte!

En wie ontwaakt niet uit een boozen droom

en treedt dan niet in heilig schromen binnen

de lichte stilte van den lichten nacht.


HET KOREN

 

Geweldig lente wordt het op de wereld!

Blauw, blauw en niets dan blauw, dan pleilloos blauw

omhoog de lucht, die met haar blauwen gloed

het koele groen der open landen kleurt.

Blauw zijn de heuvels; blauw de ruige kloven;

blauw zijn de klimmen, en de verre torend

der verre stad zijn blauw als lucht en land.

In dit groot wonder van vergroenend blauw

en blauwend groen liggen de korenvelden.

Nog zijn ze frisch en gaaf en koel en goed

de jonge halmen, breed en omgebogen;

ze deinen zwijgend in den vochten wind,

die als een lauwe donder door de landen

gevaren komt in losse, korte vlagen.

Verloren in het wijde der landouwen

liggen de velden, die in heeter tijd

gaan schenken 't graan, dat ons het brood zal bieden.

Zoo ligt een akker op een stillen heuvel

en een ligt tusschen lichte abeelenweiden,

een andere achter kiezelige helling;

daar zijn  'r honderden in 't blauwe land.

Van welken akker brengt men mij het brood,

wanneer de winter me in de steden sluit?

Ik weet het niet; waarom er over denken?

Het is zoo goed het denken te vergeten,

nu algeweldig blauwe lente blauwt

in rijken dag en nog véél rijker nacht, -

nu 't groote blauw verwonnen heeft de lucht,

het dal, de heuvels en het schoon verschiet

en al de vele, vochte korenvelden.

 

P. Kemp


DE LEEUWERIK

 

Naar zonnefeest van zilvren luchten

stort hij zich dol en dronken op

en werpt een zwerm van zanggeruchten

neer over dal en heuvelkop.

Wat deert hem 's werelds wel en wee!

hem kwelt een vreugd; hij moet die melden,

hij moet verstoren stilte en vreë,

van weiden, wegen en van velden.

Hij stierf, zoo iets hem zwijgen deë.

 

P. Kemp


De zoeker

 

Gij vraagt me, waarom mij de wereld zoo weinig rijkdom bracht?

Ik heb te ver gewandeld, te veel gedroomd en gedacht.

 

Waarom ik bij dolen en denken zoo weinig vreugde vond?

Ik staarde te vaak naar de sterren en zag te zelden den grond.

 

Der sterren vreugde is te verre; te nabij zijn de lusten der aard,

al kon mijn hart die verlangen, mijn geest vond ze 't grijpen niet waard!

 

Ik zoek achter wijkende einders, ervaren als een kind,

naar een oord waar de dalende hemel de stijgende aarde vindt.

 

P. Kemp


POLLA TA DEINA

 

Ach de mens, die reus op de grond,

hij heeft in de wildernis

de bomen gerooid en de voren

gericht naar de einder toe.

 

Hij heeft de godvruchtige grond

met steden en dorpen bezaaid

en de zee met zilveren schepen.

 

Hij wordt zo groot als een god,

hij verheft zich tot in de hemel,

hij neemt de maan in de hand,

hij kijkt de zon in het oog.

 

Ach de mens, hij sterft op de grond,

hij valt met zijn schaduw samen,

het gras groeit over zijn graf

en niemand weet waar hij is.

 

Alleen zijn stem blijft bestaan,

alleen als een lied leeft hij voort,

overal gaat hij om

in tedere trillingen licht,

in lange golven geluid.

Een witte bloei overdekt

de grote aarde van God.

 

Jan Willem Schulte Nordholt


IN MEMORIAM FRATRIS.

 

De Heer nam hem uit zijn lichaam

als de moeder haar kind uit de wieg

en zijn gade stond plots eenzaam;

op de ledige wereld-bal,

een mater dolorosa

met een zwaard door haar hart.

O, wat een smart!

O, wat een droevig geval!

De dood kleedde mijn broeder wit en bleek,

hij werd steeds witter,

hij werd winter-wit en heel koud.

