religieus7
Start Omhoog

                 

de Sterkste

LITANIE.

AFSCHEID VAN HET EIGEN IK.

BEROUW.

DE POTTENBAKKER.

GOD VRAAGT VAN MIJ...

VERTROUWEN.

J. H. LEOPOLD.  

DE AVONDGANGERS.

DE KRUISSPIN.

LIEFDE DIE IK VERRIED.

GOLGOTHA - GOLGOTHA.

OUDEJAAR

IN MEMORIAM MATRIS.

Erectiele disfunctie

AFVAART.

ZOMERNOEN

PAARDEN.

IN 'T LAGE LAND...

SLAPEN GAAN.

HERINNERING

DE KRUISIGING

NA DEN REGEN

de Sterkste

LITANIE.

AFSCHEID VAN HET EIGEN IK.

BEROUW.

DE POTTENBAKKER.

GOD VRAAGT VAN MIJ...

VERTROUWEN.

J. H. LEOPOLD.  

DE AVONDGANGERS.

DE KRUISSPIN.

LIEFDE DIE IK VERRIED.

GOLGOTHA - GOLGOTHA.

OUDEJAAR

IN MEMORIAM MATRIS.

AFVAART.

ZOMERNOEN

PAARDEN.

IN 'T LAGE LAND...

SLAPEN GAAN.

HERINNERING

DE KRUISIGING

NA DEN REGEN

 

Erectiele disfunctie


DE STERKSTE 

Ik heb den tijd.

Ge moet U niet haasten. Ik kan wachten.

Ge kunt mij gerust uitstellen, van dag tot dag.

Ik ga niet weg. Ge kunt uittrekken met de

groote jacht, zoolang Ge moet Ik zal wel op Uw huis passen.

Maar aan het einde, als Ge terug keert, rijk en machtig en zoo moe,

Zal ik daar staan.

Dan zult Ge mij herkennen en Uw rust aan mij drinken.

 

Ik heb den tijd.

Ge moet mij niet zoeken. Ik ben overal.

Ge hoeft niet te speuren in geheime boeken. I

k lig open en bloot op straat.

Ge hoeft den weg niet te zoeken,

Ge kunt mij niet missen.

Ge kunt gerust maar verder gaan en mij vergeten.

Maar eens zult Ge stilstaan,

bevreemd, om een oude herinnering,

En ik zal voor U staan.

Dan zullen wij tezamen vloeien

en Hetzelfde zijn.

Ik heb den tijd.

Ge moet mij niet ontvluchten. Ik ben onafwendbaar.

Ge kunt U vermommen en

Uw naam verliezen in de groote steden.

Ge zult daar oud worden en gezeten en geëerd

En Ge zult nog wel eens om

mij lachen als om een kinderbijgeloof,

dat zijn greep reeds lang verloor.

Maar onontkoombaar is mijn

nadering en die verre dag,

Dat Ge mij in de ogen zien moet

En verzinken.

 

Ik heb den tijd.

Ge behoeft mij niet te weerleggen.

Ik heb geen gelijk.

Ge behoeft Uw stem niet te verheffen,

Ik zal zwijgen bij Uw betoog en

Ge kunt mij gerust bespotten.

Ge kunt mij omsluiten met Uw redenen.

Ge kunt mij inmetselen met Uw argumenten.

Ik zal mij niet verzetten.

Maar aan het einde zult Ge

Uw gevangenis leeg vinden,

Want mijn wezen is niet van tijd

en ruimte en het komt en gaat Uw bewustzijn voorbij,

Dan zult Ge zwijgen en vergaan.

 

Ik heb den tijd.

Ge behoeft u niet te wapenen. Ik strijd niet.

Ge kunt mij gerust verdringen.

Ik sta niet op mijn plaats.

Ge kunt mij dwingen met geweld. Ik ben zwak als water.

Ge kunt mij dooden. Ik hecht niet aan mijn vorm.

Maar onder Uw handen zal ik opstaan,

 want ik ben onverdelgbaar.

Ik ben als een aether, dat stof en ruimten vervult.

En als Ge gansch en al verwonnen hebt

en triomfeerend praalt ten troon,

Dan zult Ge rijp zijn en mij toevallen

als een beursche vrucht.

Ik ben den tijd.

Ge kunt gerust wat spelen. Ik kan wachten.

Ge kunt Uw deugden verplegen

en verzaken wat laag is en gemeen.

