Lieder
von einer Insel
(1954)
...
Wenn einer fortgeht, muß er den Hut
mit den Muscheln, die er sommerüber
gesammelt hat, ins Meer werfen
und fahren mit wehendem Haar,
er muß den Tisch, den er seiner Liebe
deckte, ins Meer stürzen,
er muß den Rest des Weins,
der im Glas blieb, ins Meer schütten,
er muß den Fischen sein Brot geben
und einen Tropfen Blut ins Meer mischen,
er muß sein Messer gut in die Wellen treiben
und seinen Schuh versenken,
Herz, Anker und Kreuz,
und fahren mit wehendem Haar!
Dann wird er wiederkommen.
Wann?
Frag nicht.
...
Ingeborg Bachmann
Niet moedig
De moedigen weten
dat zij niet verrijzen
dat er geen vlees om hen groeit
op de jongste dag
dat zij zich niets meer herinneren
niemand terugzien
dat hun niets te wachten staat
geen zaligheid
geen foltering
ik
ben niet moedig.
Marie Luise Kaschnitz
Quatre Poèmes
translated from French by the author
1. Dieppe
again the last ebb
the dead shingle
the turning then the steps
toward the lighted town
2.
my way is in the sand flowing
between the shingle and the dune
the summer rain rains on my life
on me my life harrying fleeing
to its beginning to tis end
my peace is there in the receding mist
when I may cease from trreading these long shifting thresholds
and live the space of a door
that opens and shuts
3.
what would I do without this world faceless incurious
where to be lasts but an instant where ebery instant
spills in the void the ignorance of having been
without this wave where in the end
body and shadow together are engulfed
what would I do without this silence where the murmurs die
the pantings the frenzies toward succour towards love
without this sky that soars
above it's ballast dust
what would I do what I did yesterday and the day before
peering out of my deadlight looking for another
wandering like me eddying far from all the living
in a convulsive space
among the voices voiceless
that throng my hiddenness
4.
I would like my love to die
and the rain to be falling on the graveyard
and on me walking the streets
mourning the first and last to love me
Samuel Beckett
PSALM
10501
In u schuil ik. Rond mij zijn wolken en donkerheid. Hier
valt al het bonzen dood,
de woorden van mijn achtervolgers klinken niet, hun
wapens bereiken nooit de
kern. U geeft mijn ziel niet aan het dodenrijk. Dood of
leven, het maakt voor u
niet uit. Angstig wentel ik mij rond in kamers die
onbereikbaar zijn voor
mensenogen. Met draaiende gebaren paai ik de ruimte.
Laten mijn vijanden niet om mij juichen. Laat
ze niet denken dat ik vlucht voor mijn
verantwoordelijkheden. Een ronde plek, een
pan en zeven stokkende adems. De dood heeft een mond maar
spreekt niet. De dood heeft een oog maar ziet enkel
de loop. Hij heeft oren maar horen kan hij niet. De dood
heeft een neus maar ruikt alleen zichzelf.
Trek mij door uw gangen, god. Leer mij
wandelen op paden die bewegen. Leid mij
in uw waarheid en leer mij zweven. Want
deze weg moet ik gaan, langs deze ravijnen
loopt mij lot, op deze weg schuifelen mijn
ontaarde voeten. Afdrukken zijn er niet. Het gaapt, maar
ik heb geen tijd voor verveling of het pulken van eelt.
Eenzaam ben ik, de hele dag met mijzelf. Ik
wacht op de stortvloed die mij overmant, ik wacht
op de kracht van absolute stilte. Maak
mij kleiner, maai mij weg. Los mij op. Bevrijd
mij van plaats en tijd. Van eeuwigheid. Alleen in uw
gangen wil ik leven, alleen in uw ruimte bestaan. Ik
prijs u om het vergezicht. U bent zo licht.
Mijn ziel is ontkomen als een vogel uit de val van zijn
belagers. Hoog zweefde ik en zag dat een dochter werd
doorstoken, een andere dochter doodgeslagen, de zoon
aan de tafel vastgespijkerd. Waarom moet een man zien
hoe zijn vrouw wordt opengeritst en de tweeling in haar
buik er uit getrokken, doodgeschopt? Bestaat
er dan geen recht, geen levend water, geen geweten?
Eenzaam ben ik, de hele dag met mijzelf Ik
wacht op u, in u schuil ik. U prijs ik, in u is
licht, u lost mij op. Doe mij recht, voer
het geding dat ik aanspan. Spaar hen niet, mijn
achtervolgers. Maak ze groot en machtig, laat ze binnen
in de
waan. Des te harder zal de klap zijn, des te schrijnender
hun nietigheid. Doe mij recht en
dood hen niet. Neem hun geliefden, de mannen en
vrouwen, de zonen en dochters, neem hun bezit, maar
spaar hun levens. Ze moeten zien. Toon
ze mij. Ik in u.
Nooit was ik zo volkomen.
Nooit zo loos.
Nooit zo ziel.
Waarom stoot u mij weg? Ziet u niet hoe goed het is
als wij samenwonen? Ik geef alles, ik geef mee, maar
uw antwoord is er niet. In de stilte waai
ik en geniet van kleur. Ik ledig de kelk, knijp
in mijn lijf. Ik voel niet, zwakte pakt me. Mijn
benauwdheid maakt mijn spreken stamelen. Ben
ik nog een mens?
Een echo is mijn antwoord: emen.
En ik schreeuw: bederf
En hoor: erf.
Ik roep: stik.
En hoor: ik.
Ik terg: niets.
En hoor: iets.
Is er niets meer heilig? Waarom
noemt u niet alles? Waarom laat u
ons bestaan? Ik ben een pootaardappel op
een gloeiende rots. Vol vertrouwen bouw ik
wortels, mijn loof opent zich naar zon. Mijn
lof verstikt in stof Mijn grijsgroene
bladeren spannen zich. Hoe
lang houd ik dit vol? Hoor
toch mijn smeken, hoor
mij zuchten in uw leegte, hoor
mijn vijanden aan de poort, hoor
hen aanleggen, ik ben de roos, ik
ben in de kern die zij raken willen. Maar
mij raakt u alleen.
U raken ze nooit. U
bent zo diep in mij. Zo
in de diepste leegte, zo
ver van hen. Uw lachen doet hen
kleuren, uw adem maakt hen
ademloos.
O, god, haast u.
