|
Voortdurend
op weg naar God...
Meditaties
en overwegingen rond de vraag naar God
Voorjaar
1999 H.H.Engelbewaarders Badhoevedorp
JHWH
heeft u gezegd wat goed is, mens,
en
wat Hij van u verlangt:
Hij
wil niets anders dan dat u recht doet,
dat
u de t
en
dat u in deemoed wandelt met uw God.
Micha
6,8
WAAR
IK GA: JIJ
Waar
ik ga - jij!
Waar
ik sta - jij!
Alleen
jij, weer jij, altijd jij!
Jij,
jij, jij!
Gaat
het mij goed - jij!
Als
het mij pijn doet - jij!
Alleen
jij, weer jij, altijd jij!
Jij,
jij, jij!
Hemel
- jij, aarde - jij,
boven
- jij, beneden - jij,
waarheen
ik mij wend, aan elk einde,
Alleen
jij, weer jij, altijd jij!
Jij,
jij, jij!
Levi
Jizchak van Berditschew
De
verzameling teksten die bijeengebracht is in deze bundel legt getuigenis af van "een
zoektocht naar God".
Over
God raak je nooit uitgepraat. Een aantal teksten zijn eerder gepubliceerd en
soms aangepast voor deze bundel. Het zijn allemaal pogingen om op het spoor te
komen van God. Maar het zijn ook allemaal getuigenissen die halverwege stranden.
Want God blijft ongrijpbaar. Net zoals de ziel van de mens ongrijpbaar is.
Er
zijn ook een paar bijdragen opgenomen van de hand van andere auteurs omdat zij
veel indruk op mij hebben gemaakt. Het is een bundel geworden om bij tijd en
wijle open te slaan. Ter verdieping, ter overweging misschien ook, om zo zelf op
het spoor te komen van de (zoek)tocht naar God.
Naar
God ben je voortdurend op weg...Misschien is dát ook wel een deel van de zin van ons
leven. Wie weet. Een goede tocht gewenst.
God?
God! God
als vraag en als uitroep, God als mysterie en als antwoord.
Misschien is wel géén begrip zó intrigerend, zó met vraagtekens omgeven, dan
het begrip God. Voor de mens op zoek naar God is er vaak een lange weg te gaan: een
levensweg. Talrijk zijn de getuigenissen in de geschiedenis van de mensheid
over deze zoektocht, over de vragen die gesteld worden en de antwoorden die
gegeven worden.
Wie, wat is God? Waar is God te vinden? Wanneer ervaar je iets van God? Wat zeg je eigenlijk, bedoel je eigenlijk als je het begrip God uitspreekt? Zo kunnen we veel vragen stellen. Maar
zijn er ook antwoorden die houvast geven? Of is elk antwoord voorlopig,
relatief, omdat God zich onttrekt aan onze voorstellingswereld, omdat elk woord
maar een woord is, maar een gedachte die niet in staat is om de volheid van God
maar in het minst te benaderen?
Heeft
elk mens zijn eigen God, zoals elk mens zijn eigen leven leidt en zijn eigen
waarheid heeft? E. Jabès, een filosoof, schrijft in 'De vooruit bepaalde
weg', een van zijn boeken: "De
waarheid laat zich vertellen. Zij is de geschiedenis van een leven. Ieder zijn
eigen waarheid, zijn eigen niet gepubliceerde vertelling."
Geldt
dat óók voor God - ieder zijn eigen God, vertelbaar, bespreekbaar? Net omdat
ieder mens zijn eigen leven leidt, zijn eigen waarheid ervaart en zijn eigen
beeld van God heeft kunnen we dat beeld bespreken, kunnen we het uitwisselen, en
erover oordelen. Maar is dat genoeg? Je kunt ook anders over God spreken,
bijvoorbeeld 'God als de stilte?' Lijkt God misschien meer op de stilte,
het 'niets', datgene wat buiten al onze categorieën valt?
Jabès
schrijft: "Men kan van alles
uitvinden behalve de stilte, zij vindt ons uit." In die zin kunnen wij
vragen: 'Vinden wij mensen God uit in ons denken en spreken of worden wij door
God uitgevonden of om met een bijbels woord te spreken, zijn wij door God
geschapen?'
God
schept de mens zoals wij onszelf aantreffen. Dat is een gelovige
uitspraak! Maar ook dat is niet zonder vraagtekens. Niet vanzelfsprekend. Kennen
wij onszelf wel goed genoeg om vandaar uit iets te zeggen over God? Want als wij
geschapen zijn door God, moet er toch iets van God in ons zijn terug te
vinden dat naar God terugverwijst? Wij dragen dan iets van zijn spoor
mee, zijn daad. Maar wat is dát dan?
Zou
het misschien ook niet zo zijn zoals Jabès stelt dat " aan God geloven
niets anders is dan geloven aan zijn 'vreemdheid'?" God als vreemde,
een niet te begrijpen grootheid, een niet te vatten werkelijkheid. Maar toch
een werkelijkheid waarvan we als gelovige zeggen dat die ons omgeeft, die ons
kan dragen? Hoe moeten wij dat rijmen met elkaar? Nogmaals: is er wel een echt houvast?
Of
is God zo vreemd, zo stil, zo onvatbaar als de leegte tussen de
woorden, de witte ruimte tussen de letters, waardoor de woorden pas mogelijk
zijn, pas kunnen spreken. Jabès probeert een antwoord te vinden
waar God dan te vinden zou zijn. Hij schrijft : "In elk mogelijke
zit iets onmogelijks, dat het bespot. Dit onmogelijke intussen is niet het
onmogelijke. Het is slechts het mislukken van het mogelijke."
Dat
klinkt misschien erg abstract, maar er staat dat niets volmaakt is, dat er
steeds een gebrek is, een onvolmaaktheid waardoor er steeds een open einde is.
De dingen zijn niet af. De ervaringen zijn nooit volledig, nooit voor eens en
altijd! De werkelijkheid (die bestaat en die (in principe) mogelijk is) is nooit
af, nooit definitief, nooit volledig te vangen, te beschrijven.
Hij
schrijft ook dat het onmogelijke niet te pakken is, het is ergens anders. Net
zoals het wit tussen de woorden niet te pakken valt. "Altijd elders
is het onmogelijke.
Dit
onmogelijke is God. Houd niet in je hoogmoed eraan vast, het in iets duurzaam
mogelijks
te willen veranderen. Men kan niet ‑ o zwijgen, o niets ‑ tot God
gaan. Men kan hem alleen verlaten, zoals men altijd weer terugkeert tot
zichzelf, met een leeg hoofd en lege handen."
Dit valt niet eenvoudig te begrijpen, want telkens als wij God 'niets' of 'het
onmogelijke' , 'de leegte of de stilte' noemen, onvatbaar voor ons verstand,
steeds elders, dan kunnen wij er ook nauwelijks over spreken en laten onze
gedachten ons (als het ware) in de steek.
Jabès
vergelijkt ons denken met een kaars in een donkere ruimte: "Een
brandende kaars voldoet, om de ruimte van onze gedachten, onze gebaren, onze
schriften te begrenzen. Bitter is onze teleurstelling, niet over de grenzen van
het schijnsel uit te komen. Schrijven is dan niets anders als een beetje licht
om de woorden verspreiden."
Wat hebben we dan in handen, waar ontlenen wij zekerheid aan? Wat is nog
werkelijk, wat is waar? Jabès zegt dat: "De werkelijkheid altijd
slechts een indrukwekkend heropleven van de herinnering is!"
Werkelijkheid
beleven, hier en nu, bouwt voort op wat gisteren, op wat zonet was. Het hier
en nu beleven wat er is, wat je voelt, denkt, ziet, hoort, kan niet zonder
de woorden en gedachten van gisteren, het kan niet zonder herinnering.
Kunnen wij ons God herinneren? Of moeten we het hebben van verhalen, die de
herinneringen van anderen bevatten. God die tot ons spreekt vanuit de
herinneringen van anderen.
Misschien
is de bijbel wel het boek van de Herinneringen! Uit die Herinneringen
kunnen ook wij putten. Er mee aan de slag gaan, ze tot werkelijkheid laten
worden voor ons.
Herinnering
van anderen die werkelijkheid wordt in ons leven - herinnering van onze
ouders die gestalte krijgt in ons leven - en zo verder terug in de geschiedenis.
Misschien is leven dan ook wel het gestalte geven aan de herinnering - steeds
weer opnieuw...een voortdurend proces van actueel worden van wat er al was...
Geschiedenis
als voortdurende schepping of liefde van God in een nieuwe jas? Wie weet...
2.
Een oosterse christen spreekt over God - Anthony de Mello
In
Concilium 1982 nr. 9 trof ik een artikel aan van de leraar/leidsman Anthony de
Mello over de "kennis" of "ervaring" van God. Wat volgt zijn
de woorden van de Mello; hij vertelt zijn verhaal in vijf korte hoofdstukken.
I.
Het zaad1
Waarom
is God onzichtbaar? Hij is het niet. Jouw zien is vertroebeld zodat het je niet
lukt Hem te zien. Het bioscoopscherm wordt onzichtbaar als er een film op
geprojecteerd wordt: ofschoon je voortdurend naar het doek kijkt, zie je het
niet omdat je te zeer gepakt bent door de film. De mediterende hindoe zit naar
de punt van zijn neus te kijken, het feit symboliserend dat God vlak voor ons
is, maar onze blik is gericht op iets anders, in de verte. Je hoeft nooit de
punt van je neus te gaan zoeken en vinden. Waar je ook gaat, wat je ook doet,
slapend of wakker, waarheen je je ook wendt, ze is daar vlak voor je ogen. Je
raakt haar nooit kwijt. Het lukt je alleen niet haar te herkennen.
Eeuwenlang
hebben de Hindoes van India God gezien als 'dansende' schepping Het buitengewoon
verbazingwekkende is dat de mensen de dans zien en er niet in slagen de Danser
te herkennen.
In
het zoeken naar God moet men zich realiseren dat er niets te zoeken of te
bereiken is. Hoe kan je zoeken naar iets dat vlak voor je ogen is? Hoe kan je
bereiken wat je al bezit? Wat we hier nodig hebben, is niet inspanning maar
herkenning.
De
leerlingen van Emmaüs hebben de verrezen Heer vlak voor zich, maar hun ogen
moesten geopend worden. De schriftgeleerden en Farizeeën muntten uit in
inspanning en faalden in herkenning. En de mensheid op de laatste dag zal
uitroepen: 'U was met ons en we slaagden er niet in U te zien!' Het zoeken naar
God is dus de poging om te zien.
Een
man ziet een v
Hou
op met zoeken, hou op met reizen, en je zult arriveren. Je hoeft nergens naartoe
te gaan! Weest stil en zie wat vlak vóór je ogen is. Hoe sneller je reist en
hoe meer inspanning je besteedt aan het reizen, des te waarschijnlijker is het
dat je het spoor bijster raakt. Mensen vragen waar zij God kunnen vinden.
Het antwoord is hier. Wanneer zij Hem zullen vinden. Het antwoord
is nu. Hoe zij Hem zullen vinden. Het antwoord is: wees stil en kijk.2
II.
De rotsachtige bodem
We
proberen God te 'zien'. Maar zien we ooit iets? We kijken naar een nieuwe bloem
en vragen: 'Wat is dat;" Iemand zegt: 'een lotus'. Al wat we nu hebben, is
een nieuwe naam, een nieuw etiket, maar we denken ten onrechte dat we een nieuwe
ervaring en een nieuw begrip hebben. Zodra we ergens een naam op kunnen plakken,
denken we dat we iets hebben toegevoegd aan onze voorraad kennis, terwijl we
alleen iets hebben toegevoegd aan onze voorraad etiketten.
Toen
God weigerde zijn naam te onthullen aan Mozes of toe te staan dat er een
afbeelding van Hem gemaakt werd verbande Hij niet alleen de afgoderij van de
primitieven die Hem identificeerden met een beeld, maar ook de afgoderij van de
moderne geleerde die Hem identificeert met een idee. Want onze ideeën‑
afgodsbeelden van Hem zijn even zielig inadequaat om Hem te vertegenwoordigen
als afgodsbeelden van steen of klei.
Het
woord 'Europeaan' geeft je watertandend enige kennis en absoluut geen begrip van
dit individu dat voor je staat. Je zou hem onrecht doen, als je dacht dat het
woord 'Europeaan' of wat dat aangaat willekeurig welk ander woord of groep van
woorden, je enig begrip gaf van zijn unieke individualiteit. Want het individu
is, evenals God, boven alle woorden, onuitzegbaar.
Om
deze boom te 'zien', moet ik het etiket laten vallen, want dat geeft me de
illusie dat ik, omdat ik er een naam voor heb, de boom ken. Ik moet alle
vroegere ervaringen met andere bomen laten vallen (zoals ik alle vroegere
ervaringen met alle andere Europeanen moet laten vallen, als ik eerlijk wil
zijn jegens deze individuele Europeaan hier). Meer nog: ik moet alle vroegere
ervaringen laten vallen die ik ooit gehad heb met deze boom ‑ we zijn
immers allemaal vert
En
ervaring kan niet overgedragen worden. Formuleringen zijn overdraagbaar materiaal;
ze hebben weinig waarde. Wat waarde heeft, kan niet overgedragen worden.
Het
woord, de religieuze formuleringen, het dogma waren bedoeld als aanwijzingen,
indicatoren, hulpmiddelen om mij te leiden bij mijn benadering van God. Vaak
worden ze de laatste barrière. Zoals wanneer ik een bus neem om naar huis te
gaan en weiger uit te stappen als ik ben aangekomen. Men denkt aan zoveel mensen
die rond en rond lopen in cirkels, omdat hun nooit geleerd is op te houden
met hun conceptualiseren en theologiseren over het goddelijke; die weigeren hun
discursieve reflectie los te laten in het gebed en binnen te gaan in de donkere
nacht, de conceptloze wolk waarover de mystici spreken. Zij gaan door het
leven en verzamelen steeds meer etiketten, zoals een man die steeds meer
materiële bezittingen verzamelt die hij nooit zal gebruiken.
De
rivier stroomt vlak voor je ogen en je sterft van dorst, maar je staat erop een
definitie te hebben van water, omdat je ervan overtuigd bent dat je je dorst
niet kunt lessen zonder dat je de juiste formule hebt. Het woord 'liefde' is
niet liefde, en het woord 'God' is niet God. Hetzelfde geldt voor het concept.
Niemand is ooit dronken geworden van het woord 'wijn'. Niemand is ooit verbrand
door het woord 'vuur'.
De
mens is meer geïnteresseerd in het bereflecteerde dan in het reële. Hij leeft
dan ook in fictie. En als hij nadenkt over God, leeft hij in godsdienstige
fictie. Hij wordt gefascineerd door zijn ideeën, omdat hij denkt dat ze het
reële weerspiegelen. Zijn spiegels moeten gebroken worden. Echt
voedsel en echt water is nodig om echte honger en dorst te verzadigen.
Voorstellingen van voedsel en drank zijn niet genoeg. De formule H20
zal zijn dorst niet lessen, hoe wetenschappelijk juist ze ook is. Dat geldt ook
voor zijn geloof in God, hoe waar ook. Het maakt van hem misschien een
religieuze fanaticus, maar zal de nood van zijn hart niet verzadigen.3
Is
het een wonder dat de christelijke kerken, omdat zij er niet in geslaagd zijn
dit te begrijpen, geworden zijn als uitgeputte mijnen? Wat er nu uit de mijnen
wordt opgedolven, zijn woorden en formules; en daarvan is de markt overladen.
Maar er is gebrek aan ervaring, en wij christenen worden dan ook een volk van
woorden. We leven van woorden, als een man die zich voedt met de menukaart in
plaats van het voedsel. Het woord 'God', de formules over God, worden voor ons
belangrijker dan de realiteit 'God'. Er is een groot gevaar dat, als we de
werkelijkheid zien in vormen die niet passen bij onze formules, we er niet in
zullen slagen haar te herkennen of haar zelfs zullen afwijzen uit naam van onze
formules.4
III.
De goede aarde
Deze
houding is het best te zien in de soort theologie‑scholen die wij
christenen drijven. Men zou verwachten dat deze scholen mensen afleveren die de
dorst van de moderne mens naar God lessen. Maar het zijn kopieën geworden van
wereldlijke scholen. Ze hebben professoren in plaats van meesters en ze bieden
geleerdheid in plaats van verlichting. De professor doceert, de meester wekt op.
De professor biedt kennis aan; de meester biedt onwetendheid aan, want hij
vernietigt kennis en schept ervaring; hij biedt je kennis aan als voertuig om je
er meteen weer uit te sleuren zodra de tijd komt dat kennis herkenning in de weg
staat.