Ge kunt Uw pijlen op alle doelen schieten. Ik kan wachten.

Ik kan wachten Uw leven lang;

Ik kan wachten reeksen van geslachten.

Ik kan wachten volkeren en beschavingen voorbij.

Ik kan wachten den gang der tijden.

Maar ééns, een dag, als de Golven komen,

Zullen wij samen zijn

Niet dan wat water van de groote zee.


LITANIE.

 

U alleen, mijn God, behoort ons hart.

En eeuwig zijt Gij dezelfde.

Eeuwig herhaalt zich Uw wet aan den stroom

onzer geslachten. En eeuwig herhalen wij

Uw naam in eeuwig eenderen nood.

 

Maak ons eentonig dan, als wel het eindeloos neuriën van een telefoonpaal - kinderen en dwazen mogen het verstaan - en staan wij allen dan niet eenzaam zeurend aan een stoffigen weg? Maak ons vervelend en eentonig als het verhaal van het touw, dat maar zachtjes klappert aan de vlaggemast, een droomerigen zomermiddag. Maak ons eentonig als het luiden van klokken, ver, over het water.

Maar ons eentonig als het donkere stampen, als het lang, aanhoudend stampen van de goederentreinen in den nacht, maak ons aanhoudend en eentonig.

Maak ons eentonig als het prevelen van het water aan den voet van den ouden toren, het prevelt met den nacht het prevelt met den rijken dag, het prevelt met den vloed en met het stille ebben, - schoon is de gang der uren aan het veer bij den ouden toren, maak ons eentonig.

Maak ons eentonig als de regen in het kastanjebosch, - groot is de regen over de groote bladeren, weidsch over de wijdgespreide bladeren van het kastanjebosch - maak ons eentonig als het feest van den jongen regen in Uw bloeiende kastanjes.

Maak ons eentonig als het ritselen van het dorre blad in de beukenhaag, een winterdag - het kasteel is onbewoond nu en het bosch staat dof en roerloos in verzwegen wachten - alleen het bruine blad beweegt nog met den flauwen wind en het zwingelt en zwikt en hunkert zachtjes naar den goeden dood en niemand merkt zijn ritselen. Maak ons als een onmerkbaar ritselen zoo eentonig.

Maak ons eentonig als de stem van den ouden man, die de heilige verhalen voorleest bij de petroleumlamp - een kind ligt heimelijk wakker in den schemer van de bedstee en het luistert, wit met groote oogen.

Maak ons eentonig als het simpel dreuntje van de kinderen, die zingend omgaan in den zomeravond - altijd droegen de kinderen het dreuntje verder, omgaand in den lichten vóórnacht, als de aarde in haar diepsten droom verloren ligt, - wie het hooren, kennen een vreemde pijn.

Maak ons eentonig als de pijn van menschen.

Maak ons eentonig als het eindeloos herinneren van den wind, die huiverend is des nachts in het helm van een eenzaam duin.

Als het duistere komen van den wind, die opsteekt achter de verre hoeven, een herfstavond. Als het vage manen van den wind in de zwarte takken. Maak ons eentonig als het hooge gieren van den wind in het want van een verloren schip.

Maak ons eentonig als het roepen van de zee - duizend eeuwen roepen om verlossing in haar ruischen, dat is het ruischen van de groote baring en den grooten dood, maak ons eentonig - U allen behoort ons hart.

Er is geroepen in den nacht en wij zijn opgestaan. Wij komen, Heer, wij zijn Uw eigendom. Vergeef ons, zoo wij angstig zijn en schuilen voor Uw hand. Wij komen, het is goed.

Gij zult ons jagen zoals een brand jaagt over de prairieën geef, dat wij zóóbranden mogen. Gij zult ons voortslaan zoals de storm de wolken voortslaat, flarden over een grauwe zee, - geef, dat wij zóó zwerven mogen.

Gij zult ons brijzelen zoals een grondzee brijzelend verrijst - en dan is alles over en alleen wat zwarte planken zwalken met de golven, - geef, dat wij zóó mogen ondergaan.

Gebied ons, Heer, dat wij het zuivere dienen leeren, dwing ons, dat wij leeren zwijgen en vergaan, vernietig ons, dat wij niet langer hinderen. Kom en overstroom ons, breed en geweldig, - laat ons Uw stroombed zijn.

Want Uwer is het Koningschap en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid.

Amen.