Haast u om mij te redden.
Laat die mij haten zich branden
aan uw gloed, laat die mij
naar het leven staan terugdeinzen en
het zout zoeken in hun zakken. Laat
wie 'haha' roepen eeuwig lachen. Goed,
ik ben ellendig en arm, ik
ben nietig, minder dan een neet. Ik
ben het niet waard genoemd te worden, mijn
woord gaat ten onder in het uwe, mijn lichaam
siddert bij het noemen van uw naam. Toch bent u
mijn schuilplaats. In u woon ik. Om u bouw ik
mijn tempel. U bent groot door niet te zijn.
Nog zie ik de ontzielden uw woning
binnendringen. Ze hebben geen ontzag voor
de wonderschone trap, het houten bankje
op de veranda. Ze zien niet de sierlijk bewerkte
deur, de vensterbank met potten, de perfekte
deurknop. De dingen zijn daadloos, schoonheid
is een dood begrip, al het mooie is genade.
Ze treden binnen, zingen lofliederen, en maaien
ondertussen
alles wat kracht draagt weg. Ze zoeken u. Maar u
kunnen ze niet raken, u bent zo diep, zo ver. Bij u
kunnen ze niet komen. Uw deuren zijn
zo klein. Maar mij vermoeden ze. En ze zien de mijnen. Ik
vlucht niet, mijn mond beweegt en mijn woorden stromen.
Hoe
mooier ze zijn, hoe harder ze schreeuwen. Hoe dieper
de zin, hoe onzinniger hun nukken. Ze vernietigen alles
wat
iemand lief kan zijn, de tempel wordt een martelkamer.
Mijn
geliefden ontnemen ze het leven en ze slepen de ontzielde
lichamen naar buiten om ze daar te doorzeven met kogels
die
geen doel meer raken. Er was niemand die begroef, ik
begroef alleen mijn hoofd. Ze deden alsof ik er niet was.
Waarom
zagen zij mij niet, waarom doden ze mij met hun stilte?
Hoelang nog, god? Hoe lang nog
laat gij hen begaan. Staat gij dit nog langer
toe? Werp u op moordlustigen, verbind u met uzelf, breng
bij
elkaar wat niet bij elkaar mag komen. Spring in het vel,
verdeel
de kracht die in u is en werp u op de moordende brigades,
de
lieden zonder ziel, de onmensen die hun oog niet kunnen
leggen
in een deurknop en een vensterbank. Verdelg de mensen die
niet
stilstaan bij een ornament, bij een boom, bij een streep
in het gelaat. Doe het snel, wij zijn zo zwak. Help ons,
god. Met bewegende leegte, met negen slagen in het
niets. Laat u kennen, noem uw naam, verschroei
het bloed van hen die bloed doen vloeien. Druk
stom hen die aan stukken snijden. Wij kunnen dat
niet doen, aan ons is alles slap, zwakte pakte ons.
Mijn ziel is verzadigd van rampen, mijn
leven speelt zich af op de rand van het ravijn. Ik ben
een
man geworden zonder kracht, een dode bijna, een man onder
de
grond. In de diepste kuil hebt gij mij geworpen, zwaar
rust
uw adem op mij. Mijn vrienden hebt gij weggejaagd. Ik
ben ingesloten, ontkomen kan ik niet. Waarom
verstoot gij mij?
Arm en ellendig, radeloos ben ik.
Uw leegte omsingelt mij, uw
brandende ogen maken mij as, uw
zware wateren omspoelen mij. Naar
lucht hap ik. Ik klop aan bij vrienden, maar
niemand doet open. Ik roep uw
naam, maar niemand antwoordt.
Gerechtigheid is het beton onder het niets. Een wreker
steekt in u, het scherm dat u wegtrekt het uiterste
gebaar. Alles klapt op elkaar. Een mes wordt in de
leegte gezet. U bent uw eigen rechter, niemand wordt
gespaard, zelfs die geloven maait u neer. Overal branden
braamstruiken. Overal offert u uw eigen
zoon. Wat om u is wordt weggevaagd. En ik? Ik
zeef mijn god en laat mij door hem zeven. Door
een onzichtbaar net word ik gedreven, door een
onzichtbaar leger word ik gedeeld. Ik span mij in om
heel te blijven, maar weet dat ik mij
delen moet, dat mijn ik een deken
is, een mantel die bedekt wat
onbedekt had moeten blijven.
Hoog huis, hoe bereik ik
u, hoe kan ik komen in de
diepte van uw oceaan? Ik
maak mij kleiner, ik
verdwijn bijna. Help mij
bij u uit te huilen. In u schuil
ik, uw huis is klein genoeg, uw mond
zo woordloos, zo zielbezeten. Ik
hecht niet langer aan het leven, maar
het hecht zich. Genadeloos.
IRUN
SCHEIFES
De
kruiken
Op de lange tafel
van de tijd
drinken de kruiken
Gods.
Ze drinken de ogen
van de zienden leeg
en de ogen van de
blinden,
de harten van
heersende schaduwen,
de holle wang van
de avond.
Zij zijn de
geweldigste drinkers:
zij voeren het lege
naar de mond als het volle
en schuimen niet
over zoals jij of ik.
Paul Celan
Zo
ben je dan geworden
zoals ik je nooit
heb gekend:
je hart slaat
overal
in een bronnenland,
waar geen mond
drinkt en geen
gestalte de
schaduwen omzoomt,
waar water kwelt
voor de schijn
en schijn als water
schuimt.
Je stijgt in alle
bronnen,
je zweeft door elke
schijn.
Je hebt een spel
verzonnen,
dat wil vergeten
zijn.
Paul Celan
Landschap
Jullie hoge
populieren - mensen van deze aarde!
Jullie zwarte
vijvers geluk - jullie spiegelen ze dood!
Ik zag je, zuster,
staan in deze glans.
Paul Celan
In
het laatrood
In het laatrood
slapen de namen:
een
wekt je nacht
en voert hem, met
witte staven langs -
tastend aan de
zuidwand van het hart,
onder de dennen:
een, van menselijke
gestalte,
schrijdt naar de
pottenbakkerstad toe,
waar de regen zijn
intrek neemt als vriend
van een uur van het
meer.
In het blauw
spreekt zij een
schaduwbelovend boomwoord,
en je lieve naam
rekent zijn letters
daartoe.
