|
Ik heb den
tijd.
Ge moet U niet
haasten. Ik kan wachten.
Ge kunt mij
gerust uitstellen, van dag tot dag.
Ik ga niet weg.
Ge kunt uittrekken met de
groote jacht,
zoolang Ge moet Ik zal wel op Uw huis passen.
Maar aan het
einde, als Ge terug keert, rijk en machtig en zoo moe,
Zal ik daar
staan.
Dan zult Ge mij
herkennen en Uw rust aan mij drinken.
Ik heb den
tijd.
Ge moet mij
niet zoeken. Ik ben overal.
Ge hoeft niet
te speuren in geheime boeken. I
k lig open en
bloot op straat.
Ge hoeft den
weg niet te zoeken,
Ge kunt mij
niet missen.
Ge kunt gerust
maar verder gaan en mij vergeten.
Maar eens zult
Ge stilstaan,
bevreemd, om
een oude herinnering,
En ik zal voor
U staan.
Dan zullen wij
tezamen vloeien
en Hetzelfde
zijn.
Ik heb den
tijd.
Ge moet mij
niet ontvluchten. Ik ben onafwendbaar.
Ge kunt U
vermommen en
Uw naam
verliezen in de groote steden.
Ge zult daar
oud worden en gezeten en geëerd
En Ge zult nog
wel eens om
mij lachen als
om een kinderbijgeloof,
dat zijn greep
reeds lang verloor.
Maar
onontkoombaar is mijn
nadering en die
verre dag,
Dat Ge mij in
de ogen zien moet
En
verzinken.
Ik heb den
tijd.
Ge behoeft mij
niet te weerleggen.
Ik heb geen
gelijk.
Ge behoeft Uw
stem niet te verheffen,
Ik zal zwijgen
bij Uw betoog en
Ge kunt mij
gerust bespotten.
Ge kunt mij
omsluiten met Uw redenen.
Ge kunt mij
inmetselen met Uw argumenten.
Ik zal mij niet
verzetten.
Maar aan het
einde zult Ge
Uw gevangenis
leeg vinden,
Want mijn wezen
is niet van tijd
en ruimte en
het komt en gaat Uw bewustzijn voorbij,
Dan zult Ge
zwijgen en vergaan.
Ik heb den
tijd.
Ge behoeft u
niet te wapenen. Ik strijd niet.
Ge kunt mij
gerust verdringen.
Ik sta niet op
mijn plaats.
Ge kunt mij
dwingen met geweld. Ik ben zwak als water.
Ge kunt mij
dooden. Ik hecht niet aan mijn vorm.
Maar onder Uw
handen zal ik opstaan,
want
ik ben onverdelgbaar.
Ik ben als een
aether, dat stof en ruimten vervult.
En als Ge
gansch en al verwonnen hebt
en triomfeerend
praalt ten troon,
Dan zult Ge
rijp zijn en mij toevallen
als een
beursche vrucht.
Ik ben den
tijd.
Ge kunt gerust
wat spelen. Ik kan wachten.
Ge kunt Uw
deugden verplegen
en verzaken wat
laag is en gemeen.
Ge kunt Uw
pijlen op alle doelen schieten. Ik kan wachten.
Ik kan wachten
Uw leven lang;
Ik kan wachten
reeksen van geslachten.
Ik kan wachten
volkeren en beschavingen voorbij.
Ik kan wachten
den gang der tijden.
Maar ééns,
een dag, als de Golven komen,
Zullen wij
samen zijn
Niet dan wat
water van de groote zee.
U
alleen, mijn
God, behoort ons hart.
En eeuwig zijt
Gij dezelfde.
Eeuwig herhaalt
zich Uw wet aan den stroom
onzer
geslachten. En eeuwig herhalen wij
Uw naam in
eeuwig eenderen nood.
Maak ons
eentonig dan, als wel het eindeloos neuriën van een telefoonpaal - kinderen en
dwazen mogen het verstaan - en staan wij allen dan niet eenzaam zeurend aan een
stoffigen weg? Maak ons vervelend en eentonig als het verhaal van het touw, dat
maar zachtjes klappert aan de vlaggemast, een droomerigen zomermiddag. Maak ons
eentonig als het luiden van klokken, ver, over het water.