 Jan van Schagen


AFSCHEID VAN HET EIGEN IK.

 

Nu zitten wij over elkander aan de tafel

daar is een lijn getrokken tusschen u, - Ik -, en mij.

Wij waren toch altijd tezaam, en dagelijks

vond ik u toch, dagelijks doende waren wij?

Wat zit gij daar dan tegenover mij

zoals een gast aan een gedekten disch

dichtbij nog, maar die toch al voorbereid

scheidende en zachtjes aan 't vertrekken is?

O, de groote rij, de rij die al vertrokken is...

Gaan we nu óók, Ik? zelven, en tot rust?

Wat is de kamer stil, en dit korte gesprek

ook al niet opgewekt, en naar het gasten lust.

Och - laten wij vrij-uit zijn. Gij en ik

hebben niets kwaads te duchten van elkander

en daarom dulden wij dit ogenblik

dat is de breker onzer woorden, de aanrander

van 't klein geluk, gelegd in onze handen.

Ik, nu gij wijkt van mij zal ik niet met u gaan

o neen, niet langer met u, maar van de

eigen onrust los, nu naar den Ander gaan

en bij den Ander tot mijzelven komen...


BEROUW.

 

In den schemer het angstige luistren

Naar den wind die waait om de huizen.

Van de wilgen stuiven de pluizen,

wit in den regen van 't duister.

 

Ver weg het bedwelmend bruisen

Van de zee: haar vage geluiden

Eentonig, versmelt met het ruischen

Van het bloed, zoo warm en duister.

 

In het duisteren en het ruischen

Een buigend mensch, arm en donker...

Op een heuvel stonden drie kruisen.

Gij leed daar, ik weende er onder.

 

W. DE MERODE (W. F. Keuning), 1887 - 1939.


DE POTTENBAKKER.

 

Hij vormde een kom, en hij verhoogde

De ronde randen, en een buik

Boog zich naar boven, en hij boogde

Haar buigen in, en zag de kruik

Slankhalzig en met edel welven

Van lippen, en haar schoone mond

Was lachende; want hij was zelven

Zoo gul als zij, zoo diep van grond.

 

Maar zonder aarzlen of bedenken

Beproefde hij haar in het vuur

En smolt, die smachtenden moet drenken,

Vast in een harnas van glazuur.

Want geen kan liefdes laafnis brengen,

Die zelf niet, dervend, durft verzengen.


GOD VRAAGT VAN MIJ...

 

God vraagt van mij en ik van Hem,

wij spreken beide door dezelfde stem,

Maar wat Hij tot mij heeft gezegd

is in de gansche schepping neergelegd,

doch wat ik spreek tot Zijn geduld

ligt diep besloten in mijn schuld.

 


VERTROUWEN.

 

Niet waar ik ging zijt Gij gegaan.

Gij liet mij arm, in zorg en waan -

en toch, Hoe dieper daalt Uw duisternis:

Gij zijt slechts op mij toegegaan.


J. H. LEOPOLD.

  

Een stille man die stiller werd - niets meer.

De rozen bloeiden schaarscher door zijn klagen,

De neevlen werden dichter in de dagen,

Herinneringen vond het pad niet van weleer.

 

Er was geen gaan, en nergens wederkeer.

Naar verre stilten gleed het laatste vragen.

Moe werden oogen die hun ster niet zagen.

Het moede hart werd moeder, en niets meer.

 

En toch had hij het leven groot bemind

En het bevolkt met overaardsche droomen,

Waarin hij mateloos zichzelve bood.

 

Werden zijn gaven nimmer aangenomen?

Hij hoorde het rukkend ruischen van den wind

En week binnen de hoede van den dood.


DE AVONDGANGERS.

 

Hij is met ons de schemerweg gegaan

Naar Emmaus een stille vreemdeling.

Geen heeft het zwijgen van Zijn stem verstaan,

Geen ried Hem Die verborgen naast ons ging.

 

Hij was alleen in onze herinnering

En als een vreemdeling zagen we Hem aan.

Wij hebben niet geloofd Die naast ons ging

En is met ons naar Emmaus gegaan.

 

Ach, nooit als toen is Hij nabij geweest

Zoo lieflijk ongenood, en schaduw gevreesd

Door U, door mij, Weer is het avond, weer

 

Verzelt wellicht ons, stil en vreemd, de Heer

Als eens - maar geen, geen waagt den blik opzij

- O boos erinneren - noch ik, noch gij.