Paul Celan
Ontbinding
Het donkert, en het lokt mij niet
Zelfs naar een lamp te tasten.
Waar het de dag te eindigen behaagd heeft,
aanvaard ik de avond.
En daarmee aanvaard ik dat opstaat
Een andere orde van wezens
En van dingen niet verbeeld.
Armen gekruist.
Ledig van wat wij beminden.
Is de hemel weidser. Bevolkte plaatsen
Doemen in de leegte op.
Woon ik in een ervan?
En ik onderscheid zelfs niet mijn huid
Van het toevloeiend duister.
Een unaniem eind concentreert zich
En toeft in de lucht. Aarzelend.
En deze agressieve geest
Die de dag met zich sleept,
Drukt nu niet meer. Zo vrede,
Verbrijzeld.
Zal zij duizend jaren duren, of
Doven met de kleuren van de haan?
Deze roos zij is definitief,
Al is zij schamel.
Fantasie, valse waanzinnige,
Alreeds veracht ik u. En ook u, woord.
Op de wereld, eeuwige doorreis,
Zwijgen wij.
En zonder ziel, lichaam, zijt ge zacht.
Carlos Drummond de Andrade (vert. A. Willemsen)
De
toebedeelde tijd
Een minuut, een minuut van hoop, niet meer,
En ’t einde komt. En reeds is elke zekerheid
In botten opgegaan. Slechts rest het teer
Besluit tussen de dood en onaandoenlijkheid.
De tijd vermoeit, dus een minuut, niet meer,
En nimmer overwint liefdes scherpzinnigheid
Deze doren, deze naald die, fijne speer,
Ons op ’t onmetelijke strand in stukken splijt.
Nog slechts één minuut, en die komt laat.
Nog slechts van jou iets, die onbuigzaam bent,
Terwijl, lafaard, ik door mijzelf mij duwen laat.
Een minuut, en ’t eind is daar. Klok ongeremd,
Vaag zichtbaar visioen in troebel zwerk,
Zij een minuut genoeg, mij en mijn werk.
Carlos Drummond de Andrade (vert. A. Willemsen)
Sonnet
van de verloren hoop
Ik heb de tram gemist en de hoop.
Bleek keer ik terug naar huis.
De straat is nutteloos, geen auto
Zou over mijn lichaam rijden.
Ik loop de trage helling op
Waarlangs de wegen samenvloeien.
En alle leiden zij naar het
Begin van drama en van flora.
Ik weet niet of dit lijden is
Of iemand die – en waarom niet? –
Zich in de smalle nacht vermaakt
Met een onmogelijke fluit.
Intussen het lang geleden
Dat wij ja! riepen tegen de eeuwige.
Carlos Drummond de Andrade (vert. A. Willemsen)
Droefheid
in de hemel
Ook in de hemel is een melancholisch uur.
Moeilijk moment, waarin twijfel de zielen doordringt.
Waarom heb ik de wereld gemaakt? vraagt God zich af
En antwoordt zich: Ik weet het niet.
De engelen kijken hem verwijtend aan,
En veren vallen.
Alle hypothesen: genade, eeuwigheid, liefde
Vallen, zijn veren.
Nog een veer, de hemel valt uiteen.
Zo zachtjes, geen geraas verraadt
Het moment tussen alles en niets,
Ofwel, de droefheid Gods.
Carlos Drummond de Andrade (vert. A. Willemsen)
Hoe
weinig ik van nut ben,
Ik hef mijn vinger en laat
Niet de kleinste streep achter
In de lucht.
De tijd doet mijn gezicht vervagen,
Ze is reeds begonnen.
Achter mijn voetstappen in het stof
Wast de regen de straten blank
Als een huisvrouw.
Ik was hier.
Ik ga voorbij
Zonder spoor.
De olmen langs de weg
Wenken me toe hoe ik nader,
Groen blauw gouden groet,
En vergeten mij,
Voordat ik voorbij ben.
Ik ga voorbij –
Maar misschien laat ik achter
De zachte klank van mijn stem,
Mijn lachen en mijn tranen
En ook de groet van de bomen in de avond
Op een stukje papier.
En in het voorbijgaan
Helemaal zonder bedoeling,
Steek ik de een of andere
Lantaarn aan
In de harten aan de rand van de weg.
Hilde Domin
Voorbijtrekkend
landschap
Men zou moeten kunnen weggaan
En toch zijn als een boom:
Alsof de wortel in de bodem bleef
Als trok het landschap voorbij en wij stonden vast.
Men moet de adem inhouden,
Tot de wind nalaat
En de vreemde lucht om ons heen begint te draaien,
Tot het spel van licht en schaduw,
Van groen en blauw,
De oude vormen toont,
En wij thuis zijn,
Waar dat ook is,
En kunnen neerzitten en aanleunen.
Hilde Domin
Man
gab mir einen Körper -- wer
Sagt mir, wozu? Er ist nur mein, nur er.
Die stille Freude: atmen duеrfen, leben.
Wem sei der Dank dafuer gegeben?
Ich soll der Gärtner, soll die Blume sein.
Im Kerker Welt, da bin ich nicht allein.
Das Glas der Ewigkeit -- behaucht:
Mein Atem, meine Wärme drauf.
Die Zeichnung auf dem Glas, die Schrift:
Du liest sie nicht, erkennst sie nicht.
Die Trübung, mag sie bald vergehn.
Es bleibt die zarte
Zeichnung stehn.
O. Mandelstam 1909 - Deutsch
von Paul Celan
Wo
ist jenes Wort, das geboren wird?
Wo ist jenes Wort, das
Sich ereignen wird? [...]
Das Wort ist in der Traube,
das Wort ist im Eisen
Das Wort ist in der Seele Und das Wort ist in der Finsternis
Es erzittert in der Luft. Es
leuchtet auf in der Dunkelheit
Das Wort versteht zu lieben Es weiß aber auch zu schmerzen
Das Wort, wenn es geboren
wird, ist ein Lastschiff
Wo es ankommt weiß es nicht. Bei der Sonne
Oder dem Abgrund. [...]
Im Rauch, im Feuer, im
Herzen, das träumt
Im Traum von der Freiheit, im Stein, im Wasser
In jedem Klang, im Schweigen
und in der Stumpfheit
Im Glauben und im
Zweifel. [...]