Maar ons
eentonig als het donkere stampen, als het lang, aanhoudend stampen van de
goederentreinen in den nacht, maak ons aanhoudend en eentonig.
Maak ons
eentonig als het prevelen van het water aan den voet van den ouden toren, het
prevelt met den nacht het prevelt met den rijken dag, het prevelt met den vloed
en met het stille ebben, - schoon is de gang der uren aan het veer bij den ouden
toren, maak ons eentonig.
Maak ons
eentonig als de regen in het kastanjebosch, - groot is de regen over de groote
bladeren, weidsch over de wijdgespreide bladeren van het kastanjebosch - maak
ons eentonig als het feest van den jongen regen in Uw bloeiende kastanjes.
Maak ons
eentonig als het ritselen van het dorre blad in de beukenhaag, een winterdag -
het kasteel is onbewoond nu en het bosch staat dof en roerloos in verzwegen
wachten - alleen het bruine blad beweegt nog met den flauwen wind en het
zwingelt en zwikt en hunkert zachtjes naar den goeden dood en niemand merkt zijn
ritselen. Maak ons als een onmerkbaar ritselen zoo eentonig.
Maak ons
eentonig als de stem van den ouden man, die de heilige verhalen voorleest bij de
petroleumlamp - een kind ligt heimelijk wakker in den schemer van de bedstee en
het luistert, wit met groote oogen.
Maak ons
eentonig als het simpel dreuntje van de kinderen, die zingend omgaan in den
zomeravond - altijd droegen de kinderen het dreuntje verder, omgaand in den
lichten vóórnacht, als de aarde in haar diepsten droom verloren ligt, - wie
het hooren, kennen een vreemde pijn.
Maak ons
eentonig als de pijn van menschen.
Maak ons
eentonig als het eindeloos herinneren van den wind, die huiverend is des nachts
in het helm van een eenzaam duin.
Als het
duistere komen van den wind, die opsteekt achter de verre hoeven, een
herfstavond. Als het vage manen van den wind in de zwarte takken. Maak ons
eentonig als het hooge gieren van den wind in het want van een verloren schip.
Maak ons
eentonig als het roepen van de zee - duizend eeuwen roepen om verlossing in haar
ruischen, dat is het ruischen van de groote baring en den grooten dood, maak ons
eentonig - U allen behoort ons hart.
Er is geroepen
in den nacht en wij zijn opgestaan. Wij komen, Heer, wij zijn Uw eigendom.
Vergeef ons, zoo wij angstig zijn en schuilen voor Uw hand. Wij komen, het is
goed.
Gij zult ons
jagen zoals een brand jaagt over de prairieën geef, dat wij zóóbranden mogen.
Gij zult ons voortslaan zoals de storm de wolken voortslaat, flarden over een
grauwe zee, - geef, dat wij zóó zwerven mogen.
Gij zult ons
brijzelen zoals een grondzee brijzelend verrijst - en dan is alles over en
alleen wat zwarte planken zwalken met de golven, - geef, dat wij zóó mogen
ondergaan.
Gebied ons,
Heer, dat wij het zuivere dienen leeren, dwing ons, dat wij leeren zwijgen en
vergaan, vernietig ons, dat wij niet langer hinderen. Kom en overstroom ons,
breed en geweldig, - laat ons Uw stroombed zijn.
Want Uwer is
het Koningschap en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid.
Amen.
Jan
van Schagen Nu zitten wij
over elkander aan de tafel
daar is een
lijn getrokken tusschen u, - Ik -, en mij.
Wij waren toch
altijd tezaam, en dagelijks
vond ik u toch,
dagelijks doende waren wij?
Wat zit gij
daar dan tegenover mij
zoals een gast
aan een gedekten disch
dichtbij nog,
maar die toch al voorbereid
scheidende en
zachtjes aan 't vertrekken is?
O, de groote
rij, de rij die al vertrokken is...
Gaan we nu óók,
Ik? zelven, en tot rust?
Wat is de kamer
stil, en dit korte gesprek
ook al niet
opgewekt, en naar het gasten lust.