Wereldlijk
leren wordt verworven door reflectie, nadenken, praten. Godsdienst wordt geleerd
door stille meditatie (In het Oosten betekent meditatie, 'dhyan', niet
reflectie, zoals in het Westen, maar het tot zwijgen brengen van alle reflectie
en gedachten). De wereldlijke school levert geleerden af. De godsdienstige
school mediteerders. Tragischerwijze veranderen de meeste christelijke scholen
voor theologie de godsdienstige geleerde in de wereldlijke geleerde. De
wereldlijke school tracht dingen te verklaren en schept kennis. De
godsdienstige school leert ons de dingen zodanig te beschouwen dat er verwondering
ontstaat. De mens heeft diep gewortelde onwetendheid. Zijn wereldlijke leren
neemt deze onwetendheid niet weg ‑ maakt die meer verborgen, geeft hem de
illusie van kennis. In de godsdienstige school wordt deze onwetendheid naar
voren gebracht en blootgelegd, want daarbinnen moet het goddelijke gevonden
worden. Maar christelijke scholen die dit doen, zijn zeldzaam; al te vaak wordt
de onwetendheid begraven onder steeds meer godsdienstige kennis.
De
christelijke godsdienstige school moet dus technieken ontwikkelen om kennis te
gebruiken als middel om onwetendheid bloot te leggen, om het woord zo te
gebruiken dat het zal leiden tot stilte. Zoals de 'mantra' of 'bhajan' in India,
waarbij het woord of de formule eerst begrepen wordt met de geest, daarna
eindeloos wordt herhaald, totdat er een stilte is geschapen waardoor de formule
wordt overgebracht van de geest naar het hart en de diepere betekenis ervan
gevoeld wordt ver boven alle woorden en formules uit. Godsdienststudenten moeten
zo geoefend worden, dat als zij lezen of naar het woord luisteren, hun hart
onophoudelijk afgestemd is op het 'woordeloze' dat klinkt in het woord. Zij
moeten door een strenge discipline heengaan totdat hun geest tot rust is
gebracht en zij leren in stilte 'de dingen te overwegen in hun hart.5
Godsdienststudenten
zullen hun bijbel lezen. Maar om de andere pagina van die bijbel zal blanco
zijn, om aan te geven dat gewijde woorden bedoeld zijn om stilte te scheppen
en te verdiepen, een stilte die verrijkt wordt door de heilige woorden, zoals de
rijke stilte die volgt op het slaan op een tempelgong. Zij zullen evenveel tijd
besteden aan de blanco pagina's in hun bijbel als aan de tekst, omdat zij alleen
zo in staat zullen zijn de tekst te verstaan. Want de bijbel kwam voort uit die
blanco pagina's, uit mannen en v
IV.
De bloem
De
bijbel leert ons dat geen mens God kan zien en in leven kan blijven. Als de
geest tot stilte is gebracht, wordt God gezien en sterft het eigen ik. De
meesters van het Oosten stemmen hiermee in: als stilte het hart binnenkomt,
sterft het eigen ik. Hoe? Niet door vernietiging maar door 'visie'. In de stilte
van het zwijgen 'ziet' men dat het eigen ik een illusie is. De psychoticus die
dacht dat hij Napoleon was, wordt genezen als hij 'ziet', zich realiseert dat
zijn Napoleon‑ik een illusie is. De mens wordt genezen als hij 'ziet',
ervaart, dat zijn ik‑als‑centrum, zijn ik‑als‑apart,
'maya' is, illusie.
Het
is alsof de dans tot zichzelf zou komen en 'zien' dat ze geen centrum heeft,
geen bestaan los van de danser; dat ze helemaal geen 'zijnde' is, maar een
actie. Alleen de danser is zijnde. Alleen de danser bestaat. De dans niet; ze
is‑in‑de‑danser. God zei tot Caterina van Siëna: 'Ik ben Hij
die is. Jij bent zij die niet is.' Als je binnengaat in de stilte, ervaar je dat
je niet bent; het centrum is niet langer in jou; het is in God; jij bent de
periferie. Men herinnert zich de machtige woorden, toegeschreven aan meester
Eckhart: 'Slechts éen wezen heeft het recht, het persoonlijk voornaamwoord 'ik'
te gebruiken: God!'
Degene
die dit ervaart, wordt een ontwaakte. Hij wordt een 'niemand', een leegte, een
'incarnatie' waardoorheen het goddelijke schijnt en handelt. De dichter, de
schilder, de musicus ervaart soms geïnspireerde momenten waarop hij zichzelf
schijnt te verliezen en een creatieve activiteit door zich heen voelt stromen
waarvan hij meer het kanaal is dan de bron. Wat hij op deze wijze ervaart,
ervaart de ontwaakte in zijn leven. Hij is actief, maar niet langer de acteur.
Zijn handelingen worden gebeurtenissen. Hij ervaart zichzelf als dingen doende
die tegelijkertijd niet door hem gedaan worden: ze schijnen via hem te
gebeuren. Zijn inspanningen gaan zonder inspanning, zijn werk wordt spel, een
'leela', een goddelijke sport. Kan het anders als hij zichzelf ervaart als een
dans die gedanst wordt door het goddelijke, als een holle fluit waardoor Gods
muziek stroomt?
V.
De vrucht
Als
stilte de dood van het ik voortbrengt, wordt liefde geboren.
De ontwaakte ervaart zichzelf als anders, maar niet apart van andere mensen en
van de rest van de schepping. Want er is maar één Danser en heel de
schepping vormt één dans. Hij ervaart ze alle als zijn 'lichaam', zijn ik. Hij
bemint dan ook alle mensen zoals hij zichzelf bemint.
Hij
gaat niet noodzakelijkerwijze uit om te dienen. Hij weet dat iedereen die tracht
te dienen, in het gevaar verkeert te worden zoals zoveel 'liefdadige' mensen die
helemaal niet religieus zijn; zij zijn schuldig; goed‑doeners die
zich altijd bemoeien met het leven van anderen.
Het
is helaas mogelijk je goederen te geven om de armen te voeden en je lichaam te
laten verbranden en toch nog de liefde niet te hebben. De beste manier om
de wereld te dienen is dat JIJ verdwijnt. Dan word je een voertuig van het
goddelijke. Dan zal dienst spontaan gebeuren, maar alleen als het goddelijke je
ertoe drijft. Het zou je er evengoed toe kunnen drijven liederen te zingen of je
terug te trekken in de woestijn, en de hele wereld zal verrijkt worden door jouw
liederen of door jouw stilzwijgen, in plaats van gekwetst te worden door jouw
dienst.6
In
wat je ook doet, dienst of stilzwijgen of lied, je zal totaal opgeslorpt worden,
want je 'ik' zal niet langer in de weg staan en je zal aan elke activiteit heel
je wezen geven. Dit is godsdienst op zijn hoogtepunt. Niet zitten in
eenzaamheid, niet zingen van gebeden, niet naar de kerk gaan, maar het leven
ingaan. Elke handeling van je vloeit nu voort uit stilte, uit een tot zwijgen
gebracht ik. Elke handeling van je is nu meditatie geworden.
Christelijk
handelen is tegenwoordig in gevaar, voort te vloeien uit praten en reflectie,
meer dan uit stilte. Christendom is in het gevaar een pratende en denkende
godsdienst te worden. Over de eucharistie wordt gesproken als over een
celebratie (feestelijk vieren), maar is meestal een cerebratie (vanuit
het verstand spreken) geworden‑ de priester spreekt tot het volk, het
volk spreekt antwoorden tot de priester of tot elkaar, en priester en volk
spreken tot God. Als we van godsdienst weer een celebratie zouden willen maken,
moeten we minder denken en minder spreken, en meer zwijgen en dansen.7
(Uit
het Engels vertaald door H. Wagemans)
NOTEN:
1.
Steeds meer christenen in het Westen keren zich naar het Oosten voor leiding in
het gebed. Dit artikel probeert hun te laten zien wat het Oosten hun kan Ieren
‑ of liever wat het hun kan helpen herontdekken in hun eigen traditie.
2.
Een oosters verhaal gaat over een oceaan‑vis die op zoek gaat naar de
oceaan; waar de vis ook heengaat, hij vindt geen spoor van de oceaan, alleen
maar water!
3.
Een Arabische mysticus vertelt over een man die in de woestijn dreigt te sterven
van honger; in de verte ziet hij een zak en rent erheen, in de hoop dat ze iets
eetbaars bevat, maar ze zit vol edelstenen.
4.
Een soefi‑meester zegt: 'Een ezel die gehuisvest wordt in een bibliotheek,
wordt niet wijs. Zo heeft al mijn godsdienstige kennis mij niet beter gemaakt,
zoals een verlaten plek ook niet vruchtbaar wordt doordat er een schat in
begraven ligt.'
5.
Een regeerder vroeg de grote Rinzai naar het geheim van godsdienst in een woord.
'Stilzwijgen,' zei Rinzai. 'En hoe komt iemand tot stilzwijgen?' 'Door
meditatie.' 'En wat is meditatie?' 'Stilzwijgen.'
6.
'Neem me niet kwalijk,' zei de aap terwijl hij de protesterende vis op een
boomtak legde. 'Ik zorg er alleen maar voor dat je niet verdrinkt.' Dienst kan
vermoorden!
7.
Aan een goeroe werd door een leerling gevraagd hoe hij God bereikt had, en hij
antwoordde: 'Door het hart wit te maken met stille meditatie, niet door papier
zwart te maken met godsdienstige opstellen.' Noch, mogen we hieraan toevoegen,
door de lucht dik te maken met geestelijke gesprekken.
'Zijn
de dagen van God geteld?' Zo luidt de titel van een boek dat ik onlangs in handen
kreeg. 'Geloof en vert
De
schrijvers van het laatste boek vragen zich af of geloof en vert
De
schrijvers van het eerste boek geven de stand van zaken weer op hun eigen
vakgebied, dat van de theologie en de ethiek. Is er in de nabije toekomst nog
wel ruimte om in God te geloven, laat de 'maakbare samenleving' die velen voor
ogen staat nog een plaatsje over voor het religieuze bewustzijn? Of staat alles
in het teken van een nieuwe 'moderniteit' , het volslagen nieuwe ook en
vooral op technisch gebied?
Ik
kan mij zo voorstellen dat over 50 jaar de wereld volslagen is veranderd: de
computertechnologie verbindt iedereen met iedereen, ons woonhuis is een groot
informatiescherm geworden dat zelfs op het toilet kan worden geraadpleegd;
voor elke kortstondige ziekte, elk gevoel van onbehagen slikken we een
pilletje of een drankje en een 'vreugdevolle en opgewekte' stemming keert terug.
Niemand lijdt meer honger, want er zijn genoeg vervangende middelen, weliswaar
kunstmatig, maar het werkt, de honger is voorbij. Er is ook geen oorlog meer
want de wapens zijn zo geavanceerd dat toepassing onmogelijk wordt zonder zelf
veel schade te ondervinden. Ook is er geen verplicht werken meer want het meeste
wordt door robots gedaan. De mensen vullen hun tijd met leren,
informatie‑uitwisseling en reizen. Maar dat laatste is eigenlijk niet meer
echt nodig want in je huiskamer kun je de mooiste landschappen en steden
tevoorschijn toveren. En de kerk? De godsdienst?
Die
komt ook aan huis, via het scherm, een opwekkend praatje in de ochtend, om bij
de les te blijven, en in de avond om kort alles op een rij te zetten, want men
heeft inmiddels ontdekt dat die 'oude gewoonten' van ochtend‑ en
avondgebed nog niet eens zo slecht zijn. En Jezus, die spreekt ons toe vanaf de
huiskamermuur, omringd met leerlingen en al, in de setting van 2000 jaar
geleden.
Maar
het zullen waarschijnlijk niet de woorden van de bergrede zijn. Die zal men
beschouwen als achterhaald. En ook
niet de woorden van de profeet Jesaja over het Rijk van God, want dat hoeft niet
meer aan te breken. Iedereen is tevreden.
Zijn
de dagen van God geteld? Ja, die zijn geteld, in een samenleving waar alleen het
genoegen, de lust en de bevrediging tellen. God speelt niet meer mee, hij staat
buiten spel waar alles voor de wind gaat.
Maar
de dagen van God zijn niet geteld, in een samenleving waar verdriet,
Is
er nog geloof en vert
Want
'maakbaar' of niet, onze wereld en onze daden blijven ambivalent. Met veel goede
bedoelingen kunnen toch veel mensen ongelukkig worden gemaakt. Dat gebeurt bijna
elke dag.
Wij
mensen blijven sterfelijk, wij blijven kwetsbaar en het grootste geschenk dat
wij van God hebben gekregen is onze taal, de woorden waarmee wij onze menselijke
vrijheid kunnen uitdrukken en gestalte geven. We kunnen en mogen
'nee' zeggen, zelfs tegen God.
Dat
is het risico dat God wilde lopen (en nog steeds loopt) toen hij een begin
maakte met de schepping van de mens. Deze vrijheid is kostbaar. Zij is tevens de
garantie dat de mens zijn leven zal kunnen leiden in het voetspoor van Gods
aanwijzingen, de tien geboden. De rest is eigenlijk opsmuk, versiering, maar
zeker géén noodzaak.
"Alle
lust wil diepe, diepe eeuwigheid" , schreef de dichter Goethe eens. Maar
het is slechts God die in de bijbel 'de Eeuwige' wordt genoemd. Buiten
Hem leiden alle wegen slechts naar kortstondig geluk want de mens is niet in
staat om aan zijn leven 'eeuwige' zin te geven en daarmee 'eeuwig
geluk'.
De
mens staat niet aan zijn eigen wieg ‑ in dit leven geworpen zal hij
tastend en moeizaam zijn weg moeten ontdekken naar een zinvol en waardevol
leven. Zijn medemensen kunnen hem hierbij behulpzaam zijn, zij kunnen het goede
voorbeeld geven, net als de 'zeldzame' mensen die in de situatie van Auschwitz
met de dood voor ogen toch nog hun brood durfden te delen, die in het aangezicht
van de gaskamer uitriepen dat ze op God bleven vert Is
er nog vrijheid in 2050, of anders uitgedrukt is er nog geloof en vert
Menselijkheid
is niet alleen een kwestie van mensen; humanisme is voorwaarde en
noodzaak voor een menselijke samenleving, maar het is niet genoeg; de
onmenselijkheid vormt maar al te vaak een te hoge muur.
Dat
laat het verhaal over de uittocht van Egypte zien, onder leiding van Mozes, de
uittocht uit het slavenland, het land van de angst. Zonder aanmoediging van de
kant van God, zonder diens hulp zou er géén sprake geweest zijn van een nieuw
Israël, en een Jezus van Nazareth. Dan zou de hoop die eeuwenlang in de harten
van de mens is gezaaid al lang zijn verstikt, doodgebloed; de wereld zou een
groot concentratiekamp zijn. Wij mensen moeten het zelf doen, maar wij hebben
een steuntje in de rug nodig, we hebben verhalen, beelden nodig die ons op de
been houden. En al zou God alleen maar een 'idee', een beeld zijn, maar
een beeld dat ons in leven houdt, het zou (misschien) genoeg zijn.
Het
meest vluchtige en vergankelijke, het meest vage en onduidelijke, het meest
kortstondige en relatieve blijkt misschien wel de meeste eeuwigheidswaarde te
bezitten ‑ want zeggen wij niet telkens weer opnieuw: 'maak geen beeld,
geen afbeelding van God, zo gauw je Hem vastlegt maak je Hem machteloos'.
God
is onzichtbaar, onkenbaar en alles overstijgend wat een mens kan bedenken.
Misschien is dat wel zijn grootste kracht, dat wij mensen het helemaal zelf
mogen uitzoeken, dat wij zelf het lot van de wereld in handen hebben gekregen.
Hoeveel vrijheid, hoeveel geluk is er dan niet mogelijk?
Daar
kan niemand ooit genoeg van krijgen, vrijheid als stromen levend water, vrijheid
als eeuwig licht, vrijheid als onbeperkte liefde, dat is God. Dat is een
geschenk van God aan ons mensen, voor ieder van ons bereikbaar, ook in 2050.
God
heeft vele namen, ook in de bijbel. Een van die namen is God als leven
gevende adem. God geeft adem aan alles wat leeft, ook aan de mens. Misschien
zou je ons als mensen daarom kunnen beschouwen als een stukje God.
Jezus
noemde God zelfs 'Vader'. Dat wil zeggen dat hij een heel speciale en intieme
band met Hem voelde. Misschien is het wel 'n deel van de taak van de mens om
in het leven te ontdekken wie God voor hem/haar is en wie hij/zij als mens
voor God is en voor de naaste medemens.