Das Wort ist in der Traube,
das Wort ist auch im Eisen
Das Wort ist in der Seele Das Wort ist auch in der Finsternis
Das ist eine Wehklage. Das
ist ein Traum.
Das Wort ist Leben selbst. Mit mehr Liebe
Sollte es ein. [...]
Es gibt ein altes Wort, das
mit dem Morgen kommt.
Es gibt ein altes Wort, das mit dem Morgen kommt.
Das eine lebt für sich. Das
andere
Verschenkt sich.
Mak Dizdar
Schweige,
verbirg dich und halte
deine Gefühle und Träume geheim,
lass sie in der Tiefe deiner Seele
lautlos auf- und untergehen
wie Sterne in der Nacht;
erfreue dich an ihnen -und schweige.
Wie soll das Herz sich offenbaren?
Wie soll ein anderer dich verstehen?
Begreift er, wodurch du lebst?
Ein ausgesprochener Gedanke ist eine Lüge.
Wenn du die Quellen aufwühlst, trübst du sie;
zehre von ihnen - und schweige.
Verstehe, nur in dir selbst zu leben:
es gibt in deiner Seele eine ganze Welt
geheimnisvoll-zauberhafter Gedanken;
sie betaeubt der äussere Laerm,
die Strahlen des Tages vertreiben sie;
lausche ihrem Gesang- und schweige!...
Fjodor Tjutchev
1830 - Deutsch von Rudolf Pollach
What is dying?
A ship sails and I stand
watching till she fades on the
horizon, and someone at my
side says, "she is gone."
Gone where? Gone from my
Sight, that is all; she is just as
large as when I saw her...
The diminished size and total
loss of sight is in me, not in
her, and just at the moment
when someone at my side
says "she is gone", there
are
others who are watching her
coming, and other voices
take up a glad shout:
'there she comes!'...
and that is dying.
Bishop Brent
God, before he sent his
children
to earth.
He gave each one of them
a very carefully selected
package of problems.
These,
he promised smiling.
are yours alone.
No one else may have the
blessings
these problems will bring you.
Now
Go down to your birth
and your forgetfulness.
Knowing that I love you
beyond measure.
Enkel
dit
Een
dal en erboven bossen in de kleuren van de herfst.
Een zwerver komt aan, de kaart heeft hem hier gebracht,
Of misschien de herinnering. Eens, lang geleden, in de zon,
Toen de eerste sneeuw viel en hij hier reed,
Ervoer hij vreugde, krachtig, zonder reden,
Vreugde van de ogen. Alles was ritme
Van voorbijschuivende bomen, van een vogel in de vlucht,
Van een trein op een viaduct, een feest van beweging.
Na jaren keert hij terug, hij verlangt niets.
Hij wil slechts één kostbaar ding:
Zuiver kijken zonder naam,
Zonder verwachtingen, angsten en hoop,
Op de grens waar het ik en het niet-ik eindigt.
1985
Czeslaw Milosz
Immer
wenn du zurückkommst
ist mirs
als sähe ich dich zum erstenmale:
Silbern stäubt es aus meiner Seele
wie aus den Weidenkätzchen
wenn der frühlingswind
sie zum erstenmale berührt.
Telkens als je terugkomt
lijkt het mij
alsof ik je voor de eerste keer zie:
Zilverig stuift het uit mijn ziel
zoals uit wilgenkatjes
als de voorjaarswind
ze voor het eerst beroert.
Paula Ludwig
Sperwer
Iedere
lente keert hij terug,
in een eik bouwt hij zijn nest
met klei van het veld
en met de doornen van het struikgewas.
Tijdens
de vorige lente
vond hij de boom niet terug;
op zijn plaats stond een bulldozer,
zijn stoom een paraplu,
een wolk tussen de lippen van de lucht.
In
de as van de ovens
rust de eik
in de ogen van de sperwer.
Fuad
Rifka
LE
CHANT DE L'HOMME
I
J'ai
voulu à ma détresse
des rues étroites, la caresse
à mes épaules des bons murs durs.
Mais vous les avez, ô hommes
élargis de vos pas,
de vos désirs,
de relents de rhum,
de sexe et de «draught-beer».
J'erre dans vos labyrinthes
multicolores
et je suis las
de ma plainte.
LIED
VAN DE MENS
I
Voor
mijn verdriet wilde ik
smalle straten, mijn schouders
gestreeld door stevige muren.
Maar jullie, o mensen, hebben ze
met jullie stappen verbreed,
met jullie verlangens,
met walmen van rum,
seks en bier van het vat.
Ik dwaal door uw
veelkleurige doolhoven,
gebukt onder mijn eigen klacht.
Jacques
ROUMAIN
DE
WATERLELIE
De
kalmoes groeit bij brak water
roerloos tussen de grassen baadt hij zijn stengel
hij is niet aardgeel, lijkt op een wolk
die een vlam bij valavond kleurt
zijn bloemkroon is slap, de bladeren breed
de lange salamander glipt erin
en verdwijnt in het geel, beloert de prooi
behoedzaam keert de herder terug, houdt de hemel in het oog
de zon mag niet ondergegaan zijn
hij rept zich dan naar huis waar de vrouw
die hem steeds afwijst leeft
en in de barst steekt hij de gele lelie
blijft ze drie dagen aan de muur gehecht
zal niemand ze aanraken
komt de vrouw naar de velden
gaan ze zonder één woord achter het riet
samen liggen.
Umberto
Piersanti
IL
GIGLIO D'ACQUA
l'acoro cresce presso l'acqua marcia
immota tra le erbe bagna lo stelo
non è giallo di terra, simile a nube
che una fiamma colora verso sera
floscia la sua corolla, ampie le foglie
la lunga salamandra ci s'infila
e nel giallo si perde, fissa la preda
torna
cauto il pastore, sorveglia il cielo
non deve essere il sole andato sotto
s'affretta poi alla casa dove vive
la donna che da sempre si rifiuta
e nella crepa infila il giglio giallo
se resterà tre giorni fisso al muro
non ci sarà
pers
ona che lo tocchi
giunge la donna ai campi
senza parlare vanno dietro le canne
giacciono insieme.