Och - laten wij
vrij-uit zijn. Gij en ik
hebben niets
kwaads te duchten van elkander
en daarom
dulden wij dit ogenblik
dat is de
breker onzer woorden, de aanrander
van 't klein
geluk, gelegd in onze handen.
Ik, nu gij
wijkt van mij zal ik niet met u gaan
o neen, niet
langer met u, maar van de
eigen onrust
los, nu naar den Ander gaan
en bij den
Ander tot mijzelven komen...
In den schemer
het angstige luistren
Naar den wind
die waait om de huizen.
Van de wilgen
stuiven de pluizen,
wit in den
regen van 't duister.
Ver weg het
bedwelmend bruisen
Van de zee:
haar vage geluiden
Eentonig,
versmelt met het ruischen
Van het bloed,
zoo warm en duister.
In het
duisteren en het ruischen
Een buigend
mensch, arm en donker...
Op een heuvel
stonden drie kruisen.
Gij leed daar,
ik weende er onder.
W. DE MERODE
(W. F. Keuning), 1887 - 1939.
Hij vormde een
kom, en hij verhoogde
De ronde
randen, en een buik
Boog zich naar
boven, en hij boogde
Haar buigen in,
en zag de kruik
Slankhalzig en
met edel welven
Van lippen, en
haar schoone mond
Was lachende;
want hij was zelven
Zoo gul als
zij, zoo diep van grond.
Maar zonder
aarzlen of bedenken
Beproefde hij
haar in het vuur
En smolt, die
smachtenden moet drenken,
Vast in een
harnas van glazuur.
Want geen kan
liefdes laafnis brengen,
Die zelf niet,
dervend, durft verzengen.
God vraagt van
mij en ik van Hem,
wij spreken
beide door dezelfde stem,
Maar wat Hij
tot mij heeft gezegd
is in de
gansche schepping neergelegd,
doch wat ik
spreek tot Zijn geduld
ligt diep
besloten in mijn schuld.
Niet waar ik
ging zijt Gij gegaan.
Gij liet mij
arm, in zorg en waan -
en toch, Hoe
dieper daalt Uw duisternis:
Gij zijt
slechts op mij toegegaan.
Een stille man
die stiller werd - niets meer.
De rozen
bloeiden schaarscher door zijn klagen,
De neevlen
werden dichter in de dagen,
Herinneringen
vond het pad niet van weleer.
Er was geen
gaan, en nergens wederkeer.
Naar verre
stilten gleed het laatste vragen.
Moe werden
oogen die hun ster niet zagen.
Het moede hart
werd moeder, en niets meer.
En toch had hij
het leven groot bemind
En het bevolkt
met overaardsche droomen,
Waarin hij
mateloos zichzelve bood.
Werden zijn
gaven nimmer aangenomen?
Hij hoorde het
rukkend ruischen van den wind
En week binnen
de hoede van den dood.
Hij is met ons
de schemerweg gegaan
Naar Emmaus een
stille vreemdeling.
Geen heeft het
zwijgen van Zijn stem verstaan,
Geen ried Hem
Die verborgen naast ons ging.
Hij was alleen
in onze herinnering
En als een
vreemdeling zagen we Hem aan.
Wij hebben niet
geloofd Die naast ons ging
En is met ons
naar Emmaus gegaan.
Ach, nooit als
toen is Hij nabij geweest
Zoo lieflijk
ongenood, en schaduw gevreesd
Door U, door
mij, Weer is het avond, weer
Verzelt
wellicht ons, stil en vreemd, de Heer
Als eens - maar
geen, geen waagt den blik opzij
- O boos
erinneren - noch ik, noch gij.
Ik hang, een
ruige spil, in witkristallen koorden.
Elke gevangen
zonde zuig ik gulzig uit.
En telkens
haast mijn ziel zich na 't waanzinnig moorden,
achter mijn
wrange lippen naar een nieuwe buit.
Bij alke
zeek're beet ziet Gij mijn felle snikken.
Ik worstel,
maar mijn grimmege kaken klemmen dicht.
Ik gil,
hartstochtbedwelmd en zwelg tot bijna stikken,
de laatste
druppel bloed in 't volle zonlicht.
Als zware
vlekken blijven de misvormde zonden,
tot bitter
doodsbehang in mijn zilv'ren huis.