Want
God en mens horen voor de gelovige mens bij elkaar als onverbrekelijke delen
van één geheel. Maar dat moet je ontdekken, daar is veel tijd en vooral
veel goede wil voor nodig. Misschien ben je daar wel een heel leven mee
bezig: deze ontdekkingstocht naar God en daaronder verborgen de ontdekkingstocht
naar wie je zelf bent.
Wij
mensen hebben God vele namen gegeven. Elke naam drukt iets bijzonders uit, iets
specifieks, en vaak ook iets persoonlijks. Toch zijn wij eigenlijk allemaal
kinderen van dezelfde God ongeacht hoe wij staan ten opzichte van Hem.
In
onze gelovige taal kennen wij ook veel verhalen over God en de mens, verhalen
die sleutels kunnen zijn tot het verstaan van ons leven. Maar vaak passen die
sleutels niet altijd op de situaties in ons leven. Zo moet je niet met
bijbelverhalen aankomen als een soort compendium (antwoordboek) voor alle
levensvragen. Zo makkelijk ligt dat niet.
'Verhalen'
wil ook zeggen zin zoeken, zin leren ontdekken, antwoorden zoeken die weer
nieuwe vragen oproepen. En wat blijkt dan: het leven staat niet stil, er is
verandering, en ook de betekenissen veranderen, de mens verandert en óók God
verandert. Als je dan als mens zegt dat jij de enige én juiste betekenis hebt,
zeg je eigenlijk met andere woorden dat jij het beste en de slimste bent ‑
veel slimmer en beter dan al die andere mensen om je heen en de mensen die voor
jou hebben geleefd en gesproken.
Je
vergeet dat je ook maar een stukje van het geheel bent, en dat je echt niet
alles kunt overzien of doorzien. En als je slechts één klein stukje van het
geheel bent, als je leven en alles wat je meemaakt slechts een 'milli‑milli‑milliseconde'
(en nog veel kleiner) is op de tijd van het ontstaan van de kosmos dan hoef je
echt geen grote pretenties overeind te houden.
Maar
toch ben je ook een stukje van God, geboren uit zijn adem en daarom een stukje
God in jou zelf. Als we daar nou eens zouden starten, bij dat besef dat je een
stukje God in je hebt, en die ervaring met elkaar delen en uitdiepen.Dan zouden
er heel wat minder woordenwisselingen plaatsvinden die te vaak uitlopen op
intolerantie en bloedvergieten.
Kenmerkend
voor een mens is dat hij kan huilen. Er is geloof ik geen dier bekend dat tranen
huilt van verdriet. Alleen de mens is daartoe in staat. Hoe zou het met God
zijn? Zou hij kunnen huilen? Misschien zijn de zoute zeeën wel de tranen van
God: vergoten om zoveel onbegrip en hardvochtigheid aan de kant van de mens,
zijn dierbaarste schepsel?
Vrijheid
wordt vaak begrepen als vrij van uiterlijke dwang, van plichten en moeten. Maar
"ware vrijheid is altijd innerlijke vrijheid", vrij van innerlijke
dwang, van behoeftes en verlangens. Niet dat verlangens en behoeftes verkeerd
zijn, maar ze kunnen je van het doel afleiden, het doel van je leven.
"Wat
is dat doel dan?", zult u misschien vragen, "wat kan een doel zijn
waar je jouw verlangens en je behoeftes voor opzij schuift?"
Opzij
schuiven is eigenlijk niet het juiste woord, eigenlijk komt het erop aan dat je
jouw leven niet vollédig laat bepalen door je verlangens, maar dat je er de
baas over blijft.
Als
je de maag zijn gang laat gaan blijf je eten, als je een kind alles toestaat wat
het verlangt dan krijg je een vreemd soort mens ‑ dát kind zal nauwelijks
uit kunnen groeien tot een evenwichtige persoonlijkheid.
Wat
kan een nastrevenswaardig doel zijn in een mensenleven?
Een
goede carrière? Een goed inkomen, van alle materiële zorgen vrij? Natuurlijk dát
kan, tallozen streven tegenwoordig níets anders na en offeren al hun vrije tijd
en hun creativiteit op aan de zaak of het werk waar zij betrokken zijn.
Maar
brengt dit doel ook 'geluk'?
Misschien
is het woord 'geluk' een te groot woord, maar ik geloof dat wij op de een of
andere wijze toch proberen om in dit (soms korte) leven gelukkig te worden. En
als werk, een huis, een carrière niet altijd genoeg geluk verschaffen om jezelf
'gelukkig' te kunnen noemen, wat kan dán een nastrevenswaardig doel in je leven
zijn?
Misschien
moeten wij het antwoord wel dieper in ons zelf zoeken? In de trant van:
"gelukkig
word je pas als je ontdekt wie jezelf ten diepste bent, en als je in die ontdekking
mag ervaren dat je als mens geschapen bent naar de ander toe".
Ik
zet deze zin bij voorkeur tussen aanhalingstekens omdat ze geïnspireerd is door
de woorden van de mystici. Zij stellen dat in elk mens een kern aanwezig is, een
kern van liefde die daar door God is neergelegd, een kern ook die je als mens op
de been houdt, die onaantastbaar is voor hen die je willen bedreigen, (Abel
Herzberg zegt ongeveer hetzelfde in zijn boek Amor Fati, een neerslag van zijn
concentratiekampervaringen).
Die
innerlijke kern van liefde is de oorzaak ervan dat je als mens vol verlangen zit
naar de ander, verlangen naar acceptatie en naar liefde. Ontdekking van die
eigen kern is een wonderlijke ervaring. Een gevoel van grote vrijheid, want
niets kan je uiteindelijk echt bedreigen. Puur geluk!
"Maar
waarom ontdekken wij die kern dan zo moeilijk, of met andere woorden waarom zijn
wij niet allemaal gelukkig?", zult u misschien vragen.
Omdat
wij bang zijn. Omdat in ons leven ook een tegengestelde kracht aanwezig is, als gevolg
van onze geschapenheid, omdat wij ook lichamelijk zijn. Je zou het een soort
oerdrang, een instinct om te overleven kunnen noemen, de angst om te kort te
komen.
De
mystici zeggen dat deze twee grote krachten, de innerlijke liefde, en de angst
om te verliezen voortdurend in gevecht zijn met elkaar. Echt vrij kun je pas
worden als je de oerkracht die de angst voedt, in toom kunt houden.
De
mystici zeggen níet dat de ene kracht helemaal moet verdwijnen, dat is
onmogelijk, dat vindt waarschijnlijk pas plaats bij onze dood, als wij ons
lichaam moeten verlaten; maar zij pleiten voor een sterke zelfbeheersing, een
zoektocht ook in je leven naar de diepe innerlijke kern van liefde.
En
dát is het fijne, als je die kern gevonden hebt, ontdek je niet alleen hoe vrij
je eigenlijk bent, maar ook hoe die liefde iedereen en alles doortrekt. Dat is
het getuigenis van de mystici.
Misschien
wordt het ook ons getuigenis, onze vrijheid, als wij maar durven, als wij onze
angst om te verliezen kunnen loslaten. Wie weet dan hoeveel liefde en geluk wij
kunnen verspreiden, hoeveel macht in onze handen is gelegd om het goede te doen;
alvast een goede zoektocht gewenst.
"Fernando
Silva leidt het kinderziekenhuis in Managua. Op de avond voor Kerstmis had hij
tot heel laat doorgewerkt. De vuurpijlen knalden al en vuurwerk begon de hemel
in kleurig licht te zetten, toen Fernando besloot om weg te gaan. Thuis werd er
op hem gewacht om het feest te vieren. Hij maakte een laatste ronde langs de
zalen om te zien of alles in orde was.
En
terwijl hij daarmee bezig was, hoorde hij voetstappen die hem volgden.
Voetstappen van watten: hij draaide zich om en zag dat een van de zieke kinderen
achter hem aanliep. In het halfdonker herkende hij hem. Het was een jongetje dat
alleen was. Fernando herkende zijn reeds door de dood getekende gezichtje en die
ogen die excuus vroegen of misschien toestemming.
Fernando
ging naar hem toe en het jongetje raakte zijn hand aan:
'Zeg
tegen...,'
fluisterde hij, 'zeg tegen iemand dat ik hier ben...'"
Uit:
Eduardo Galeano, Het boek der omhelzingen, Novib 1991
'Zeg
tegen iemand dat ik hier ben...' Deze
woorden sneden door mijn ziel toen ik dit kleine verhaal las op de achterkant
van het decembernummer van Jota, een bijbels tijdschrift.
Waarom
raakten ze me zo diep, zelfs tot tranen toe?
Identificeerde
ik me misschien met het kleine jongetje die daar alleen was, en die toch durfde
vragen om een beetje aandacht? Of was het eerder met de arts, de laatste
persoon in het gebouw die nog langskwam?
En
als ik zo diep geraakt wordt, dan moet er iets in mij zijn dat zich raken laat,
dat geraakt kan worden door deze indringende woorden. Wat is dat dan?
Hoe
heeft de arts gereageerd? Er wordt niets over gezegd in het verhaal. Maar hoe
zou ik zelf reageren? Thuis zou er op me gewacht worden. De werktijd zat
erop met overuren en al en dan deze stille zachte stem.
Misschien
spreekt God wel zo tot ons, onverwacht, vanuit het zwakke, vanuit de
zwakke mens. Misschien kijkt de hemel mee hoe we reageren, of we de stem
verstaan, of we het antwoord geven dat gevraagd wordt van ons? Wie weet.
Ik
ben vaak geneigd het laatste te geloven. Ik geloof dat God zo tot
ons kan spreken, rechtstreeks, recht tot in onze ziel. Dan is er eigenlijk géén
ontsnappen meer. Want elke ontsnapping veroorzaakt heel veel pijn: bij de mens
die je links laat liggen en bij jezelf, diep in je ziel, omdat je geen antwoord
gaf waardoor een mens "gered" werd voor dat moment.
'Zeg
tegen iemand dat ik hier ben...' De
woorden laten me niet los. En dat is goed zo. Zo houd ik de ontroering vast,
vergeet ik niet, dat ik nodig ben. Óók dat is goed. Want leven doe je altijd
samen, altijd met het oog óók op de ander! Nooit zal dat laatste anders zijn.
Zo is het goed.
Partnerschap
tussen God en mens
Vriendschap
tussen gelijken
Jij
en Ik, Ik en Jij
Gesprek
Dialoog
dat
is wat wij leren
uit
de ontmoeting tussen God en Mozes
God
en Elia
God
en Samuël
God
en Jezus
En
God spreekt
de
mens antwoordt
De
mens spreekt
vraagt
smeekt
God
geeft antwoord
zwijgt
stilte
de
stilte als Aanwezigheid
God
in de stilte
God
is stilte
Wij
ontmoeten God
als
wij stil worden
openstaan
langzaam
opengaan
voor
het onbegrijpelijke
voor
Zijn Naam
Zijn
woord
van
leven
klank
van water
kabbelend
van
de rotsen
Bron
van leven
Lamp
voor onze voeten
mens
en God
Ik
en Gij
Ik
en Jij
partners
vrienden
voor het leven
8.
Alles wat ruimte inneemt is sterk én kwetsbaar
In
een chinees sprookje wordt verteld over een grote zware berg. De berg is massief
en sterk, en hij neemt het licht weg. Op een dat besluit de man, die zijn kleine
huisje tegen de berg heeft gebouwd, dat de berg moet verdwijnen. De mensen
lachen hem uit, maar hij begint te graven. Zijn zonen helpen mee. Jaren
verstrijken en de man sterft. Zijn zonen gaan verder. Tot het moment aanbreekt
dat de laatste stukjes van de berg zijn verdwenen. Alles wat ruimte inneemt
is sterk én kwetsbaar.
Zo
is het ook met levende dingen, met mensen én met namen. Alles wat ruimte
inneemt, of wat met behulp van ruimtelijke begrippen wordt beschreven is sterk
én kwetsbaar. Een mens, hoeveel mogelijkheden heeft hij niet, hoeveel kan hij
niet met hoofd en handen bewerkstelligen? Maar ook hoe kwetsbaar is zijn broze
lichaam: een klein adertje in het hoofd hoeft maar te springen en hij is
verlamd, een korte schokgolf in de hartstreek of zijn leven wordt afgebroken of
verandert totaal.
Zo
is het ook met namen. Beschrijven wij een naam van iemand met behulp van zijn
daden (in een concrete ruimte) dan wijst dat op zijn sterkte, maar het is ook
zijn zwakte. Neem de Naam van God. Als God wordt beschreven door de daden die
Hij deed, dan is dat prachtig. Maar wij mensen vragen ook: Kom God, daal neer,
red ook mij, net zoals je het volk van Israël hebt gered uit de slavernij in
Egypte. En dan gebeurt het niet, wat dan?
Daarom
noemt God in de bijbel zijn eigen Naam JHWH:"IK
BEN HIJ DIE IS", of in gewoon Nederlands: Ik ben er voor jou. Een
Naam zonder franje van ik zal het zus of ik zal het zo doen, een Naam zonder
nadruk op een eigenschap of een concrete daad. God houdt zich op de vlakte. Zijn
domein is de tijd, de eeuwigheid. Want dát wil eeuwigheid zeggen: niet vast
te leggen in een ruimte.
Daarom
is God van alle tijden, is Hij er voor elk van ons. Daarom is níet de ruimte
het belangrijkste voor ons geloven, maar het vasthouden aan de tijd; de
kerkelijke feesten; het levend houden van de herinnering.
De
herinnering bevat de mogelijkheid van bevrijding, van verlossing. En net zoals
de leegte tussen de afzonderlijke letters en woorden de woorden pas zichtbaar
maken en daardoor de betekenis onthullen zo maakt de Naam van God geformuleerd
in tijd en eeuwigheid de daden pas zichtbaar van de mensen die zich aan Hem
durven overgeven: Abraham, Izaak en Jakob en in hun voetspoor misschien
wijzelf.
9.
Een enkeling slechts vermag God in het donker te zien.
In
de ogen van gelovige Joden is Mozes de grote leraar, de grote rabbi van het
volk. Deze positie heeft hij niet zonder reden gekregen.
In
het boek Exodus lezen wij hoe Mozes contact hield met God en hoe God met Mozes
sprak alsof het vrienden waren. Van geen enkele profeet of andere persoon wordt
dit in de bijbel gezegd. Zelfs niet van Jezus van Nazareth.
Mozes
had een heel persoonlijke relatie met God; Dat vind ik verbazingwekkend en ik
vind het hoopvol.
Terwijl
het volk op een afstand bleef staan, trad Mozes toe op de donkere wolk waarin
God aanwezig was (Exodus 20,21).
God
verschijnt in een donkere wolk, in het donker. En Mozes mag naar Hem toe en met
Hem praten. Het staat hier beschreven alsof het vanzelfsprekend is! Alsof het de
gewoonste zaak van de wereld is: praten met God, luisteren naar wat God je te
vertellen heeft.
Hoe
vaak roepen wij mensen niet luid naar de hemel naar God, dat Hij ons hoort, dat
Hij ons verlost van onze pijnen en ons verdriet. Hoe vaak smeken wij
niet:
Heer ontferm u over ons. En hoe vaak lijkt het niet alsof het allemaal
niets
uithaalt.
En dan staat hier in de bijbel dat God met Mozes praat en dat Mozes naar God
toegaat en Hem zelfs in het donker vindt.
Wij
mensen zien God niet bij daglicht, en ook niet in de nacht, wij horen nooit
zijn stem, God lijkt absoluut afwezig. Wat moeten wij dan met het verhaal van
Mozes? Natuurlijk zullen er genoeg mensen zijn die dit niet geloven, die het
maar een verhaal, een verzinsel vinden, anderen zal het misschien helemaal niets
kunnen schelen, maar er zullen ook mensen zijn die erover na willen denken.
Het
verhaal over God en Mozes heeft een bedoeling, het verhaal wil ons iets
meedelen. Er zijn veel betekenissen, er zijn veel verklaringen mogelijk. Daarom
is het een verhaal van alle tijden, voor alle mensen.
God
spreekt, Hij spreekt in het donker, hij spreekt tot een enkeling die Hij heeft
uitverkoren, maar door die enkeling spreekt Hij tot iedereen. Je zou het zo
kunnen lezen: wees niet bang, ook niet in het donker, als de pijn groot
is en de lasten zwaar zijn. Durf te vert
de
Heer. Wij zingen het elke viering in het Sanctus: "heilig, heilig,
heilig, de God der hemelse machten, vol zijn hemel en aarde van zijn
heerlijkheid. Hosanna in den Hoge. Gezegend hij die komt in de Naam des Heren,
Hosanna in den hoge"
Benedictus
qui venit in nomine Domini: Gezegend hij die komt in de Naam van de Heer.