O, onze pijn werd bitter!

Neen, God, hij had niet zoo laat geleefd

en te schielijk groeide zijn graf-gras.

Hij arbeidde aan zijn taak

als een swaluw aan haar nest;

plots kuste de dood hem op de rechter-kaak

en hij viel als een jongetje dat zijn bal naloopt.

Hij kreeg voor eeuwig vaak.

O, menschen, ziet onze wonden:

we werden versch gestoken met een mes,

we dronken het walg-gevoel

dat de gansche stad een klucht is

en het leven een zonderling doel.

Mijn broeder hield in zijn koude hand

het Kruis-der-goede-Dood.

Mijn God, na zulk een nood!


DOODS-GEBED.

 

Heer, als ik sterf

op een December-dag

in het ziek laken dat ruikt,

en mijn gezicht: geel als een raap,

mijn baard verwoest door het zweet,

terwijl mijn hand vol angst in het kussen plukt,

Heer, houd dan van mij, arm schaap,

houd uw barmhartigheid gereed.

 

Want gedurig was ik lui en dom,

on kuisch, hoovaardig en zot,

ik was gulzig aan bier- en wijnpot

en mijn tanden bruin van de pijp.

 

Heer, als ik sterf

en mijn voeten zijn koud als glas,

de kaars druipt op mijn hand

en de dokter zegt: "'t Is gedaan",

als bij de kamer-wand

de priester bidt: "Heer, laat hem gaan"'

dat ik dan bidde:

Heer, neem mij in uw ontferming aan".


DINSKA BRONSKA.

 

Uit een oud dorp

- kameelbruin als de steppe -

uit Plocka

kwam Dinska Bronska

Haar hoofddoek was pruisisch-blauw

en heur haar vlas-geel;

ook waren haar oogen blauw

als fjord-water.

Zij rook naar knoflook en spar,

zij droeg laarsen

en ging zeer zwaar en gauw.

In het "Hotel Lapland" zat zij

bij een tafel aan het straat-raam:

zij schreef een brief.

Een haarlok viel laag op haar roode kaak

en zij stak haar tong uit,

want zij schreef moeilijk die brief

en daaronder "Dinska Bronska", haar naam.

Ze stak ook de penstok in haar mond

en zocht met haar oogen langs het plafond.

Op het papier waren 'n inktvlek

en groot gestrompel van letters:

zijn kocht het voor vijf centiem

in de kruideniers-zaak

over het hotel.

Er was een beetje inkt aan heur kaak.

O Dinska Bronska,

gij vertrekt naar Canada:

de verroeste stoomboot wacht aan de kaai.

Gij laast op een almanach

der "Red Star Line"

dat Canada grooter appels,

o, hooger en geler koren heeft dan Plocka.

Het moet in Canada veel beter zijn!

 

O, Dinska Bronska,

met je zeer dikke vingers:

je schrijft zoo moeilijk die brief.

Je oogen zoeken vliegen op het plafond.

"Moj Boze!'

Er zit een tranen-veeg,

o zoo verdrietig,

van je blauwe oogen naar je mond.

 

O, Dinska Bronska!


DE TWEE VADERLANDEN VAN MIJN HART.

 

Hoe staat de zomer te bloeien in 't harte van mijn land...

Hij steekt de dageraˆn aan met duizend zonnebloemen

en doet de dingen van hemel en aarde in blauw en goud openvloeien,

't Licht klimt de bergen over en de sterren dansen aan de hemeltransen

en de winden blazen de verten vol zoete bruiloftsmuziek...

hoe staat mij de aarde nu rood van zon en pralend met bloemen,

en hoe komen haar wijde heemlen wonderdiep in mij opengaan

o! mijn God, gij kwelt mij te zoet met de grondeloosheid uwer zaligheid,

gij kust mij al te woest met al de kwetsuren uwer liefde

en nooit genoeg toch, nooit algeheel, nooit tot den laatsten afgrond,

nooit zóó aanbiddelijk-onmeedoogend dat mijn hart is ‚‚n open wonde van liefde

in ‚‚n berging van extase versmolten in u;

er blijft nog altijd een abijs ongevuld, onverlicht; een honger nimmer gestild,

die in mij opslaat en breekt in mij als een zee met de muziek van zijn tranen;

er blijft, wanneer ik bezwijmd van wierook en zon ga knielen aan 't goud uwer voeten,

een heugenis aan donkerder bloemen, en aan al de glorie van armoe en pijn.