Maar God, eens,
in een transparante scheppingsstonde,
sneedt Gij mij
in de rug, Uw eigen lijdenskruis.
Ik blijf een
schepsel van Uw ongerepte handen.
Mijn leven
maakte mij tot ruwe levensdief.
Maar uit het
trillen van mijn witgesponnen wanden,
schuimt door
'theelal de kreet: Gij weet, ik heb U lief.
Gij, Vader
Zoon, laat in de gouden herfst mij zweven
aan
d'eindelooze draad, Uw liefde van kristal,
En sleur mij,
zuiver, door Uw mateloos vergeven,
totdat ik
sidderend aan Uwe voeten val.
Liefde die
verried zo vele malen
als ik U zocht,
daar waar U niet kondt zijn,
die ik te
dwingen zocht en te betalen,
maar die
ontweekt mijn handen, te brutale,
O schenk nog
eenmaal mij Uw verre schijn!
Ik zong U
steeds en heb U nooit gevonden
te zeer in 't
doolhof van mij zelf verdwaald,
te zeer in
banden van mij zelf gebonden,
maar 'k hoorde
soms in weinge stille stonden
wat God mij van
Uw wezen heeft verhaald.
Mijn gierge
dorst dronk al te troebel water
mijn donker
hart stond in te felle brand
mijn oren waren
vol van hees geschater,
maar door de
nacht hoorde ik soms 't geklater
der verre
watervallen van Uw land.
Liefde die
verried zo vele malen
voor 't
schijngeluk dat mijn verblinding bood,
nu ik doorzag
het ijdele levenspralen
schijnt mij Uw
glimlach zuiverder dan stralen
doorheen de
vale nevels van de dood.
Ik zocht U niet
en heb U toch gevonden,
ik zocht mij
zelf tot ik mij zelf verloor
ik kreunde om
de zelf geslagen wonden
tot ik de
stilte eindlijk heb gevonden
waar ik Gods
stem in Uwen adem hoor.
Mijn wil tot
macht drong tot te vele daden
mijn ware macht
ging in 't gedrang te loor;
ik liep mijn
hartstocht moe op al te donkre paden
tot 'khijgend
neerviel waar Uw voeten traden,
een stille
bosplek in der zonne gloor.
Liefde die
verried zo vele malen,
O keer terug
tot Uw verloren zoon -
ik kus Uw hand
bij 't laatste ademhalen
en leg mijn
hart in handen, ziet hoe schrale,
en bied het
aan, zoenoffer voor Uw troon.
De felle
slagschaduw van Christus'kruis
Staat als enn
dieproode vaan tegen de heuvelen getekend.
Doch des
menschen schundenlast is lichter te dragen
Dan de last van
deze zinlooze eenzaamheid.
Een Romeinsch
soldaat, van mijn bloed in vervoering geraakt,
Heeft dicht aan
de aarde vrede gevonden.
En waar de
anderen dronken om mijn roode mantel dobbelen,
Ligt mijn
moeder aan het kruis en zalft mijn voeten met tranen.
En ik zie, hoe
in de Olijvenhof
Judas zich aan
een boomtak heeft verhangen.
En ik herken
het touw waarmee men mij de handen bond
En glimlach,
want ten slotte heeft zelfs Petrus mij verraden.
Maar waar Judas
voor veertig zilverlingen zich
Een rustplaats
kocht op de akker des pottenbakkers,
Daar moet ik
rusteloos over aller eeuwen gaan
En telkens weer
en overnieuw gekruisigd worden.
FREEK VAN LEEUWEN Het jaar is
oud: ik spiegel wat ik won
in het gelaat
van dezen laatsten dag.
God, dat ik
dezen tijd herkennen mag -
voleindig in
mij wat in mij begon,
voleindig mij
zoals gij thans het jaar
voleindigt,
laat mij tot den aanvang groeien
der nieuwe
tijden, die uit u ontbloeien,
maak mijn moe
hart weer jong en klaar,
bereid het tot
den nieuwen tocht
en laat het met
de dagen overstromen
onmerkbaar
langzaam in uw wederkomen
door alle
dingen, die ik heb gezocht.