Misschien moeten wij wat beter uitkijken naar die mensen om ons heen die in de
Naam van de Heer komen, misschien zijn wij het soms zelf wel die voor anderen
een zegen kunnen zijn, die aan anderen een stukje zegen kunnen brengen. Ook in
het donker, misschien net wel in het donker.
"Heeft
Hij ons bidden opgevangen" (Randstadbundel lied:161)
Verhoort
God ons gebed? Ook in dit nieuwe jaar?
Velen
zijn misschien van mening van niet. Als ze om beterschap vragen worden ze niet
beter. De ziekte blijft én ook de strijd, de worsteling om de hoop levend te
houden. Vaak valt dát niet mee. Je voelt je dan machteloos, misschien zelfs wel
afgedankt. Hoeveel je ook bidt, je wordt niet (meer) gezond.
Dat
is een harde waarheid. Gebeden geven vaak ('meestal'?) geen genezing. Wat
doen ze dan wel? Heeft het wel zin om voor genezing te bidden? "Sowieso",
waarom zou je "überhaupt" bidden. U hoort het: ik heb twee
Duitse leenwoorden nodig voor deze éne zin om de twijfel uit te drukken.
Hoe
je het ook wendt of keert, het lijkt vaak alsof God onze gebeden niet verhoort.
Ligt dat aan God, wil en kan hij niet ingrijpen vanuit de hemel? Ligt het
misschien aan ons, zetten we ons misschien te weinig in, geloven we te weinig in
de kracht van ons gebed, tonen we te weinig vert
In
de mystiek is "Kawwaná" van cruciaal belang. Mystici,
kabbalisten werden dan ook vaak aangeduid als "mekawwanim": dat
betekent: "zij die altijd bewust handelen" of beter: "zij
die zich voortdurend afstemmen". Bidden met "kawwaná"
betekent dus: je voor de volle honderd procent afstemmen op God, je helemaal
overgeven en al je aandacht concentreren op datgene wat je vraagt, of op de mens
voor wie je bidt.
"Wie
geloof heeft ter grote van een mosterdzaadje"...wie van ons kent niet
deze uitspraak van Jezus? "Deze mens kan bergen verzetten".
Is
dat waar? Kunnen wij met onze gebeden "bergen verzetten"? Of is
het illusie om dat te denken, om dat te verwachten. Bidden we misschien niet om
de verkeerde dingen, dingen die ook God níet kan herstellen. Zoals het
terugbrengen van een gestorven geliefde, het opheffen van kanker of een andere
vreselijke ziekte. Het ongedaan maken van een ramp.
Misschien
moeten we eerder vragen en bidden om kracht, om durf, om moed, om hoop diep in
ons hart. Misschien moeten we onze aandacht van God verplaatsen naar onszelf.
God vragen dat we zelf sterk mogen zijn, dat we leren met ons noodlot om
te gaan, dat we kunnen dragen wat ons is overkomen. Niet van God verwachten dat
Hij alles zal opheffen, herstellen en ongedaan maken, wat menselijkerwijze
gezien niet meer kan.
In
de mystiek wordt hier genuanceerd over gedacht. Ons bidden is nooit vergeefs!
De
hemel luistert en hoe groter onze inzet, hoe dieper onze intentie hoe eerder we
worden gehoord. Maar hoe stem je jezelf dan af op God, hoe bidt je met "Kawwaná"
zodat we worden gehoord?
Met
onze oren van het verstand (van ons dagelijks bewustzijn) kunnen we deze
diepe ervaring van vert
Maar
wat niet met het verstand constateerbaar is hoeft nog niet afwezig te zijn.
Misschien moeten we met andere oren leren luisteren, met andere ogen leren
kijken, met de ogen van ons hart, van onze ziel. En dat gaat via het gevoel, via
de intuïtie. Het is bijna hetzelfde als met engelen: met ons verstand kunnen
we er niet in geloven, maar voor ons gevoel kunnen we bijna niet anders!
Wie
van ons voelt zich niet goed bij het idee dat een beschermengel, een
Engelbewaarder over ons waakt? Hoe vaak zijn we misschien net aan een
ernstig ongeluk, aan een levensbedreigende situatie ontsnapt? En wie was
daarvoor verantwoordelijk? Of was het alleen maar toeval?
Maar
omgekeerd kunnen we ook vragen: doet de Engelbewaarders zijn werk niet
goed als toch iemand onverwacht sterft in een verkeersongeluk? Of zijn er andere
factoren in het spel? En welke dan?
U
begrijpt natuurlijk dat ik niet hét antwoord heb op deze moeilijke
vragen. Wat ik wel weet is dat het hart zijn redenen heeft die het verstand niet
kent. En wat ik ook weet is dat bidden niet zinloos is. Ik heb zelf pas echt
leren bidden in de afgelopen jaren dat ik hier in Badhoevedorp werk. Dat heb ik
langzaam ontdekt. Stapje voor stapje. Want bidden is niet vanzelfsprekend:
het is vooral je over durven te geven, overgeven aan God, overgeven ook aan het
diepste in jezelf dat we van God ontvangen hebben: onze ziel.
En
onze ziel, zo geloof ik, is direct verbonden met de goddelijke bron waaruit zij
stamt. In onze ziel brandt goddelijk licht, de glans van God: het zijn Vonken
van God, vonken die goddelijk bewustzijn verbeelden. Via ons menselijk
bewustzijn kunnen we hier contact mee krijgen. Dat is níet alleen een
kwestie van overgeven, maar vooral ook een kwestie van concentratie en
zelfonderzoek, speuren naar je diepste bronnen, van weten wie je bent, waar
je staat en wat je allemaal in huis hebt.
"Ik
ben bewust. Ik kan vrij kiezen in mijn leven. Ik ben een gave persoon en ik ben
dankbaar dat ik leef." Deze woorden stammen uit een
meditatieoefening om je bewust te worden van je zelf, van de heelheid diep in je
ziel. Je kunt je zelf influisteren: "Ik ben dankbaar dat ik het vermogen
heb dingen te zien, te begrijpen, licht van donker te onderscheiden en waarheid
en onwaarheid. Mijn geest werkt en ik ben dankbaar voor mijn inzicht."
U
kunt tegen uzelf zeggen op een rustig moment: "diep in mij brandt zuiver
licht, het licht van God. Hij is mijn diepste bron, uit Hem leef ik, vat ik
moed, kan ik verder gaan, durf ik op weg te gaan, is geen hindernis mij te hoog;
ook als ik val, val ik nooit uit zijn handen. Zijn licht brandt voor altijd diep
in mij. Mijn ziel is zuiver, vol van Gods licht."
Het
is een mystiek inzicht dat zegt: via ons bewustzijn maken we contact met God
omdat het menselijk bewustzijn van dezelfde "stof" is als het
goddelijk bewustzijn. In die zin is de mens geschapen naar Gods'beeld en
gelijkenis. Het licht van God stelt ons in staat via ons bewustzijn contact te
maken met onze diepste bron: God zelf. Dat is een optimistisch beeld, een
opwekkende gedachte. Want zo hoeft geen enkele mens alleen te zijn. Als hij ogen
en oren open durft te zetten, kan die mens ontdekken dat God heel dichtbij is.
Dat Hij er altijd al is, en dat Hij altijd al hoort wat ons ten diepste beweegt.
"Heeft Hij ons bidden opgevangen" zingt een lied uit de
Randstadbundel. Nog voor het over onze lippen komt.
Misschien
is bidden ook wel eerst en vooral een poging om onszelf te overtuigen, ons
verstand te laten zien dat er meer is, dat God werkt op een onzichtbare wijze.
Dat we niet hoeven te wanhopen. Wie weet welke vormen het antwoord van God kan
aannemen als hij ons bidden verhoort. Misschien word je wel door het gebed
een andere mens: een nieuwe mens, die nieuwe krachten heeft ontdekt in
zichzelf, die contact heeft gemaakt met zijn diepere bronnen. Want hoe kan het
anders dat de grote menselijke persoonlijkheden zoveel licht kunnen uitstralen?
Op de een of andere manier komt dat licht uit hun binnenste, uit hun bron, uit
God. Het is goddelijk licht: Gods'glans. Daarom hoop ik dat we in dit
nieuwe jaar veel tijd zullen uittrekken om onszelf spiritueel te voeden, om te
putten uit de diepe krachten die we allen met ons meedragen. In die zin dan ook
nogmaals: een Zalig Lichtvol Nieuwjaar gewenst.
Aan
God geven wij vele namen. Bij sommige namen voel ik mij thuis, bij anderen niet
of minder. De naam van God als koning spreekt mij minder aan, die van Herder
veel meer omdat ik Psalm 23, waar God Herder wordt genoemd, prachtig en
ontroerend vind.
Een
tijd geleden heb ik ervaren dat God ook heel goed de "Afwezige" kan
heten omdat hij voor ons menselijk gevoel misschien vaker afwezig dan aanwezig
is. Vooral als wij ons machteloos en verlaten voelen is de Afwezige heel erg
'afwezig'.
Nog
een andere naam voor God is Afgrond. Die naam ontdekte ik bij de
schrijver Edmond Jabès, die met zijn geschriften een diepe indruk op mij heeft
gemaakt. God als afgrond, als diepte waar je in kunt vallen, als onheilspellende
leegte onder je voeten.
Misschien
klinkt het gek maar ik heb mogen ervaren dat God een afgrond kan zijn, een
leegte die donker en diep aan je voeten kan opduiken. Maar dat bedreigende
beeld dat heel dichtbij kan komen in je verdriet als je
Ook
bij de schrijver Jabès is het dubbelzinnig, ambivalent, heeft het verschillende
ladingen. God als afgrond die alles opslokt - uiteindelijk vallen wij allemaal
in Gods'hand bij ons sterven. In die zin is hij een allesverslindende afgrond.
Maar
dat is niet persé negatief, er kan veel troost uit spreken.
Als
wij groot verdriet hebben kunnen wij eveneens het gevoel hebben dat wij in een
afgrond vallen, maar nu als levende mens. Je gaat niet echt dood, maar de pijn
is vreselijk en het verdriet soms hartverscheurend. Als je dat 'zwarte gat'
waarin je terecht bent gekomen God durft te noemen, dan kan daar ook iets heel
troostends van uit gaan. Want dan is God (zelfs ook) in jouw diepste duisternis,
dan is die duisternis God. Was het niet Oosterhuis die dichtte op Psalm 13, de
Psalm van verlatenheid:
Dan
nog,
klamp
ik mij
klamp
ik mij
vast
aan jou
of
je wil of niet
op
genade
of
ongenade
ik
zal red mij
red
mij roepen
of
zoiets als
heb
mij lief.
Uit
dergelijke woorden put ik alle hoop die een mens nodig heeft; ook in de Afgrond
is God aanwezig - misschien, als je durft je over te geven,
meer nog dan elders. En, je hoeft voor géén enkele afgrond meer bang te
zijn! Dat geeft mij heel veel troost.
In
ons leven is veel beperkt en eindig. Veel is kortstondig en vergankelijk. Daarom
noemen we veel relatief. Misschien is er vanuit ons menselijk standpunt gezien
teveel relatief. Want waar hebben we nog een echt houvast, waar vinden we
echte zekerheid die een bodem onder ons bestaan geeft?
Veel
is relatief en al relativerend vallen veel zekerheden weg. Relativeren wil
eigenlijk zeggen: er zijn grenzen aan de dingen, aan de gebeurtenissen en aan
de betekenis van de gebeurtenissen. Maar ook de relativering zelf
veronderstelt een grens, anders maakt ze zichzelf onmogelijk.
De
mens relativeert. Hij relativeert zaken uit het leven, uit zijn leven. Hij
stelt grenzen en geeft daarmee betekenis aan de ervaringen en de gebeurtenissen.
Maar ook de mens wordt weer begrensd: de meest absolute grens in zijn leven is
de dood. Voor een mens die zou willen blijven leven is deze grens van de dood
toch niet te overschrijden. Hoe graag deze mens dat misschien zou willen.
Relativering
is ook zelf weer relatief. Er is een grens aan elke relativering. Relativering
kan op haar beurt niet zonder grenzen. Mensen overschrijden in hun leven
moedwillig grenzen. Daarom zijn er eikpunten nodig.
Een
eikpunt wordt helder als er grenzen worden overschreden: Een vrachtwagen vol met
kinderen, op weg naar de gaskamer. 1942. Dat is een grens. Resultaat van een
ontwikkeling waarvan de christen zich niet (helemaal) kunnen vrijpleiten. De
schoorstenen van de crematoria hebben de rook van miljoenen verbrandde levens
doorgelaten. Aan deze grens stopt álle relativering van onrecht en geweld.
Gemeten
aan deze laatste grens is het probleem van bijvoorbeeld de huidige kerkverlating,
de invloed van de 'secularisatie', het gezagsverlies van de kerkelijke hiërarchie
en de problemen rond de godsdienstigheid van de mensen relatief.
Wat
in het licht van het laatste echt telt is de vraag waar het werkelijk omdraait
in een mensenleven. Het menselijk subject staat in het middelpunt. De
vraag naar de kwaliteit van zijn/haar leven. De vraag ook naar de begrenzing van
zijn leven: wanneer is een leven menselijkerwijs gesproken leefbaar ‑ zo
ervaarbaar zodat van van 'geluk' gesproken kan worden?
Die
vraag staat niet los van: Wat is de zin van mijn bestaan? Wat geeft ten
diepste zin aan mijn leven? Deze vraag geldt voor iedereen. Een antwoord op
die vraag kan de mens als subject meestal níet alleen geven; zeker niet los van
alle andere mensen om hem heen.
Het
is een kwestie van 'samenspel', van 'communicatie', van een willen verstaan van
elkaar. In de dialoog groeit nieuw leven, nieuwe mogelijkheden. Een
gesprek over alles wat ons bindt: een taal die woorden uit het verleden, en
het zijn altijd woorden uit het verleden, nieuw leven inblaast. In de
herinnering ligt 'verlossing' opgesloten.
Zoals
het Joodse gezegde dat luidt: vergeten is ballingschap ‑ herinneren
verlossing (Ba'al Sjem Tov).
Waar
vinden wij die woorden, waar worden ze ons aangereikt? Het begint met de liefde
van ouders, medemensen, 'leerkrachten' die inspireren tot nadenken. Soms zijn
nieuwe woorden nodig, om het nieuwe te beschrijven, zodat het een eigen leven
gaat leiden ‑ een nieuw begin op het fundament van het 'oude'.
Taal
is als een 'landschap'; je kunt er in rondwandelen; het neemt jou op. Taal is
avontuur, een op weg gaan, niet weten waar de toekomst ligt: op hoop van
zegen. Maar de zegen blijkt altijd pas achteraf. Zo bij Abraham, 'de
kinderzegen', zo bij Jakob, de worstelaar met God en mens. "Nakomelingen
zoveel, als korrels zand aan het strand", wordt tegen hen gezegd. Abraham
en Jakob maakten het zelf niet meer mee.
Maar
de belofte stond als de sterren aan de hemel. Soms is die hemel bewolkt, of is er
teveel licht, zoals boven een grote stad. Dan zijn de sterren niet zichtbaar.
Maar dat is nog geen bewijs voor het feit dat ze er dan ook niet zijn.
Waarom
zijn onze ogen dan vaak bewolkt ‑ ons verstand verduisterd ‑ ons
hart gesloten voor de belofte: een rijk van Vrede, Recht en Heelheid?
Waarom beschouwen wij de belofte die eeuwenoud is, die zijn geldigheid in
talloze levens heeft bewezen, als relatief? Als niet ter zake? Als achterhaald?
Ik
vermoed: Omdat wij niet aan de grens leven van onze mogelijkheden ‑ ons
kunnen ‑ niet op het scherp van de snede durven calculeren: Wie is
God voor mij ‑ hier en nu ‑ in mijn leven en omgekeerd: wie ben ik
voor God?
Omdat
wij opgeslokt worden door andere vragen ‑ andere gedachten ‑ andere
wensen. Wij staan vaak niet genoeg oog in oog met de dood ‑ met onze dood!
Wij
staan vaak niet genoeg oog in oog met het lijden ‑ ons lijden!
Pas
dan, kan er iets openbreken van het wolkendek dat ons het zicht ontneemt. Pas
dan, als met geweld, worden de deuren van onze waarneming en ervaring uit hun
voegen gelicht.