IN
EEN METROSTATION
Ongelukkig
zij die in de Metro
een meisje opmerkten
en op slag verliefd werden
en haar gek van liefde volgden
en haar voor altijd in de menigte verloren
Want zij zullen gedoemd zijn
doelloos door de stations te dolen
en te wenen met de liefdesliedjes
die de straatmuzikanten in de tunnels zingen
Misschien is liefde niet meer dan dat:
een vrouw of een man die in een willekeurig station
van de Metro uit een wagon stapt
en enkele seconden lang schittert
en dan opgaat in de naamloze nacht
OSCAR
HAHN
Selectie
...hoe
te beantwoorden dit vuur
hoe te beantwoorden deze wind
die over de klippen veegt
de warmte te vatten
onder de gletsjer van het verstand dooiend
de geur van poriën
de onmiskenbare herinnering van de huid
...samen
wegzinken
in de wind de wieg van de vogels
hobbelend kreunen van het herfstelijke
het loof van het voorjaar
de wijnrank het drinken
uit de bron
van ons verlangen
ZDENKA BECKER
Op
het feest van Akindynos,
Elpidoforos, Anempodistos
Nu
houd ik mijn blik gericht op de boot die leeg zal zijn
Als je instapt, op een uitgestrekt Zeekerkhof
Met marmeren Meisjes die bloemen dragen. Het zal
nacht zijn en augustus
De tijd waarbij de sterrenbeelden wisselen van wacht. En
de bergen gewichtloos
Vol donkere nevel zweven even boven
de grenslijn van de horizon
Geuren hier of daar van verbrand gras. En verdrietigheid
van ongekende soort
Die uit de hoogte
neerstroomt op de ingeslapen zee
In mij fonkelt wat ik niet ken. Toch fonkelt het
Ach schoonheid al gaf je mij nooit helemaal jezelf
Iets tenminste kon ik jou ontvreemden. Ik noem: dit glimpje
groen in de ogen van het meisje dat voor het eerst
Ingaat op de liefde en dat andere onsje goud, waar
je het ook legt het juliet.
Trek voort aan de riemen jullie gewend aan eeltig werk.
Mij krijg je niet mee waar de anderen gaan
Dit gebeurt niet. Ik ben niet bestemd om mij in te lijven
Als vazal van de hemel daar ook wil ik weerom vrij zijn
En echt mezelf. Dit vertelt ook de wind
Odysseas Elytis
De
tijd en het water
In het zonwitte licht
van de langharige dagen
wonen je gelaatstrekken.
Als
een verlokkingsblauwe regen
zie ik je tranen vallen
over mijn droefheid.
En
je verwijdering slaapt
voor de eerste maal
in mijn omarming.
Net om de wind mee te vangen:
Vluchtende
diepzeevis
beladen met het heldere licht
van het niets.
Zongevleugelde
ronde waters
met de vierdimensionele holle spiegels
van de dromen.
Verloren
sporen
onder de avondsneeuw
van de vertwijfeling.
Net
om de wind mee te vangen:
Zoals
de slaaphemel
gevangen in toortsmaskers,
zo vangt god.
STEINN STEINARR
Na
de verwonding
Gisteravond
verscheen mij in een droom
Slobodan Markovic,
en verontschuldigde zich voor mijn wonden.
Dit is de enige
Servische verontschuldiging
in heel deze tijd,
en dan nog in een droom
en vanwege een dode dichter.
IZET SARAJLIC
Bittgedanke,
dir zu füssen
Stirb früher als ich, um ein weniges
früher
Damit nicht du
den
weg zum haus
allein zurückgehn mußt
Smeekgedachte, voor jou neergeknield
Sterf vroeger dan ik, een heel klein beetje
vroeger
Opdat niet jij
de weg naar huis
alleen terug moet gaan
Reiner Kunze
O
ist
die
marke schön: der wolf und
die sieben geißlein und
seine pfote ist
ganz
weiß. ..Wer
hat
den brief geschrieben?
Vielleicht
die
sieben geißlein, vielleicht
der
wolf
der wolf ist tot!
Im märchen, tochter, nur
im märchen
O wat
is
die postzegel mooi: de wolf en
de zeven geitjes en
zijn
poot is
helemaal
wit... Wie
heeft
de brief geschreven?
Misschien
de
zeven geitjes,
misschien
de wolf
de
wolf is dood!
In
het sprookje, dochter, alleen
in het sprookje
Reiner Kunze
Ronsard
aan de roos
Als
alle rozenblaadjes zich zouden kunnen
ophopen tot een berg rozen
zouden ze als een immense roos
tot in de ruimte reiken. Heeft de wereld
zoveel rozen verbruikt? Zoveel rozen
als er dagelijks opengaan.
Iedere dag van het jaar is een roos die
van kleur verandert, de levende roos
die eenieder langzaam in zichzelf
ontwaart, nagebootst in de spiegel
van zijn constante overgang: de eenzame roos.
Juan Gil-Albert
DE
GEZAGDRAGERS
Hebben
zich in een kamer verzameld.
Man van de straat
Laat alle hoop varen.
De regeringen
Schrijven niet-aanvalsverdragen.
Kleine man
Maak je testament.
In duistere tijden
Zal daar ook gezongen worden?
Daar zal ook gezongen worden
Van de duistere tijden.
DE ROOK
Het kleine huisje onder de bomen aan het meer.
Uit het dak stijgt rook op.
Ontbrak hij
Hoe troosteloos zouden dan
Huis, bomen en meer zijn.
BERTOLT
BRECHT
DE
DAGERAAD
enkel en alleen door de nacht gebaard.
En ik wees
de vochtige ruiker niet af
die jij me van je tranen gaf
om naar gene zijde van de schaduw te gaan.
Ik werd verscheurd.
Maar jij zei
dat hij niet mocht
sterven.
De dageraad.
LA AURORA
sólo
engendrada por la noche.
Y no depuse
el ramo húmedo
que tú me diste de tus lágrimas
para ir al otro lado de la sombra.
Fui devorado.
Pero tú dijiste
que no podía
morir.
La aurora.
XXXVI
Y
todo
lo que existe en esta hora
de absoluto fulgor
se abrasa, arde
contigo,
cuerpo,
en la incendiada boca
de la noche.
XXXVI
En
alles
wat er op dit uur
van volkomen luister bestaat
verschroeit, verbrandt
met jou, lichaam,
in de verzengende mond
van de nacht.