Voleindig mij,
bereid mij, deze tijd
is nog te klein
voor uwe groote daden,
bereid mij voor
en schenk mij de genade
te werken tot
uw komende voldragenheid.
Uw hand is op
mijn schouder.
de nacht is
lang, ik weet,
dat gij mij
niet vergeet.
ik ben al jaren
ouder.
het licht is
hard, de wind
slaat achter
mij alles dicht:
droomen,
stilte, licht
en het schreien
van een kind...
ik sta alleen,
de nacht wordt kouder
nog dan mijn
hart, mijn hand -
alles in mij is
lang verlamd -
maar uw hand is
op mijn schouder.
Wat valt mij nu
te doen dan af te wachten,
dan stil te
wachten op een goeden wind?
Wie weet dan
weg als ik, die hem niet vind
in deze donkere
nachten...
Er is een
stilte en een leegte, kind,
nu ik uw tranen
zie en hoor uw klachten
als van een die
verloren heeft haar krachten
van een die
niets meer bindt.
Maar hoofd
omhoog! Geloof als ik in 't leven,
want door den
omweg van veel donkre dreven
kwam ik in 't
paradijs.
Wie weet, welk
een geluk gij eens zult krijgen,
als gij maar
moedig zijt en steeds wilt zwijgen
van uw
gedroomde reis.
Vaar mee mijn
lief, vaar den Demer mee op
want 't staat
alzo in mijnen kop
dat dees
rivierken u bereidt
tienduizend en
één zaligheid:
bij elke brug
staan duizend bloemen
waterranunkels
die ge zilver zult noemen,
en ook
violieren, witter wit
dan een
maagde-ziel die den Heer aanbidt.
Al de waters
zijn blauw, al de waters zijn groen
en de waters
zijn koel als een kinderzoen.
En het riet dat
zingt er op honderd fluiten
op honderd
violen, op honderd luiten.
Maar
kost'lijker is het gefluisterd verhaal
der vertellende
peppels, o! mensentaal!
Kan u dit niet
behagen, kunt ge geen bomen verstaan
dan zijt ge
mijn lief niet, dan moet ge maar gaan!
Want mijn
liefken en ik, wij zullen horen
het praten van
het water, het juichende koren.
Mijn liefken en
ik verstaan muggengegons;
"slaap
maar op 't water, want God is met ons!"
O m'n lief
verstaat ge der bijen gebrom:
"drink van
den honing, God schiep hem erom!"
En wij varen
mijn kind, den Demer op
het staat nu
alzo in onzen kop:
dat God den
Heer ons heeft bereid
tienduizend en
één zaligheid.
LUC VAN HOEK
Gij zijt mijn
paarden, en ik heb u lief, onuitgesproken,
lijk al wat
ruig en al wat sterk is, en gemeend.
Gij hebt mij
lief, het heeft mij lang ontbroken,
aan het gevoel
dat hart en hart vereent,
wat ik zoolang
verwachtte van mijn harts beminden,
hebt gij zelf
aan mij verleend.
Ik lach nu
soms, als wij te zamen konden,
wij zouden
lachen om het heimwee van een jeugd,
om wat er in
een mensch al wordt gevonden,
aan honger en
geluk, om liefde, en zooveel,
dat schrijnend
als een wonde,
mij blijvend
heugt.
En ieder heugen
moet, en zoo bezwaren,
tot hij het
recht verkrijgt, ‚‚n enkele maal,
om uit te
schreien al het leed van jaren,
en dan weer man
te zijn van rots en staal.
Dan is er niets
zoo zacht als uwe hals, mijn paarden,
om aan te
huilen, als het niemand ziet;
uw stom
begrepen maakt zoo klein wat ons bezwaarde,
en zoo
vergeefsch, zoo nutteloos, al dat verdriet.
Ik weet het
wel, het beste waar', lijk in die ouden tijden,
ruiter en paard
te wezen, gelijk ‚‚n wil, gelijk ‚‚n lijn,
te stormen op
een vijand in, te strijden,
te winnen of te
sneuvelen,
en dan bevrijd
te zijn.