Omdat
wij vaak niet anders kunnen: omdat het gevaar van de 'leegte', het
uitblijven van het antwoord te groot is. Die spanning, dat uithouden,
dat kan geen mens opbrengen; behalve hij of zij, die helemaal is toegewijd
‑ toegewijd tot het 'bittere' einde.
Omdat
wij vaak niet anders willen: mensen die elkaar als wilde beesten willen
verscheuren ‑ verhoudingen vergoed verbroken ‑ onherstelbaar
verscheurd. Teveel leed is geleden, teveel lijden aan elkaar berokkend. Alle
belofte verbleekt daarbij.
Een
nieuwe generatie kan hier slechts verder komen, als zij opnieuw durft te
beginnen om elkaar in de ogen te kijken. En dat reeds, de wil daartoe, dát is
een messiaans teken.
Onze
wereld is er vol mee, ondanks de schijn van het tegendeel! Wie ogen heeft die
kijke, wie oren die hore! Het gaat niet om pasklare antwoorden. Die passen
alleen maar in de kraam van hen die er 'belang' bij hebben. De beleidmakers, de
mensen aan de top van de hiërarchie; zij geloven in totalitaire oplossingen,
zelfs vaak ongeacht de slachtoffers. 'Dat is de prijs die dan betaald moet
worden', zo wordt gezegd. Dat is anti-messiaans. Dat is het forceren van het 'Rijk'
met een moker. Zo verlies je zelf je fundament.
Messiaanse
tekens volop, om ons heen: níet als hindernis, als muur, als obstakel
tegen 'relativering' en verlies van waarden. Maar als nieuw plantje naast het
asfalt, de gebaande wegen, de platgetreden paden. Kwetsbaar, afhankelijk, broos
en teer, maar het staat er, én, het groeit: waar kleinkinderen van slachtoffers
van de vele concentratiekampen en kleinkinderen van de voormalige beulen
elkaar in de ogen durven zien en uitwisselen: hun angsten, hun pijn en
verdriet.
Waar
mensen bereid zijn om naar elkaar te luisteren: elkaars diepe drijfveren
blootleggen om te leven ‑ om de moed niet op te geven ‑ om te
blijven geloven, telkens waar geloven concreet wordt, in een gesprek op cruciale
momenten, in diep verdriet, in wanhoop situaties, als laatste strohalm, kreet om
hulp van iemand die een einde wil maken aan zijn leven en aanklopt én gehoor
vindt.
Als
een (kinder)blik je ziel raakt ‑ diep van binnen ‑ als je niet
onberoerd kunt blijven, als je stappen onderneemt, dat wil zeggen antwoord
geeft: een daad stelt ‑ geeft ‑ schenkt ‑ jezelf - inzet. Met
twijfel, misschien terughoudend, aarzelend, maar het tóch doet.
Allemaal
moeten wij over die grens. Een grens onszelf aangepraat: het helpt niets
‑ er wordt alleen maar misbruik van ons gemaakt. Dat klopt: God maakt
misbruik van ons ‑ schandalig misbruik. Maar daar zijn wij toch voor?
Daarvoor
hebben wij toch ons leven ontvangen om ons schandelijk te laten gebruiken voor
zijn liefde?
En,
er kan niets verkeerd lopen: wij vallen, steeds dieper, maar wij vallen
in Hem ‑ onophoudelijk. Als onze ogen ontsluierd zullen zijn ‑ als
de sluier, het velum, voorgoed is opgelicht – apocalyps / onthulling
‑ dan zullen wij Hem aanschouwen.
Zo
luidt de belofte, die Hij in onze handen heeft gelegd.
Zij
ligt in onze handen en blijft daar ook. Als en soort aardse muziek waarvoor wij
de noten moeten schrijven en uitvoeren op diverse instrumenten. Ieder speelt
zijn eigen partij en samen zijn wij een orkest. Geen koor van engelen, geen
hemelse harmonie, maar mensen aan het werk: knarsend, zuchtend, twijfelend,
genietend, vol overgave, een en al oog en oor. Evenzoveel messiassen.
Is
dat genoeg? Is dat voldoende? En is het duidelijk? Zeker géén afgebakende weg, zeker
geen toekomst die volop ligt te gloren als een prettige zomerochtend. Wie de
worsteling niet aandurft, 'wie wacht op een gunstige wind zal nooit zaaien',
en bij gevolg nooit oogsten. Het begint altijd daar waar men zichzelf tegenkomt.
Of misschien moeten we zeggen: ontmoeten. Dan worden vragen gesteld, dan
wordt er verlangd naar een antwoord op het 'waarom'.
En
al die vele 'waarom’s', al die antwoorden samen, al die levens van eeuwen van
mensen, zij zijn telkens weer kleine stapjes, vonken van hetzelfde vuur.
Zoals de ziel een vlammetje is van het grote vuur, zo brengt elke goede daad het
Rijk van God wat dichterbij en elke slechte daad het weer wat verder weg.
Is
het dan een kwestie van overheersing of van evenwicht ‑ een weegschaal die
door moet slaan? In evenwicht geeft het kleinste zaadje de doorslag. De
messias is dat zaadje. Wie is de messias: dat is de mens die de laatste
goede daad pleegt die
alle
gewicht in de schaal legt. Dat kan een handdruk zijn of een kus. Laten we het
maar op een kus houden. Een kus die de wereld redt. Of misschien een knipoog,
een schouderklopje.
Durven
wij daarmee op weg ‑ de relativering voorbij ‑ opnieuw de
woestijn in? Zijn wij genoeg vrij gemaakt van onze slaafse volgzaamheid en
onderworpenheid aan de lusten van het leven: ons aanzien, onze invloed, onze
geldingsdrang.
Zijn
wij genoeg vrij om het juk van Gods liefde op onze nek te nemen: het doen van
de Tora: de geboden als weg ten leven? Net zoals die vrijgemaakte slaven uit
Egypte ‑ vrij gemaakt en voor de keuze gesteld: wel of niet met God op
weg. "Wij zullen doen en zullen horen".
Door
te doen zal blijken hoe billijk, hoe 'goed' het zal zijn. Dan zullen wij horen
naar Jouw stem. Doorgeven aan onze kinderen, Tora tot fundament en bron maken
van ons leven.
13.
Zondagochtendgebed: 12 juli 1942 - Etty Hillesum
Het
was oorlog. Al een paar jaren. Etty Hillesum schrijft in haar dagboek. Ze
schrijft over God. Hier volgen haar woorden van toen:
"Het
zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met
brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk
lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, God, een kleinigheidje
maar: Ik zal mijn zorgen voor de toekomst niet als even zovele zware
gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening.
Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg.
Ik
zal je helpen, God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren
nergens voor instaan.
Maar
dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar
dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen we ons zelf. En dit is het
enige wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aankomt: een
stukje van jou in ons zelf, God. En misschien kunnen we ook eraan meewerken
jou op te graven in de geteisterde harten van anderen.
Ja,
mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze
horen nu eenmaal bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording,
jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen.
En
haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat je ons niet kunt helpen,
maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot
het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op
het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en
lepels in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen die hun lichaam in
veiligheid willen brengen die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizenden
angsten en verbitteringen. En ze zeggen: mij zullen ze niet in hun klauwen
krijgen. En ze vergeten dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen
is.
Ik
begin alweer wat rustiger te worden, mijn God, door dit gesprek met jou. Ik zal
in de naaste toekomst nog heel veel gesprekken met je houden en je op die manier
verhinderen van me weg te vluchten. Je zult ook nog wel eens schrale tijden in
mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vert
Tijdens
een van de meditatieavonden rond de vraag "Wat geloof ik nou?" kwam ik
erachter dat elk mens als het ware gedragen wordt door een levensmelodie.
Hoe vaak komt het niet voor dat er een melodie door je hoofd klinkt. Op straat
zie je kleine kinderen zingen en huppelen op de melodie van een liedje. De
muziekindustrie zou ondenkbaar, ja
zelfs onvoorstelbaar zijn als wij niet gevoelig zouden zijn voor muziek. Zo
zeer zelfs dat zonder muziek het leven leeg en kaal wordt. Wij zouden misschien
sterven van verveling en troosteloosheid.
Zelfs
in de hemel houden de engelen zich bezig met het zingen en begeleiden van
hemelse muziek voor de troon van God. Engelen die vals zingen worden meteen
verteerd door een sterk vuur, want voor God moet alles perfect zijn.
Muziek
is dus meer dan zij op het eerste gezicht lijkt. En dat is met veel dingen in
onze wereld. Ze zijn meer dan ze op het eerste gezicht schijnen te zijn.
Maar dat méér is niet vanzelfsprekend, het is niet evident. Je moet er vaak
moeite voor doen om dat te ontdekken. En pas door die moeite kom je erachter
hoeveel je dan terug ontvangt.
Je
kunt het vergelijken met (goede) muziek die je niet kent. Hoe meer en
intensiever je gaat luisteren: je haalt de tekst erbij, je leest mee, je
probeert te voelen en te verstaan waar het in het lied omgaat en dan opeens is
er herkenning, voel je je herkend, ervaar je dat door de muziek een stuk van je
leven duidelijker kan worden. Als het ware wordt een stukje eigen leven
zichtbaar vanuit de muziek die je beluistert. Je identificeert je met de
zanger/zangeres, of met de klanken van het instrument en opeens gaat de muziek
leven. Ze gaat een eigen leven leiden, jouw leven, als het ware.
De
muziek is jouw leven binnengedrongen omdat je haar hebt toegelaten en de muziek
gaat daar een eigen stukje leven leiden. Ze roept emoties op, je kunt geraakt
worden, tot tranen toe geroerd omdat er allerlei beelden boven komen. Het is
meer dan stemming alleen, meer dan buitenkant - muziek kan deuren van de ziel
openen die niemand anders open krijgt.
Op
momenten dat je treurig bent, bedroefd, op momenten dat je het niet ziet zitten
kan opeens een melodie je terug brengen uit de droefheid. Donkere wolken drijven
over omdat een melodie je op de been houdt.
Bekend
zijn misschien de liederen die sommige Joodse gelovigen zongen toen zij de
gaskamer binnengingen, hun dood tegemoet. Hun liederen waren echter de getuigen
van hun grote hoop dat de dood het einde niet is.
Misschien
is het citaat uit de psalm "Mijn God waarom hebt u mij verlaten"
door Jezus aan het kruis, (Markus 15,34) ook een lied, (het komt tenslotte uit
een psalm; Ps. 22,2). Het is het laatste lied dat Jezus zingt. In de
bijbeluitleg wordt vaak met één zin is de hele psalm meegegeven.
Het
is dan ook goed om de hele psalm te lezen. Vertwijfeling in deze éne zin in vers
2, maar vert
In
de chassidische beweging rond grote rabbijnen zit de groep aanhangers vaak
verzameld rond de tafel. In hun midden de rabbi waar ze op bouwen en waar ze vol
bewondering bij willen horen. Vaak wordt er niets gezegd. Er klinkt alleen een
melodie, een nigoen, (een melodie zonder woorden - alleen maar klanken).
En iedereen neuriet zachtjes mee. Iedereen wordt opgenomen in de magie van deze
melodie.
Sommige
rabbijnen zeggen dan ook dat een goede nigoen de poorten van de hemel kan
openen. De hemel kan dan niet zonder antwoord blijven en de gebeden en
verlangens van de mensen worden beantwoord. Dat vind ik persoonlijk prachtig. Zo
zingen, zo één worden met je melodie dat de hemel ontroerd raakt.
Misschien
is ons leven wel een grote melodie, een groot lied dat God in ons leven heeft
gelegd. Een melodie met wisselende klanken, wisselende stemmingen, van hoog naar
laag, van diep naar oppervlakkig. Wie weet.
Bij
elke gebeurtenis past een lied, een melodie. Misschien zingt God wel
zichzelf toe in het levenslied van de mensen, misschien huilt en lijdt hij
net zo hard als wij ten tijde van verdriet en
Er
zit meer in muziek dan je zou vermoeden. Muziek als drager, als voertuig voor onze ziel, op
weg naar God, dwars door dit leven heen.
Misschien
is zelfs de stilte een vorm van muziek: goddelijke muziek, voorbij alle grenzen
van het ervaarbare. God die spreekt door zijn stilte, in onze stilte, als
we diep van binnen stil worden. Op die zeldzame momenten als ons dit overkomt.
Dan
kan de stem van God, zijn stilte, zijn muziek pas echt gaan klinken. En wij
nemen het dan over: een loflied, een danklied, een stukje gevoelde genade.
Daarom
zou ik met de woorden van een psalm willen eindigen: "zing voor de
Heer...." of met andere woorden "leef voor de Heer, laat je
leven als een lied zijn voor de troon van God." Veel luistergenot
toegewenst.
15.
Zonder 'waarom', zonder 'wijze', zonder 'niet'.
"Diep
in ons wezen rust God. Diep op de bodem van onze ziel, de grond van onze ziel,
daar is God te vinden." Deze wijsheid
komt uit de mond van Meester
Eckehardt, die leefde van ongeveer 1260 tot 1328 in het Rijnland in het huidige
Duitsland. Daar trok hij rond en hield hij preken. Eckehardt had veel invloed.
Na zijn dood werden zijn preken gretig gelezen en verspreid. Hij bestaat bekend
als een groot mysticus.
Wat
is een mysticus? Een mysticus is een mens op zoek naar God. Een mysticus is een mens die
zijn zoektocht beschrijft en aan anderen laat horen wat hij gevonden heeft.
Eckehardt heeft ontdekt dat je God niet ver weg hoeft te zoeken. Alle beelden
van God als rechter, koning en vader zijn mooi maar leiden je eigenlijk af van
het wezenlijke. God is niet te benoemen, er is geen taal die Hem beschrijft. God
is niet buiten je te vinden, te pakken met een woord, een beeld of een
betekenis.
Volgens Eckehardt schuilt God in je ziel. En de ziel is zelf weer drager van een stukje God. Als je als mens erin slaagt om af te dalen in je ziel, om in de volle naaktheid van Zijn aanwezigheid te gaan staan, als je Hem wilt ervaren zonder tussenschot, dan kom je tot de ontdekking dat jouw grond de Grond van God is en omgekeerd. Als je als mens je leegmaakt voor God maakt God zich leeg voor jou en kan de liefde vloeien. Dat is het hoogste verlangen van de mysticus. Eckehardt
beschrijft ook een weg, een manier om dit doel te bereiken. Dat is géén
eenvoudige weg. Het is de weg van zonder 'waarom', zonder 'wijze' en zonder
'niet'.
Zonder
'waarom'
te vragen alle werken doen, onbaatzuchtig, niet uit op eigen gewin, of op een
verklaring. Doe maar wat je doen moet.
Zonder
'wijze'
zoeken naar God, zonder God te benoemen, Hem vast te willen leggen, zelfs zonder
verlangen naar Hem.
En
zonder 'niet' , misschien het meest moeilijke. Omdat we als mens veel níet
kunnen, omdat we beperkt zijn, en gericht op ons zelf, en daardoor vergeten hoe
de dingen samenhangen, hoe het leven verder stroomt, ook als wij er niet meer
zijn, komt het dat wij als vreemden in deze wereld staan.
Een
wereld die door God is gemaakt want alle leven komt van Hem. De mens is ook een
doorgeefluik van de liefde van God, van zijn leven dat Hij in alle schepselen
heeft gelegd. Dat vergeten we wel eens. Daardoor worden we beperkt in ons mens
zijn, en zijn wij nog geen 'echte mens geworden'.
Wij
worden pas echt mens, menswording noemt Eckehardt dit, de menswording
van God, als wij contact maken met de goddelijke liefde die in ons stroomt. Dan
valt alles weg wat ons onderscheidt, dan beseffen wij opeens hoe alles
samenhangt en dat het 'niet' datgene is wat we zelf telkens weer opwerpen
om ons achter te verschuilen.
Leegmaken
noemt Eckehardt die strijd met het 'niet', loslaten, vrij worden van
alles wat je leven bepaalt. En als dat lukt, dan ligt de weg open naar je
diepste wezen, naar de grond, de plek waar God woont.
Een
vreemde weg? Onbegaanbaar? Wie weet, wie zal het zeggen. Uiteindelijk komen wij
allemaal thuis bij God, zegt Eckehardt ‑ want in het diepst van onze ziel
is God thuis en wij zijn daar voortdurend náár op weg. Zonder 'waarom',
zonder 'wijze' en zonder 'niet'. Een fijne reis.
16.
"God is niet in de tijd" - Simone Weil
Simone
Weil, een Franse filosofe en mysticus die aan het begin van deze eeuw leefde,
heeft veel nagedacht over God en de mens. Vooral de werkzaamheid van God, zijn
macht om in te grijpen in de schepping, en, zijn houding ten aanzien van de
mens, is onderwerp geweest van haar gedachten.