DE KRUISSPIN.

 

Ik hang, een ruige spil, in witkristallen koorden.

Elke gevangen zonde zuig ik gulzig uit.

En telkens haast mijn ziel zich na 't waanzinnig moorden,

achter mijn wrange lippen naar een nieuwe buit.

 

Bij alke zeek're beet ziet Gij mijn felle snikken.

Ik worstel, maar mijn grimmege kaken klemmen dicht.

Ik gil, hartstochtbedwelmd en zwelg tot bijna stikken,

de laatste druppel bloed in 't volle zonlicht.

 

Als zware vlekken blijven de misvormde zonden,

tot bitter doodsbehang in mijn zilv'ren huis.

Maar God, eens, in een transparante scheppingsstonde,

sneedt Gij mij in de rug, Uw eigen lijdenskruis.

 

Ik blijf een schepsel van Uw ongerepte handen.

Mijn leven maakte mij tot ruwe levensdief.

Maar uit het trillen van mijn witgesponnen wanden,

schuimt door 'theelal de kreet: Gij weet, ik heb U lief.

 

Gij, Vader Zoon, laat in de gouden herfst mij zweven

aan d'eindelooze draad, Uw liefde van kristal,

En sleur mij, zuiver, door Uw mateloos vergeven,

totdat ik sidderend aan Uwe voeten val.


LIEFDE DIE IK VERRIED.

 

Liefde die verried zo vele malen

als ik U zocht, daar waar U niet kondt zijn,

die ik te dwingen zocht en te betalen,

maar die ontweekt mijn handen, te brutale,

O schenk nog eenmaal mij Uw verre schijn!

 

Ik zong U steeds en heb U nooit gevonden

te zeer in 't doolhof van mij zelf verdwaald,

te zeer in banden van mij zelf gebonden,

maar 'k hoorde soms in weinge stille stonden

wat God mij van Uw wezen heeft verhaald.

 

Mijn gierge dorst dronk al te troebel water

mijn donker hart stond in te felle brand

mijn oren waren vol van hees geschater,

maar door de nacht hoorde ik soms 't geklater

der verre watervallen van Uw land.

 

Liefde die verried zo vele malen

voor 't schijngeluk dat mijn verblinding bood,

nu ik doorzag het ijdele levenspralen

schijnt mij Uw glimlach zuiverder dan stralen

doorheen de vale nevels van de dood.

 

Ik zocht U niet en heb U toch gevonden,

ik zocht mij zelf tot ik mij zelf verloor

ik kreunde om de zelf geslagen wonden

tot ik de stilte eindlijk heb gevonden

waar ik Gods stem in Uwen adem hoor.

 

Mijn wil tot macht drong tot te vele daden

mijn ware macht ging in 't gedrang te loor;

ik liep mijn hartstocht moe op al te donkre paden

tot 'khijgend neerviel waar Uw voeten traden,

een stille bosplek in der zonne gloor.

 

Liefde die verried zo vele malen,

O keer terug tot Uw verloren zoon -

ik kus Uw hand bij 't laatste ademhalen

en leg mijn hart in handen, ziet hoe schrale,

en bied het aan, zoenoffer voor Uw troon.


GOLGOTHA - GOLGOTHA.

 

De felle slagschaduw van Christus'kruis

Staat als enn dieproode vaan tegen de heuvelen getekend.

Doch des menschen schundenlast is lichter te dragen

Dan de last van deze zinlooze eenzaamheid.

 

Een Romeinsch soldaat, van mijn bloed in vervoering geraakt,

Heeft dicht aan de aarde vrede gevonden.

En waar de anderen dronken om mijn roode mantel dobbelen,

Ligt mijn moeder aan het kruis en zalft mijn voeten met tranen.

 

En ik zie, hoe in de Olijvenhof

Judas zich aan een boomtak heeft verhangen.

En ik herken het touw waarmee men mij de handen bond

En glimlach, want ten slotte heeft zelfs Petrus mij verraden.

 

Maar waar Judas voor veertig zilverlingen zich

Een rustplaats kocht op de akker des pottenbakkers,

Daar moet ik rusteloos over aller eeuwen gaan

En telkens weer en overnieuw gekruisigd worden.

FREEK VAN LEEUWEN


OUDEJAAR 

Het jaar is oud: ik spiegel wat ik won

in het gelaat van dezen laatsten dag.