José
Ángel Valente
Ontwaakt
mijn
stad bij de haven
verzadigd
van nacht
word ik vogel
de
zon heeft vleugels
pijn is een zachte wolk
omdat
de rivier
in mijn hemel vaart
onveranderd
onder de regen
omdat
irissen blauw
rond een vlinder
ruimteloos
hoorbaar zijn
omdat
water
schaduw wint
omdat loslaten
bedding is en
licht
Anne-Marie
Demoen
Deze
bomen voelen zich niet goed
met minder hemel,
deze stenen voelen zich niet goed onder de vreemde voetstappen,
deze gezichten voelen zich alleen maar goed in de zon,
deze harten voelen zich alleen maar goed in de gerechtigheid.
Dit
landschap is hard als het zwijgen,
het drukt zijn zwartgebrande stenen tegen zijn hart,
drukt naar het licht zijn verweesde olijven en zijn wijnranken,
drukt zijn tanden opeen. Er is geen water. Alleen licht.
De weg loopt verloren in het licht en de schaduw van de omheining is ijzer.
Versteend zijn de bomen, de stromen en de stemmen
in het kalkwit van de zon.
De wortel stoot op het marmer. De bestofte struiken.
De muilezel en de rots. Ze hijgen. Er is geen water.
Allen hebben dorst. Jaren reeds.
Allen kauwen een mondvol hemel bovenop hun bitterheid.
Hun ogen zijn rood van slapeloosheid,
een diepe lijn staat gegrift tussen hun wenkbrauwen
zoals een cipres tussen twee bergen bij zonsondergang.
Hun hand zit gekleefd aan hun geweer
hun geweer is het verlengstuk van hun hand
hun hand is het verlengde van hun ziel -
op hun lippen trilt hun woede
en ze dragen hun verdriet zeer diep in hun ogen
als een ster in een kuiltje vol zeezout.
Als ze hun vuisten ballen, is de zon er zeker voor de wereld
als ze glimlachen, vliegt er een kleine zwaluw
uit hun wilde baard als ze slapen, vallen er twaalf sterren
uit hun lege zakken als ze sneuvelen, trekt het leven
de helling op met vlaggen en tamboeren.
Zoveel
jaren hebben ze allen honger, hebben ze
allen dorst, sneuvelen ze allemaal belegerd
vanuit vasteland en zee, de hitte vrat aan hun velden
en het zilt drenkte hun huizen de wind rukte hun deuren uit en
de schaarse paaslelies op het plein door de gaten in hun
overjas komt en gaat de dood hun tong is bitter als de pijnappel
hun honden zijn gestorven opgerold in hun schaduw
de regen geselt hun gebeente.Bovenop hun uitkijkpost
versteend roken ze de mest en de nacht starend naar de
razende zee die de gebroken mast van de maan heeft opgeslokt.
Het brood is op, de kogels zijn op,
nu laden ze hun geweren alleen nog met hun hart.
Zoveel
jaren belegerd vanuit vasteland en zee
hebben ze allen honger, sneuvelen ze allemaal
maar er is niemand dood -
bovenop hun uitkijkpost schitteren hun ogen
een grote vlag, een groot en dieprood vuur
en iedere morgen vliegen duizenden duiven
uit hun handen naar de vier deuren
van de horizon.
Yannis
Ritsos
Kaarslicht
Zodra
zijn wiek
is aangestoken
snelt het naar zijn einde toe
Zwak
is de weerstand
tegen het zoeken naar duisternis.
Van wie heeft het de kracht
voor zijn stille opoffering geërfd?
Maar
het treurt niet,
de beperktheid van zijn levensduur ten spijt
en geniet ieder opflakkerend moment in een dans.
Hwang
Kum-chan
Herfst
Geraakt door de vlam
van één enkele lucifer,
maken ze hun omhulsels los
en gooien ze weg
steeds weer en opnieuw
de najaarsbossen.
Kim
Namjo
Openbaring
op
dertig begon met de dood
jouw openbaar leven
je
brieven je dagboeken
je vrienden alles
werd
te grabbel gegooid
en jij maar lachen
in
je vuistje want je kreeg
toch wat je wou
zie
mij nu jankend
als een hond
zoeken
naar wat tederheid -
zelfs geen spoor
naar
een blije lentetijd
hoe jou liefhebben
hoe
jou troosten hoe
jouw lippen kussen
van
gekloven klei je ogen
bevroren meren
wat
rest mij
dan jou
weg
te schrijven jou
af te schrijven
Helena van Dina
het
lichte vallen van de blaren
vóór de zon
druppels van aanwezigheid
opgevangen
door de wemelende gloed
van de stroom
het
berkenpad wacht op de genodigde
die het middaguur verbindt met middernacht
en
de roep uit de kindertijd
herhaalt
de
geur van het water
dieper dan water
doodsgedachte
flitst op
en gaat weer liggen
deze
warme adem legt alles stil
behalve ons ademen
Annie Reniers
Voordracht
van de meester
Hij
sprak
en
de hemden van boetelingen
vielen op de grond, bezwangerd.
Het
was de keizersnede van de gedachte,
pluchen poppetjes werden geboren, juichend.
Het was het profiel van eenieder,
geknipt uit zwart papier.
Lieveheersbeestjes
kropen vanonder onze nagels.
Je kon het bazuingeschal horen bij Jericho
en het gesis van onze genen.
Het
was schitterend, zoals hij sprak.
Ik
kan me alleen niet meer herinneren
waarover.
Miroslav
Holub
Beroemde
laatste woorden
En
had ik nog één woord over,
het
was een meeuw te zijn,
in het kielzog van zwetende matrozen
gevaarlijk dicht over de schroef te zweven
en krijsend te klapwieken
over een zee die ik de mijne noemen zou.
Of
de zoomlens
in het fototoestel van de pornofotograaf.
Of
jou te zijn,
in jou de dag door te komen
en door jouw ogen te zien
wat ik niet zien kan.
Daniël
Franck
Canción
última
Pintada,
no vacía:
pintada está mi casa
del color de las grandes
pasiones y desgracias.
Regresará
del llanto
adonde fue llevada
con su desierta mesa,
con su ruinosa cama.
Florecerán
los besos
sobre las almohadas.
Y
en torno de los cuerpos
elevará la sábana
su intensa enredadera
nocturna, perfumada.
El
odio se amortigua
detrás de la ventana.
Será
la garra suave.
Dejadme
la esperanza.
Laatste lied
Geschilderd,
niet leeg:
mijn huis is geschilderd
met de kleur van grote
passies en tegenspoed.