Over
God schreef zij:
"God
zelf kan het gebeurde niet ongedaan maken. Dat is het beste bewijs ervoor dat de
schepping afgedankt is. En is de tijd niet de grootste vorm van afdanking door
God? God is niet in de tijd."
Als
God niet in de tijd is, is God buiten de tijd, en is de tijd buiten God. God
grijpt niet in, in deze schepping. De schepping heeft een eigen ritme,
een eigen tijdsritme waar God buiten staat. Verwachten van God dat Hij zal
ingrijpen in ons leven, alsof vanuit de hemel redding mogelijk is in een
bepaalde situatie, dat is het onmogelijke verwachten. Zo over God denken, maakt
van God een tovenaar en dat is Hij niet. Hij onttrekt zich aan de beelden die
wij van Hem maken. Ook is God in die zin niet almachtig omdat zijn almacht niet
werkt zoals wij mensen graag zouden willen.
"Geen
wonder kan iets tegen de tijd. Het geloof dat bergen verzet, is onmachtig
tegenover de tijd. God heeft ons binnen in de tijd verlaten."
Over
God schrijft Simone Weil dat wij mensen een andere relatie tot Hem moeten
krijgen, God niet beschouwen als een alles beheersende
sturende Macht, maar als de 'wachtende":
"God
wacht geduldig, dat ik eindelijk toestem, Hem te beminnen. God wacht als een
bedelaar, die bewegingloos en zwijgend voor iemand staat, die hem misschien een
stuk brood zal geven. De tijd is dit wachten. De tijd is het wachten van God,
die om onze liefde bedelt.
De
sterren, de bergen, de zee, alles, wat vanuit de tijd tot ons spreekt, brengt
ons het smekende vragen van God. De deemoed in de verwachting maakt ons op God
gelijkend."
God
forceert niets, de schepping is helemaal los van God, als het ware alleen
gelaten, en alles in deze schepping verwijst naar het wachten van God op de
mens, de mens die als antwoord op dat wachten, liefde opvat voor God.
Misschien
is de hele mensengeschiedenis wel een geschiedenis van dit wachten van God,
en daarom is het ook logisch dat er geen 'eindtijd' zal aanbreken
waarin God zelf een einde maakt aan dat wachten. Alleen de mens kan, antwoordgevend
in zijn liefde, deze tijd van wachten verkorten. En daarmee bijdragen aan de
verlossing van God, een verlossing die ook een 'zelfverlossing' is!
Simone
Weil schrijft: "God is alleen het goede. Daarom staat Hij daar en wacht,
zwijgend. Wie opdringt of spreekt, heeft een beetje geweld nodig. Het goede, dat
niet als het goede is, kan slechts er‑zijn. De schaamteloze bedelaars zijn
zijn beelden."
Is
het gewaagd om God te vergelijken met een bedelaar langs de kant van de weg,
die smeekt, vraagt om een aalmoes, een gave? In het beeld van de bedelaar wordt
misschien meer expliciet hoe God gediend kan worden dan in het kerkgebouw
met zijn prachtige liturgische rituelen. Dat laatste is 'show', niet existent, 'als-of',
terwijl de bedelaar langs de kant van de weg realiteit is die meteen tot
handelen aanzet: 'iets geven of weigeren en voorbij lopen.'
God
wacht op de mens; de mens, ongeduldig, wacht op God, en dicht God allerlei
eigenschappen en beelden toe. Die niet worden vervuld, die voortdurend
tekortschieten, omdat de mens niet begrijpt, niet weet hoe God wacht op hem.
In de deemoed kan de mens leren hoe om te gaan met zijn ongeduld, hoe hij tot
God kan spreken, hoe hij de dingen die komen kan opnemen in zijn leven. Weil
zegt hierover: "De deemoed is een bepaalde verhouding van de ziel tot de
tijd.
Zij
is aanvaarding van het wachten. Daarom is het, op het sociale vlak, een kenteken
van de onderdanen, dat men ze laat wachten.
Het
feesten echter, dat alle mensen gelijk maakt in zijn poëzie, is verwachting
voor allen. De kunst is verwachting. De inspiratie is verwachting. Zij zal
vruchten dragen in de verwachting. De deemoed neemt deel aan het wachten van
God.
De
volkomen ziel verwacht het goede met hetzelfde zwijgen, dezelfde
onbeweeglijkheid en deemoed als God zelf."
De
mens die deemoedig is, die wacht, wordt daarin gelijkend op God. Weil spreekt
over een volkomen ziel, een ziel die dat einddoel heeft bereikt. Maar zover is
het meestal niet: meestal is dat einddoel ver weg.
"God
en de mensheid zijn als een minnaar en zijn beminde, die in een verwarring over
de plaats van de ontmoeting geraakt zijn. Elk van beiden is op tijd op zijn
plek, doch elk op een andere plaats, en ze wachten, wachten, wachten.
Onbeweeglijk
staat de minnaar daar, vastgespijkerd voor alle tijden. De beminde is verstrooid
en ongeduldig.
Wee
haar, als ze er genoeg van heeft en weggaat! Want de beide punten, waar zij zich
bevinden, zijn dezelfde punten in de vierde dimensie.
God
is het verwachten zonder afleiding. Wij moeten Gods verwachting en deemoed
naijveren. "Wees heilig, omdat Ik heilig ben". Navolging Gods.
Heilig
zijn is dus een vorm van wachten, van deemoedig wachten op God, de "Wachtende
op mij"! Maar houd ik dat vol, kan ik dat geduld opbrengen?
Weil
schrijft over onze houding: "Wij hebben ons ik in de tijd.
De
acceptatie van de tijd en al datgene, wat deze brengen kan ‑ zonder een
enkele uitzondering - (amor fati) - is de enige instelling van de ziel, die niet
door de verhouding met de tijd bepaald is.
Zij
omvat het oneindige. Wat er ook gebeurt...
God
heeft zijn eindige schepsels deze macht gegeven, om zich in het oneindige te
kunnen verplaatsen. Het verbeelding daarvan is de wiskunde."
Dus,
door te accepteren wat het leven ons brengt, het ondergaan van de uren, dagen,
jaren, het lot "beminnend", dat is de houding die ons tot vrije mensen
maakt en die los staat van de tijd zelf.
Wij
kunnen kiezen hoe wij omgaan met de dingen die de tijd ons brengt. Weil pleit
voor aanvaarding, acceptatie. Want, zo zegt ze, uiteindelijk komt alles van God.
En keert alles terug in God.
Maar:
"beschouwt men de aangename of pijnlijke inhoud van elke minuut (zelfs
de minuut, waar wij zondigen) als een bijzondere liefkozing van God, waardoor
scheidt ons dan de tijd van de hemel?"
Want
als alles uit Gods hand is, wat maakt ons mensenleven dan zo bijzonder, wat is
de essentie van onze vrijheid, en wat de zin van ons lijden?
Weil
zegt: "De verlatenheid waarin God ons achterlaat, is zijn bijzondere
manier en wijze, om ons te beminnen. De tijd, die onze enigste ellende is, is
zelf de aanraking van zijn hand.
Zij
is de afdanking, volgens welke wij aan Hem het er‑zijn verdanken. Hij
houdt zich ver van ons, want als Hij dichter bij zou komen, zou Hij ons doen
verdwijnen. Hij wacht, totdat wij dichter naar hem toegaan en verdwijnen."
Leven
is dus ontdekken dat wij mensen leven om in God op te gaan; uiteindelijk. Daar
bewust naar toe leven, daarvan je bewust zijn en er naar handelen: dat is God
beminnen met heel je hart, heel je ziel, heel je kracht.
Wij
hebben de afdanking door God nodig, het alleen gelaten worden in de tijd, om op
eigen kracht te ontdekken waar ons heil vandaan komt en waar ons doel ligt.
Sterven is uiteindelijk, telkens weer, thuiskomen bij God.
"In
de dood verdwijnt de een in de afwezigheid van God, de ander in de tegenwoordigheid
van God. Wij kunnen dit onderscheid niet begrijpen. Daarom heeft men, om dit
onbegrijpelijke enigszins voorstelbaar te maken, de beelden van het paradijs en
de hel verzonnen."
Als
wij in de tijd leven en in deze wereld staan rest ons slechts om te doen wat God
van ons vraagt: Hem te beminnen, het goede na te streven, het goede tot deel van
ons eigen leven te maken. Maar dat goede is geen bezit zoals wij een voorwerp
bezitten of een eigenschap. Het goede is ook een geschenk van God aan ons als
wij maar genoeg begeren.
Weil
schrijft hierover: "Kern van het geloof: het is onmogelijk, het goede
oprecht te begeren en het niet te behouden (verkrijgen). Of omgekeerd: wat zich
oprecht begeren laat, zonder het te behouden(verkrijgen), is niet het oprecht
goede.
Het
is onmogelijk, het goede te behouden(verkrijgen), wanneer men het niet begeert
heeft. Dat betekent het voorschrift, om zich op niets te verlaten behalve op
datgene, wat van iemand zelf afhangt. Maar niet wordt bedoeld datgene, wat men
in zich heeft of wat men zich door zijn wil kan bezorgen. Want dat allemaal is
erbarmelijk en waardeloos. Het gaat om een voorwerp van het deemoedige
verlangen, het smekende, vertwijfelde smeken.
Het
goede is iets, dat men nooit door zichzelf kan bereiken, dat men echter ook
nooit begeren kan, zonder het te behouden (verkrijgen).
Daarom
lijkt onze situatie helemaal op die van kleine kinderen, die hun honger uitschreeuwen
en brood ontvangen. Daarom zijn de smekenden van elk soort heilig, elke
smekende vraag is heilig. Men heeft de plicht, alles toe te staan, waartoe men
niet de plicht heeft om te weigeren."
Simone
Weil gebruikt het bijbelse beeld van de olijfboom om het goede te omschrijven,
het goede dat door God wordt aangeboden maar waar wij mensen naar moeten leren
vragen: "Olijfboomtwijg. De boom van de Heilige Geest, embleem van de
smekende vragers. God heeft in deze wereld het goede en de kracht gescheiden en
zich het goede voorbehouden. Zijn geboden hebben de vorm van vragen."
Dat
leren ontdekken en dan mogen ervaren waarom wij in dit leven staan, en hoe wij
aan God tegemoet kunnen komen in daden en kracht van liefde, dat is de
ontdekking van een zinvol leven, een leven op weg naar God in een tijd die door
God verlaten is.
17.
Op leven én dood - spiritualiteit in een hedendaags licht.
Motto:
Een brandende kaars is voldoende,
om
de ruimte van onze gedachten,
onze
gebaren, onze geschriften te begrenzen.
Edmond
Jabès
Ons
leven is beperkt, het heeft een bepaalde duur, een bepaalde intensiteit. Dat is
het dan. Dat is een harde waarheid. De dood wacht op elke levende.
Maar
ook tijdens ons leven is er al dood, beperktheid: 'ons kennen is stukwerk',
schreef Paulus die zichzelf tot apostel uitriep; 'ons leven is fragment' zei
Abel Herzberg. Daar moeten wij het mee doen. Maar dat valt niet altijd mee.
Talloos zijn de pogingen om onze kennis en daarmee ons leven uit te breiden, te
verlengen, te funderen tegen de dood.
De
dood is als een zee, een golf die je overspoelt, geen dijk is er tegen bestand,
geen wering is hoog genoeg. En toch proberen wij het, omdat wij onze eigen dood
nog niet kennen en daarom tegen beter weten in, het onmogelijke willen geloven:
leven in overvloed, leven 'als een God in Frankrijk', in een land van melk en
honing, een paradijs zonder dood (en daarom misschien ook zonder boom van goed
en kwaad.) Natuurlijk weten we dat het een droom is, dát laatste; maar het is
wel een droom die ons gaande houdt; het is de (vaak onbewuste) motivatie op een
dieper niveau onder ons handelen, ons streven naar inzicht en kennis in de
processen van het leven.
'Maar
vaak reikt het licht van onze kennis niet verder dan de grenzen van het
kaarslicht in een donkere kamer'. 'Daarom is onze teleurstelling groot, dat
wij niet over de grenzen van het licht heen kunnen reiken', zegt Edmond Jabès,
een Franse filosoof. "Schrijven is dan misschien niets anders dan een
beetje licht om de woorden verspreiden." Of anders uitgedrukt:
schrijven 'als een tijdelijke barrière tegen de dood', als een poging om beetje
bij beetje enkele diepere fundamenten bloot te leggen in ons leven. Een basis
waarop we onze betekenissen kunnen grondvesten, een manier om een richting te
vinden om verder te gaan op onbekende wegen.
Dat
is ook de strekking van dit artikel: het is een poging om te articuleren in het
aangezicht van de dood. Voor mij persoonlijk komt dit overeen met de uitdaging
om te leven dankzij het fragmentarische, het mislukte, het cynische en het
bittere. Dat noem ik spiritualiteit, geestkracht, inspiratie die ons kan dragen.
In eerste instantie moeten wij het zelf dus doen: bewust worden van onze
eindigheid! Vervolgens is er dan ook een moment van gedragen worden, weten dat
in elk fragment ook het geheel is meegegeven. Abel Herzberg schreef hierover dit
prachtige gedicht:
Want
alles is fragment
Al
door het zeggen van het woord
Deelt
men, scheidt men en schendt
Het
al omvattende, dat men niet kent,
Dat
ik aanwezig weet, of alleen maar vermoed,
Dat
ik niet uitspreken kan en toch uitspreken moet,
Dat
mij beheerst, dat mij gehoorzaamheid gebiedt,
En
als ik zoek en luister, dan vind ik het niet.
Eén
troost blijft:
Er
is in ieder woord een woord,
Dat
tot het onuitsprekelijke behoort;
Er
is in ieder deel een deel
Van
het ondeelbare geheel,
Gelijk
in elke kus, hoe kort,
Het
hele leven meegegeven wordt.
Onze
eindigheid als uitgangspunt voor elke vorm van spiritualiteit, dat is wat ik
beoog. "Door de dood begint alle denken" schreef de Joodse
filosoof Frans Rosenzweig in zijn beroemde boek "Der Stern der Erlösung".
Die zin heeft mij nooit meer losgelaten.
Hoe
waar deze woorden telkens worden merk ik dagelijks in mijn werk, als ik
geconfronteerd word met het plotseling sterven van mensen, als er afscheid
genomen moet worden en als het onvermijdelijke onder ogen moet worden gezien.
Ik
heb het in mijn eigen leven ervaren met de dood van mijn moeder. Zij was het
leven moe geworden en resoluut heeft zij de stappen gezet die zij nodig vond. In
het water vond zij haar redding, een weg naar omhoog. Maar wat haar een uitweg
bood uit ondragelijk psychisch lijden, bracht ons soms tot diepe vertwijfeling:
waarom op moederdag, waarom zo, waarom zo radicaal, elke andere uitweg
afwijzend?
De
dood werpt een ander licht op het leven; hij is niet alleen de grens ervan, hij
maakt het leven mogelijk, de dood is de bestaansvoorwaarde voor het leven. De
dood werpt het leven in het diepe - al zwemmend, al levend, vind je jouw weg.
Vandaar
ook dit uitgangspunt als het over spiritualiteit gaat in onze tijd, in onze
samenleving, voor onze toekomst. Dat is niet alleen een nuchter uitgangspunt,
het is ook de enige grond van zekerheid om op te staan. De rest zal allemaal
moeten blijken.
Waarom
leven wij, waartoe? Eeuwenlang hebben deze vragen de spirituele agenda van de
mensheid bepaald.
Ook
wij kunnen niet zonder die vragen, telkens komen ze boven in situaties van
verdriet en lijden. En al zijn wij misschien niet altijd in de stemming om
antwoorden te zoeken, toch kunnen we niet zonder deze vragen, op straffe dat
ons leven leeg, inhoudsloos wordt.
Misschien
willen wij ze soms wegstoppen, onderdrukken, net zoals je een bal onder water
probeert te houden, Maar hoe harder je duwt, hoe sneller hij weer bovenkomt.
Lucht onder water wil alleen maar naar boven, zo is het ook met vragen rond zin
en lijden: zij moeten worden geuit, besproken, in woorden omgezet.
Waar
draait het om in ons leven? Wat is echt belangrijk, wat buitenkant? Elk van ons
zal hiermee aan de gang moeten gaan, antwoorden proberen te vinden, door schade
en schande wijs proberen te worden. Ook dat zal een bodem blijven onder elke
vorm van spiritualiteit. De geest kan nu eenmaal niet zonder vormgeving, zonder
concrete antwoorden door mensen gegeven op de vragen van het leven, op de vragen
rond de zin van het bestaan.