God, dat ik dezen tijd herkennen mag -

voleindig in mij wat in mij begon,

 

voleindig mij zoals gij thans het jaar

voleindigt, laat mij tot den aanvang groeien

der nieuwe tijden, die uit u ontbloeien,

maak mijn moe hart weer jong en klaar,

 

bereid het tot den nieuwen tocht

en laat het met de dagen overstromen

onmerkbaar langzaam in uw wederkomen

door alle dingen, die ik heb gezocht.

 

Voleindig mij, bereid mij, deze tijd

is nog te klein voor uwe groote daden,

bereid mij voor en schenk mij de genade

te werken tot uw komende voldragenheid.


IN MEMORIAM MATRIS.

 

Uw hand is op mijn schouder.

de nacht is lang, ik weet,

dat gij mij niet vergeet.

ik ben al jaren ouder.

 

het licht is hard, de wind

slaat achter mij alles dicht:

droomen, stilte, licht

en het schreien van een kind...

 

ik sta alleen, de nacht wordt kouder

nog dan mijn hart, mijn hand -

alles in mij is lang verlamd -

 

maar uw hand is op mijn schouder.


AFVAART.

 

Wat valt mij nu te doen dan af te wachten,

dan stil te wachten op een goeden wind?

Wie weet dan weg als ik, die hem niet vind

in deze donkere nachten...

 

Er is een stilte en een leegte, kind,

nu ik uw tranen zie en hoor uw klachten

als van een die verloren heeft haar krachten

van een die niets meer bindt.

 

Maar hoofd omhoog! Geloof als ik in 't leven,

want door den omweg van veel donkre dreven

kwam ik in 't paradijs.

 

Wie weet, welk een geluk gij eens zult krijgen,

als gij maar moedig zijt en steeds wilt zwijgen

van uw gedroomde reis.


ZOMERNOEN 

Vaar mee mijn lief, vaar den Demer mee op

want 't staat alzo in mijnen kop

dat dees rivierken u bereidt

tienduizend en één zaligheid:

bij elke brug staan duizend bloemen

waterranunkels die ge zilver zult noemen,

en ook violieren, witter wit

dan een maagde-ziel die den Heer aanbidt.

Al de waters zijn blauw, al de waters zijn groen

en de waters zijn koel als een kinderzoen.

En het riet dat zingt er op honderd fluiten

op honderd violen, op honderd luiten.

Maar kost'lijker is het gefluisterd verhaal

der vertellende peppels, o! mensentaal!

Kan u dit niet behagen, kunt ge geen bomen verstaan

dan zijt ge mijn lief niet, dan moet ge maar gaan!

Want mijn liefken en ik, wij zullen horen

het praten van het water, het juichende koren.

Mijn liefken en ik verstaan muggengegons;

"slaap maar op 't water, want God is met ons!"

O m'n lief verstaat ge der bijen gebrom:

"drink van den honing, God schiep hem erom!"

En wij varen mijn kind, den Demer op

het staat nu alzo in onzen kop:

dat God den Heer ons heeft bereid

tienduizend en één zaligheid.

 

LUC VAN HOEK


PAARDEN.

 

Gij zijt mijn paarden, en ik heb u lief, onuitgesproken,

lijk al wat ruig en al wat sterk is, en gemeend.

Gij hebt mij lief, het heeft mij lang ontbroken,

aan het gevoel dat hart en hart vereent,

wat ik zoolang verwachtte van mijn harts beminden,

hebt gij zelf aan mij verleend.

 

Ik lach nu soms, als wij te zamen konden,

wij zouden lachen om het heimwee van een jeugd,

om wat er in een mensch al wordt gevonden,

aan honger en geluk, om liefde, en zooveel,

dat schrijnend als een wonde,

mij blijvend heugt.

 

En ieder heugen moet, en zoo bezwaren,

tot hij het recht verkrijgt, ‚‚n enkele maal,

om uit te schreien al het leed van jaren,

en dan weer man te zijn van rots en staal.

Dan is er niets zoo zacht als uwe hals, mijn paarden,

om aan te huilen, als het niemand ziet;

uw stom begrepen maakt zoo klein wat ons bezwaarde,

en zoo vergeefsch, zoo nutteloos, al dat verdriet.

 

Ik weet het wel, het beste waar', lijk in die ouden tijden,

ruiter en paard te wezen, gelijk ‚‚n wil, gelijk ‚‚n lijn,

te stormen op een vijand in, te strijden,

te winnen of te sneuvelen,

en dan bevrijd te zijn.