Ik ben als een viool, waar de vingertoppen van God

al de deiningen van zijn mysteriën op lokken

tot vloeden van muziek;

ik ben als een bloesemend bosch in de kussen der lente herboren,

waar God met al de geuren zijner winden in ritselt en speelt;

maar ook zijn in mijn hart eenzamer snaren gespannen,

waar geen hemelsche streelingen melodieën doen uit opstaan als dageraën van geluk,

snaren die alleen de liefkoozingen van honger en smart verstaan

en wier adems als ritmen van onrust door de nachten der aarde gaan.

Ik ben niet alleen, o sterren, het kind van de likkende toverijen uwer gouden bivakken,

ik heb honger geleden en geweend in steegjes waar gij niet binnenkomt;

gij zijt niet alleen, o God, mijn vaderland waar mijn heimwee naar trekt -

er is nog een ander vaderland van dorre rotsen en steile paden,

van stinkende stallen en kleumende menschen, waar ik voor sterven wil.

Ik ben maar eenstraatkind van een dag en nacht ronkende fabrieksstad

en ik heb als kind gesjouwd in 't orkaan van donderende dokken,

ik heb gespeeld met het stof en de modder van greppels zoo teer als met witte bloemen

en de vuile schotels van mijn moederken gewasschen als blinkende sieraden;

's avonds kroop ik naar bed op den zolder bij de muizen,

die mij kenden en speelden met mij,

toen stond telkens opnieuw de drift om de kimmen te zien in mij op

en 'k wrong mij door het dakvenster: dan tuurde mijn ziel over de wereld,

‚‚n panorama van rooie daken - maar de vleermuizen scheerden langs mijn hoofd

en zij brachten mij het eerste teken van uw eeuwig geheimnis, o God.

Ik ben maar een sjofel kind van grommende fabrieken en dokken,

ik ben maar een kind van veel honger en een beetje vreemde teerheid en oneindige opstandige liefde,

ik ben maar als een arme bloem van de straat.

Nu spant gij, o God, de hymnen van uw leeuweriken boven mijn hoofd

en stelt uwe sterren als bloemen langs de wegen mijns leven; maar in mijn bloed speelt onstilbaar de muziek van machines en kranen

en mijn hart onderhoudt de herinnering aan al den donker van weleer.

O gij verre vogelaar van de metaphysische kimmen,

die mij zoo vleiend zoet lokt op de fluiten der winden,

neen neen! ik kan niet uitvliegen naar u alleen

en mij voor eeuwig gevangenen geven aan de zaligheid uwer liefde alleen,

ik kan niet alleen gelukkig zijn, en ik heb zoo'n wroeging.

o mijne broeders,

zoo'n berouw over 't minste uur van eenzaam heil,

wijl gij zwoegt en hongert daarbeneˆn.

Ik moet mijn deel hebben van onrust en pijn,

omdat ik, o moederken, de erfenis draag

van al uwen strijd en uwe offervaardigheid.

Mijn hart is op zoek naar een hero‹sch liefdelied

om het 's nachts aan de zoldervenstertjes van jochies en weesjes

te joedelen als een vooizeken van den meie;

mijn hart, met al den honger van zijn kussen,

met al de loutering zijner tranen,

is op zoek naar de apotheose van God

in de bevende vuile handen van een besje;

mijn hart is, van kimme tot kimme, van afgrond tot afgrond,

zoekend het pad naar gansch God en gansch de mensch

in ééne en dezelfde liefde.

 

 

ACHILLES MUSSCHE


HET WAS GEEN LENTELIED...