Maar
waar is dan een verder houvast te vinden, welke schreden kun je zetten op je
levensweg verder dan de dood, verder dan de zekerheid van het einde? Of anders
geformuleerd wat is echt de moeite waard in ons leven, om je in te verdiepen,
als krachtbron, stromend water dat leven geeft, een heiland met antwoorden op je
vragen?
De
talloze religieuze uitingen van mensen liegen er niet om: mensen staan bol van
verlangens en hun gedrag is religieus; dat blijkt ook vaak uit de invulling van
sport en hobby tot en met de vakantie, het werk en de studie. Een mens is een
religieus dier. Al zijn uitingen kunnen ook religieus worden verstaan.
Maar
daarmee zijn wij er nog niet, dat is letterlijk te weinig, te oppervlakkig, te
vaag. Waar het nu om gaat is de vraag naar de kwaliteit, de vraag naar de
diepte, de dragende grond. En niet voor iedereen gelden dezelfde voorwaarden,
niet iedereen deelt dezelfde gevoelens en opvattingen.
Er
is pluraliteit, ook in beleven, ondanks de waarheidsaanspraken van de gevestigde
godsdiensten. Waarheid is eerst en vooral een leven leiden in waarheid, in
overeenstemming met datgene waar je in gelooft. Waarheid is bovenal
integriteit, plausibiliteit en getuigenis. Spiritualiteit die in naam van velen
wil aanspreken kan niet zonder dit laatste: zonder gedrag dat getuigt van de
diepere beweegredenen, de gedrevenheid en het durven. Vooral het op het spel
durven zetten van je leven voor datgene waar je in gelooft. Of beter waar je op
vert
Want
daar draait het voor mijn gevoel altijd om in geloven: geloven is de concrete
uitwerking van je religieus verlangen, het is de vormgeving ervan in relatie tot
een God. En dat is een relatie die gekenmerkt wordt door het feit dat je durft
je toe te vert
Het
is een soms op de tast zoekend verder gaan, met de twijfel in je bagage, maar
ook met de moed in je hart dat je al gaande de weg pas antwoorden zult vinden.
Het is een manier van leven getekend door de hoop als voornaamste kracht; de
hoop is de grote motor, de drijvende kracht achter al je gedachten en schreden.
Maar
waar kom je God dan tegen, waar ontmoet je mensen geraakt door de vinger, het
woord van God zodat hun leven een en al getuigenis is of worden kan? En ben je
zelf misschien die mens?
De
mystici geven verschillende antwoorden. Antwoorden die mij persoonlijk erg
aanspreken. God vind je op vele plaatsen. Eén woonplaats is je eigen hart, een
andere woonplaats is de kosmos die je omgeeft, weer een andere woonplaats is de
nabijheid van de arme en de geknechte mens. God dien je door naar de stem van je
eigen hart te luisteren en in stilte alles aan Hem voor te leggen, God dien je
door de aarde naar zijn wil te beheren en de naaste arme en slaaf te bevrijden
van zijn armoede en slavernij.
Daar
is moed voor nodig en veel vert
Het
zijn allemaal vragen die wij zelf moeten beantwoorden. Niemand kan het voor ons
doen. We zullen zelf in ons eigen leven de antwoorden moeten zoeken. Maar wij
hebben ook steun van buiten: onze menselijke geschiedenis is vol van dergelijke
vragen en de verschillende antwoorden die erop gegeven zijn.
Wij
hebben niet alleen de heilige schriften en de schriftelijke getuigenissen van
grote mannen en v
Want
misschien is dat wel het grootste geheim in een mensenleven: de hemel ligt
binnen handbereik, als wij één zijn van hart en van hoofd, één van
instelling en van daden. Maar dat is altijd gemakkelijk gezegd. Laat het maar
eens zien, getuig maar eens met je leven, wat je woorden, je opvattingen waard
zijn. Hoe jij als mens in de liefde gelooft, hoe jij als mens mag ervaren dat je
gedragen wordt door liefde. Dat de liefde de alles overheersende kracht is waar
het allemaal om draait. Als God liefde is en als die liefde in ons leven werkt,
sterk als de dood, dan kan er niets verkeerd gaan. Dan is ook de dood
uiteindelijk een vallen in Gods'liefde, een zien van aan-gezicht tot Aangezicht.
Het
was Edmond Jabès die schreef: 'de slaap is niet altijd het verlies van
bewustzijn. God liet de wereld slapen om haar te scheppen, en sliep toen zelf in
bij de schepping, opdat Hij van zijn kant door haar geschapen zou worden.'
Het
is dus aan ons om als wakkere kinderen Gods zijn liefde aan de man te brengen.
Dat is niet alleen de droom van God, het is ook onze eigen droom, als wij waker
geworden als nieuw mens dit leven mogen betreden bij de geboorte. Spiritualiteit
is dus niets anders dan in het aangezicht van de dood leven dat de liefde ervan
af springt.
In
welke God geloof jij? En wie of wat is God? Voor velen is deze vraag
misschien heel vert
Tijdens
een van de bijeenkomsten van Kinder-Bijbel-Praat spraken we ook over God. Toen
ik vroeg of je met God kunt praten zei een van de kinderen dat dát kan,
namelijk als we bidden. Maar geeft God ook rechtstreeks antwoord uit de hemel?
Niemand van de kinderen kon dat bevestigen. En toch bidden wij, leggen wij onze
ziel bloot voor God en vragen wij om zijn hulp.
Aan
de kinderen heb ik uitgelegd dat je God heel goed kunt vergelijken met zoiets
als liefde. Je ouders houden van je en dat blijkt uit hun zorg, uit vele
kleine dagelijkse dingen. Maar de liefde zelf kun je eigenlijk niet vastpakken
en toch is ze er. Zo is het misschien ook een beetje met God. We hebben God
nodig om onze dankbaarheid en onze zorg uit te drukken. Hij is de onzichtbare
partner in ons leven. We kunnen hem niet echt aanwijzen, niet vastpakken of
bewijzen maar toch is Hij er, onzichtbaar op de achtergrond.
In
het Jiddisch stonden in 1945 enkele woorden op de muur gekalkt in een kelder te
Keulen waar tijdens de oorlog enkele Joden ondergedoken zaten:
'Ich
glojb in der zoen, afile ven zi sjajnt nit;
ich
glojb in der libe, afile ven ich fil ir nit,
ich
glojb in Gott, afile ven er sjvajgt. '
In
gewoon Nederlands staat er:
'Ik
geloof in de zon, ook als ze niet schijnt.
Ik
geloof in de liefde, ook als ik die niet voel.
Ik
geloof in God, ook als Hij zwijgt.'
Persoonlijk
kan ik mij heel goed in de strekking van deze woorden vinden en drukken ze ook
voor mij een stuk persoonlijk geloof uit. Het zijn voor mij niet zomaar woorden.
Het is niet zomaar een "geloofsbelijdenis"! Het zijn woorden die
opgeschreven zijn in een tijd dat God zijn gezicht verborgen hield, een
tijd waarin miljoenen mensen slachtoffer werden van een niets ontziende terreur.
Achter deze woorden hoor ik bijna als het ware de hopeloze en vertwijfelde
kreten van de slachtoffers, hun schreeuwen om hulp en het uitblijven van
redding...
Tijdens
onze bezinningsdagen met het team van pastores had de inleider een boekje
meegebracht waaruit bovengenoemde woorden stammen. Het boek heet: "Josl
Rakover wendt zich tot God " geschreven door: Zvi Kolitz. Het is een
zogenaamd testament dat na de oorlog op schrift is gesteld. De tekst bevat
indringende passages waarin Josl Rakover spreekt met God over datgene wat hem en
zijn medelotgenoten overkomen is. Ik vond de tekst zo aangrijpend dat ik graag
enkele passages wil citeren. Na alles wat er met zijn gezin is gebeurd (allen
zijn vermoord of gestorven) zegt Josl:
"Ik
kan na alles wat ik heb meegemaakt niet zeggen dat Mijn verhouding tot
God niet veranderd is, maar ik kan met absolute zekerheid zeggen dat
mijn geloof in Hem geen spat veranderd is. Vroeger, toen het mij goed ging,
was mijn verhouding tot Hem als tot iemand die me met gunsten overlaadde en die
ik daardoor voortdurend iets verschuldigd was.
Nu
is mijn verhouding tot Hem als tot iemand die mij ook iets verschuldigd is, veel
verschuldigd is. En nu ik voel dat Hij mij ook iets verschuldigd is, denk ik dat
ik het recht heb Hem te vermanen. Ik zeg echter niet, zoals Job, dat God met
zijn vinger mijn zonden moet aanwijzen, opdat ik weet waaraan ik dit alles
verdien.
Want
grotere en betere mensen dan ik zijn er rotsvast van overtuigd dat het op dit
moment niet om straf voor zonden gaat, maar dat er in de wereld iets
bijzonders aan de hand is: dat het een tijd is van 'hastores ponem', dat
wil zeggen een tijd waarin God Zijn gezicht verborgen houdt."
God
houdt zijn gezicht verborgen. Voor hoe velen onder ons geldt dat misschien
nog steeds? Als je ernstig ziek in bed ligt en er is weinig hoop op genezing
terwijl je dat wel eigenlijk verwacht of zou hopen. Of als je een dierbaar
iemand dreigt te verliezen aan kanker of een andere levensbedreigende ziekte? Of
je hebt net je partner, of je kind, je broer, je zus, of een van je ouders
begraven?
God
houdt zijn gezicht verborgen, het lijkt wel alsof je het helemaal alleen moet
opknappen, het lijkt alsof er (voorlopig) géén licht schijnt op het einde van
de tunnel.
Josl
Rakover is zich heel goed bewust van deze situatie. Maar hij verwacht niet voor
hemzelf bijzondere redding. Hij
schrijft:
"In
zo'n toestand verwacht ik natuurlijk géén wonderen en ik bid niet tot Hem,
mijn God, om medelijden met mij te hebben. Tegenover mij mag Hij zich met
dezelfde gezichtsverhullende onverschilligheid gedragen als tegenover
miljoenen van Zijn volk. Ik ben géén uitzondering op de regel en ik verwacht
geen speciale behandeling."
Josl
Rakover is nuchter, realistisch. Waarom zou hij wel worden geholpen en die
talloze anderen niet? Maar daarmee is niet alles gezegd. Ook al houdt God zijn
gezicht verborgen en kunnen wij mensen slechts gissen naar het waarom, dat wil
nog niet zeggen dat wij als mensen ons zomaar daarbij neer moeten leggen, dat we
maar moeten aanvaarden wat er komt.
Josl
ziet zijn lijden en zijn ellende in het perspectief van het eeuwenlange lijden
van het volk van Israël maar hij bepaalt ook zijn eigen plaats ten opzichte van
God. Hij schrijft:
"'Niets
is zo heel als een gebroken hart, heeft een beroemde rebbe eens gezegd, en
er bestaat ook geen uitverkorener volk dan een permanent zwaar getroffen volk.
Toen ik niet kon geloven dat God ons als uitverkoren volk bestemd had, geloofde
ik dat we door onze ellende waren uitverkoren. Ik geloof in de God van Israël,
ook al heeft Hij alles gedaan om mij niet in Hem te laten geloven. Ik geloof in
Zijn wetten, ook al kan ik Zijn daden niet rechtvaardigen. Mijn verhouding tot
Hem is niet meer die van een knecht tot zijn meester, maar die van een leerling
tot zijn rebbe. Ik buig mijn hoofd voor Zijn grootheid, maar ik zal niet de stok
kussen waarmee Hij mij slaat. Ik heb Hem lief, maar Zijn tora heb ik meer lief,
en zelfs al zou ik teleurgesteld in Hem zijn, dan zou ik nog Zijn tora
beschermen.
God
betekent religie, maar Zijn tora betekent een levenswijze, en hoe meer wij voor
die levenswijze sterven hoe onsterfelijker zij zal worden.
Daarom
veroorloof ik mij, God, voor mijn dood, nu ik volkomen bevrijd ben van ieder
spoor van angst, nu ik me bevind in een toestand van absolute innerlijke rust en
zekerheid, voor de laatste keer in mijn leven met je te argumenteren.
Dan
wil ik je vragen, God, en die vraag brandt als een verterend vuur in me: 'Wat,
o wat moet er nog gebeuren voordat je je gezicht weer aan de wereld laat zien?' "
Josl
Rakover worstelt met God, de God van zijn dromen, de God die hij zich heel
anders had voorgesteld. Géén God die zich verbergt, maar een God die helpt. Géén
God die afwezig is, maar die het onheil helpt voorkomen. De bijbel staat toch
vol van tekens, van vingerwijzingen van God, rechtstreeks uit de hemel, waarom
dan nu niet?
Maar
'niets is zo heel als een gebroken hart', niets is zo heilig dan een
vertwijfeld mens. Volgens de rabbijnen kijkt men vanuit de hemel heel anders
naar de aarde dan wij zouden verwachten. Daarom gaan we mensen op aarde vaak de
fout in als we denken dat een gelovige helemaal níet mag twijfelen, dat een
vroom mens géén fouten mag begaan...
Maar
het is makkelijk gezegd, dat als je hart gebroken is, als je sterft van verdriet
en van pijn, dat de hemel je dan zal opnemen. Zolang je leeft is dat een
schrale troost.
Maar
misschien kan dit beeld ons toch op andere gedachten brengen, kan dit beeld ons
toch troosten omdat het ruimte geeft, omdat we niet langer perfect moeten zijn.
En omdat met dit beeld een God beleden wordt die oog heeft voor de gebroken
mens.
Nét
de gebroken mens is het méést kostbaar in zijn ogen....
Josl
Rakover schrijft:
"Ik
sterf rustig, maar niet tevreden. Geslagen, maar geen slaaf, verbitterd, maar
niet teleurgesteld, gelovig maar niet smekend, verliefd op God maar niet als
iemand die
blindelings
ja en amen tegen Hem zegt.
Ik
ben Hem gevolgd ook toen Hij mij van zich afstootte. Ik heb Zijn geboden
opgevolgd, ook toen Hij mij daarvoor strafte. Ik heb Hem liefgehad, ik ben
verliefd op Hem geweest en gebleven, ook toen Hij mij tot in de grond
vernederde, mij doodmartelde en aan schande en spot uitleverde.
Mijn
rebbe vertelde me altijd opnieuw de geschiedenis van een jood die met v
Maar
je doet alles om mij niet in je te laten geloven. Als je denkt dat het je zal
lukken me met die beproevingen van de goede weg te laten afdwalen, moet ik je,
God van mij en mijn voorouders, zeggen dat dát je allemaal niet zal helpen. Je
mag me beledigen, je mag me straffen, Je mag me het dierbaarste en beste dat ik
op de wereld heb afnemen, je mag me doodmartelen ‑ ik zal altijd in je
geloven. Ik zal je altijd liefhebben, altijd ‑ jou alleen, ondanks wat je
me aandoet.'"
Ik
kan deze woorden nauwelijks zonder tranen lezen. Dat verbeten liefhebben van
God, ondanks alles, ondanks het grootste verdriet. "Het zal je niet
lukken God, dat ik niet meer van je zal houden, dat ik je zal verwerpen,
ontkennen, afweren..." Dat is voor mij persoonlijk menselijke vrijheid
ten top: God ondanks God zelf blijven vert
'Ik
geloof in de zon, ook als ze niet schijnt.
Ik
geloof in de liefde, ook als ik die niet voel.
Ik
geloof in God, ook als Hij zwijgt.'
19.
"Sine timore" - zonder vrees
Wat
is er prachtiger dan "niet bang" zijn? Zonder vrees in dit leven te
staan en te voelen en weten "dat je er mag zijn", dat in wezen
je eigenlijk "niets" kan deren omdat je diep van binnen voelt dat je
"onsterfelijk" bent?
Echt
onsterfelijk ben je natuurlijk niet: je lichaam is heel kwetsbaar en ook je
geest kan niet alle klappen die het leven toedient opvangen. In die zin is je
leven beperkt, eindig.
Maar
de "onsterfelijkheid" die ik boven bedoel is van een andere categorie.
Het is een soort onsterfelijkheid van het geestelijke niveau. Een gevoel van dat
"God nooit het werk van zijn handen laat varen" en "dat
het altijd goed komt wat er ook gebeurt."
Misschien
mag je dit gevoel ook wel een stuk "basisvert
Maar
waarom heeft dat niet iedere mens, waarom zijn er mensen waar de angst van het
gezicht afstraalt? Waarom zijn er mensen die bang zijn "alles" te
verliezen? Wat is die angst, waar komt die vrees vandaan?