Maar dat
bestaat alleen in dromen,
het onrecht van
de wereld heeft geen aangezicht,
er is geen kans
voor ons, wij kunnen niet ontkomen,
er is geen
ander aarde waar wij zouden wonen,
hi‚r speelt
het lot zich af dat in ons wezen ligt.
En zijn wij dan
niet goed te zamen op ons werk?...
wij worden
samen oud en tam.
Slechts pakt
mij telken weer diezelfde drang,
- een lichte
pijn als van een schram,
een onrust, -
als gij hinnikt (hinninkt?) 's morgens om mijn stap,
lijk ik bij dag
en nacht naar iets verlang, naar iets verlang...
ANDRE DEMENDTS
In 't lage land
waar Gorter fluit,
wat zal mijn
lege handen vullen?
ik zwijmel door
een schoon geluid,
waarin zal ik
mijn naaktheid hullen?
ik loop de
regenbogen langs
en glijd door
groene zalen, onder
den spiegel
waar de zon op danst,
ik dwaal van
wonder uit in wonder,
maar welk zal
mij geheel vervullen,
zoo zwaar en
eivol dat voorgoed
mijn
stortbeekbeenen rusten zullen,
mijn bloed zal
fluistern tot mijn bloed
dat het den zin
gevonden heeft
van dit verrukt
en duizlend kringen,
waar het begin
in 't einde zweefd
van dezen
toover aller dingen?
mijn mingerief
is van de wereld,
- ach lieve,
lieve moedermaagd, -
die door mijn
zinnen feestlijk dwerrelt
en waar een
vreemd verdriet door vlaagt...
RENE VERBEECK
De witte
sterren breken
Door duisternis
en wind.
Ergens begint
een kind
Zijn nachtgebed
te smeeken,
Zijn oogen
dicht, en blind
Gedekt door
warme handen.
En klaar en
kalm begint
in hem een
licht te branden.
Hij draagt waar
geen op let,
In zich uw
milde stralen.
Woordeloos
wordt 't gebed
En zwaar zijn
ademhalen.
Hij slaapt zeer
stil, geweld
Van wind kan
hem niet wekken.
De witte
sterren trekken
Over een
sneeuwen veld.
Vader, wij
hebben nooit gesproken
over het leven
met elkaar,
gij had het
uwe, ik het mijne
en beiden
wisten wij, 't is zwaar
te leven met
een weerloos hart...
Zoo hadden bˆi
we ons toegesloten
en gingen
zwijgend naast elkaar:
ik heb den weg
niet kunnen vinden,
al lag uw hand
steeds voor de mijne klaar.
En nu gij
heengegaan zijt naar dat vreemde
en voor geen
levende bereikbaar land,
nu breekt mijn
vuist eerst hunkrend open
en zoekt
vergeefs uw trouwe hand.
Toen klonken
kort en hol de hamerslagen
Op 't folterend
kruishout, waar de Christus lag.
De rechters
grimden in een wreed behagen
En vrouwen
kreunden zacht bij iederen slag.
'n Jongen
schreide -, 'n kinderstem riep "ach!" - -
Doch van Zijn
lippen kwam geen kreet, geen klagen.
Stil vloeide 't
bloed, één-vervig met den dag,
Stervend den
rooden dood van al de dagen.
En traag en
zwijgend schuifeldalend tot
Jeruzalem's
vreemd schemerende straten,
Verward,
ontroerd, dacht menigeen aan Zijn lot - -,
En huiverend
omziend trof diens blik 't verlaten,
Scherp silhouet
van den gekruisten God
En wist opeens
dat hij dien Man niet haatte.
JAN EEKHOUT
Een merel zingt
in het gewasschen blad
en zijn gejubel
drenkt het schoone leven
in dieper
glans: de stille bloemen beven,
de kelken
dronken gulzig van het nat,
zij staan nog
in verrukking opgeheven.
O God, die alle
schepsels hebt gegeven,
waarom ik
zooveel keeren vruchteloos bad,
zend mij Uw
regen, leg het mulle pad
waarin mijn
voeten hulpeloos steken bleven
weer effen, -
maak mijn klamme voorhoofd nat,
en hoed mijn
hart stil als een kelk geheven,
tot Gij het met
Uw klare licht omvat.
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 20-02-2006 18:04:21 |