Het
zal terugkeren uit het tranendal
waarheen het werd gevoerd
met
zijn verlaten tafel,
met
zijn vervallen bed.
De
kussen zullen
op
de kussens bloeien.
En
het laken
zal
haar intens geurende,
nachtelijke winde rond
de lichamen wentelen.
De
haat
zal
achter het raam bedaren.
De
klauw zal zachtaardig worden.
Laat mij de hoop.
Miguel
Hernández
Casida
del sediento
Arena
del desierto
soy: desierto de sed.
Oasis es tu boca
donde
no he de beber.
Boca:
oasis abierto
a todas las arenas del desierto.
Húmedo punto en medio
de un mundo abrasador,
el de tu cuerpo, el tuyo,
que nunca es de los dos.
Cuerpo:
pozo cerrado
a
quien la sed y el sol han calcinado.
Cárcel
de Ocaña, Mayo 1941
Kasida van de dorstige
Ik
ben het zand van de woestijn:
een woestijn van dorst.
Je mond is een oase,
waaraan
ik mij niet laven mag.
Mond:
oase, open
voor
al het zand van de woestijn.
Vochtig
oord temidden
van
een verzengende wereld,
die
van je lichaam, jouw lichaam,
dat nooit ons beiden toebehoort.
Lichaam:
bron,
die
dorst en zon hebben verkalkt.
Gevangenis
van Ocaña, mei 1941
Miguel Hernández
Pausas
II
No
canta el grillo. Ritma
la música
de una estrella.
Mide
las pausas luminosas
con su reloj de arena.
Traza
sus órbitas de oro
en la desolación etérea.
La
buena gente piensa
- sin embargo -
que canta una cajita
de música en la hierba.
De
krekel zingt niet. Hij geeft
de muziekmaat aan
van een ster.
Hij
meet
de lichtpauzen
met zijn zandloper.
Hij
tekent
zijn gouden banen
in de etherische desolatie.
Maar
de goegemeente denkt
- hoe dan ook -
dat een muziekdoosje zingt in het gras.
José Gorostiza
Dibujos
sobre un puerto a Roberto Montenegro
1. El alba
El
paisaje marino
en pesados colores se dibuja.
Duermen las cosas. Al salir, el alba
parece sobre el mar una burbuja.
Y la vida es apenas
un milagroso reposar de barcas
en la blanda quietud de las arenas.
Beschrijvingen van een haven aan Roberto Montenegro
1. De dageraad
Met
donkere kleuren
komt het zeelandschap tot stand.
De dingen dromen. Bij het opkomen lijkt
de dageraad een zeepbel boven de zee.
En het leven is nauwelijks meer
dan een wonderbaar verpozen van bootjes
op de zachte rust van het zand.
José Gorostiza
Je
zei: 'Mijn dansend vlindertje'
maar
later pas
kon ik de ritmen duiden.
Ik
leunde aan je knie
wanneer de radio gedichten sprak
vergat mijn spel om wat langzaam
en mooi bewoog daarbinnen;
jouw
hand woog op mijn haar -
alsof jij hoeden wilde
wat ik nog niet te noemen wist.
Elisabeth Kappner
Chausseen
Erwürgte
Abendröte
Stürzender Zeit!
Chausseen. Chausseen.
Kreuzwege der Flucht.
Wagenspuren über den Acker,
Der mit den Augen
Erschlagener Pferde
Den brennenden Himmel sah.
Nächte
mit Lungen voll Rauch,
Mit hartem Atem der Fliehenden,
Wenn Schüsse
Auf die Dämmerung schlugen.
Aus zerbrochenem Tor
Trat lautlos Asche und Wind,
Ein Feuer,
Das mürrisch das Dunkel kaute.
Tote,
Über die Gleise geschleudert,
Den erstickten Schrei
Wie einen Stein am Gaumen.
Ein schwarzes
Summendes Tuch aus Fliegen
Schloß ihre Wunden.
Wegen
Gewurgd
avondrood
Van de ineenstorte tijd!
Wegen. Wegen.
Kruiswegen van de vlucht.
Karrensporen over de akker,
Die met de ogen
Van afgemaakte paarden
De brandende hemel zag.
Nachten
met longen vol rook,
Met de zware adem der vluchtenden,
Als schoten
Op de schemering sloegen.
Uit de vernielde deur
Kwam geluidloos as en wind,
Een vuur,
Dat korzelig op het duister kauwde.
Doden,
Over de sporen geslingerd,
De gesmoorde kreet
Als een steen tegen het gehemelte.
Een zwart
Zoemend doek van vliegen
Sloot hun wonden.
Peter Huchel
Der
Garten des Theophrast
Meinem Sohn
Wenn mittags das weiße Feuer
Der Verse über den Urnen tanzt,
Gedenke, mein Sohn. Gedenke derer,
Die einst Gespräche wie Bäume gepflanzt.
Tot ist der Garten, mein Atem wird schwerer,
Bewahre die Stunde, hier ging Theophrast,
Mit Eichenlohe zu düngen den Boden,
Die wunde Rinde zu binden mit Bast.
Ein Ölbaum spaltet das mürbe Gemäuer
Und ist noch Stimme im heißen Staub.
Sie gaben Befehl, die Wurzel zu roden.
Es sinkt dein Licht, schutzloses Laub.
De tuin van Theophrastus
aan
mijn zoon
Als
's middags het witte vuur
Der verzen boven de urnen danst,
Gedenk, mijn zoon. Gedenk diegenen,
Die ooit gesprekken als bomen hebben geplant.
Gestorven is de tuin, mijn ademhaling wordt moeizamer,
Bewaar het uur, hier kwam Theophrastus,
Met run de bodem bemesten,
De gekwetste schors met bast verbinden.
Een olijfboom splijt de vervallen muur
En is nog stem in het hete stof.
Ze gaven het bevel, om de wortel te rooien.
Je licht zinkt, weerloos loof.
Peter Huchel
HET
GEDICHT VAN DE MAAN
Net als jouw gezicht in de duistere kamer
Zo uitgeput en vreemd
Hangt ook de maan aan de zwarte hemel.
Hel, heb ik haar gezien en wit
En hard geslepen, een stuk metaal gelijk.
Op
de vroege, blauwe namiddag
Soms bleek ook en mat,
Als door een kind geschilderd
Met slechte kleuren,
Maar vol tederheid.