Maar dat bestaat alleen in dromen,

het onrecht van de wereld heeft geen aangezicht,

er is geen kans voor ons, wij kunnen niet ontkomen,

er is geen ander aarde waar wij zouden wonen,

hi‚r speelt het lot zich af dat in ons wezen ligt.

 

En zijn wij dan niet goed te zamen op ons werk?...

wij worden samen oud en tam.

Slechts pakt mij telken weer diezelfde drang,

- een lichte pijn als van een schram,

een onrust, - als gij hinnikt (hinninkt?) 's morgens om mijn stap,

lijk ik bij dag en nacht naar iets verlang, naar iets verlang...

 

 

ANDRE DEMENDTS


IN 'T LAGE LAND...

 

In 't lage land waar Gorter fluit,

wat zal mijn lege handen vullen?

ik zwijmel door een schoon geluid,

waarin zal ik mijn naaktheid hullen?

 

ik loop de regenbogen langs

en glijd door groene zalen, onder

den spiegel waar de zon op danst,

ik dwaal van wonder uit in wonder,

 

maar welk zal mij geheel vervullen,

zoo zwaar en eivol dat voorgoed

mijn stortbeekbeenen rusten zullen,

mijn bloed zal fluistern tot mijn bloed

 

dat het den zin gevonden heeft

van dit verrukt en duizlend kringen,

waar het begin in 't einde zweefd

van dezen toover aller dingen?

 

mijn mingerief is van de wereld,

- ach lieve, lieve moedermaagd, -

die door mijn zinnen feestlijk dwerrelt

en waar een vreemd verdriet door vlaagt...

 

 

RENE VERBEECK


SLAPEN GAAN.

 

De witte sterren breken

Door duisternis en wind.

Ergens begint een kind

Zijn nachtgebed te smeeken,

Zijn oogen dicht, en blind

Gedekt door warme handen.

En klaar en kalm begint

in hem een licht te branden.

Hij draagt waar geen op let,

In zich uw milde stralen.

Woordeloos wordt 't gebed

En zwaar zijn ademhalen.

Hij slaapt zeer stil, geweld

Van wind kan hem niet wekken.

De witte sterren trekken

Over een sneeuwen veld.


HERINNERING 

Vader, wij hebben nooit gesproken

over het leven met elkaar,

gij had het uwe, ik het mijne

en beiden wisten wij, 't is zwaar

te leven met een weerloos hart...

Zoo hadden bˆi we ons toegesloten

en gingen zwijgend naast elkaar:

ik heb den weg niet kunnen vinden,

al lag uw hand steeds voor de mijne klaar.

En nu gij heengegaan zijt naar dat vreemde

en voor geen levende bereikbaar land,

nu breekt mijn vuist eerst hunkrend open

en zoekt vergeefs uw trouwe hand.


DE KRUISIGING 

Toen klonken kort en hol de hamerslagen

Op 't folterend kruishout, waar de Christus lag.

De rechters grimden in een wreed behagen

En vrouwen kreunden zacht bij iederen slag.

 

'n Jongen schreide -, 'n kinderstem riep "ach!" - -

Doch van Zijn lippen kwam geen kreet, geen klagen.

Stil vloeide 't bloed, één-vervig met den dag,

Stervend den rooden dood van al de dagen.

 

En traag en zwijgend schuifeldalend tot

Jeruzalem's vreemd schemerende straten,

Verward, ontroerd, dacht menigeen aan Zijn lot - -,

 

En huiverend omziend trof diens blik 't verlaten,

Scherp silhouet van den gekruisten God

En wist opeens dat hij dien Man niet haatte.

 

JAN EEKHOUT


NA DEN REGEN 

Een merel zingt in het gewasschen blad

en zijn gejubel drenkt het schoone leven

in dieper glans: de stille bloemen beven,

de kelken dronken gulzig van het nat,

zij staan nog in verrukking opgeheven.

 

O God, die alle schepsels hebt gegeven,

waarom ik zooveel keeren vruchteloos bad,

zend mij Uw regen, leg het mulle pad

waarin mijn voeten hulpeloos steken bleven

weer effen, - maak mijn klamme voorhoofd nat,

en hoed mijn hart stil als een kelk geheven,

tot Gij het met Uw klare licht omvat.


                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

    voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.net

canandanann - 20-02-2006 18:04:21