 

Het was geen lentelied

wat ik zoeven heb verzonnen.

Het licht is er niet

en om de hoge bomen

hangt dik getast de mist.

De merel hurkt in 't hout

en tript en tinkt, maar mist

de blijdschap van een lied.

De winter hangt weer grijs en koud

boven het schraal gazon

en hard zijn alle wegen.

Het was geen lentelied

dat wij te horen kregen,

toch bleef er iets - wat weet men niet -

toch bleef iets achter van de zon.

Zo hangt een nevel rondom ons

een nevel tussen U en mij;

De winter laat niet los

toch voel ik U nabij.

 

PAUL VERBRUGGEN


VERKLARING.  

Laat mij alleen als de engel komt.

Gij noemt met een ondankbaar woord

stoel en tafel, water en brood,

en zoo zoudt gij de engel noemen - de dood.

 

Laat mij als het nacht bij dage

en het dag bij nacht voor mij zal zijn;

en er komt bij tijden een vernietegende klaarte

die in mijn uitgebrande lichaam binnen schijnt.

 

als de engel mij verlaat

na dit bitterschóon bezoek:

noem niet met een ondankbaar woord

geest en lijf, gebeente en bloed.

In droom zult ge mij wedervinden,

schrikaanjagend in mijn gloed

- maar heet mij uw beminde.


DE DOOD VAN MARIA.  

Toen haar de doffe gloed der zaligheid ontstelde

liet zij zich dwingen door zoet en dwaas geweld

en om zich meer en gansch te laten overstelpen,

als ware ze in vervoering zwaar onhelsd.

 

Die haar gekend hadden en haar zóo zagen rusten,

de handen leeg van wat aan haar had toebehoord,

luisterden naar het scherp vechten van haar lispelende kussen

tegen de strenge teerheid van de dood.

 

En, weldra, als zij gelijk een steen in stilstaand water,

blind en omsloten lag en zelf niet meer wist

dat zij pas n— haar smart omgrensd kon dragen

en door haar versteven bloed omkringd.

 

- o Haar gelaat was niet meer te bereiken

tot in de diepte van zijn uitgestorven staat,

en haar lichaam, als een stilgevallen wijzer,

had zijn klein verleden in die ijlte saamgegaard.


TOEN NA VEEL ZWERVENS 

Toen, na veel zwervens op een donkere baan,

raapte ik, wat nog aan krach me bleef, te gader:

"Hij woont toch hier, Hij die zich noemt mijn vader?"

- en 'k ben den klopper op zijn poort gaan slaan.

 

En luisterend bleef ik lang te wachten staan,

en luider sloeg ik, immer kwaad en kwader;

soms hoorde ik iets als kwamen stappen nader,

maar 't was bedrog, en 'k wou maar weer vandaan.

 

Vandaan? Waarheen? weer in den nacht gaan zwerven

en altijd honger lijde' en liefde derven

en dood-gaan zonder ‚‚n me de ogen sluit?

 

Neen, liever rusten aan zijn deur, gelaten,

en stapt Hij eerstdaags toch zijn tempel uit,

dien Hij eerst vindt, zal hij eerst binnen laten.

 

 

URBAIN VAN DE VOORDE


DE WOLKEN DRAGEN...

 

De wolken dragen,

moe geschreid,

het lijk der dagen

naar de eeuwigheid.

 

Nu doen de menschen,

van bibbren moe,

op doode wenschen,

hunne ogen toe

 

En zachtjes vragen,

ter rust gevlijd,

voor 't kouwlijk klagen

vergetelheid...


GEBED

 

Niet 't wél-gaan en 't verblijen

Zijt gij ons het naast.

Als de wind in spelemeien

Langs het water blaast,

 

Kringelt hij de rimpelingen

Langs den spiegel heen,

en de broze schaduwingen

Brokkelen uiteen.

 

Als de wind is uitgewiegeld

Ongebroken staat

In de stilte diep-gespiegeld

Weder Uw gelaat.