DAS
GEDICHT VOM MOND
Wie dein Gesicht im dunklen Zimmer
So aufgelöst und fremd
Hängt auch der Mond am schwarzen Himmel.
Hell sah ich ihn und weiß
Und hart geschliffen wie ein Stück Metall.
Am frühen blauen Nachmittag
Manchmal auch blaß und matt,
Als hätte ihn ein Kind gemalt
Mit schlechten Farben,
Doch voll Zärtlichkeit.
GÜNTER KUNERT
Dag en nacht
Als
de wind die door de bladeren waait
zo waar jij door mijn gedachten
Als
een vogel die tussen de bladeren slaapt
zo slaap jij in mijn gedachte.
Cho
Byung-Hwa
De
brieven
Als
de brieven er niet waren
zo veeleisend
als de brieven er niet waren
en toch
blijft de angst
voor een tijd zonder brieven
zijn ze me allemaal vergeten?
Ernst
Jandl
Die briefe
Wenn
nur die briefe nicht wären
so fordernd
wenn nur die briefe nicht wären
und doch
bleibt angst
vor einer zeit ohne briefe
haben mich alle vergessen?
Ernst Jandl
ZOALS
JIJ
Zoals
jij,
hou ik van de liefde, van het leven, van de zoete
tover der dingen, van het hemelse
landschap der januaridagen.
Ook mijn bloed stroomt
en ik lach met ogen
die het opwellen van tranen hebben gekend.
Ik geloof dat de wereld mooi is,
dat poëzie als brood is, van iedereen.
En dat mijn aderen niet in mij eindigen
maar in het unanieme bloed
van hen die vechten voor het leven,
voor de liefde,
voor de dingen,
het landschap en het brood
de poëzie van iedereen.
Roque
Dalton
ZELFMOORD
De laatste van alle deuren
Maar nooit heeft men
reeds aan alle deuren aangeklopt
Reiner
Kunze
Liefdesgedicht
voor
haar
De roos is gesnoeid
het najaarsfruit geborgen
de drift werd onderploegd
het talhout saamgebonden
de winters werden koud
en zonder ongestuim
de weemoed
feller dan het bloed
maar
soms
beneveld door de lesdrank
der herinnering
drijft de hartstocht
haar naar me toe
kleedt ze haar opgespaarde dromen uit
kamt ze met vleivingers
door mijn dun geworden haar
tot ik met de inkt van weleer
weer liefdesverzen schrijf.
GERMAIN
DROOGENBROODT
Tussen
de stilte van je lippen
…toi
qui m’as consolé
Gérard de Nerval
Tussen de stilte van je lippen
heb ik mijn tenten opgezet
op je roerloos meer
mijn zeilen blind gelegd
aan je blanke borst
mijn oud verdriet gestild
tot regen en wind gezegd:
dit is mijn nieuwe huis
niet op een rots
maar op haar lichaam gebouwd
hier zullen haar streelvingers
gries en meel tot liefde kneden
voor mij, zigeuner, ´s nachts
tussen cactus en distel geboren
waar nevelgrijs nacht
en dageraad scheidt
hier, waar ik dorst en droefheid
maar ook de eeuwigheid proefde
zal mijn schip
zijn schaardig anker werpen
als het radeloos
mast en riemen breekt.
GERMAIN
DROOGENBROODT
Broze
verwachting
Ik mis je
ik mis je hart- en been doordringend
maar
ik ril om de kruik
die ik zacht van zinnen
uit mijn gemoed
heb gelicht
en
die nu
langs klip en rif
naar je toe
moet zeilen
van
verwachting broos.
Germain
Droogenbroodt
Onvoltooid
liefdesgedicht
Uit de hooiberg der taal
heb ik de eerste regel
van een liefdesvers gelicht
broos geluk
van eigen teelt
kwetsbaar
als een akker amelkoren
vóór de oogst
roekeloos
als de purpervlinder
die steeds dichter kringt
omheen het licht:
smeulend lokvuur
dat aast
op een fellere gloed
tussen het stille lippenrood
van de avond die sterft.
GERMAIN
DROOGENBROODT
Verlangen
De hemel hangt vol blauw
en weerloos wit
broos en waterbleek
als opgespaard verlangen
Weemoedzacht
valt af en toe wat regen
het waterschuwe vogelvolk
houdt dan de stemmen stil
en kijkt verwonderd
naar mijn roekeloos gemoed
dat met zijn zeilen van papier
het anker heeft gelicht.
GERMAIN
DROOGENBROODT
Van
alle verzen ooit geschreven...
Van alle verzen ooit geschreven
wil ik voor jou het laatste vers
de laatste regel zijn, mijn licht
mijn lente, mijn tastbaar leven
mijn
vingers van satijn
zullen het ivoor van je lichaam bespelen
en met je streelvingers erotische tango’s
en hartstochtelijke sevillanas dansen
als
zoete najaarsdruiven zal ik
je haren lezen één voor één
de diepe meren van je ogen bevaren
ik
zal mij aan hun glinsters bedrinken
en aan de nectar van je mond
en in je eigenste leven binnentreden.
Germain
Droogenbroodt
Gebed
Nu
de avond valt
die van de dag
de wim
pers
sluit
en van de hemel opbergt
het tedere blauw
geef ook mij, ster
die van de nacht
het blinde oog verlicht
meer helderheid
meer zicht.
GERMAIN DROOGENBROODT
TASTBARE
AFWEZIGHEID
tentativa
neo-sensacionista
Zoals het parfum van een v
rouw
als nagelaten leegte
kamers bevolkt en ontvolkt
Zoals
muurvocht
van het weerloze oog
de dunne wanden weekt
Zoals in de trommelholte
een schreeuw van stilte
de weerbaarheid breekt
Zo tastbaar is
afwezigheid.
GERMAIN
DROOGENBROODT
ACTAEON
Bij
de aanblik
versteende het lichaam
niet het oog
Diana, met borsten
mooier dan wat de bergen
van Beotië weerspiegelden
in de avondgloed.
Kom geliefde
sprak de v
rouw
, kom
en toonde het
- allemaal.
En argeloos ging hij
licht als een hert
vert
rouw
end de honden
vert
rouw
end de godin.
Actaeon,
herder uit Beotië,
die
Diana bij het baden bespiedde.
Zij veranderde hem in een hert,
waarna
hij door zijn eigen honden werd verscheurd.
GERMAIN
DROOGENBROODT
|