Is
het misschien eerder een gevoel van kwetsbaarheid, het met de neus op het feit
worden gedrukt dat je ziek kunt worden en sterven? Of is het de angst om te
verliezen wat je hebt opgebouwd in dit leven? Op materieel en geestelijk
terrein, in relaties en via je werk? Wordt de angst veroorzaakt omdat je niet
vrij bent, niet vrij van bindingen aan datgene wat je in handen denkt te houden?
"Angst
is een slechte raadgever" en "Angst eet zielen op"
zegt een indiaans spreekwoord. Ten diepste wordt daarmee bedoelt dat de angst
knaagt aan de bodem van je bestaan, dat angst beetje bij beetje de grond onder
je voeten weghaalt. En als je dan wankelt word je alleen maar banger.
Maar
waarvoor zou je eigenlijk bang zijn? Wat heb je te verliezen? Wat heb je
werkelijk te verliezen? Je bezit? Je zekerheden? Je carrière? Je
toekomstperspectief? Je gezondheid? je relatie met andere mensen om je heen? Je
leven? Heel wat kun je verliezen in dit leven en misschien het allerergste
om te verliezen is je moed en je hoop. Zonder moedig staan in dit leven, zonder
hoop op een goede afloop is er reden tot bang zijn. En hier schuilt meteen de
"spreekwoordelijke adder" onder het gras: zonder moed en hoop is er véél,
veel ruimte voor angst. En als je moedig bent en de werkelijkheid onder ogen
durft te zien, hoe hard die soms ook is bij de dood van een geliefde, of bij je
eigen naderende dood, en je zet alle kaarten op de hoop: "dat het goed
zal komen, dat de liefde nooit zal sterven", ook ten aanzien van jou,
dan is er nauwelijks ruimte voor angst en twijfel. Dan krijgt de wanhoop en de
vrees geen kans!
Psalm
23 zegt het zo mooi:
Omdat
de Heer mijn herder is, mijn hoeder,
daarom
zal ik nooit iets tekort komen.
Hij
immers zorgt voor een plek om te rusten,
aan
de oevers van zeeën en meren, daar waar stilte is en bezinning.
Daar
leef ik op, daar vat ik moed om verder te gaan op wegen die ik ken.
Hij
is mijn herder; hij gaat voorop, in zijn naam durf ik volgen, ongeacht waarheen
de weg met hem voert.
In
zijn nabijheid schrikt de dood mij niet af.
Ik
weet mij bij hem en waarvoor zou ik dan bang zijn?
Persoonlijk
vind ik deze psalm een van de hoogtepunten van het menselijk vert
"En
mocht ik ooit de weg bijster raken, hij blijft mij behoeden altijd!"
zegt psalm 23 tot slot. Hoe donker de nacht ook kan worden, ook weinig licht er
ook valt op de weg die je gaat, ook dan hoef je niet te vertwijfelen, dan is
"Hij" als het ware voor je en achter je en gaat Hij mee aan je zijde.
Onzichtbaar, onaanraakbaar, onwaarneembaar, maar aanwezig. "Ik wil
gewoon niet anders geloven". "Ik kán het ook niet!"
"Sine
Timore", zonder vrees en met open vizier denken en zeggen wat er te zeggen
valt: vóór de vrijheid, vóór de liefde, vóór de barmhartigheid en het
mededogen, ook in onze kerk, in onze maatschappij en waar je ook staat en leeft.
Want er kan je niets gebeuren...
20.
'Waarheid' - leren koken met God?
In
de Talmoed staat een verhaal waarin een rabbi een nieuwe uitleg ontdekt over het
scheppingsverhaal. En allen bij hem raken ontroerd en beginnen te huilen. Zelfs
in de hemel huilt men tranen met tuiten van vreugde.
Het
is maar een anekdote, maar we kunnen hieruit leren dat ook in de hemel niet
alles bekend is, en dat de mensen op aarde in staat zijn én het recht hebben de
interpretaties te geven én te ontdekken die in hun tijd actueel zijn. De
waarheid ligt dus niet voor eens en voor altijd vast, want wie zouden wij mensen
zijn om de waarheid te kennen? Wie zouden wij zijn om achter de geheimen van God
te kunnen kijken?
Hiermee
zitten we midden in een dilemma: want hoe kunnen we elkaars interpretatie van
de H. Schrift respecteren zonder elkaar te verketteren en af te schrijven?
De
makkelijkste weg lijkt soms je te onderwerpen aan een of ander leergezag en hun
uitleg kritiekloos te aanvaarden. Dan hoef je zelf niet na te denken. Alle
anderen die afwijken zijn dan fout en moeten de kerk verlaten. Maar dat
houdt de verkettering in stand en leidt tot veel ellende en leed.
Waarom
heb je een dan verstand gekregen en is het leergezag soms onfeilbaar? Geen mens
kan in de keuken van God kijken, en dus ook niet de recepten foutloos interpreteren.
Want dan zouden wij aan God gelijk zijn en heerlijke goddelijke spijzen kunnen
bereiden: nooit meer ziekte, nooit meer oorlog, nooit meer haat en
onverdraagzaamheid.
Zolang
we dat niet kunnen past ons enige bescheidenheid. De daden laten altijd zien
waar de woorden stranden.
Op
ons standpunt gaan staan en de andere visies afwijzen als ketters leidt niet tot
een betere wereld, maar onthult uiteindelijk haar ware gelaat: het
platvloerse gezicht van de macht.
Want
de verabsolutering van één mening,één visie, één interpretatie verbergt
een onvoorstelbare machtswellust: de geschiedenis legt hiervan getuigenis af in
de metershoge brandstapels waarop de 'ketters en heksen' hebben gebrand. Mijn
waarheid tot 'de waarheid' verheffen gaat meestal niet zonder bloedvergieten.
Is
er dan een andere weg, zonder lijden, zonder geweld?
Ik
vermoed van wel: de weg van de aanvulling op elkaar! Geen mens is volmaakt, geen
mens perfect. We hebben elkaar nodig en we hebben ook elkaars visies en
interpretaties nodig om dichter bij de waarheid te komen. Dichter bij, nooit
helemaal. Dat is niet voor ons weggelegd want we zijn geen goden.
Koken
met God - het bereiden van de bijbelse recepten in ons leven, het gaan van de
weg, in de richting van de Tora, (de wegwijzer van God), dat blijft
experimenteren en angstig afwachten of het wel zal lukken. Want veel zit ons
tegen: er ontbreekt van alles aan de ingrediënten, het vuur brandt niet altijd
hoog genoeg of soms weer te hard en ook onze gereedschappen zijn niet optimaal.
Maar toch... in principe moet het kunnen, idealiter is er een mogelijkheid voor
een goede maaltijd. Als we nu maar ieder aan laten zitten aan de feestelijk
gedekte tafel - want als niet iedereen welkom is hebben we er nog niet zoveel
van begrepen.
21.
Het boek van de thee: de kunst om te leren leven
Lang
geleden in de kloof van Lung-men stond een Kiriboom, een echte koning van
het woud. Zijn kruin reikte naar de sterren om met hen te praten; zijn wortels
waren diep verzonken in de aarde en omstrengelden de zilveren draak die in de
diepte sluimerde.
Op
een dag maakte een grote tovenaar van deze boom een wonderharp en alleen de
allergrootste muzikanten konden de tomeloze geest van deze wonderharp bedwingen.
Het instrument werd lange tijd bewaard in de schatkamer van de Keizer van China
want velen waren niet in staat om een melodie aan de snaren van de harp te
ontlokken. Hun pogingen werden slechts beantwoord met rauwe klanken van
verachting die in disharmonie waren met de liederen die ze zongen. De harp
weigerde om haar meester te erkennen.
Als
laatste kwam Peh Ya, de vorst van de harpisten, die het mocht proberen. Met
zachte hand liefkoosde hij de harp, zoals men een wild paard tot rust probeert
te brengen en zachtjes raakte hij de snaren aan. Hij zong over de natuur en de
seizoenen, over hoge bergen en stromende rivieren. En alle herinneringen van de
boom kwamen boven.
Weer
speelde de zoete adem van de lente door zijn takken. Het water lachte in zijn
val naar beneden de bloemen in de knop toe. De slaperige stem van de zomer
klonk, de zachte motregen, het klaaglied van de koekoek. Hóór, het gebrul van
een tijger, het dal geeft antwoord.
De
herfst breekt aan; de maan fonkelt wit, messcherp tegen een zwarte nacht, de
glans weerkaatst op het gras vol rijp. Wilde zwanen gaan voorbij in de winterse
koude, de lucht zwanger van de sneeuw; hagelkorrels kletteren tegen de kale
takken.
En
Peh Ya wisselde van toon. Hij zong over de liefde. Het bos boog zich als een
verliefde herder, verzonken in de diepte van zijn gedachten. Boven echter veegde
een trotste maagd een lichte, mooie wolk weg; ze gaat voorbij en lange schaduwen
slepen over de bodem, donker als de vertwijfeling.
En
weer wisselde de stemming. Peh Ya zong over de oorlog, het kletterende staal en
de stampende paarden. In de harp echter klonk opeens het onweer van Lung-men; de
draak kwam met de bliksem dichterbij en het lawaai van een lawine dreunde door
het dal.
Verrukt
wilde de keizer van de hemel weten waarin het geheim van Peh Ya's overwinning
lag. "Heer" zo luidde het antwoord, "de andere harpspelers
mislukten, omdat ze alleen over zichzelf zongen. Ik liet het aan de harp over om
vrij haar eigen lied te kiezen en ik wist waarachtig niet of de harp Peh Ya of
dat Peh Ya de harp was."
Dit
prachtige verhaal kwam ik tegen in: Kakuzo Okakura, Das Buch vom Tee. Op een
boekenmarkt lag dit juweeltje op mij te wachten. Het boek van de thee is
wereldberoemd. Het handelt over thee en meer nog over het leven. Het
drinken van de thee, de voorbereiding, het theehuis, de theemeester, het zijn
evenzoveel metaforen om zorgvuldig en bewust te leven volgens de regels van het
zenboeddhisme.
Okakura
schrijft: "wij zijn de harp van Lung-men. Als de toverhand van het schone
ons aanraakt, worden de geheime kanten van ons wezen wakker, we trillen en beven
als antwoord op de roep aan ons. Geest spreekt tot geest. We horen het
onuitgesprokene, we zien het onzichtbare.
De
meester wekt tonen op waarvan we niets wisten. Lang vergeten herinneringen keren
vol nieuwe betekenis terug. Door angst verstikte hoop, verlangens die we niet
durfden te erkennen, staan opeens in een nieuw licht voor ons. Onze ziel is
het doek, waarop de kunstenaar zijn kleuren aanbrengt. Zijn schakeringen
zijn onze gevoelens; het halfdonker, lichte vreugde, donker verdriet. Het
meesterwerk is ons en wij zijn het meesterwerk."
Geest
spreekt tot geest! Misschien worden we in die 'geest' ook wel eens door God
aangeraakt. Misschien zijn het zeldzame momenten, misschien vindt het maar één
keer in een mensenleven plaats. Wie weet. Maar misschien is dat ook genoeg. We
kunnen er soms een heel leven op teren. Tot de dag aanbreekt waarop alle
scheiding voorbij is, waarop alle muren zijn gevallen, als we heengegaan zijn
door de deur van de dood. Misschien is het nieuwe leven dan een groot
snarenspel, met God als muzikant. Wie weet?
Het
woordje schaduw heeft voor mij géén negatieve klank. Aan schaduw denkt
men vaak bij donkere dingen; of de achterkant waar geen licht op valt. Typisch
dat verlichte voorwerpen een schaduw werpen. Hoe feller het (zon)licht, hoe meer
afgetekend de schaduw. In de psychologie is het begrip schaduw soms gaan
functioneren als een verzameling van negatieve eigenschappen. En angstwekkende
dreigende gebeurtenissen werpen soms hun 'schaduw' voorruit.
Toch
is schaduw voor mij daarmee nog níet negatief. Schaduwkanten zijn de kanten die in het
donker liggen. Niet zichtbaar (soms), dus onbekend. In de schaduw van God wil
dan ook in dit licht zeggen: de donkere kant van God, de onbekende kant
van God, de niet‑bekende kant van God overdekt ons met zijn schaduw, met
zijn "donker-licht".
"Donker‑licht"
dat kan eigenlijk niet. Dat is een tegenspraak, maar toch zou ik dat
begrip willen toepassen op God, omdat God voor ons mensen onkenbaar is. Alles
wat we 'uitvinden', bedenken omtrent God is mensenwerk, mensen-woord,
mensenfantasie. In die zin zou ik even willen "fantaseren" over God.
In
de mystiek is het beeld van het 'donker-licht' niet zo vreemd. Daar kwam ik
achter enkele dagen nadat ik dit bovenstaande spontaan had opgeschreven. Er zijn
stemmen in de Joodse mystiek die zeggen dat God als een donker-licht in ons
menselijk leven aanwezig is. De hele schepping legt daarvan getuigenis af omdat
de schepping bestaat in de schaduw van God. Ook wij mensen, ons menselijk leven
vormt een deel van die schaduw.
"Maar
wat kan ik met een dergelijk beeld?", hoor ik u al denken. "En staan
deze mystieke metaforen (beelden van God) niet erg ver af van het gewone
dagelijkse leven?" Daar kan ik alleen op antwoorden: "Het is
maar waar je naar op zoek bent!" Als Godzoeker, zo versta ik mezelf,
word ik persoonlijk gefascineerd door dergelijke beelden omdat ze mijn visie op
God verbreden en verdiepen, waardoor het begrijpen van mijn bestaan (soms)
uitgetild wordt boven het alledaagse.
Ben
je geen Godzoeker (of weet je het misschien allemaal al) dan zullen deze
beelden niet zo snel aansluiting vinden. Dat kan en dat mag. Ieder mens hoeft
niet op dezelfde golflengte te zitten.
Maar
'toevallig' zit ik op deze golflengte van het zoeken naar God omdat ik
geloof en erop vert
Concreet:
als wij leven in Gods'schaduw, als de schepping schaduw Gods is, donker en
onbekend, net zo donker en onbekend als de onbekende God die daarin verschuilt
dan heeft uiteindelijk alles betekenis, dan is niets echt volslagen zinloos. Hoe
zinloos en beperkt dingen ook soms lijken in ons leven, hoe volstrekt
tegendraads tegen alle menselijke hoop en verwachting in, hoe kwellend en
pijnlijk ook, in het licht van God krijgt alles uiteindelijk een andere
dimensie.
Maar
deze dimensie kunnen wij mensen met ons menselijk verstand en gevoel niet
bevatten noch accepteren (zeker niet als het zinloos lijden betreft). Daarvoor
moeten wij eerst op een ander spoor, in een andere tijd komen, een andere tijd
dan de geschonken levenstijd. Misschien moeten we eerst hemelse ogen ontvangen,
God zien van aangezicht tot aangezicht om hier iets van te begrijpen.
Als
de opstanding uit de dood als belofte aan ons gedaan is, waarom dan ook niet volledig
inzien waartoe het allemaal goed is wat we hebben moeten ondergaan.
Misschien verhult Gods'schaduw wel deze belofte. Misschien is het vallen in God
wel het springen in een afgrond die God heet. Diep en donker. En onbekend. Maar
wie weet hoe we worden opgevangen, in welk licht we zullen ontwaken.
23.
Tot slot: Baal Sjem Tov - de macht van het woord
De
Baal Shem Tov, de meester van de goede naam heeft eens gezegd:
"Als
je spreekt,
koester
dan het geheim van de stem
en
het woord in de betekenis,
en
spreek met eerbied en liefde,
en
besef
dat
de wereld van het woord
uit
jouw mond spreekt.
Dan
zul je de woorden verheffen.
Besef,
dat je slechts een omhulsel bent,
dat
je gedachten en je woord
werelden
zijn, die zich verbreiden:
de
wereld van het woord,
dat
is de inwoning van Gods heerlijkheid,
verlangt
in dit gesprek
van(alles)
van de wereld van de gedachte.
En
als jij het licht van God
in
je gedachten en woorden hebt getrokken,
dan
zal dit je wens zijn,
dat
de zegende volheid
zich
uit de wereld van de gedachte
uitgiet
over de wereld van het woord.
Dan
zal je worden,
wat
je nodig hebt.
Daarom
heet het:
"laat
ons Jou vinden in onze gebeden!"
In
onze gebeden zelf laat God zich vinden."
|
|
voor meer en ander werk zie http://landscape.mystiek.netcanandanann - 20-02-2006 18:05:05 |