 

Breken ook de ijdelheden

Van 't gedroomd geluk

Met haar speelschen aˆm den vrede

Dagelijks weer stuk:

 

Tusschen eindig en onendig,

Tusschen God en aard,

Drijft de ziel, tot ze bestendig

Keert zich t'Uwenwaart.

 

BERNARD VERHOEVEN


SINT FRANCISCUS VAN ASSISIË

 

Ik dank U, Heer, den moed mij ingeschapen,

Die in den wind wuift als een ridderpluim,

Dat ik mijn wil hanteren leerde als wapen,

Bij de vervuiling van mijn knapenluim.

 

Mijn hart sprong op tot glanzende gevechten

In mijner jonkheid bontbewogen spel,

Geen neerlaag kon mijn hooge eerzucht knechten,

In driftig streven werd mijn daadkracht fel.

 

Nooit ging het ridderlijke hart ten onder,

Al was 't in grillig avontuur verdwaald,

Omdat de droom van het volmaakte wonder

Mij voortdreef tot het einddoel was behaald.

 

Ik heb gepoogd met welige gezangen,

Met klank van wapenspel en feestgewoel

Te stillen dit ontembare verlangen,

Diep-peilend en hoog-reikend naar zijn doel.

 

Mijn roemzieke hart, dat tot zooveel tournooien

Schuimend van drift en strijdlust werd geleid,

Bleef achter, na het jammerlijk verstrooien,

Schamel en rillend van oneindigheid.

 

Ik dank U, dat ge mij hebt begenadigd,

En als een wig van tweespalt in mij dreef:

Omdat mijn ziel, van tederheid verzadigd,

In hoogen trots en onrust eenzaam bleef.

 

Dat Gij den springvloed van mijn hunkeringen,

Mijn wezen, liefde-ontvlamd en licht-ontroerd,

Gestadig tot de diepten van de dingen

En tot de Bron der Liefde hebt gevoerd.

 

Ik dank U voor het afgronddiepe donker,

De pijniging der onbegrepen smart,

Het vreemd geheim van schaduw en geflonker.

Het heimwee en het raadsel van mijn hart.

 

Ik dank U meer, dat Gij met koelen zegen

Van kuischheid mij bij 't zwerven hebt bespreid,

En dat ik zuiver, onontwijd mocht wegen

De liefde in al haar onvolkomenheid.

 

In zoelen avond, rijp voor zoet vervoeren

Om d'oogen van een schoone droomenvrouw,

Begon iets lichts zich in mijn ziel te roeren,

Of zich een Serafijn ontvouwen wou.

 

Mijn hart bleef vrij, in voorgevoel en schromen

Voor onvoldaanheid, en vond nergens vree,

Tot heel mijn liefdevloed zich uit kon stromen

In Liefde's matelooze Moederzee.

 

Dank, dat Gij dit weerbarstig hart wilt stemmen

Tot wisselzang van ootmoed en van trots,

Dat Gij dit wild en dartel hart wilt temmen

En maken tot een minnezanger Gods!

 

Gij hebt gezaaid de drift van het volmaakte

In mij, onwaarige, die zwerven moet:

Een door Uw witte gloeihand aangeraakte,

Tot hij wordt opgezogen in Uw gloed!


GIJ ZIJT DE ZIN VAN WAT WIJ ZIJN

 

Gij zijt de zin van wat wij zijn,

de hartsfontein

die water geeft

dat leven is voor al wat leeft.

 

Gij gaat in 't donker voor ons uit

en niemand stuit

uw grote gang

de eeuwen door, een wereld lang.

 

Al dwalen we ook ten dode af

tot over 't graf,

voorgoed zijt Gij

ons met uw tederheid nabij.

 

Wij keren allen tot U weer,

beminde Heer

en grote God.

Hoe liefelijk is dan ons lot.

 

Als alles nieuw wordt voor ons oog,

de hemel hoog,

de aarde wijd

glanzen van onverganklijkheid.

 

Als in het vorstelijke licht

voor uw gezicht

wij blinkend staand

met witte waarheid aangedaan.

 

Jan Willem Schulte Nordholt


AARDS

 

O lieve God, ik dank U dat ik niet

opgevouwen ben gebleven in mijn vleugels

in de cocon van de ziel, of op de heuvels

des hemels ben ontbloeid als engelenlied.

 

Maar dat ik meeviel met al het zaad

waaruit mensenkinderen worden geboren,

dat ik bij de aarde mag behoren

als een witte boom die op sterven staat.

 

Dat ik ben gevallen maar dat ik leef

en opga in al mijn armen en benen,

dwaas en zalig, door liefde beschenen

aan leven en dood mij overgeef.

 

Jan Willem Schulte Nordholt


ANNA TOT JOZEF

 

Het eten was al opgedaan.

Ik had haar driemaal moeten roepen, had driemaal

de lepel in mijn hand gewogen.

Toen zag ik haar op de drempel staan

met nieuwe ogen,

grote, nee, kleiner, ik weet niet, ze gaven zich uit

voor duiven, o ja, ik zag duiven achter haar sluier.

De ogen van een bruid.

Zij dorst ze haast niet op te slaan.

Ze zei alleen: Een bries...

er is een bries door mijn kamer heen gegaan.

 

Ik weet niet waarom, maar ik geloof dat ik ben gaan staan.

Ik dacht opeens dingen uit boeken, ik weet niet, ik dacht

aan een roos na zachte regen.

Ik stond met die lepel in mijn hand, van de wijs verlegen:

dat kwam door het licht dat zij in de kamer bracht,

dat kwam door de witte holten boven haar blos,

daar wilden de duiven uit los.

En het was

of achter haar huid een vuur te trillen stond,

zoals dat bos, waarvan ik dikwijls las,

dat brandde zonder te verteren,

in heilige grond.

 

Wij aten zwijgend, zij en ik,

als luisterend naar een ver zwaar onweer.

Pas na het danken, zwijgend opgestaan,

een ver zwaar, een oneindig ogenblik,

keek zij mij aan.

O moeder zei ze,

Een wingerd aan de deurpost, zachtjes bevend;

breekbaar; een kaars van wil je 't mij vergeven.

O moeder, zei ze

en schreide, maar ik zag geen traan.

En nog eens: moeder, of zij 't woord kon strelen.

En langzaam, fluisterend

Gegroet door een schaduw

nee,

Overschaduwd door een groet

(ik weet niet of ik het heb verstaan)

en zuchtend dansend,

onder geluk gebogen,

(ik weet niet hoe ik het zeggen moet)

is zij de schemer het weiland ingegaan.

 

Er zijn dingen die ons te boven gaan.

Had ik maar tranen gezien, haar stem maar horen breken,

ik had haar naam geroepen, over haar haar gestreken,

maar zij was haar naam niet, ik heb niets gedaan.

 

Er zijn grote dingen aan haar gedaan

en wij zijn niet gewaarschuwd, wij hebben de duiven

niet achter haar sluier neer zien strijken.

Wij zijn bedrogen:

zij is al hemelend; goud, en al gewogen;

zestien en zonder gisteren;

zestien en met verzadigde ogen.

 

God is met ons bezig, God is met ons bezig

en het is verschrikkelijk.

Wij zijn niet gewaarschuwd, wij zien ook geen schaduw, wij gaan

dingen uit boeken denken,

wartaal uitslaan.

 

Wij zullen zwijgen, jij en ik.

Wij zullen dikwijls eenzaam zijn voortaan,

en stomgeslagen, en met lege handen,

vervreemdend van de

schouders en wangen waar zij nu naar staan.

Zij zal veel dingen zeggen die wij niet verstaan.

Zij zal van vuur zijn en maar niet opbranden.

Want als de bries haar dit heeft aangedaan,

wat als de storm opstaat?

En als de schaduw haar al doet verdwijnen,

wat dan wanneer het licht eens in zal slaan?

 

Jongen, probeer haar tegemoet te gaan.

 

MICHEL VAN DER PLAS 


 

 

                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

    voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.net

canandanann - 20-02-2006 18:04:51